Bouwwerken
Amsterdam CS (1882-1889) - architecten: P.J.H. Cuypers en A.L. van Gendt
Het Centraal Station in Amsterdam is het eerste stationsgebouw in Nederland waarvan het ontwerp aan architecten werd toebedeeld. Reden hiervoor was de markante plaats in Amsterdam. Het ontwerp is van Cuypers, terwijl van Gendt -met zijn jarenlange ervaring als werktuigbouwkundige bij de spoorwegen- zich met de constructie van het gebouw heeft bemoeid. De stijl van het gebouw is geïnspireerd door de late gotiek en de vroege renaissance. Het station is gebouwd op drie aangeplempte eilanden in het Open Havenfront. Het circa 306 meter lange gebouw, heeft een diepte van 30 meter. Twee torens accentueren het middengedeelte.
Bij de eerste oplevering van het gebouw in 1884 ontbrak nog de perronoverkapping. De schets van Cuypers werd niet uitgevoerd. De gerealiseerde en uit 50 boogspanten bestaande kap werd ontworpen door L.J. Eijmer. In 1889 was het voltooid. In 1922 werd aan de zijde van het IJ een tweede overkapping toegevoegd. Tegen het einde van de bouwperiode kwam ook het oostelijk gelegen Koningspaviljoen, gereed. Hier ligt de koninklijke wachtkamer.
Bergpolderflat (1934) - in Rotterdam - architect: Willem van Tijen
Niet eerder is een flat in Europa verrezen met meer dan vijf woonlagen voor arbeidersgezinnen. Het hoogbouwproject heeft negen verdiepingen en is gelegen aan de Abraham Kuyperlaan en de Borgesiusstraat. Hij ontwerpt het samen met J.A. Brinkman (1902-1949) en L.C. van der Vlugt (1894-1936). De flat is omgeven door een plantsoen. Via een centraal trappenhuis met een glazen gevelwand aan het ene uiteinde van het gebouw kunnen de bewoners per trap of per lift hun verdieping bereiken. Alle huisdeuren komen uit op een galerij aan de westkant. Aan de oostzijde heeft elke woning een groot balkon over de hele breedte. De puien zijn van glas om de ruimtelijke werking te verhogen en voldoende licht naar binnen te laten gaan.
De flat is gebouwd in opdracht van de N.V. Volkswoningbouw Rotterdam, opgericht door ir. A. Plate in 1928. De vennootschap heeft de bedoeling gehad om de massawoningbouw goedkoper te maken door de bouwmethoden te moderniseren.
In de Bergpolderflat zijn allerlei noviteiten gecombineerd; het gebruik van gewapend beton voor woningbouw bijvoorbeeld, maar ook het openen van de gevel in grote glasvensters om het licht binnen te laten; de binnenruimten flexibel gemaakt door verplaatsbare wanden; hoogbouw voor het gewone volk en woningbouw in de vorm van een huizenstrook tussen het groen. De Bergpolderflat is bovendien de eerste vrijstaande galerijflat in Nederland.
Berlageblokken (1915) - in Amsterdam - architect: H.P. Berlage
De 'Berlageblokken' zijn gelegen aan het Javaplein in Amsterdam-Oost. In 1912 ontworpen en één van de eerste sociale woningbouwblokken in de stad. Sinds 1970 is er geen onderhoud meer gepleegd aan de huizen. De reden voor opname van deze informatie is dan ook duidelijk. De 'blokken' worden bedreigd door sloop. Monumentenzorg heeft stelling genomen door ze op de selectielijst te plaatsen voor nieuwe Rijksmonumenten. Het Stadsdeel Zeeburg is van mening dat de woningen niet meer 'van deze tijd' zijn. Half juni 2000 bemoeide Staatssecretaris Rick van der Ploeg zich met de discussie. Hij is van mening dat er wel een mogelijkheid is om de 'blokken' te behouden. Zijn stem tegen de sloop zal wellicht doorslaggevend zijn.
Laatste nieuws 14 december 2004
Politie ontruimt 172 kraakpanden in Amsterdam
AMSTERDAM - De politie is dinsdag rond 08.45 uur begonnen met een grote actie om krakers uit de Berlageblokken in Amsterdam-Oost te verwijderen. Het gaat volgens een woordvoerster om 172 woningen.
Rond 10.00 uur had de politie acht mensen aangehouden die hun huis niet wilden verlaten. De politie ging over tot ontruiming, omdat de krakers in de buurt voor veel overlast zorgden. "We moesten er vaak naartoe en daarom hebben we besloten te gaan ontruimen", liet de zegsvrouw weten.
De illegale bewoners kregen maandag al een waarschuwing dat de politie dinsdag op de stoep zou staan en volgens de woordvoerster hadden veel mensen hun huis al verlaten. De politie heeft honderd man ingezet voor de actie. Tot nu toe verloopt de ontruiming rustig.
De Berlageblokken, drie huizenblokken aan het Javaplein, stammen uit 1912 en zijn gebouwd door de bekende bouwmeester zelf of zijn leerlingen. De gemeente en woningcorporatie Ymere wilden de woningen slopen en vervangen door een grote supermarkt met parkeergarage. Ymere had de woningen al dertig jaar niet meer onderhouden.
Door verzet van de buurtbewoners ging dit plan niet door en zijn de woningen in 2001 tot Rijksmonument uitgeroepen. Ymere besloot de blokken grondig te renoveren en de sociale huurwoningen te vervangen door huur- en koopwoningen voor studenten.
Tot eind oktober verstrekte de woningcorporatie tijdelijke huurcontracten, waarna een twintigtal bewoners weigerde te vertrekken. De rechter besloot toen dat Ymere aan twee van hen een nieuw onderdak moest bieden. De leegstaande woningen werden bezet door vooral buitenlandse jongeren, zei E. van Kaam, vestigingsmanager van Ymere dinsdag.
De woningcorporatie wil zo snel mogelijk beginnen met de grootscheepse renovatie. De eerste huizen moeten in april of mei klaar zijn. Volgens Van Kaam bieden de nieuwe woningen plaats aan ongeveer vierhonderd tot vijfhonderd studenten.
bron: Nu
Laatste nieuws 26 augustus 2004
Woningen Berlage voor studenten en jongeren Woningbouwcorporatie Ymere verwacht nog dit jaar de start van het herstel van de oorspronkelijke details van drie verloederde bouwblokken van architect H.P. Berlage in het hart van de Amsterdamse Indische Buurt.
De kleine tweehonderd woningen hebben een bewogen tijd achter de rug. In de jaren negentig van de vorige eeuw meende het toenmalige Woningbedrijf Amsterdam de drie bouwblokken aan de rand van het Javaplein geschikt te kunnen maken voor inbouw van een supermarkt. Die plannen bleken te ingewikkeld en te duur. Daarna stelde stadsdeel Zeeburg voor de panden te slopen voor de komst van een geheel nieuw stadshart. Maar dat was tegen het zere been van architectuurliefhebbers. Architecten en politici streden fel voor de nalatenschap van de beroemde architect. Met als gevolg dat de panden – hoe onbruikbaar ook voor bewoning volgens hedendaagse maatstaven – na onderzoek door de rijksbouwmeester persoonlijk werden voorzien van het predikaat: Rijksmonument.
Noviteit
Of Berlage zelf betrokken is geweest bij het ontwerp van de woningen negentig jaar geleden, projectleider M. Veldman van Ymere Ontwikkeling durft het niet te zeggen. Berlages bureau introduceerde indertijd wel een noviteit. Voor het eerst kregen Amsterdamse sociale huurwoningen aparte slaapvertrekken in plaats van de gebruikelijke alkoof. De woningen telden op een oppervlakte van 40 vierkante meter een woonkamer, drie slaapkamers en een spoelhok. Alle woningen werden gegroepeerd rond een binnentuin in het hart van elk van de drie gebouwen. De grootste ingreep dateert uit begin jaren zeventig. Als voorbeeldproject voor de renovatie van vooroorlogse wijken werd een van de slaapkamers opgeofferd voor de bouw van een keuken en kreeg het spoelhok het karakter van douchecabine. Die verbouwing heeft volgens Veldman het karakter van woningen geen goed gedaan. “Bij die ingreep zijn nogal wat details uit het ontwerp van Berlage verdwenen of aangetast. Het subtiele karakter van de entrees ging verloren. De poorten naar de binnentuinen kregen een andere bestemming. Trappenhuizen werden gewijzigd. Rond de tuintjes op de hoeken stonden vanaf die tijd onooglijke hekjes. Wij hebben architect Hoogeveen uit Amstelveen gevraagd op dergelijke onderdelen de oorspronkelijke details zoveel mogelijk terug te brengen”, zo verklaart Veldman. Verder worden de woningen door het architectenbureau aangepast aan hedendaagse eisen. “Lange tijd hebben we gedacht woningen te kunnen samenvoegen, maar dat blijkt niet goed inpasbaar. We handhaven de oorspronkelijke structuur. Maar wie wil er in zo’n klein huisje wonen? Een bestemming voor jongeren en studenten ligt dan voor de hand. Bij die groepen is de woningnood hoog. Hun komst kan bovendien een bijdrage leveren aan verbetering van de Indische Buurt.”
Ouders
Om de operatie financieel haalbaar te maken, verkoopt Ymere een van blokken voor een prijs van veelal minder dan 100.000 euro per woning. Veldman verwacht daarvoor veel belangstelling van ouders die voor hun studerende kind een woning willen aanschaffen. Het kleinste blok houdt zijn sociale status en het derde woongebouw wordt geschikt gemaakt voor verhuur per kamer. Per etage is er rond een gemeenschappelijke keuken en badkamer plaats voor vier kamers. Voor de 128 bewoners verrijst in de binnentuin een fietsenstalling. De verbouwing neemt ongeveer een jaar in beslag. Aannemingsbedrijf Slokker uit Almere zal de klus uitvoeren. Het wachten is op de onherroepelijke monumentenvergunning. “De strijd spitst zich toe op het vervangen van ramen en kozijnen. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg kiest voor inpassing van dubbele ramen binnen de oude kozijnen. De kosten daarvan zijn extreem hoog. Bovendien is de staat van de kozijnen slecht. Ymere heeft steun gekregen van het gemeentelijke monumentenbureau om alles te vervangen. Het stadsdeel heeft vervolgens de wens van de Rijksdienst genegeerd. Tegen die keuze is door bezorgde burgers bezwaar gemaakt. Die kwestie moet eerst zijn afronding krijgen.”
bron: Cobouw
Bijenkorf (1924-1926) - in Rotterdam - architect: P.L. Kramer
De Bijenkorf is het laatste 'Gezamtkunstwerk' van de Amsterdamse School. Het concern kiest niet voor het ontwerp van J.F. Staal; kubistisch die ze te kaal en te progressief vinden. Het gebouw verrijst in het centrum en meet 40 bij 100 meter, het bestaat uit een gewapende betonconstructie. Kramer ontwerpt golvende bakstenen wanden rond de dragende pijlers en daartussen de in verticale stroken gewelfde raampartijen. De pijlers afgewisseld met reusachtige vierkanten van in brons gevat glas, de kleur groen geoxydeerd brons contrasteert met de oranjeachtige baksteen. Een strak ontwerp, luxueus materiaalgebruik en decoratie is rijkelijk aanwezig.
Educatorium (1992-1997) - in Utrecht - architecten: Rem Koolhaas en C. Cornubert (OMA)
Eind jaren zestig is een universiteitscentrum ontwikkeld aan de oostkant van de stad: De Uithof. Sinds enkele jaren is het Educatorium het hart daarvan. In dit onderwijsverzamelgebouw zijn tentamenzalen, twee grote collegezalen en een pauzeruimte annex restaurant gecombineerd. In het gebouw met al haar verschillende functies heeft de architect eenheid gebracht door het ontwerp te baseren op één continue gekromde lijn van beton, die het duidelijkst van buitenaf aan de Leuvenlaan te zien is. De lijn begint op de begane grond bij de vloer van het urban-plaza en loopt door in het plafond van het restaurant (tegelijk de vloer van de twee collegezalen erboven). Dan wordt de lijn een ronde buitenwand die uiteindelijk overgaat in het plafond van de twee collegezalen. Op deze wijze krijgt het gebouw een unieke ronde, gebogen vorm waardoor tevens een beweging in de lucht gesuggereerd wordt. Dit ronde gedeelte is als het ware in een rechthoekig blok geschoven. In dit rechthoekige blok zijn de tentamenzalen verwerkt. Het ronde gedeelte biedt ruimte aan de collegezalen.
Erasmusbrug (1990-1996) - in Rotterdam - architect: B.F. (Ben) van Berkel
De hangbrug van 802 meter lang heeft als bijnaam 'De Zwaan', door de geknikte pyloon halverwege de brug. Na het succes van de Willemsbrug besluit de gemeente Rotterdam dat een nieuwe brug het imago van 'de stad waar het gebeurt' versterkt. Een jaar na de opening van de brug is deze in het nieuws. Doordat de brug bij windkracht zes merkwaardig gaat trillen 'nadat de wind de tuien als de snaren van een gitaar aansloeg'. De brug begint daardoor vervaarlijk te schommelen en wordt dagenlang afgesloten. Deskundigen menen het euvel te hebben verholpen door een groot model schokdempers aan de tuien te bevestigen. Daardoor is 'De Zwaan' beter bestand tegen sterke wind.
Glaspaleis (1932) - in Heerlen - architect: Frits P.J. Peutz (1896-1974)
Adres: Bongerd 18, Heerlen
Historie
Het Glaspaleis werd in 1932 ontworpen door Frits Peutz (1896-1974). De ontwerpen van deze Nederlandse architect die inmiddels in één adem wordt genoemd met Le Corbusier en Walter Gropius, waren hun tijd ver vooruit en omstreden. Uit het oeuvre van Peutz spreekt ambachtelijke overlevering, maar ook een hardnekkig gevoel voor nieuwe materie. Dit leidde vaak tot rellen. Peutz dreigde bijvoorbeeld zijn medewerking aan de Rooms Katholieke vakliteratuur op te zeggen, omdat het toepassen van moderne materialen niet paste in de kerkelijke traditie. Hij voerde niet altijd oppositie. Hij bouwde, ook in 1933, een kerk met gotische stijlkenmerken in Limburgse natuursteen. De steunberen van dit gebouw ontwierp hij aan de binnenkant van de gevels. De kerk is van buiten eenvoudig en van binnen rijk. Deze beeldspraak voor Rooms Katholiek geloofsleven is eveneens zichtbaar in het tektonische karakter van het Glaspaleis. Peutz is echter niet de enige auteur van het Glaspaleis.
Marcel van Grunsven was van 1926 tot 1962 burgemeester van Heerlen. Hij stuurde het centrum van de Mijnstreek in het spoor van de avant-garde en had grootse plannen met de stad. Hij trok ontwerpers aan die stadsuitbreiding vooral als een culturele activiteit zagen. Door het organiseren van tentoonstellingen maakte hij naam op het terrein van de moderne kunst. Het Glaspaleis is daar een afspiegeling van. Van Grunsven vond de moderne historie belangrijke dan de oudere geschiedenis.
De derde speler bij de geboorte van het Glaspaleis is de stoffenkoopman Peter Schunck. Hij geloofde in Heerlen en kocht verschillende panden rond de markt. Schunck wilde deze winkels samenvoegen tot een grootschalige detailhandelsvestiging. Hij bezocht warenhuizen in geheel Europa en gaf uiteindelijk opdracht voor een overdekte en gestapelde marktplaats; intensief ruimte gebruik avant la lettre. Daarbij werd gebruik gemaakt van de nu unieke paddestoelzuilen en vliesgevels van spiegelglas. De gevelarchitectuur werd krachtig, maar niet overdreven gesigneerd met de letters Schunck.
Het gebouw dat zij samen ontwikkelden werd een doorzichtig paleis. Het Glaspaleis heeft de geometrisch helderheid van het nieuwe bouwen en is een rationeel bouwblok dat zich losmaakt van de natuur. Het Glaspaleis symboliseert de rijkdom van het functionele en constructieve interieur tegenover de eenvoud van het maatschappelijke en stedenbouwkundige exterieur; een paleis voor de mijnwerkers.
Het ontwerp van Peutz laat aan de buitenkant geen dragers zien, maar biedt een eerlijke kijk op de constructieve binnenkant. De witte paddestoelzuilen vormen het imponerende binnenwerk van het Glaspaleis. Het doorgaande transparante omhulsel ervan sluit met grote glazen gevelvlakken op elkaar aan. Het Glaspaleis vertelt de nieuwste geschiedenis in glas, staal en beton. Het bouwwerk heeft de zwarte jaren overleefd. Dit wordt duidelijk aan de hand van foto's waarop het Glaspaleis staat afgebeeld als decor voor paraderende soldaten. Het paleis voor het volk, overleefde net als het volk de oorlog. Maar het scheelde niet veel.
Het gebouw is zo revolutionair, dat het voor velen best afgebroken had mogen worden. Een mislukte facelift in de zeventiger jaren maakte het werkelijke aangezicht onherkenbaar. Rookglas verstoorde de relatie binnen-buiten. Afbreken of restaureren werd vervolgens de vraag. Jonge moderne kunst bewaren en in zijn oorspronkelijke staat terugbrengen of het verloren laten gaan. Gezaghebbende Europese architecten (Union of International Archtects) hebben het Glaspaleis op de monumenten toplijst geplaatst. De gemeenteraad van Heerlen heeft vervolgens unaniem tot restauratie besloten.
Restauratie
In 1994 vroeg de gemeente Heerlen een beschermde status aan voor het pand en in 1995 werd het erkend als Rijksmonument. De gemeente kocht het glaspaleis om er een cultureel centrum van te maken. Het gebouw dat een wereldberoemd voorbeeld is van de synthese tussen klassieke architectuur enerzijds en het vorm- en materiaalgebruik van het Nieuwe Bouwen anderzijds, is zoveel mogelijk in zijn oude glorie hersteld door Jo Coenen en Wiel Arets, waarbij rekening is gehouden met de thans aan een dergelijk gebouw te stellen eisen. Naast het glaspaleis hebben Coenen & Arets een nieuwbouwblok ontworpen voor de muziekschool.
Van modehuis tot centrum van cultuur
Het nieuwe Glaspaleis biedt als glazen cultuurpaleis onderdak aan de Stadsgalerij (museum voor moderne kunst), Architectuurcentrum Vitruvianum, Openbare Bibliotheek Heerlen, Filmhuis de Spiegel en de Muziekschool. De muziekschool wordt gehuisvest in de nieuwbouw, die onlosmakelijk met het Glaspaleis zal worden verbonden. Het geheel zal daarna de Heerlense geschiedenis in gaan als Glaspaleis, venster op cultuur, gelegen op het kruispunt van Romeinse wegen van Xanten naar Trier en van Keulen naar Boulogne-sur-Mer.
Hubertushuis (1980) - in Amsterdam - architect: Aldo van Eyck
De instelling is in de 19e eeuw opgericht ter ondersteuning van 'gevallen vrouwen'. Vanaf de jaren zeventig biedt het pension tijdelijk verblijf en bescherming aan ouders en kinderen, op voet van gelijkwaardigheid. Het pand past in de bestaande structuur van de straat (Plantage Middenlaan), maar het wijkt tegelijkertijd ook ingrijpend af. Door de positie van de entree en het trappenhuis, zijn er eigenlijk twee gebouwen ontstaan: een hoge nieuwbouw en een lagere uitbouw van de bestaande panden. Eenheid is er toch door het materiaal- en kleurgebruik.
Draagconstructie
Het trappenhuis ligt centraal in het Hubertushuis en is goed zichtbaar vanaf de straat. De draagconstructie is een betonconstructie van kolommen en vloeren. De niet-dragende binnenwanden zijn van glas. De trappen, terrassen en passages voorkomen saaiheid en zorgen voor intimiteit. De intimiteit is belangrijk in het Hubertushuis, omdat het huis veel uiteenlopende bewoners heeft. In plattegronden en de gevels ontbreekt een geometrie. Zowel de laagbouw als mede de metalen puien van de hoogbouw zijn in verschillende kleuren geschilderd.
ING-hoofdkantoor Amsterdamse Poort (1978-1987) - in Amsterdam - architecten: A.C. (Ton) Alberts en Max van Huut
Het ING-kantoor Amsterdamse Poort is ontworpen door de architecten A. Alberts en M. van Huut. In april 1993 ging de eerste paal van dit gebouw de grond in. In het gebouw, gelegen in het hart van het winkelcentrum Amsterdamse Poort, werken zo'n 2300 mensen. Het ING-complex bestaat uit tien torens die samen een grillige 'S' vormen. Door deze vorm heeft de wind geen vat op het gebouw. Hierdoor koelt het gebouw ook minder snel af, hetgeen de nodige energie bespaart. Door de grillige vorm heeft elk deel van het gebouw weer een andere positie ten opzichte van de zon. Hierdoor is de lichtval in elke toren anders en zijn mensen zich beter bewust van de seizoenen, het weer en het tijdstip van de dag.
U zult in dit gebouw tevergeefs zoeken naar rechte gangen of kubusvormige ruimtes. De architect heeft uitsluitend vrije natuurlijke vormen in het gebouw toegepast. Een omgeving met lossere, vrije vormen zou de mensen vriendelijker en harmonischer maken. Deze architectuur staat bekend als de organische architectuur. In deze stroming staat de mens als gebruiker van een gebouw centraal. Een van de uitgangspunten bij de bouw van het pand van de ING Bank in Amsterdam Zuidoost is, dat werknemers zich er prettig voelen. In de architectuur, het ontwerp van de tuinen en de binnenhuisinrichting staat het welzijn van de mens dan ook voorop. Het bijzondere van de organische architectuur is de werkwijze waarmeee de natuurlijke vormen tot stand komen. De architecten Alberts en van Huut hebben vanaf het vroegste stadium samengewerkt met de interieurarchitecten, de tuinarchitect, de kunstcoõrdinator, de akoesticus en technische- en installatie-adviseurs. Door de schuine muren dringt het verkeerslawaai minder door in het gebouw. Dit is mede belangrijk omdat de ramen in het gebouw gewoon open kunnen. Ook zorgen de schuine wanden voor een betere afvloeiing van het geluid. Een andere voordeel is een optimale daglichttoetreding op de verschillende werkplekken. Om de naar achter hellende muren te realiseren zijn naast de twee miljoen normale bakstenen ook zeshonderdduizend bakstenen van 54 afwijkende formaten gefabriceerd.
Een ander belangrijk ontwerp van hun is het Gasgebouw in Groningen.
Kalenderpanden (1840) - in Amsterdam
De Kalenderpanden zijn op 31 oktober 2000 ontruimd!
Het volgende artikel is afkomstig uit het tijdschrift 'Binnenstad' nummer 182 van de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad. De VVAB heeft als doel het bevorderen van een goed woon- en werkklimaat in de gemeente Amsterdam, in het bijzonder in de binnenstad, het ondernemen of stimuleren van activiteiten, gericht op behoud en herstel van de historische bebouwing en het stedebouwkundig karakter alsmede het verbreden van de kennis van Amsterdam.
De gekraakte Kalenderpanden aan het Entrepotdok 87-98 lijken in Amsterdam inmiddels een begrip geworden. Het monumentenaspect komt in de aandacht voor de strijd tussen krakers en gemeente echter maar beperkt aan bod. Het aspect is daarom niet minder interessant.
De Kalenderpanden zijn twaalf pakhuizen die elk de naam van een maand dragen. Deze in 1840 opgeleverde pakhuizen zijn de eerste panden in Nederland waarin gietijzer in een dragende constructie werd gebruikt. Op de bovenste etages staan 208 ranke kolommen in grote ruimtes. De bovenste verdieping heeft bovendien nog grote functionerende houten 'windwerken' waarmee lading met spierkracht omhoog gehesen kon worden. De laatste zes panden hebben kort na de oorlog (tweede wereldoorlog) een kleine verbouwing ondergaan, maar de eerste zes zijn nog in volledig authentieke staat.
Bouwkundig verkeren de panden in een goede staat. Wie de pakhuizen van buiten beziet heeft echter de indruk met een vervallen pakhuis van doen te hebben: gebroken ruiten, afgebladderde verf en openstaande luiken waar duiven uit vliegen. Deze situatie is pas ontstaan sinds het GEB (Gemeentelijk Energie Bedrijf) in 1993 het terrein verliet. De gemeente kocht de panden en verhuurde ze aan een Waterlooplein-koopman die verder geen onderhoud pleegde.
Aanvankelijk was het de bedoeling dat de Kalenderpanden een woon-werkfunctie zouden krijgen. Dit als 'compensatie' voor de ontruiming van de gekraakte Rijkskledingmagazijnen in de nabijgelegen Conradstraat. Helaas keerde het tij in ongunstige zin. De wethouder besloot dat er alleen woningen in de vrije sector op het GEB-terrein gerealiseerd mochten worden. Een 'maximale grondopbrengst' was het uigangspunt voor de verdere ontwikkeling van het terrein. Projectontwikkelaars werden uitgenodigd bouwplannen in te dienen. Hieronder bevond zich ook het huidige bouwplan, dat voorziet in het binnen de muren uitslopen van tien meter van de achterzijde van het gebouw en het plaatsen van zes liftschachten. De monumentencommissie noemde het plan in een préadvies 'bizar'. Bizar of niet, het plan bracht het meeste geld op en werd gekozen. Toch was de gemeente klaarblijkelijk gewaarschuwd dat het in slechte aarde zou kunnen vallen. Men was in ieder geval zo slim om bij de noodzakelijke wijziging van het bestemmingsplan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg , die men hierbij verplicht om 'advies' moet vragen, een geheel ander plan voor te leggen dat bij de dienst niet op bezwaren stuitte.
Een belangrijke hobbel was hiermee genomen en het Bureau Monumentenzorg adviseerde de betreffende wethouder de vergunning te verlenen. Wie dit advies leest vraagt zich af hoe vaak de ambtenaren van Bureau Monumentezorg borrelen met de Dienst projectontwikkeling van het Grondbedrijf. Het bureau meldt namelijk dat 'een haalbaarheidsonderzoek met alle mogelijke varianten' aan het huidige plan vooraf is gegaan en dat het huidige plan het 'minimaal haalbare is met een maximaal behoud van het monument'. Gelukkig weten we dat bij voorbaat vast stond dat het plan met de hoogste opbrengst gekozen zou worden. Het mag dan ook niet verbazen dat de gemeente nooit een ander plan heeft willen tonen, laat staan meerdere. Zelfs een verzoek hiertoe met een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuursstukken heeft tot op heden niets opgeleverd.
Ook de gemeentelijke monumentencommissie ging akkoord met het bouwplan. Deze commissie is inmiddels getransformeerd tot de 'Commissie voor Welstand en Monumenten' en heeft, naar eigen zeggen, geen monumentenspecialisten meer in de gelederen. Deze belangen zouden worden behartigd door Bureau Monumentenzorg....Het is triest te moeten zien hoe ook deze commissie aan haar eigen richtlijnen voorbij gaat als het een plan van haar eigen gemeente betreft. Zo zou het gebruik ondergeschikt aan het monument moeten zijn. In dit geval is de sloop aan de achterzijde echter 'inherent aan de keuze voor woningen'. En over dat laatste mag de commissie nu eenmaal niet meepraten. Alleen de Rijksdienst is het niet met de plannen eens en meldt de panden na de verbouwing van de Rijksmonumentenlijst te willen afvoeren. Ze verzuimt echter in beroep te gaan. Navraag leert dat men de zaak weinig succesvol achtte: 'Van het grote geld verlies je toch altijd'. Wellicht had de Rijksdienst gelijk. De bewoners hebben in ieder geval tot nu steeds nul op het rekwest gekregen. Onlangs nog oordeelde de Raad van State dat er dankzij het bestemmingsplan geen ander plan meer mogelijk was. De opzet van de gemeente lijt dus geslaagd en de oplettende lezer ziet dat hier jurisprudentie ligt, waarmee een gemeente via het bestemmingsplan de monumentenprocedure simpelweg zou kunnen omzeielen.
Toch geven de bewoners het nog niet op. En hoe het ook zij, er is een partij die al bij voorbaat verloren heeft: de gemeente zelf. Gedurende de periode dat er door de lopende procedures niet gebouwd mocht worden is de prijs voor de grond in Amsterdam flink gestegen. De gemeente heeft zich destijds aan de projectontwikkelaar verplicht de panden te verkopen voor een prijs die vele miljoenen guldens onder de huidige marktwaarde ligt.
Kasteel De Haar - in Haarzuilens - architect: P.J.H. Cuypers
Het Kasteel de Haar, stamt oorspronkelijk wellicht uit de 14e eeuw. Aan het eind van de 19de eeuw rest nog een ruïne. In 1890 erft baron Etienne van Zuylen van Nijevelt het kasteel. Hij wil het glorieus herstellen, als eerbetoon aan zijn vrouw Hélène de Rothschild. Vanaf 1892 wordt het in neogotische stijl herbouwd onder leiding van P.J.H. Cuypers die het oude grondplan handhaaft, maar de open binnenplaats overbouwt en een weelderige residentie schept. Voor de aanleg van het kasteelpark wordt het dorp Haarzuilens afgebroken en door Cuypers in de onmiddellijke nabijheid herbouwd. De herbouw van het kasteel, tuin en park neemt twintig jaar in beslag. Zowel Cuypers alsmede de tuinarchitect Henry Copijn krijgen de vrije hand. Het nieuwe kasteel staat op de fundamenten van het oude. Copijn creërt een formele tuinaanleg met kenmerken van de renaissance- en barokstijl. De fundamenten staan deels op klei en deels op zand.
Het landgoed Haarzuilens, waar het kasteel op staat, is sinds juni 2000 in bezit van Natuurmonumenten. Het kasteel verzakt, brokkelt af en dreigt op termijn in te storten. Het park eromheen heeft ook een grondige opknapbeurt nodig. Natuurmonumenten beheert het landgoed en gaat samen Stichting Kasteel de Haar ook het kasteelpark en de tuinaanleg beheren. Tezamen wordt de restauratie van het kasteel aangepakt.
Beurs van Berlage: Koopmansbeurs (1898-1903) - in Amsterdam - architect: H.P. Berlage
Voor de beurs maakte Berlage tal van ontwerpen; eerst in een soort Hollandse renaissancestijl, versierd met kleine torentjes; latere ontwerpen waren soberder, waarbij de duidelijke herinnering aan oude stijlen op de achtergrond raakt. De Koopmansbeurs, zoals die tenslotte gebouwd werd, is een sober bakstenen gebouw geworden, waarvan de indeling van buiten af al vrij duidelijk te zien is. Karakteristiek voor het gebouw is de asymmetrie, de vlakke bakstenen wand, het weinige ornament en het krachtige silhouet. Alle vier de gevels kregen een 'eigen gezicht'. De verschillende materiaalsoorten worden niet bepleisterd of weggeschilderd, maar houden hun eigen karakter. Zo ontstaan prachtige contrasten tussen bakstenen muren, hardstenen elementen en overkappingen van glas en staal. Decoratie wordt alleen toegepast in samenhang met de constructie. Berlage schakelt ook andere kunstenaars in: Zijl, Derkinderen, Jan Toorop en Mendes da Costa. Ze maken beeldhouwwerken, gebrandschilderde ramen, muurschilderingen en tegeltableaus. De toepassing van al deze kunstvormen in een gebouw is ook al te zien bij het Rijksmuseum en het Centraal Station, foto, van de architect P.J.H. Cuypers. Het gebouw vormt een overgang van neostijlen en Art Nouveau naar zakelijkheid. Het is zowel een voorbeeld voor de architecten van de Amsterdamse School als ook voor de Modernen.
Laatste nieuws: Om de fundamenten onder het gebouw te herstellen, investeert de gemeente Amsterdam 28 miljoen gulden (12.705.846 miljoen euro). Door de aanleg van de Noord-Zuid lijn, zou de beurs de boorwerkzaamheden niet goed doorstaan. Het probleem is dat de 4880 houten palen waarop het gebouw is neergezet, te kort zijn. In 1904 begon het gebouw al te verzakken, met 'kunst- en vliegwerk' is het gebouw overeind gebleven.
Kunsthal (1992) - in Rotterdam - architecten: OMA / Rem Koolhaas
Adres: Museumpark, Westzeedijk 341, Rotterdam
Het compact ogende gebouw, ontworpen door het Rotterdamse architektenbureau OMA (Rem Koolhaas/Fumi Hoshino), biedt onderdak aan verrassend veel expositieruimte: 3300m2, onderverdeeld in drie grote zalen, een fotogalerij en een designgalerij. Hierdoor kunnen in de Kunsthal maar liefst vijf tot zes tentoonstellingen tegelijk plaatsvinden. Een ruim auditorium, een café-restaurant, een boekwinkel en een VIP-room completeren het geheel.
De diverse onderdelen van het gebouw lijken luchtig op elkaar gestapeld, vloeren lopen schuin en een aantal hellingbanen doorkruist het geheel. De Kunsthal ligt precies tussen het Museumpark en de Westzeedijk en fungeert op die manier niet alleen als tentoonstellingsgebouw maar ook als verkeersknooppunt.. Een schuin oplopende hellingbaan loopt dwars door het gebouw heen en overbrugt het hoogteverschil van zes meter - ook voor passanten die niet naar binnen gaan. De Kunsthal vormt zowel een afsluiting van het park als een toegangspoort. Eronder door loopt een ventweg, die is gehandhaafd.
Nationale Nederlanden (1986-1991) - in Rotterdam - architect: A. Bonnema
Voor het ontwerp van dit gebouw, gelegen in het centrum aan het Weena, heeft de Nationale Nederlanden een ontwerpwedstrijd uitgeschreven. Er werden vijf architecten (A. Bonnema, W.G. Quist, D. van Mourik, J.M.J. Coenen en U. Kraaijvanger) uitgenodigd om een ontwerp te maken. Er waren niet veel eisen voor het ontwerp, alleen dat het een bruto vloeroppervlak van 106.000 m2 moest hebben. Tevens was voor het eerst in de Nederlandse hoogbouwgeschiedenis het motto 'The sky is the limit'. Het enige waar rekening mee moest worden gehouden was de metrobuis die onder de bouwlocatie door liep.
De vijf architecten hadden slechts vier maanden om met een voorstel te komen. Vier van deze ontwerpen hadden enigszins dezelfde uitstraling. Het ontwerp van Coenen was totaal anders. Uiteindelijk is het ontwerp van Bonnema de winnaar geworden. En met een hoogte van 151 meter is het hiermee het hoogste gebouw van de Benelux. Het grootste probleem was de aanwezigheid van de metrobuis aan de noordzijde van het Weena, dit heeft hij opgelost door 957 heipalen langs de buis te slaan en tussen het gebouw en de buis een open ruimte te laten. Deze ruimte is de speling die het gebouw heeft, indien het gaat zakken. Men heeft de metrobuis door middel van vijzels op zijn plaats weten te houden. Het gebouw is opgetrokken met behulp van een zogenaamde 'glijbekisting'. Hierbij wordt de betonconstructie laag voor laag opgebouwd. De bekisting glijdt langzaam omhoog en het beton wordt steeds op de vorige laag gestort.
van Nelle fabriek (1925-1931) - in Rotterdam - architecten: M. Brinkman en L.C. van der Vlugt
De van Nelle fabriek (1925-1931)wordt tot één van de hoogtepunten gerekend van het Nieuwe Bouwen in Nederland. Leendert van der Vlugt wordt bij de bouw van de koffie-, thee- en tabaksfabriek betrokken na de dood van Michiel Brinkman. Tot dan is er alleen een globaal structuurplan bekend van de indeling van het terrein. Het ontwerp is op vele punten innoverend. Naast het optimaal functioneren van het bedrijf is grote nadruk gelegd op het creëren van verbeterde werkomstandigheden voor de arbeiders.
Het complex was rationeel van ontwerp en functioneel uitgewerkt. Deels was dit een gevolg van de wens van de opdrachtgever, die een efficiënt werkende fabriek wenste. Deels waren de architectonische opvattingen van van der Vlugt verantwoordelijk voor de uiteindelijke vormgeving van het fabrieksgebouw.
Licht, lucht, reinheid en openheid
Behalve vernieuwingen aan draag- en afwerkconstructies, bood de fabriek een werkomgeving die gericht was op het verbeteren van de werkomstandigheden en -verhoudingen. Dit kwam tot uitdrukking in het programma van eisen waarin licht, lucht, reinheid en openheid hoog genoteerd stonden.
Koffie en thee
Het gebouw bestaat uit drie delen: een acht verdiepingen tellende tabaksfabriek, de koffiefabriek van zes lagen en de theefabriek van drie lagen hoog. Via een ingenieus mechanisch systeem wordt de koffie en thee aan- en afgevoerd.
Passage (1882-1885) - in 's-Gravenhage - architecten: J.C. van Wijk en H. Wesstra
Adres: Achterom 46, Buitenhof 4 en 5, Kettingstraat 31 B, E, F, en 35, Spuistraat 26, Hofweg 5; 7 en Passage 5-82, 's Gravenhage
In Nederland hebben in totaal vier passages bestaan (Amsterdam, Rotterdam, Zandvoort en `s-Gravenhage), maar alleen de Haagse is overgebleven. De passage in Amsterdam is opgenomen in Gebouw Mercurius, terwijl de anderen zijn verdwenen. De Passage werd tussen 1882 en 1885 gebouwd en de architecten waren J.C. van Wijk en H. Wesstra. In dit typische laat 19de-eeuwse bouwwerk werden winkels, woningen en horecavoorzieningen ondergebracht. De vermoedelijk uit Parijs stammende vondst "passage" is te beschouwen als een voorloper van het overdekte winkelcentrum. De Haagse Passage is opgebouwd uit bak- en natuursteen, glas en ijzer. Materialen, die in samenwerking met het ontwerp aan het geheel een grote helderheid en ruimtelijke belevingswaarde verlenen. Behalve op een onverkwikkelijke bouwgeschiedenis, kan de Passage ook bogen op een belangrijke stedebouwkundige functie vanwege de ontsluiting en verbinding van verschillende delen van de binnenstad. De arm naar de Hofweg werd als derde "poot" van de Passage pas in de jaren 1928-1929 naar ontwerp van Jos Duynstee aangebracht. De als "metropolitaans wonder" gekenschetste Passage verdient het epitheon "van bijzondere cultuurhistorische waarde" door de uniciteit voor Nederland, vanwege de stedebouwkundige ligging en vanwege het vakmanschap dat in ontwerp en decoratie herkenbaar is en omdat de Passage nog steeds vitale presentatie tentoonspreidt in de functie, waarvoor het geheel werd ontworpen. Tevens kan worden opgemerkt dat de Haagse Passage architectuur-historisch van groot belang is, niet alleen als representant van een bouwfenomeen uit de vorige eeuw, maar ook omdat de Milanese passage tot voorbeeld heeft gediend. Als voorbode van het in deze eeuw sterk opgekomen cultuurverschijnsel "winkelen" bezit de Passage door de vroege bouwdatum indicerende waarde.
Raadhuis (1924-1930) - in Hilversum - architect: W.M. Dudok
In 1915 werd Dudok aangesteld als directeur Publieke Werken in de gemeente Hilversum. Hij kreeg twee belangrijke opdrachten. Hij moest ontwerpen indienen voor de stadsuitbreiding en een nieuw raadhuis bouwen. Het oude raadhuis was te klein geworden en niet langer geschikt om alle ambtenaren te huisvesten, noch om als zetel van het gemeentebestuur en officiële ontvangstgelegenheid dienst te doen. Van begin af aan stond vast dat het nieuwe raadhuis een groot en monumentaal gebouw moest worden. Dudok maakte de eerste ontwerpschetsen voor het nieuwe raadhuis al in 1917. Toch zou het nog 10 jaar duren totdat met de bouw kon worden begonnen. Dat kwam vooral omdat eerst vijf jaar werd gezocht naar de juiste plaats van vestiging. In 1922 kocht de gemeente het landgoed 'Witten Hull' en werd duidelijk dat het raadhuis het middelpunt van een parkomgeving zou worden. Bij het ontwerp ging het Dudok nadrukkelijk om het esthetisch effect dat 'zijn' raadhuis zou krijgen. De verschillende blokvormen, asymmetrisch gegroepeerd rond twee binnenplaatsen, leveren van iedere zijde een totaal andere aanblik op. Door hoge en lage gedeelten met elkaar te combineren en ook door een grote vijver aan te leggen voor de hoofdingang van het gebouw liet Dudok het raadhuis als het ware uit het omringende parklandschap opstijgen. Vrijwel alles aan dit monumentale gebouw, met zijn fascinerende silhouetten, is door Dudok ontworpen. Hij liet een speciaal formaat gele stenen bakken, smaller en langer dan normaal (de 'Hilversumse baksteen' van 23,2 x 4,3 x 11,3 cm). Vensters en deuren vormen belangrijke decoratieve elementen. Ook het interieur is tot in de kleinste details door Dudok bepaald; wandbespanningen, klokken, meubelstukken en soms zelfs gebruiksvoorwerpen zoals de voorzittershamer van de burgemeester. Er is veel gebruik gemaakt van marmer, tegels en hout. Op 31 juli 1931 werd Dudok's schepping officieel in gebruik genomen. Het raadhuis is het onbetwiste hoogtepunt uit zijn carriëre. Het staat op de lijst van Rijksmonumenten .
Radio Kootwijk (1919-1922) - architect: J.M. Luthmann
Na veel politieke discussie is in 1923 het besluit genomen om een zendstation voor de lange golf te bouwen. De locatie is op de zandverstuivingen bij Kootwijk. Het gebouw is een sprekend voorbeeld van de betonarchitectuur in art deco stijl. In het gebouw zijn geen geleidende materialen zoals hout en spijkers gebruikt. Radio Kootwijk heeft jaren dienst gedaan als zender naar Bandoeng in het voormalige Nederlands-Indië. De zendtoren heeft de bijnaam 'Lange Gerrit'. Het gebouw heeft iets van een kathedraal en is inmiddels een rijksmonument.
Laatste nieuws: 14 september 2004
Radio Kootwijk wordt museum
Tv-programmamaker Harry de Winter is kandidaat voor de exploitatie van Radio Kootwijk. Samen met een compagnon wil hij in het voormalige zendstation het Elektrisiseum inrichten, een museum over de toepassing van elektriciteit. Een andere gegadigde is museum Kroller-Muller, dat er een dependance wil vestigen.
Laatste nieuws: 4 juni 2004
Radio Kootwijk moet werelderfgoed worden
Het voormalige zenderpark Radio Kootwijk is cultuurhistorisch van wereldbelang en verdient een plaats op de Unesco-lijst van werelderfgoederen. Dat zegt de Apeldoornse cultuurhistorische adviescommissie als reactie op een voorstel van de Stichting Apeldoornse Monumenten. Die juicht het toe dat het hele gebied van Radio Kootwijk wordt voorgedragen voor het predikaat rijksbeschermd dorpsgezicht. Volgens de cultuurcommissie overstijgt het belang van Radio Kootwijk de nationale grenzen. Met de lijst van werelderfgoederen wil de Unesco gebouwen en landschappen beschermen die van belang zijn voor de mensheid.
Laatste nieuws: 17 maart 2004
Nieuwe eigenaar Radio Kootwijk
Het complex Radio Kootwijk is definitief overgegaan in handen van de nieuwe eigenaar: Dienst Landelijk Gebied (DLG). DLG heeft namens de Staat der Nederlanden het complex aangekocht van KPN en is voorlopig eigenaar van de gebouwen tot een nieuwe bestemming is gevonden. Het natuurgebied (ruim 440 hectare) wordt eigendom van Staatsbosbeheer. Dit is een bijzondere aankoop, omdat het een uniek complex is met grote natuurlijke en cultuurhistorische waarde.
Het in 1919-22 gerealiseerde hoofdgebouw, ook wel de "de Kathedraal" genoemd, is bekend door zijn bijzondere architectuur (architect J.M. Luthmann) en de functie als zendstation, de draadloze verbinding naar Nederlands Indië. Het museum Kröller-Müller heeft al interesse getoond in dit voormalige zendgebouw. Voor de overige gebouwen worden nog gebruikers gezocht. Omdat het gehele complex is aangekocht, kunnen de natuurgebieden en de waardevolle rijks- en gemeentelijke monumenten (zowel bestaande als nog aan te wijzen panden) behouden blijven.
Rijksmuseum - in Amsterdam - architect: P.J.H. Cuypers
Met de bouw van het Rijksmuseum werd begonnen in 1876. In 1885 werd het geopend en in 1898 uitgebreid met het zogenaamde Fragmentengebouw en de Tekenschool. In 1906 werd het gebouw verder uitgebreid met de Nachtwachtuitbouw en in 1909 en 1916 met de Druckeruitbouw. De na 1945 begonnen uitbreidingen in de voormalige binnenplaatsen zijn in 1971 voltooid. Het is ontworpen door P.J.H. Cuypers in neo-renaissancestijl. De bedoeling was dat 'de vormen van het gebouw zijn bestemming moesten uitdrukken'. Het gebouw werd een ware stadspoort, die de doorgang vormde naar de nog te bouwen woonwijken. De vele torens herinnerden aan het ideaalbeeld van een harmonische gemeenschap waarin de openbare en kerkelijke gebouwen domineren. De plattegrond -vleugels rond twee binnenplaatsen- was geïnspireerd op die van het Paleis op de Dam.
Laatste nieuws
Rijksbouwmeester Jo Coenen heeft het besluit genomen de opdracht voor de renovatie van het Rijksmuseum te gunnen aan het Spaanse architectenduo Cruz en Ortiz uit Sevilla. Met deze keuze blijven originele elementen van Cuypers ontwerp grotendeels in tact. De architecten willen de oost- en westvleugel met elkaar verbinden door een nieuwe ruimte onder de poort van het Rijksmuseum. Bezoekers zullen in de toekomst via de onderdoorgang het museum betreden. De renovatie staat gepland van eind 2003 tot 2006 en is nodig om het Rijksmuseum geschikt te maken voor de ruim één miljoen bezoekers die het jaarlijks trekt. Het oorspronkelijke ontwerp van Cuypers kan deze bezoekersstroom niet aan. De kosten van de renovatie zullen ong. 445 miljoen gulden (202 miljoen euro) bedragen.
Scheepvaarthuis (1912-1916) - in Amsterdam - architect: J.M. van der Mey
Het Scheepvaarthuis was het kantoorgebouw voor zes Amsterdamse scheepvaartmaatschappijen. De architect van der Mey heeft in samenwerking met M. de Klerk en P. Kramer het gebouw ontworpen. Het wordt in het algemeen beschouwd als het eerste volledig in de stijl van de Amsterdamse School gerealiseerde bouwwerk. De decoraties ter plaatse van de fantastisch gebeeldhouwde entree geven de rechterhoek van het gebvouw een sterk verticaal accent. De expressionistische werkwijze kenmerkt ook het interieur. Ruimtelijk hoogtepunt is de geometrisch gedecoreerde centrale traphal.
Nadat het gebouw de laatste jaren functioneerde als hoofdkantoor van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Amsterdam, wordt het over drie jaar een viersterren-hotel. De nieuwe eigenaar heeft zich verplicht om de buitenzijde van het prachtige gebouw te restaureren.
Rietveld-Schröderhuis - in Utrecht - architect: G. Rietveld
Het Rietveld-Schröderhuis, gelegen aan de Prins Hendriklaan in Utrecht, is gebouwd in 1924. Het woonhuis is wereldberoemd geworden als één van de weinige architectonische uitingen van De Stijl. Evenals bij Rietveld's befaamde rood-blauwe stoel zijn de vlakken en lijnen bewust van elkaar losgemaakt, zodat ze langs elkaar lijke te schuiven. De ruimten zijn zo weinig mogelijk van absolute begrenzingen voorzien. Bij de hoekramen op de verdieping ontbreekt bijvoorbeeld een hoekstijl. Als de beide ramen worden opengezet vloeien binnen- en buitenruimte in elkaar over. De behoefte aan een onbegrensde ruimte uit zich ook in de mogelijkheid alle wanden op de verdieping weg te kunnen schuiven, waardoor één grote woonruimte ontstaat. Van deze 'driedimensionale Mondriaan' is het kleurenschema evenzeer in het oog springend. Voor de lineaire elementen gebruikte Rietveld rood, blauw en geel, voor de vlakken wit en verschillende grijstinten.
Westergasfabriek (1883) - in Amsterdam - architect: I. Gosschalk
De Westergasfabriek is de grootste steenkolengasfabriek van Amsterdam geweest. Isaac Gosschalk wil 'de strengste eisen van nuttigheid, door de fabricatie gesteld', verbinden met 'voor het oog aangename vormen'. De stijl is neo-renaissance en de bijzondere draagconstructies zijn zowel architectonisch als bouwkundig van grote betekenis. Met hun rode bakstenen, trapgevels en hoge ramen lijken de fabrieken meer op Hollandse huizen dan op de in die tijd gangbare sombere fabrieksgebouwen.
Het bouwen van de fabriek duurt twee jaar; verbazingwekkend kort voor zo'n groot complex met zijn arbeidsintensieve metselwerk en ingewikkelde smeedwerk. Na de vondst van aardgas in Slochteren, in 1967, stopt de gasproductie. Het energiebedrijf gebruikt de gebouwen alleen nog maar als werkplaats of voor opslag van hun materieel. Jarenlang vormt de Westergasfabriek een eiland: een afgesloten terrein, vlakbij het centrum van Amsterdam, verontreinigd en desolaat. Het Westergasfabriekterrein is verontreinigd door de vroegere gasproduktie uit kolen. De Milieudienst Amsterdam heeft voor de werkzaamheden daarom een saneringsplan gemaakt dat wordt uitgevoerd.
In een besloten prijsvraag maakt architect Francine Houben (1955) van Mecanoo samen met landschapsarchitect Kathryn Gustafson in 1997 het winnende ontwerp voor een park op de plek van de voormalige Westergasfabriek. De opdrachtgever is Stadsdeel Westerpark. Over het Westergasfabriekterrein wordt een nieuwe structuur gelegd die de monumentale gebouwen respecteert, maar ze toch in een nieuwe context plaatst. Het plan heeft een heldere opbouw en biedt op een beperkt oppervlakte de ervaring van weidsheid en verre uitzichten. De beoordelingscommissie waardeert het dat het ontwerp een internationale allure heeft en zich tegelijkertijd goed leent voor gebruik door de bewoners van de nabije omgeving. Het ontwerp zorgt voor zowel verbinding als contrast van het park met de stedelijke woonwijken en met het omringende groen (het Westerpark en de polder). De toepassing van water in verschillende vormen geeft het park een extra kwaliteit. Daarmee worden rust en ruimte in het park gebracht, maar ook een vorm van stedelijk spektakel. Mecanoo krijgt de opdracht om een masterplan te maken voor de architectuur op het terrein en vervolgens supervisie te houden bij alle architectonische ingrepen.
Het witte huis (1897-1898) - in Rotterdam - architect: W Molenbroek (1863-1922)
Dit is het eerste hoogbouw project van Europa en is met een hoogte van 45 meter lange tijd het hoogste bouwwerk van Europa geweest. Het gebouw was rond de eeuwwisseling heel populair, met de lift kon je naar het openbare uikijkplatform en van het spectaculaire uitzicht genieten. Veel Rotterdammers vonden de gevel kitsch, gemaakt van geglazuurde baksteen met mozaiëken en beelden. Voor en tijdens de bouw was er veel kritiek van andere architecten en van de vakpers. Eén van de bezwaren was dat het gebouw geen skeletconstructie bevat, maar is opgebouwd uit dikke dragende wanden (0,4-1,4m.), met haaks daarop vier lichtere wanden voor de stabiliteit. Dit was volgens hen in Rotterdam onmogelijk vanwege de slappe bodem. Mede hierdoor werd het aantal heipalen met zo’n 150 vergroot, van 750 naar 900. Dit aantal werd later door omstandigheden nog eens met 100 palen vergroot. Deze palen moesten het gewicht van 300.000 kilo staal , 300m3 hardsteen, 3.000.000 bakstenen en 120.000 verglaasde stenen dragen. Het gebouw dat fl. 127.900,-- moest gaan kosten zou als het klaar was een grondoppervlakte van 15 x 20 meter hebben. Deze oppervlakte is echter tijdens de bouw uitgebreid naar 20 x 20 meter. Dit kwam doordat tijdens het heien van de 900 palen er scheuren vormden in naastgelegen panden. Deze werden op een gegeven moment zo erg dat de muren op instorten stonden. Hierop besloot de B.V. Het Witte Huis om de huizen te kopen en te slopen. De hierdoor ontstane ruimte werd benut voor de uitbreiding van het gebouw. Nadat het gebouw klaar was, was men bang dat er in Rotterdam 'Amerikaanse toestanden' zouden komen, door nog meer van dit soort hoge gebouwen te gaan bouwen. Dit zou volgens de Rotterdammers niet in Rotterdam thuis horen.




