Woningwet
Wet van 29 augustus 1991 tot herziening van de Woningwet
(Woningwet [Versie geldig vanaf: 01-01-2002])
Geschiedenis: Staatsblad 1996, 312;Staatsblad 1996, 313;Staatsblad 1996, 366;Staatsblad 1997, 63;Staatsblad 1997, 226;Staatsblad 1997, 580;Staatsblad 1998, 132;Staatsblad 1998, 232;Staatsblad 1998, 446;Staatsblad 1998, 458;Staatsblad 1998, 459;Staatsblad 1998, 582;Staatsblad 1999, 30;Staatsblad 1999, 302;Staatsblad 1999, 553;Staatsblad 2000, 505;Staatsblad 2001, 581
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede uit het oogpunt van vereenvoudiging en vermindering van regelgeving, alsmede uit het oogpunt van decentralisatie nieuwe voorschriften te geven omtrent het bouwen en de volkshuisvesting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Kamerstukken II 1986-1987; 1987-1988; 1988-1989; 1989-1990; 1990-1991, 20066
Handelingen II 1989-1990, blz. 3518-3556; 3574-3598; 3606-3630; 3664-3668; 3830
Kamerstukken I 1989-1990 20066 (207); 1990-1991 20066 (66, 66a, 66b, 66c, 66d, 66e, 66f)
Handelingen I 1990-1991, zie vergadering d.d. 27 augustus 1991
HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;
b. slopen: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan;
c. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
d. woonkeet: een loods, keet of ander soortgelijk bouwwerk, bestemd om te voorzien in een tijdelijke behoefte aan woongelegenheid;
e. woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
f. bestemmingsplan: een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing;
g. rooilijn: de lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden;
h. standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
i. norm: een document, uitgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen een bouwmateriaal, bouwdeel of bouwconstructie moet voldoen dan wel waarin een omschrijving wordt gegeven van een keurings-, meet- of berekeningsmethode;
j. kwaliteitsverklaring: een schriftelijk bewijs, voorzien van een merkteken, aangewezen door Onze Minister, afgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, aangewezen door Onze Minister, op grond waarvan een bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel een bouwwijze, indien dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel die bouwwijze bij het bouwen wordt toegepast, wordt geacht te voldoen aan krachtens deze wet aan dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel die bouwwijze gestelde eisen;
k. aansluitvoorwaarden: door representatieve organisaties van openbare nutsbedrijven, van andere instellingen of van gemeenten opgestelde voorschriften waaraan moet worden voldaan, opdat een woning of gebouw kan worden aangesloten op het leidingnet van die bedrijven, instellingen of gemeenten;
l. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
m. inspecteur: de inspecteur van de volkshuisvesting;
n. toegelaten instelling: instelling als bedoeld in artikel 70;
o. fonds: Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in artikel 71.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder woning mede verstaan een afzonderlijk gedeelte van een gebouw, welk gedeelte tot bewoning is bestemd.
HOOFDSTUK II. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET BOUWEN, DE STAAT VAN BESTAANDE BOUWWERKEN EN STANDPLAATSEN, HET GEBRUIK, HET SLOPEN EN DE WELSTAND
Afdeling 1. Voorschriften betreffende het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken en standplaatsen
Artikel 2
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen, woonketen, woonwagens en andere gebouwen.
2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.
3. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde.
4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid en gezondheid technische voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde.
5. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van standplaatsen.
6. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid technische voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande standplaatsen.
7. Aan een voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk of standplaats kunnen voorschriften worden verbonden.
8. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 3
1. Bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden verwezen naar:
a. normen of delen van normen en
b. kwaliteitsverklaringen.
2. Bij de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden verwezen naar de voorschriften in de aansluitvoorwaarden, die van bouwtechnische aard zijn.
Artikel 4
De bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften omtrent het bouwen vinden bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen en bij het vergroten van een bouwwerk of standplaats slechts toepassing voor zover zij betrekking hebben op die vernieuwing, verandering of vergroting.
Artikel 5
Op de voordracht van Onze Minister wordt de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur in overeenstemming gebracht met technische voorschriften omtrent het bouwen, die zijn of worden gegeven bij of krachtens een andere algemene maatregel van bestuur.
Artikel 6
1. Bij een voorschrift, gegeven bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur, kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders van dat voorschrift vrijstelling kunnen verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau.
2. Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog hebben.
Artikel 7
1. Onze Minister kan op verzoek van een aanvrager om bouwvergunning, bedoeld in artikel 40, eerste lid, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, met dien verstande dat, indien het verzoek betrekking heeft op voorschriften als bedoeld in artikel 5, hij de vrijstelling slechts kan verlenen in overeenstemming met het bij of krachtens de desbetreffende wet daartoe bevoegd verklaarde gezag.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring van burgemeester en wethouders, dat zij de desbetreffende bouwvergunning zullen verlenen indien vrijstelling als bedoeld in dat lid, is verkregen.
3. Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog hebben.
4. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, doet Onze Minister daarvan mededeling aan burgemeester en wethouders.
5. De verlening van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en de verlening van vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, worden geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking hebben.
Artikel 7a
1. Onze Minister kan met het oog op duurzaam bouwen in een bijzonder geval burgemeester en wethouders toestaan door hun voorgestelde nadere voorschriften op te leggen ter voldoening aan de technische voorschriften, gegeven bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2. Dit toestaan kan ook betrekking hebben op door burgemeester en wethouders voorgestelde, uit het oogpunt van milieu op te leggen technische voorschriften, waarin de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, niet voorziet. Een verzoek van burgemeester en wethouders geschiedt mede aan de hand van een door Onze Minister ter beschikking gesteld formulier. Het verzoek, alsmede de daarbij voorgestelde op te leggen voorschriften zijn gemotiveerd en van een toelichting voorzien.
2. Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van een verzoek om toestemming. Hij kan die beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen. Indien toestemming wordt verleend, geldt die toestemming alleen voor het geval waarop het verzoek betrekking heeft. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
3. De toestemming op een verzoek van burgemeester en wethouders is van rechtswege verleend indien Onze Minister:
a. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek een beslissing op dat verzoek heeft genomen,
b. niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van burgemeester en wethouders heeft besloten de beslissing op dat verzoek te verdagen, of
c. niet binnen de termijn waarmee de beslissing op het verzoek van burgemeester en wethouders is verdaagd, een beslissing op dat verzoek heeft genomen.
Deze verlening van toestemming wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 2. De bouwverordening
Artikel 8
1. De gemeenteraad stelt een bouwverordening vast, die uitsluitend de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met zesde lid, bevat.
2. De bouwverordening bevat voorschriften omtrent:
a. het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en standplaatsen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot:
1°. de beschikbaarheid van drinkwater en energie;
2°. de reinheid;
3°. het bestrijden van schadelijk of hinderlijk gedierte;
4°. de brandveiligheid en
5°. voor zover het woningen, woonketen of woonwagens betreft, het aantal personen dat in een dergelijk gebouw mag wonen;
b. het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden;
c. het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, voor zover dat bouwen betrekking heeft op bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en waarvoor vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, is vereist. Deze voorschriften gelden niet voor bouwwerken die, ongeacht hun bestemming:
1°. hoewel vergunningplichtig, naar hun aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk als genoemd in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 42, eerste lid, of
2°. de grond niet raken en waarbij het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.
De voorschriften hebben in elk geval betrekking op:
1°. het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem,
2°. aard en omvang van het onderzoek, en
3°. inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport;
d. het slopen, waaronder begrepen voorschriften omtrent selectief slopen;
e. de vorm en de plaatsing van het kenteken van onbewoonbaarverklaring, bedoeld in artikel 31;
f. de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 en van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 61;
g. de overdraagbaarheid van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, een mededeling als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, een woonvergunning als bedoeld in artikel 60 en een vergunning als bedoeld in artikel 61;
h. het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot:
1°. de veiligheid op de bouw- of sloopplaats;
2°. de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen mag worden en wordt begonnen;
3°. de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen moet zijn begonnen en het bouwen of het slopen moet zijn beëindigd, alsmede de wijze van gereedmelding van het bouwen of het slopen;
4°. de termijn gedurende welke het bouwen of het slopen ten hoogste mag stilliggen;
5°. bescheiden die op de bouw- of sloopplaats aanwezig moeten zijn;
6°. opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen, die met betrekking tot het bouwen of het slopen noodzakelijk zijn en
7°. het tijdstip en de wijze van overleggen van kwaliteitsverklaringen en van nadere gegevens met betrekking tot de installaties voor drinkwater en energie, en
i. het stilleggen van bouwwerkzaamheden, bedoeld in artikel 100, derde lid, waaronder in elk geval is begrepen het voorschrift dat de bouwwerkzaamheden kunnen worden stilgelegd, indien blijkt dat niet is voldaan aan het voorschrift, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, in verbinding met het vierde lid, of aan een ingevolge artikel 56 aan de verlening van de bouwvergunning verbonden voorwaarde.
3. De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning, bedoeld in artikel 40, eerste lid, waaronder in elk geval het voorschrift:
a. dat bij de aanvraag om bouwvergunning het in het tweede lid, onder 3°, bedoelde onderzoeksrapport wordt overgelegd, voor zover het verrichten van onderzoek naar de gesteldheid van de grond, overeenkomstig dat lid, verplicht is;
b. dat de aanvrager, indien het bouwen waarvoor bouwvergunning wordt aangevraagd tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet is vereist, gelijktijdig met de aanvraag om bouwvergunning de aanvraag om die andere vergunning indient, tenzij die andere vergunning reeds is aangevraagd, en bij de indiening van de aanvraag om bouwvergunning overlegt:
1°. een afschrift van de aanvraag om die andere vergunning, dan wel
2°. indien de beschikking op de aanvraag om die andere vergunning reeds is gegeven, een afschrift van die beschikking;
c. dat de aanvrager bij de aanvraag om bouwvergunning voorts onderstaande gegevens aan burgemeester en wethouders verstrekt:
1°. de plaats van het bouwwerk alsmede de van belang zijnde kadastrale gegevens daarvan;
2°. de aard van de bouwwerkzaamheden;
3°. ingeval het bouwwerk wordt gebouwd krachtens aanneming van werk: de naam en het adres van de onderneming die het bouwwerk uitvoert;
4°. ingeval het bouwwerk bedrijfsmatig in eigen beheer wordt gebouwd: de naam en het adres van de onderneming die in eigen beheer bouwt alsmede de naam en het adres van ondernemingen die deelnemen aan het bouwen en
5°. ingeval het bouwwerk niet-bedrijfsmatig in eigen beheer wordt gebouwd: de naam en het adres van de opdrachtgever, de naam en het adres van ondernemingen die deelnemen aan het bouwen alsmede voor welk onderdeel de desbetreffende onderneming zorgdraagt;
d. dat de aanvrager, indien hij het bouwwerk geheel of gedeeltelijk krachtens aanneming van werk door een of meer ondernemingen laat uitvoeren, bij de aanvraag om bouwvergunning een door de desbetreffende Kamer van Koophandel en Fabrieken gewaarmerkte fotografische reproduktie van de over die onderneming of ondernemingen in het register, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit registratie vestigingsvergunningen en -ontheffingen opgenomen gegevens, aan burgemeester en wethouders overlegt, en
e. dat de houder van de bouwvergunning, indien voorafgaande aan het bouwen dan wel gedurende het bouwen wijzigingen in de in onderdeel c genoemde gegevens optreden, deze wijzigingen binnen twee dagen na het optreden daarvan aan burgemeester en wethouders mededeelt en daarbij, voor zover van toepassing, gelijktijdig de daarmee samenhangende in onderdeel d bedoelde fotografische reproduktie overlegt.
4. De bouwverordening bevat tevens voorschriften omtrent de wijze van inrichting en indiening van een melding van het voornemen tot het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 42, waaronder in elk geval zijn begrepen overeenkomstige voorschriften als die, bedoeld in het derde lid, onderdelen c, d en e.
5. De bouwverordening kan voorschriften bevatten van stedebouwkundige aard. Tot die voorschriften kunnen behoren voorschriften met betrekking tot:
a. de wegen waaraan mag worden gebouwd;
b. de rooilijnen, en
c. de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar, mede uit het oogpunt van bereikbaarheid van die bouwwerken.
6. De bouwverordening bevat voorts criteria omtrent redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, alsmede voorschriften omtrent de wijze waarop door een commissie van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in de artikelen 42, tweede lid, en 48, eerste lid, wordt bezien of een te bouwen bouwwerk niet in strijd is met die eisen.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in de bouwverordening voorschriften worden gegeven omtrent andere onderwerpen dan die, genoemd in het tweede tot en met zesde lid.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van eenheid in de bouwverordeningen regelen worden gegeven omtrent de inhoud van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met vierde, zesde en zevende lid.
9. De gemeenteraad brengt binnen een jaar na het in werking treden van de krachtens het achtste lid en de krachtens artikel 120 gegeven voorschriften de bouwverordening met die voorschriften in overeenstemming. Zolang de bouwverordening niet met die voorschriften in overeenstemming is gebracht, gelden die voorschriften rechtstreeks.
Artikel 9
1. Voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan blijven eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.
2. De voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.
Artikel 10
De in de bouwverordening vervatte voorschriften omtrent de rooilijnen en de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar zijn niet van toepassing op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, voor zover het te vernieuwen of veranderen gedeelte van dat bouwwerk overeenkomstig het destijds geldende recht in afwijking van die voorschriften tot stand is gekomen.
Artikel 11
1. Bij een in de bouwverordening gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn van dat voorschrift vrijstelling te verlenen, tenzij het een voorschrift betreft waarmee de bouwverordening krachtens artikel 8, negende lid, in overeenstemming is gebracht.
2. Bij een in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8, achtste lid, gegeven voorschrift kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van dat voorschrift.
3. Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid, mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, waarop de voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog hebben.
Afdeling 3. De welstand
Artikel 12
1. Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, tenzij bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk of de standplaats is of wordt gebouwd, die eisen niet van toepassing zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in artikel 43.
3. Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, worden in de gemeente bij dat besluit belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen betrokken overeenkomstig bij de bouwverordening gestelde regels.
HOOFDSTUK III. BIJZONDERE MAATREGELEN
Afdeling 1. Toezicht op bouwwerken, open erven en terreinen
Artikel 13
Burgemeester en wethouders gaan na:
a. welke woningen, woonketen en woonwagens ongeschikt zijn voor bewoning;
b. welke woningen, woonketen en woonwagens, ofschoon niet ongeschikt voor bewoning, voorzieningen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, behoeven;
c. welke woningen, woonketen en woonwagens worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening;
d. welke gebouwen, geen woningen, woonketen of woonwagens zijnde, voorzieningen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, behoeven dan wel worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening;
e. welke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of standplaatsen voorzieningen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, behoeven dan wel worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, en
f. welke open erven en terreinen in een staat verkeren, die niet voldoet aan de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening dan wel worden gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening.
Afdeling 2. Aanschrijving tot het treffen van voorzieningen en tot het aanbrengen van verbeteringen
Artikel 14
1. Indien een woning, woonkeet of woonwagen wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, schrijven burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.
2. Burgemeester en wethouders kunnen in de aanschrijving, bedoeld in het eerste lid, bepalen dat aan de aanschrijving in fasen binnen door hen te bepalen afzonderlijke termijnen mag worden voldaan.
3. Indien een woning, woonkeet of woonwagen wordt bewoond op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, schrijven burgemeester en wethouders de hoofdbewoner of elke afzonderlijke bewoner aan binnen een door hen te bepalen termijn de bewoning in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
Artikel 15
1. Indien een woning of woongebouw uit het oogpunt van woongerief niet aan de eisen des tijds voldoet, doch door het aanbrengen van verbeteringen alsnog geheel of ten dele aan die eisen kan worden aangepast, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van die verbeteringen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen.
2. De verbeteringen waartoe kan worden aangeschreven, zijn:
a. het maken van een binnen de woning gelegen toiletruimte;
b. het maken van een binnen de woning gelegen badruimte;
c. het maken van een binnen de woning gelegen ruimte, waarin een opstelplaats voor een aanrecht en voor een kooktoestel zijn gesitueerd;
d. het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructies;
e. het thermisch isoleren van de constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte, en
f. het ten behoeve van de verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met een opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de bestaande verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
3. De aanschrijving omvat, indien nodig, mede van rechtswege de als gevolg van het aanbrengen van de in het tweede lid, onder a tot en met c, genoemde verbeteringen noodzakelijke wijziging van de indeling of van de inwendige constructie van de woning.
4. In de aanschrijving kan worden bepaald dat daaraan in fasen mag worden voldaan.
Artikel 15a
1. Indien een gehandicapte in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten bij het normale gebruik van de door hem bewoonde woning ergonomische beperkingen ondervindt, die door het verrichten van bouwkundige of woontechnische ingrepen in of aan de woning kunnen worden opgeheven of verminderd, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het verrichten van die ingrepen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
2. Burgemeester en wethouders vaardigen een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid slechts uit voor zover voor het verrichten van die ingrepen geldelijke steun kan worden verleend.
3. Met betrekking tot de in dit artikel bedoelde aanschrijving is artikel 15, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1. Behoudens in geval van gevaar of ernstige hinder schrijven burgemeester en wethouders, indien zij voornemens zijn een aanschrijving als bedoeld in artikel 14, eerste lid, uit te vaardigen en de woning naar hun oordeel tevens verbeteringen behoeft, als bedoeld in artikel 15, waartoe kan worden aangeschreven, of ingrepen behoeft, als bedoeld in artikel 15a, degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen of het aanbrengen van de verbeteringen of het verrichten van de ingrepen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aangegeven voorzieningen te treffen en de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen of de door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn een aanschrijving als bedoeld in artikel 15 uit te vaardigen en de woning naar hun oordeel tevens voorzieningen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of ingrepen als bedoeld in artikel 15a behoeft, schrijven zij degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van de verbeteringen en het treffen van de voorzieningen of het verrichten van de ingrepen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen en de door hen aan te geven voorzieningen te treffen of door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
3. Burgemeester en wethouders kunnen in de aanschrijving, bedoeld in het eerste of tweede lid, bepalen dat aan de aanschrijving in fasen binnen door hen te bepalen afzonderlijke termijnen mag worden voldaan.
Artikel 17
1. Indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.
2. Burgemeester en wethouders kunnen in de aanschrijving, bedoeld in het eerste lid, bepalen dat aan de aanschrijving in fasen binnen door hen te bepalen afzonderlijke termijnen mag worden voldaan.
3. Indien een gebouw als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
4. Indien de aanschrijving, bedoeld in het derde lid, geschiedt met het oog op gevaar of ernstige hinder, kunnen burgemeester en wethouders in de aanschrijving tevens bepalen dat gedurende de in dat lid bedoelde termijn het gebruik van het gebouw moet worden gestaakt.
Artikel 17a
1. Indien een gebouw, niet zijnde een woning, woongebouw, woonwagen of woonkeet, uit het oogpunt van energiezuinigheid niet aan de eisen des tijds voldoet, doch door het aanbrengen van verbeteringen alsnog geheel of ten dele aan die eisen kan worden aangepast, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van die verbeteringen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen.
2. De verbeteringen waartoe kan worden aangeschreven, zijn:
a. het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructies;
b. het thermisch isoleren van de constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte, en
c. het ten behoeve van de verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met een opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de bestaande verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
3. In de aanschrijving kan worden bepaald dat daaraan in fasen mag worden voldaan.
Artikel 17b
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op een gebouw, niet zijnde een woning, woongebouw, woonwagen of woonkeet.
Artikel 18
1. Indien een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, of een standplaats wegens strijd met de in artikel 2, derde lid, onderdeel a, respectievelijk artikel 2, vierde lid, onderdeel a, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, derde lid, onderdeel b, respectievelijk artikel 2, vierde lid, onderdeel b, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.
2. Indien een bouwwerk of standplaats als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
Artikel 19
Indien het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, voor het bouwen waarvan bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, is verleend, in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven daartoe strekkende voorzieningen te treffen.
Artikel 20
1. Indien de staat van een open erf of terrein niet voldoet aan de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de staat in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
2. Indien een open erf of terrein als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
Artikel 21
1. Degene, tot wie een aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
2. Indien burgemeester en wethouders in de aanschrijving vermelden, dat deze verband houdt met gevaar of ernstige hinder, moet degene, tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, ook al is die aanschrijving nog niet onherroepelijk, bij voorraad aan die aanschrijving voldoen.
3. Indien tegen een aanschrijving als bedoeld in het tweede lid, een bezwaarschrift is ingediend of beroep is ingesteld en het bezwaarschrift gegrond is verklaard of de beslissing op het beroep inhoudt dat ten onrechte is aangeschreven, vergoedt de gemeente de schade die het gevolg is van het bij voorraad voldoen aan de aanschrijving.
Artikel 22
1. In afwijking van artikel 1590 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, is elke bewoner van een woning of een gebruiker van een gebouw verplicht het aanbrengen of verrichten van de in een aanschrijving als bedoeld in artikel 15, eerste lid, 15a, [Tekstcorrectie: “eerste lid”” moet zijn “eerste lid,”] 16, 17a of 17b genoemde verbeteringen of ingrepen door of vanwege degene, tot wie de aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger te gedogen.
2. Ingeval enige bewoner van een woning niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde gedoogplicht, zijn de door de burgemeester en wethouders aan te wijzen personen bevoegd zonder toestemming van die bewoner de woning binnen te treden ten einde de in de aanschrijving aangegeven verbeteringen aan te brengen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
3. Burgemeester en wethouders geven slechts toepassing aan het bepaalde in het tweede lid op verzoek van en na overleg met degene tot wie de in het eerste lid bedoelde aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger.
4. Een machtiging tot binnentreden wordt niet gegeven dan nadat burgemeester en wethouders de in het tweede lid bedoelde bewoner schriftelijk hebben gewaarschuwd.
5. Indien ten behoeve van een woning waarop een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, rust, wijzigingen moeten worden aangebracht in een andere woning of ander gebouw, is de eigenaar van die andere woning of dat andere gebouw of diens rechtsopvolger alsmede iedere bewoner van die andere woning of iedere gebruiker van dat andere gebouw, na schriftelijke aanzegging door burgemeester en wethouders, verplicht het aanbrengen van die wijzigingen door of vanwege degene, tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger te gedogen. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1. Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een woning, woonkeet of woonwagen, laten zij bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van de bewoning.
2. Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht de in het eerste lid genoemde keuze te laten ingeval de woning of woonwagen behoort tot een in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte bij verordening aangewezen categorie van woningen of woonwagens.
3. Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een niet tot bewoning bestemd gebouw, een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel op een standplaats, laten zij bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het treffen van de voorzieningen en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van het gebruik, in verband waarmede de voorzieningen worden gelast.
4. In afwijking van het eerste en derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving geschiedt met het oog op ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, bij die aanschrijving de keuze laten tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn slopen van het bouwwerk of de standplaats, met dien verstande dat indien het slopen krachtens enig wettelijk voorschrift verboden is, zij slechts aanschrijven tot het treffen van de voorzieningen.
Artikel 24
Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving als bedoeld in artikel 23, eerste of derde lid, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving geschiedt met het oog op gevaar of ernstige hinder, kunnen zij, in plaats van de in die leden bedoelde keuze, de keuze laten tussen het treffen van de voorzieningen en het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn slopen van het bouwwerk of de standplaats, met dien verstande dat indien het slopen ingevolge enig wettelijk voorschrift verboden is, zij de keuze, bedoeld in die leden, laten.
Artikel 25
Behoudens in geval van gevaar of ernstige hinder vaardigen burgemeester en wethouders gedurende drie jaren na de bekendmaking van een aanschrijving tot het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen met betrekking tot hetzelfde bouwwerk of dezelfde standplaats niet wederom een dergelijke aanschrijving uit.
Artikel 26
1. Spoedeisende gevallen uitgezonderd gaan burgemeester en wethouders niet over tot toepassing van bestuursdwang in geval van strijd met:
a. een bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschrift omtrent bouwwerken of standplaatsen;
b. een in de bouwverordening gegeven voorschrift omtrent bestaande bouwwerken, standplaatsen of open erven en terreinen, of
c. redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
dan nadat zij de aanschrijving hebben uitgevaardigd, de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken of, indien gedurende die termijn op grond van artikel 8:81 van die wet een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, en de in die aanschrijving bepaalde termijn is verstreken.
2. Burgemeester en wethouders kunnen de beschikking tot toepassing van bestuursdwang gelijktijdig met de desbetreffende aanschrijving bekendmaken. Deze beschikking tot toepassing van bestuursdwang wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.
3. Ingeval burgemeester en wethouders een aanschrijving met toepassing van artikel 23, eerste of derde lid, of artikel 24 hebben uitgevaardigd, is het eerste lid van toepassing, met dien verstande dat zij, indien niet is voldaan aan enig in de aanschrijving genoemd alternatief, tot één van die alternatieven kunnen dwingen.
4. Voor de toepassing van de artikelen 5:25 en 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder «overtreder» mede begrepen de rechtsopvolger van degene, tot wie een aanschrijving is gericht.
Artikel 27
1. De inspecteur kan bij met redenen omkleed voorstel burgemeester en wethouders verzoeken een aanschrijving met betrekking tot een woning, woonkeet, woonwagen of standplaats uit te vaardigen.
2. Burgemeester en wethouders nemen naar aanleiding van een voorstel als bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na de dag, waarop zij dat voorstel hebben ontvangen, een beslissing.
Artikel 28
1. Burgemeester en wethouders doen mededeling van een aanschrijving als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, 15a, 16, 17, eerste lid, 17a, eerste lid, 17b, 18, eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op een standplaats, of 19, door toezending van een afschrift aan de hoofdbewoner of iedere afzonderlijke bewoner van de woning, woonkeet of woonwagen dan wel hoofdgebruiker of iedere afzonderlijke gebruiker van het gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, of van de standplaats, alsmede aan een ieder die als beslaglegger of hypotheekhouder is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Toezending van het in het eerste lid bedoelde afschrift aan een beslaglegger of hypotheekhouder geschiedt aan de bij het beslag, onderscheidenlijk de inschrijving van de hypotheek gekozen woonplaats.
3. Burgemeester en wethouders doen voorts zo spoedig mogelijk een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van dat wetboek is niet van toepassing.
4. Zodra aan een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, is voldaan, deze met toepassing van bestuursdwang ten uitvoer is gelegd en de daaraan verbonden kosten zijn voldaan, dan wel deze aanschrijving is ingetrokken, doen burgemeester en wethouders daarvan schriftelijk binnen twee weken mededeling aan degene, tot wie de aanschrijving was gericht, alsmede aan de overige in dat lid bedoelde personen.
5. Burgemeester en wethouders doen voorts een mededeling als bedoeld in het vierde lid, zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek.
6. Het vierde en vijfde lid zijn eveneens van toepassing indien een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid, vervalt op een andere wijze dan genoemd in het vierde lid, of indien burgemeester en wethouders ingevolge artikel 29, tweede lid, besluiten tot onbewoonbaarverklaring van de woning of woonwagen.
Afdeling 3. Onbewoonbaarverklaring
Artikel 29
1. Indien een woning of woonwagen ongeschikt is voor bewoning en door het treffen van voorzieningen als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, of 16, niet alsnog in bewoonbare staat kan worden gebracht, wordt die woning of woonwagen door burgemeester en wethouders, de inspecteur gehoord, onbewoonbaar verklaard.
2. Burgemeester en wethouders besluiten eveneens tot onbewoonbaarverklaring van een woning of woonwagen, indien aan een aanschrijving als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, of 16, niet is voldaan, de woning of woonwagen ongeschikt is voor bewoning en geen bestuursdwang wordt toegepast.
3. Een beslissing tot onbewoonbaarverklaring omvat tevens een bevel tot ontruiming van de woning of woonwagen binnen een bij die beslissing te bepalen termijn van ten hoogste zes maanden na de dag, waarop de beslissing tot onbewoonbaarverklaring van kracht is geworden.
4. Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van het derde lid, een langere termijn stellen dan zes maanden, indien de woning of woonwagen deel uitmaakt van een door de gemeenteraad, de inspecteur gehoord, vastgesteld plan, dat binnen een daarbij te bepalen termijn de geleidelijke ontruiming verzekert van de in dat plan aangewezen voor onbewoonbaarverklaring in aanmerking komende woningen of woonwagens.
5. De in het derde lid bedoelde termijn kan door burgemeester en wethouders, de inspecteur gehoord, telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
6. Burgemeester en wethouders maken een beslissing tot onbewoonbaarverklaring zo spoedig mogelijk bekend aan degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde bevoegd is de woning of woonwagen alsnog in bewoonbare staat te brengen, aan de hoofdbewoner of iedere afzonderlijke bewoner, aan een ieder die als beslaglegger of hypotheekhouder is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek en aan de inspecteur.
7. De bekendmaking, bedoeld in het zesde lid, aan een beslaglegger of hypotheekhouder geschiedt aan de bij het beslag, onderscheidenlijk de inschrijving van de hypotheek gekozen woonplaats.
Artikel 30
1. De inspecteur kan bij met redenen omkleed voorstel burgemeester en wethouders verzoeken een woning of woonwagen onbewoonbaar te verklaren.
2. Burgemeester en wethouders nemen naar aanleiding van een voorstel als bedoeld in het eerste lid, binnen dertien weken na de dag, waarop zij dat voorstel hebben ontvangen, een beslissing.
Artikel 31
Zodra de beslissing tot onbewoonbaarverklaring van kracht is geworden, wordt door burgemeester en wethouders aan de onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen een kenteken aangebracht, waarop duidelijk is vermeld dat de woning of woonwagen onbewoonbaar is verklaard.
Artikel 32
1. Het is verboden een onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen na de dag, waarop het in artikel 31 bedoelde kenteken is aangebracht, als woning of woonwagen in gebruik te hebben, te nemen of te geven.
2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van degene, die de woning of woonwagen op de dag waarop het in artikel 31 bedoelde kenteken is aangebracht reeds gedurende ten minste zes maanden onafgebroken bewoont, zolang die bewoning niet wordt onderbroken en de termijn van ontruiming niet is verstreken.
Artikel 33
Indien na het verstrijken van de overeenkomstig artikel 29 gestelde termijn van ontruiming de bewoning van de onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen voortduurt dan wel die woning of woonwagen in strijd met artikel 32 wordt bewoond, beslissen burgemeester en wethouders tot toepassing van bestuursdwang.
Artikel 34
Indien burgemeester en wethouders bestuursdwang toepassen ingeval na het verstrijken van de termijn van ontruiming, bedoeld in artikel 29, de bewoning van de onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen voortduurt dan wel die woning of woonwagen in strijd met artikel 32 wordt bewoond, wordt de daartoe strekkende beschikking tevens bekendgemaakt aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid. Artikel 29, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
[Vervallen.]
Artikel 36
1. Indien een onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen na verloop van de ingevolge artikel 29 gestelde ontruimingstermijn gevaar of ernstige hinder veroorzaakt, besluiten burgemeester en wethouders tot het slopen van die woning of woonwagen of tot het nemen van andere maatregelen, waardoor het gevaar of de hinder wordt weggenomen.
2. Burgemeester en wethouders maken een beslissing als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk bekend aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid. Artikel 29, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De eigenaar van een woning of woonwagen als bedoeld in het eerste lid, of zijn rechtsopvolger, is verplicht het slopen of het nemen van andere maatregelen als bedoeld in dat lid, te gedogen en is de daaraan verbonden kosten verschuldigd, tenzij die kosten redelijkerwijs niet te zijnen laste behoren te komen.
4. Bij de mededeling van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, vermelden burgemeester en wethouders tevens of en in hoeverre de in het derde lid bedoelde kosten ten laste komen van de eigenaar van de woning of woonwagen.
Artikel 37
1. Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat een onbewoonbaarverklaarde woning of woonwagen weer geschikt is geworden voor bewoning, besluiten zij, de inspecteur gehoord, tot opheffing van de onbewoonbaarverklaring.
2. Burgemeester en wethouders maken een beslissing als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk bekend aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid. Artikel 29, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Nadat de onbewoonbaarverklaring ingevolge het eerste lid is opgeheven, wordt het in artikel 31 bedoelde kenteken zo spoedig mogelijk door burgemeester en wethouders verwijderd.
Artikel 38
1. De onbewoonbaarverklaring vervalt met ingang van de dag na de dag, waarop burgemeester en wethouders aan de personen, genoemd in artikel 29, zesde lid, hebben medegedeeld dat de woning of woonwagen niet meer als woning of woonwagen wordt aangemerkt.
2. De mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan een beslaglegger of hypotheekhouder geschiedt aan de bij het beslag, onderscheidenlijk de inschrijving van de hypotheek gekozen woonplaats.
3. Nadat de onbewoonbaarverklaring ingevolge het eerste lid is vervallen, wordt het in artikel 31 bedoelde kenteken zo spoedig mogelijk door burgemeester en wethouders verwijderd.
Artikel 39
De artikelen 29 tot en met 38 zijn van overeenkomstige toepassing op de bruikbaarheid van een standplaats.




