Architectuur steden
Amsterdam
De oude stadskern van Amsterdam, naar grootte de vierde historische stadskern ter wereld, telt ca. 5000 beschermde monumenten. Het monumentale aspect van Amsterdam wordt goeddeels bepaald door de 17de- en 18de-eeuwse woonhuizen langs de grachten en elders. Rond 1850 begon de economie aan te trekken, maar in de stad was daar lange tijd weinig van te merken. Problemen waren overbevolking, verkrotting, verkeersoverlast en stinkend grachtenwater. De bouw van arbeiderswoningen en de stadsontwikkeling werd overgelaten aan particulier initiatief. Samuel Sarphati (1813-1866) wilde van Amsterdam een moderne stad maken. Hij ontwierp een uitbreidingsplan voor het zuidelijke deel van de stad met als centrum een Paleis van Volksvlijt op het Frederiksplein. De architect was Cornelis Oudshoorn (1812-1875) en in 1864 was het gebouw gereed. Een ander voorbeeld van zijn hand is het Amstelhotel. Het stadsbestuur van Amsterdam begon zich te realiseren dat het de stadsontwikkeling zelf ter hand moest nemen. Echter de uitvoering werd wederom overgelaten aan particulieren. Resultaten hiervan zijn de wijken de Pijp en de Dapperbuurt. Beide werden in hoog tempo volgebouwd met goedkope arbeiderswoningen. Het plan Kalff uit 1876 voorzag ook in de aanleg van een woonwijk met parken en pleinen, in het zuidwestelijk deel van Amsterdam. Het middelpunt werd het Vondelpark. De stadsuitbreidingen die in de periode tussen de wereldoorlogen tot stand zijn gekomen vormen samen de Ring '20-'40. Hierbij gaat het om de Admiralen- en Postjesbuurt, het Plan-Zuid, de Watergraafsmeer en de tuindorpen in Noord. Het belangrijkste monument van profane bouwkunst is het classicistische voormalige stadhuis, thans Koninklijke Paleis (1648-1665), aan de Dam (foto). Andere opmerkelijke bouwwerken van meer recente datum zijn de Koopmansbeurs, het Rijksmuseum en het Centraal Station (1882-1889) naar een ontwerp van P.J.H. Cuypers en A.L. van Gendt (1835-1901).
Het Plan-Zuid tussen Schinkel en Amstel, waarvoor de architect Berlage het algehele plan ontwierp, is nog altijd een schoolvoorbeeld voor het begin 20e eeuwse bouwen. In het bijzonder de architecten van de zogenaamde Amsterdamse School hebben aan de invulling van dit plan een belangrijke bijdrage geleverd. Het uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid (1905-1917), foto 1, foto 2, wordt algemeen beschouwd als het belangrijkste stedebouwkundige plan uit de eerst helft van de 20e eeuw. Het tweede plan werd in 1917 door B en W van Amsterdam goedgekeurd.
Andere om diverse redenen om hun architectuur bekende buurten zijn Betondorp, de Bijlmermeer, tegenwoordig vaak eufemistisch Amsterdam Zuidoost genoemd.
Enkele voorbeelden van eind 19e eeuw, begin 20e eeuw architectuur in Amsterdam.
Tuschinski (1918-1921), architect: H.L. de Jong
Stadsschouwburg (1894)
Magna Plaza (1895-1899), architect: C.H. Peters
Bijenkorf (1911-1914), architect: J.A. van Straaten
Een voorbeeld van beeldbepalende architectuur van recente datum is New Metropolis (1995-1997). Ontwerp is van de Italiaanse architect Renzo Piano. Het museumcomplex is gebouwd boven de IJ-tunnel en rust grotendeels op de fundering daarvan.
Arnhem
Omstreeks 1530 werd een nieuwe Rijnbedding gegraven en kwam de stad aan de rivier te liggen. Arnhem werd een deftige provinciehoofdstad, de traditie van stadsverfraaiing werkte door tot in de 20e eeuw. Rond 1835 verrezen aan de binnensingels de eerste herenhuizen in de stijl van het neoclassicisme. Tot 1878 waren orde en regelmaat in de stadsuileg ver te zoeken. Wel was rondom de oude binnenstad een ring van imposante herenhuizen ontstaan. Allerlei landgoederen bemoeilijkten de uitbreiding van de stad. Maar onder meer door een agrarische crisis kon Arnhem de landgoederen aankopen. Nieuwe wijken als St. Marten, de villawijk Sonsbeekkwartier, Graaf Ottoplein e.o., de Burgemeesterswijk en de Transvaalbuurt kwamen tot stand. Het voormalige landgoed Sonsbeek werd in 1899 een stadspark.
In het begin van de 20e eeuw ontstonden de eerste bedrijfstereinen. De middenstandswijken Paasberg, Sonsbeekkwartier, Hoogkamp en de villawijk De Gulden Bodem werden gebouwd tussen 1920-1940. In 1927 kreeg het bureau van Granpré Molière, Verhagen en Kok de opdracht om een uitbreidingsplan te ontwerpen. Het doel was om zoveel mogelijk landschappelijke elementen te behouden. Verdere nieuwbouw kon na de aanleg van de Rijnbrug in 1934 worden gerealiseerd.
Delft
Delft kreeg in 1246 stadsrechten. De middeleeuwse structuur is in het oude centrum van de stad nog overal herkenbaar. In de Gouden Eeuw was Delft een rijke koopmansstad met een kamer van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) en met beroemde wetenschappers en schilders als Johannes Vermeer. Het intieme karakter en de monumentale gebouwen in verschillende bouwstijlen zijn zorgvuldig bewaard gebleven.
Architectuur van meer recente datum, is ook volop te bewonderen. Een bekend voorbeeld is het Agnetapark (1882-1885), een woonwijk voor arbeiders van de naburige gistfabriek. Het parkontwerp van L.P. Zocher is geïnspireerd op Engelse landschapsparken. De 78 woningen zijn een ontwerp van F.M.L. Kerkhoff. In 1925 en 1928 werd het park uitgebreid met 112 resp. 44 woningen naar ontwerp van J. Gratema. Van de bekende architect H. Hertzberger zijn een school uit 1966 en de Diagoonwoningen uit 1971 het vermelden waard. Achter de aula (1959-1966) van de architecten van den Broek en Bakema, verrees de Centrale Bibliotheek (1993-1997) van de architectengroep Mecanoo.
Den Haag / 's Gravenhage
Den Haag is ontstaan rond de oude grafelijke residentie en een bijbehorende kleine burgerlijke nederzetting. De singelomgrachting uit 1613-1619 was zo royaal aangelegd dat deze nog tot ver in de 19e eeuw voldoende woon- en werkruimte bood. Na 1875 groeide het inwonertal sterk, door de vestiging van belangrijke industrieën, de uitbreiding van het regeringsapparaat (na de grondwetsherziening van 1848) en de komst van talrijke Nederlanders uit Nederlands-Indië. De uitbreidingen van de stad volgden elkaar snel op. Elke wijk heeft zijn specifieke karakter. Grote delen van Den Haag zijn beïnvloed door de Amsterdamse School, delen van de Bomenbuurt, het Zuiderpark, Spoorwijk, het Benoordenhout tussen het Haagse Bos en de Wassenaarseweg en een deel van het Bezuidenhout. Hier zijn typisch Berlagiaanse onderdelen terug te vinden zoals bouwblokken rond een gemeenschappelijke groene binnenplaats, die door poorten ontsloten wordt, alsmede de gevorkte hoofdstraten. Voorbeelden van gebouwen zijn het Haags Gemeentemuseum, het voormalige gebouw van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en het voormalig Kantoor de Nederlanden van 1845 ontworpen door H.P. Berlage en verhoogd naar plannen van Berlage door Dudok (1952-1954). Typerend voor de Haagse stedebouw tot aan de Tweede Wereldoorlog is verder het vrijwel geheel ontbreken van hoogbouw.
Na 1945 werd Dudok tot extern stedebouwkundig adviseur benoemd, hij was nauw betrokken bij de ontwikkeling van het uitbreidingsplan voor de Escamppolder, de Madepolder en Ockenburgh in het westen van Den Haag, alsmede een plan voor Reigersbergen-Mariahoeve in het oosten. Aan het eind van de jaren vijftig verrezen de eerste woontorens. De grootste bouwprojecten vormden de wijken Moerwijk, Morgenstond, Bouwlust, Berestein en Vrederust, alle op basis van de plannen van Dudok.
Groningen
Het oudste stadsdeel ligt om de Grote Markt en de Vismarkt en wordt omgeven door een grachtengordel. In het begin van de 17e eeuw werd de stad uitgebreid tot ongeveer de huidige singels, die stadsgrens bleven tot de radicale ontmanteling na 1874. De beroemde Martinitoren werd vermoedelijk grotendeels gebouwd in 1469-1482, maar pas in 1545-1552 voltooid; de houten bekroning dateert uit 1627. De katholieke neogotische kerken van St.-Joseph en St.-Martinus zijn ontwerpen van P.J.H. Cuypers. De stadsarchitect van Groningen S.J. Bouma heeft vanaf 1925 vele gebouwen ontworpen in een aan de Amsterdamse School verwante stijl. Een voorbeeld is het begin jaren negentig gerestaureerde en uitgebreide gebouw van de Gemeentewerken. Vooral de hoek van L-vormige gebouw toont een uitbundige expressionistische vormgeving, een torenachtig element met het trappenhuis, dat door middel van verticale glas in loodramen in de gevel zichtbaar is gemaakt. Bouma ontwierp voorts een aantal schoolgebouwen, waarin veel invloeden van Dudok te zien zijn. Eén van de mooiste ontwerpen is de Hendrik Westerschool aan de Parkweg, met langgerekte bakstenen gevels en de kenmerkende kleine spijltjesramen. Bouma en J.A. Boer ontwerpen enkele woonwijken met Amsterdamse School kenmerken. De architect Egbert Reitsma neemt een bijzondere plaats in binnen de 'Groningse Amsterdamse School'. Hij maakte aanvankelijk zeer expressieve bakstenen gebouwen. Zoals enkele woonhuizen, maar vooral veel -gereformeerde- kerken. Later worden die invloeden minder en wordt hij door zijn kubistiche vormentaal in baksteen de Groninger Dudok genoemd. Het hoogtepunt van zijn werk staat echter in Andijk. Dit is een klein dorpje in West-Friesland, tussen Enkhuizen en Medemblik, aan het IJsselmeer.
Nabij het station, gedeeltelijk in de Singel gelegen, is in 1994 het opmerkelijke nieuwe museum gereed gekomen. Een ander voorbeeld van veel geroemde recente architectuur is het Gasgebouw van Nederland. De architecten zijn de Amsterdamse architecten Ton Alberts en Max van Huut. Een ander belangrijk ontwerp van hun is het ING Hoofdkantoor in Amsterdam
Haarlem
Haarlem is ontstaan als een geestnederzetting in de achtste eeuw aan de westzijde van het Spaarne. Vanwege de strategische ligging aan de Hollandse kustroute groeit Haarlem. In 1245 krijgt Haarlem stadsrechten en wordt omwald in 1274. Stadsuitbreidingen vinden plaats in de veertiende en vijftiende eeuw door sterke economische bloei.
Vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw tracht de overheid de verarmde stad te verfraaien door de aanleg van wanndelparken. J.D. Zocher jr. creërde een plantsoen en een wandelpark beiden in Engelse landschapsstijl. Het spoorwegstation uit 1842 vormt de start van een versnelde aanleg van villabouw, maar ook huisvesting voor de arbeidersbevolking. Door de groeiende werkgelegenheid worden nieuwe wijken aangelegt op veengronden ten oosten en westen van de stad.
Tot 1927 verloopt de stedenbouwkundige ontwikkeling in grote lijnen volgens het 'Algemeen Plan van Uitbreiding' uit 1909 van L.C. Dumont, directeur Openbare Werken tussen 1901 en 1931. De uitbreidingen hebben een tuinwijkachtig karakter. Na de Tweede Wereldoorlog vindt de stadsuitbreiding plaats aan de oostzijde van de stad. Vooral na de annexatie van 1963 ontstaat de strokenbouw en de gemeenschappelijke tuin, in plaats van het besloten straatbeeld en de particuliere voor- en achtertuin. Haarlem telt ongeveer 150.000 inwoners.
Heerlen
Heerlen bestaat al 2000 jaar. De groei van dorp naar stad kreeg pas eind 19e eeuw gestalte door de aanleg van een spoorlijn. Hierdoor kon de steenkoolproduktie van de grond komen. Een gevolg was dat de bevolking explosief toenam tussen 1900 en 1930. Van alles moest er gebouwd en aangelegd worden. Dit is de belangrijkste oorzaak van het feit dat de meeste historische gebouwen niet bewaard zijn gebleven. In de loop van de 20e eeuw ontstonden er vele nieuwe buurten. De meeste volgens het stedebouwkundige concept van de architect Jan Stuyt. De architect F.P.J. Peutz (1896-1974) heeft een nadrukkelijk stempel op Heerlen gedrukt. De gebouwen van zijn hand verschillen nogal van stijl, variërend van klassiek en van Delftse School tot hypermodern.
Een voorbeeld van Peutz' knipoog naar het Romeinse verleden van Heerlen is terug te vinden in het Raadhuis (1936-1942), door de klassieke maatverhoudingen in de gevel, de monumentaliteit in interieur en exterieur, maar vooral door het opnemen van een klassieke 'ordestellage' in de zijgevel. De gevels zijn bekleed met natuursteen. De korte zijde van de burgerzaal wordt geaccentueerd door een klassieke kolompartij. Een ander voorbeeld van zijn hand is het Warenhuis Schunk (1933-1936). De constructie bestaat uit paddestoelkolommen met betonnen vloeren. De glazen vliesgevel is 50 cm. vrijgehouden van de vloeren waardoor het gebouw door middel van luiken in het dak kon worden geventileerd. Het warenhuis, dat in de jaren zeventig ingrijpend is gewijzigd, zal naar gezamenlijk ontwerp van Jo Coenen en Wiel Arets worden gerestaureerd en ingericht als cultureel centrum.
Rotterdam
Als in 1872 de Nieuwe Waterweg wordt geopend, ontwikkelt Rotterdam zich in snel tempo tot de grootste haven ter wereld. Hierdoor neemt de werkgelegenheid snel toe en vindt er een explosieve bevolkingsgroei plaats. Dit zorgde voor revolutiebouw, waarbij bouwers een grote inventiviteit aan de dag legden om de Woningwet van 1901 te ontduiken. In 1916 wordt de Gemeentelijke Woningdienst in het leven geroepen, om een eind te maken aan de wantoestanden. Onder leiding van ir. A. Plate komen de nieuwe woonwijken Spangen, tussen 1918 en 1920, en Tusschendijken tot stand. Plate stelt de jonge architect J.J.P. Oud, lid van de kunstenaarsgroep De Stijl, aan als architect van de Gemeentelijke Woningdienst. Oud werkt aan een reeks woningblokken. Hij staat aan de wieg van het internationale functionalisme. De belangrijkste exponenten van deze stroming waren in Nederland naast Oud, Duiker en van Loghem, de Rotterdamse architecten L.C. van der Vlugt, onder meer de mede-architect van de van Nelle fabriek, W. van Tijen en J.H. van den Broek. Een opmerkelijk modern bouwwerk is de later nog weer verhoogde Euromast (1958-1960), naar een ontwerp van H.A. Maaskant (1907-1977).
Rotterdam is meer architectuurstad dan monumentenstad. In de Tweede Wereldoorlog zijn de meeste gebouwen die nu als monument zouden gelden met de grond gelijk gemaakt. Na de oorlog is er een soort lente-schoonmaak gehouden, waarbij veel moois alsnog tegen de grond ging. Door de onophoudelijke stroom nieuwbouwprojecten vanaf toen tot nu toe wordt Rotterdam wel de stad van de permanente vernieuwing genoemd. Er gaat geen maand voorbij of in de stad is een nieuw gebouw opgeleverd, een plein gereed gekomen of een terrein braak gelegd voor een nieuw project. Niet voor niets is hier ook het Nederlands Architectuur Instituut gevestigd.
Moderne architectuur
Echter al in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw genoot Rotterdam internationale bekendheid als centrum van de moderne architectuur. De woonwijk De Kiefhoek van architect J.J.P. Oud en de wereldbefaamde Van Nellefabriek van Brinkman & Van der Vlugt zijn hiervan goede voorbeelden. De naoorlogse periode kent tevens vele hoogtepunten zoals de wederopbouw van het stadscentrum en de recente ontwikkelingen op de Kop van Zuid. De Erasmusbrug, in de volksmond 'de Zwaan', vormt de nieuwe verbinding tussen deze twee interessante gebieden. Er valt in Rotterdam dus veel te beleven op het gebied van architectuur en stedenbouw.
Utrecht
Het stadsbeeld van het oude, van oorsprong Middeleeuwse centrum wordt vooral bepaald door de Domtoren en de grachten met hun typische 'werven': even boven de waterspiegel gelegen en soms van bomen voorziene kaden, waarop kelders uitkomen. Door deze grachten wordt het water van de Oude Rijn gevoerd, terwijl ook de Vecht daaruit gevoed wordt. Tot de meest opmerkelijke stalen van 20ste-eeuwse bouwkunst behoren het door G. Rietveld gebouwde woonhuis aan de Prins Hendriklaan, het zogenaamde Schröderhuis (1924) en de Stadsschouwburg (W.M. Dudok; 1941). Een ander bekend gebouw in Utrecht is naar een ontwerp van Cees Dam, het kantoorgebouw Palazzo Forenzo uit 1981. Of zie het centrum van De Uithof Educatorium
Zwolle
In 1230 kreeg Middeldorp, het huidige zuidelijke deel van de binnenstad, stadsrechten. Later in de Middeleeuwen sllot Zwolle zich aan bij de Hanze, een internationaal handelsverbond, waartoe onder meer ook Deventer behoorde. Sinds 1777 heeft Zwolle een stadsarchitect. In 1864 werd de spoorlijn naar Utrecht geopend. De chique stationsbuurt ontstond, vervolgens werd de Emmawijk volgebouwd en de wijk langs de Veerallee. In het begin van de vorige eeuw werden veel wijken gebouwd met een grote diversiteit in woninggrootte en prijsklasse. Rond 1930 werd de Ijsselbrug aangelegd en de aanleg van een Rijksweg vormden een belangrijke impuls voor Zwolle om te groeien tot een stad met een regionale functie. Na de Tweede Wereldoorlog namen de uitbreidingen een hoge vlucht. Stedenbouwkundige van Embden maakte een bestemmingsplan voor de binnenstad, waarin het verkeer een belangrijke rol speelde. Het plan en de destijds aanvaarde visie dat een oude stad door middel van sloop en nieuwbouw 'gesaneerd' diende te worden, zorgde voor een kaalslag in de binnenstad. Vanaf half jaren zestig ontstond nieuwe belangstelling voor de historie, reconstructie en restauratie voerden nu de boventoon. Rond de Water- en Bitterstraat was veel gesloopt. Het bureau van Aldo van Eyck en Theo Bosch voerden een plan uit, waarbij de smalle straatjes werden opgevuld met kleinschalige woningbouw en winkels. Grote uitbreidingswijken van Zwolle zijn onder meer Holtenbroek (1956), Aa-landen (1962), Hanzeland (1991) en Stadshagen (1999).




