Bouwtrefpunt.nl
home  |  adverteren  |  faq  |  links  |  sitemap  |  contact
  • Menu
    • Home
    • Bedrijvengids
    • Bouwproducten
    • Bouwvacatures
  • Extra
    • Begrippen
    • Hypotheken (tip)
    • Kennisbank
    • Leuke filmpjes
    • Vakbladen
  • Nieuws
    • Nieuwsbrief
    • Nieuwsarchief
    • Persberichten
    • RSS
  • Service
    • Adverteren
    • Contact
    • Favorieten
    • Startpagina
    • Tell-a-friend

Handboek Gevelisolatie

1 Inleiding

"Als dagvoorzitter van een studiemiddag over gepleisterde gevelisolatie constateerde ik enige jaren geleden dat er over deze 'andere manier van bouwen' inmiddels een zeer grote hoeveelheid kennis is opgebouwd. Het verheugt mij te mogen vaststellen dat deze kennis nu gebundeld is in dit voortreffelijk handboek. In deze uitgave worden alle facetten rond de gepleisterde gevelisolatie compleet en overzichtelijk behandeld. 

De gevelisolatiebranche profileerde zich reeds eerder met een goed opgebouwde kwaliteitszorg van product tot en met verwerking. Daarna volgde de introductie van een uitgebreide garantieregeling. Door de verdere verbreiding van kennis, waarbij dit handboek een positieve rol kan spelen, zal de kwaliteit van het gevelisolatiewerk in alle fasen beter beoordeeld en dus nog verder verbeterd kunnen worden.

Ik vertrouw erop dat dit handboek zal bijdragen aan een verdere toepassing van gepleisterde gevelafwerking die tot op heden al heeft geresulteerd in zoveel moderne, opvallende en fraai vormgegeven gebouwen."

Mr. D. van der Veer

directeur van de
Koninklijke Maatschappij tot
Bevordering der Bouwkunst
Bond Nederlandse Architekten (BNA)

2 Over dit handboek

Het afwerken van gevels met gevelisolatie vindt zijn oorsprong in Duitsland, waar in 1961 de eerste projecten in de woningbouw werden uitgevoerd. Momenteel worden jaarlijks in Duitsland bijna 25 miljoen m² gevelisolatie aangebracht. In Nederland wordt gevelisolatie sinds 1975 toegepast; momenteel ongeveer 500.000 m² per jaar. Voor een land dat geen echte gevelstuccultuur kent, bepaald geen onaanzienlijke hoeveelheid. Inmiddels is er dus ook in Nederland voor miljoenen m² ervaring. De pioniersfase is voorbij!

Helaas worden vaak, in zowel ontwerp als uitvoeringsfase, nog elementaire zaken over het hoofd gezien. Ook wordt nogal eens kwaliteit ingeleverd, soms uit verkeerde zuinigheid. Dit handboek heeft ten doel de noodzakelijke kennis toegankelijk te maken waardoor een optimaal resultaat bereikbaar wordt.

2.1 Wat de lezer dient te weten bij het gebruik van dit handboek

Dit handboek is in eerste instantie bedoeld voor lezers met een bouwkundige achtergrond. Hierbij valt te denken aan opdrachtgevers, adviseurs, architecten, bouwkundig aannemers en stukadoorsbedrijven. De onderwerpen zijn echter zodanig beschreven dat ze meestal ook voor 'de leek' eenvoudig te volgen zijn.

Dit handboek is tevens als naslagwerk te gebruiken. Bij de indeling is een logische volgorde gehanteerd en er is een uitgebreide index. In de tekst wordt regelmatig naar andere hoofdstukken verwezen.

Indien het handboek verwijst naar of citeert uit literatuur, verwerkingsvoorschriften, de BRL, bouwbesluit, normen o.d. is het aan te bevelen de betreffende originelen te raadplegen. De belangrijkste, bij de samenstelling geraadpleegde, literatuur is opgenomen in de literatuurlijst. Voorkomende afkortingen staan in de afkortingenlijst.

Praktisch alle in dit handboek genoemde bedrijven en instellingen zijn terug te vinden in de adressenlijst. Dit hoeft niet te betekenen dat zij verantwoording dragen voor (de juistheid van) de tekst in dit handboek.

2.2 Het begrip gevelisolatie

Als in dit handboek gesproken wordt over 'gevelisolatie' dan wordt bedoeld: buitengevelisolatie met gepleisterde afwerking; soms ook 'natte buitengevelisolatie' genoemd. Geen aandacht wordt besteed aan binnenisolatie, spouwmuurisolatie en gevelisolatie afgewerkt met plaatmaterialen de z.g. 'droge buitengevelisolatie'.

2.3 De Beoordelingsrichtlijn

In dit handboek wordt ruime aandacht geschonken aan de beoordelingsrichtlijn (BRL). De BRL bevat eisen, voorschriften en aanbevelingen die gesteld worden aan het totale systeem, de verschillende onderdelen daarvan en de verwerking. De BRL is een contractstuk waaraan systeemhouders, stukadoorsbedrijven maar ook opdrachtgevers zich, via het bestek, moeten houden. In dit handboek worden belangrijke delen uit de BRL geciteerd. In dat geval is de tekst cursief weergegeven.

2.4 De auteur

Dit handboek is geschreven door Rob van Boxtel, werkzaam zowel als directeur van de Landelijke Specialisten Gevel-Isolatie (LSGI) als van de Garantiefonds Gevelisolatie.

Het manuscript is door een twintigtal personen, met grote deskundigheid over de diverse behandelde onderwerpen, belangeloos van tips en commentaar voorzien. Een woord van dank voor de zorgvuldigheid en het enthousiasme hierbij, is hier zeker op zijn plaats. Zonder anderen tekort te willen doen is in het bijzonder dank verschuldigd aan de heren J. Akemann, J.W. Klosters en H.J. Wielens.

ing. J.C. van Es redigeerde de tekst en plaatste tevens inhoudelijke kanttekeningen.

2.5 Verantwoording

Dit handboek is met de grootste zorg samengesteld. De auteur sluit echter iedere aansprakelijkheid voor schade uit die mocht voortvloeien uit het gebruik van (evt. foutieve) informatie uit dit handboek, dit geldt tevens voor allen die aan de totstandkoming van deze uitgave hebben meegewerkt. Door gebruik te maken van dit handboek stemt de gebruiker daarmee in. Aan dit handboek kunnen geen rechten worden ontleend.

2.6 Uw oordeel

Voor het ontwikkelen van een tweede druk van dit handboek zijn commentaar, vragen en suggesties welkom.

3 Goed, beter, best

In dit handboek zullen verschillende produkten, of werkmethoden met elkaar vergeleken worden. Natuurlijk zijn er materialen leverbaar en werkmethoden mogelijk die een hogere kwaliteit hebben dan de daaraan gestelde eisen. De eisen geven echter een minimumniveau aan. Het is van belang om niet altijd genoegen te nemen met het laagste kwaliteitsniveau.

Kiezen voor minder of het minste betekent vaak grotere risico's tijdens en na de bouw. De materiaalkeuze heeft daarnaast vaak invloed op de verwerkbaarheid. Duurdere materialen verdienen zichzelf soms terug omdat zij arbeidsbesparend zijn.

Vaak wordt tijdens prijsonderhandelingen gezocht naar het minimaal noodzakelijke. Alvorens een beslissing te nemen over 'het inleveren van kwaliteit' is het daarom belangrijk vooraf alle consequenties goed te overwegen.

4 Met dank aan 

De totstandkoming van dit handboek was niet mogelijk geweest zonder financiële steun van:

  • Vereniging van Erkende Systeemhouders in Nederland EGS Lith
  • Van Es/TPA Zevenbergen
  • Landelijke Specialisten Gevel-Isolatie LSGI 's-Hertogenbosch

en alle bij EGS aangesloten systeemhouders en alle bij LSGI aangesloten stukadoorsbedrijven.

5 Geschiedenis 

Enkele historische gegevens:

  • 1959 Patentaanvraag in Duitsland (7-10-1959). Het patent werd niet verleend!
  • 1959 Toepassing op Duitse suikersilo's. Gevelisolatie loste condensatieproblemen op.
  • 1961 Toepassing in woningbouw, Zuid Duitsland.
  • 1975 Eerste toepassing in Nederland.
  • 1980 Introductie verzekerde garantie.
  • 1982 Voorlopige kwaliteitseisen en verwerkingsrichtlijnen voor 'volkunststof systemen', opgesteld door Bouwcentrum in opdracht van het Directoraat Generaal voor de Volkshuisvesting. Op basis hiervan werden door het Bouwcentrum beoordelingsrapporten voor systemen afgegeven. Dit waren voorlopers van de huidige KOMO-Attesten.
  • 1982 Eerste SBR-publicatie over gevelisolatie. no. 92 'Buitenisolatiesystemen met gepleisterde afwerking'.
  • 1983 'Anders bouwen voor straks' een STS-campagne die het gepleisterd bouwen een grote bekendheid gaf.
  • 1986 'Kwaliteitseisen en verwerkingsrichtlijnen voor buitengevelisolatiesystemen'. Eisen en verwerkingsrichtlijnen voor alle gepleisterde systemen; opgesteld met financiële steun van het Ministerie VROM en de vereniging VESPIN.
  • 1987 Oprichting Landelijke Specialisten Gevel-Isolatie (LSGI).
  • 1990 Eerste KOMO-Procescertificaat voor een stukadoorsbedrijf. Het KOMO-Procescertificaat is ontstaan op initiatief van LSGI.
  • 1990 Uitgave van LSGI-Standaarddetails gevelisolatie.
  • 1991 Uitgifte van de informatiediskette gevelisolatie door LSGI met standaard technische omschrijving. (Inmiddels niet meer verkrijgbaar.)
  • 1991 Eerste KOMO-Attest voor een gevelisolatiesysteem.
  • 1991 Nieuwe versie 'Kwaliteitseisen en verwerkingsvoorschriften voor gevelisolatiesystemen met gepleisterde afwerking'. Deze werd later door de harmonisatiecommissie van SBK aanvaard als 'nationale BRL'.
  • 1991 Opheffing VESPIN.
  • 1991 Oprichting Vereniging Erkende Gevelisolatie Systeemhouders (EGS).
  • 1992 Oprichting Garantiefonds Gevelisolatie.
  • 1993 SBR-publicatie 283 'Praktijkervaring met gepleisterde buitengevelisolatiesystemen'.
  • 1995 Aanpassing van de BRL aan het bouwbesluit. Deze aanpassing hield geen technische wijzigingen in.
  • 1995 Uitgave van dit handboek.

6 Terminologie 

In dit hoofdstuk is de in dit handboek gebruikte terminologie vastgelegd in een tabel. Hierin is ook 'vakjargon' opgenomen. Het is bijvoorbeeld eenvoudiger de term 'dunne systemen' te gebruiken dan telkens alle systemen te noemen die daarmee bedoeld worden.

Het kan ook voorkomen dat een in dit boek gebruikte vakterm formeel onjuist is. Het woord polystyreen is daarvan een voorbeeld omdat het eigenlijk de grondstof is waarvan geëxtrudeerd en geëxpandeerd polystyreen vervaardigd wordt. Er is toch voor dit woord gekozen omdat het daarbij als verzamelnaam voor beide isolatiesoorten fungeert; Daarbij is er overigens aansluiting bij de praktijk van alle dag.

Gebruikte benaming Alternatieve, soms onjuiste, benaming Omschrijving / Toelichting
Gevelisolatie en Systeem Buitengevelisolatie
Buitenisolatie
Thermische gevelafwerking
Gevelbuitenisolatie
Buitenstuc
Een uit meerdere onderdelen bestaand isolatiesysteem afgewerkt met mortel dat voornamelijk wordt toegepast tegen de buitenkant van gevels.
Dunne systemen Alle systemen m.u.v. systemen afgewerkt met dikke mineraalgebonden pleisters.
Dikke systemen Systemen afgewerkt met dikke mineraalgebonden pleisters. Veelal met krabpleisters.
Gelijmde systemen Gevelisolatie die op de ondergrond gelijmd wordt en waarbij eventuele mechanische bevestigingsmiddelen slechts ter meerdere zekerheid worden aangebracht.
Mechanisch bevestigde systemen Gevelisolatie die met mechanische bevestigingsmiddelen op de ondergrond wordt bevestigd waarbij hechtmortel additioneel wordt gebruikt.
Mortel Verzamelnaam voor verhard en onverhard materiaal van zowel poedervormige als pasteuze samenstelling in alle stuclagen.
Pleister Sierpleister
Afwerkpleister
Mortel of mortellaag die het uiterlijk van het systeem bepaalt.
Hechtmortel Hechtspecie
Hechtcement
Hechtmiddel
Lijm
Een specifieke bouwlijm bedoeld om de isolatieplaten op de ondergrond te bevestigen.
Polystyreen Voor geëxpandeerd polystyreen worden nog o.a. volgende (onjuiste) benamingen gebruikt:
  • piepschuim
  • tempex
  • polystyrol
Geëxpandeerde (EPS) en geëxtrudeerde (XPS) polystyreenplaten zijn de internationaal vastgelegde benamingen en afkortingen. Tenzij geen nadere aanduiding gebruikt wordt is polystyreen in dit handboek een verzamelnaam voor beide soorten. Polystyreen is eigenlijk de naam van de grondstof (een harde kunststof) voordat deze geëxpandeerd of geëxtrudeerd wordt. Slechts één systeemhouder levert systemen op basis van geëxtrudeerd polystyreen. Technische informatie rond deze systemen heeft daarom automatisch betrekking op dit ene systeem. De BRL voorziet ook in andere kunststofschuim isolatieplaten, echter deze worden in geattesteerde systemen niet toegepast.
Cellulair glas Schuimglas Slechts één systeemhouder levert systemen op basis van cellulair glasplaten. Technische informatie rond deze systemen heeft daarom automatisch betrekking op dit ene systeem.
Steenwol De BRL voorziet ook in bijv. glaswol, echter deze wordt in geattesteerde systemen niet toegepast.
Isolerende mortel Wärmedämmputz Mortel die polystyreenbolletjes bevat. Deze mortel neemt de functie van de isolatieplaat over. Gezien de geringe isolerende werking wordt deze mortel in geattesteerde systemen niet toegepast.
Wapeningsmortel Verbindingsmortel
Inbedmortel
Grondmortel
Het materiaal waarmee, samen met wapeningsweefsel, de wapeningslaag gevormd wordt.
Wapeningslaag Verbindingslaag
Weefsel/mortellaag
Het deel van de mortelafwerking dat gelegen is tussen het isolatiemateriaal en de pleister en waarin het wapeningsweefsel is opgenomen.
Wapeningsweefsel Wapening
Wapeningsnet
Een in de wapeningslaag ingebed glasvezelnetwerk dat dient voor spanningsverdeling en versteviging.
Pluggen Nagels
Dübels
Schotelpluggen
Isolatiepluggen
Mechanische bevestigingsmiddelen om het systeem additioneel op de ondergrond te bevestigen.
Cellenband BGI-band
Compressieband
Schuimband
Zwelband
Afdichtingsband
Geïmpregneerd opencellig schuimband dat voorgecomprimeerd moet worden toegepast.
Voorstrijklaag Primerlaag
Voorstrijkmiddel
Verflaag die soms wordt aangebracht op de wapeningslaag bij dunne systemen.
Krabpleister Kratzputz Mineraalgebonden pleister, onderdeel van een dik systeem, die zijn structuur bereikt door het uitkrabben van korrels uit de niet geheel verharde laag. In Duitsland wordt de naam kratzputz ook gebruikt voor pleisterlagen met een 'kratzputz-structuur'. In dat geval is er echter sprake van een dunne pleisterlaag.
Verharding Droging Formeel is er bij dispersiegebonden mortels sprake van 'droging'.
Dispersiegebonden mortels Verzamelnaam voor kunstharsgebonden mortels en gesiliconiseerde kunstharsgebonden mortels
Systeemhouder Leverancier van één of meerdere geattesteerde systemen.
Stukadoorsbedrijf Applicatiebedrijf Wettelijk is het vastgelegd dat gevelisolatie stukadoorswerk is vandaar dat de gevelisolatie wordt aangebracht door stukadoorsbedrijven.

7 Waarom gevelisolatie?

Gevelisolatie wordt niet alleen toegepast om energie te besparen. Hieronder de belangrijkste argumenten die opdrachtgevers hanteren om over te gaan tot de toepassing van gevelisolatie, in nieuwbouw en renovatie.

7.1 Verfraaiend

Gevelisolatie zorgt voor verfraaiing van de gevel. Veel woonwijken zijn inmiddels door de kleurrijke afwerking opgewaardeerd. De verkoopbaarheid / verhuurbaarheid van het vastgoed wordt daardoor verhoogd.

7.2 Isolatiemogelijkheden

De isolatiedikte is in principe onbegrensd. Dit in tegenstelling tot veel andere isolatiemethodes.

7.3 Subsidiabel

Bij toepassing van gevelisolatie zijn isolatiesubsidies mogelijk. Particulieren kunnen hierover informatie inwinnen bij het plaatselijk nutsbedrijf.

7.4 Bouwtechnisch beter

Gevelisolatie biedt ook technische verbeteringen. Thermische spanningen in de buitenmuur worden tegengegaan. Koudebruggen kunnen veelal eenvoudig worden voorkomen.

7.5 Comfortverhogend

Gevelisolatie verhoogt het leefcomfort in de woning. Een aantal voorbeelden van deze comfortverhogende eigenschappen:

7.5.1 Het warmteregulerend vermogen van muren

De bouwfysica toont aan, dat het aanbrengen van de isolatielaag aan de buitenzijde van een gevel, de beste manier van isoleren van gevels van (bewoonde) gebouwen is. De geïsoleerde buitenwand slaat overdag de warmte die in het gebouw geproduceerd wordt op; 's avonds en 's nachts, als er niet meer gestookt wordt, staat de wand deze opgeslagen warmte naar binnen af. Een gelijkmatige verwarming van de woning is het resultaat. Deze eigenschap staat bekend als het z.g. warmteregulerend vermogen van muren.

7.5.2 Het opheffen van 'valse tocht'

Lucht die door een ongeïsoleerde wand afkoelt, zakt naar beneden. Dit wordt ervaren als tocht. Dit verschijnsel wordt 'valse tocht' genoemd. Omdat een muur met gevelisolatie veel minder snel afkoelt zal 'valse tocht' niet optreden.

7.5.3 Het tegengaan van schimmelvorming

Op een koude ongeïsoleerde gevel kan condensatie optreden. Hierdoor kan schimmelvorming ontstaan. Een goed geïsoleerde muur blijft warm en voorkomt zo condensatie.

De genomen isolatiemaatregelen moeten zodanig zijn dat de woning geventileerd kan blijven.

8 Systeemopbouw

In dit hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan de verschillende materialen waaruit gevelisolatiesystemen kunnen worden opgebouwd. Tevens aandacht voor produkten die veel bij gevelisolatie worden toegepast, bijvoorbeeld afdichtingsmaterialen bij aansluitingen en stucprofielen.

Gevelisolatie zelf bestaat uit 4 belangrijke onderdelen:

  • bevestigingsmaterialen
  • isolatieplaten
  • wapeningslaag
  • afwerking

Belangrijke hoofdstukken die met de materialen te maken hebben zijn: 'Milieuaspecten' waarin omschreven wordt hoe een aantal van de materialen worden gefabriceerd. Het hoofdstuk 'Verwerking' gaat uiteraard over het aanbrengen. Over de ondergrond, waarop gevelisolatie wordt aangebracht, wordt geschreven in het hoofdstuk 'Werkvoorbereiding'.

8.1 Bevestiging

Er zijn twee manieren waarop isolatieplaten op de ondergrond worden bevestigd:

8.1.1 Gelijmde systemen

De isolatieplaten worden met hechtmortel, veelal een mortel op cementbasis, op de ondergrond gelijmd. De dikte van deze laag is ca. 3-5 mm, mede afhankelijk van de vlakheid van de ondergrond. Systemen op basis van cellulair glas worden met een bitumineuze koude kleefstof aan de ondergrond bevestigd.

8.1.2 Mechanisch bevestigde systemen

Daar waar getwijfeld wordt aan de hechtkracht van de hechtmortel op de ondergrond wordt veelal een mechanisch systeem toegepast. Ook grote oneffenheden in de ondergrond of houtskeletbouw kunnen redenen zijn om een mechanisch bevestigd systeem toe te passen. In Duitsland wordt dit systeem veel toegepast i.v.m. wisselvallige ondergronden, in ons land sporadisch.

Bij een mechanisch bevestigd systeem worden op de ondergrond profielen bevestigd. De toe te passen isolatieplaten zijn voorzien van sleuven waardoor ze eenvoudig in de profielen kunnen worden geplaatst. Om eventuele werking van de platen tegen te gaan is het belangrijk de platen met hechtmortel of een extra plug te fixeren. Deze systemen zijn niet leverbaar met cellulair glasplaten. De wapeningslaag en afwerking wijken verder niet af van gelijmde systemen. Momenteel zijn er geen mechanisch bevestigde systemen met een KOMO-Attest.

8.2 Isolatielaag

De verschillen in isolatiewaarde van de toe te passen isolatieplaten zijn niet erg groot. De isolatieplaten zijn in een groot aantal verschillende dikten leverbaar, veelal met 10 mm oplopend.

De volgende isolatieplaten worden momenteel in geattesteerde systemen toegepast:

8.2.1 Polystyreen

De polystyreenplaat wordt het meest toegepast. Door zijn geringe gewicht is deze plaat eenvoudig te verwerken.

Er zijn zowel stompe platen als platen met een randprofiel (vanaf een plaatdikte van 30 mm). Belangrijkste vormen van randprofilering zijn de sponning- of de 'messing- en groef'plaat. Uit isolatie- of vochttechnisch oogpunt is een randprofilering niet noodzakelijk. Randprofilering is door een ongunstiger materiaalverbruik duurder. Zeker bij dunne systemen is een vlakke ondergrond belangrijk. Door gebruik te maken van platen met een randprofilering wordt deze vlakheid verkregen zonder dat het oppervlak geschuurd hoeft te worden. Bij kleine gevelvlakkengrijs met bijv. veel penanten vervalt dit voordeel omdat, door het op maat snijden van de plaat, het randprofiel vervalt.

- Geëxpandeerd polystyreen

Geëxpandeerd polystyreenplaten (EPS) worden in verschillende volumieke massa's toegepast. De afmetingen zijn in bijna alle gevallen 500 x 1000 mm, soms 600 x 1200 mm. Er zijn normaliter twee verschillende uitvoeringen leverbaar; 'normaal' en 'brandvertragend gemodificeerd' en meerdere soortelijke massa's (densiteiten); van 15-35 kg/m³. In de meeste KOMO-Attesten wordt de 'brandvertragend gemodificeerde' kwaliteit (meestal aangeduid met SE) voorgeschreven. Deze platen zijn herkenbaar aan een rode streep op de zijkant. De sterkte en isolerende eigenschappen nemen toe met de volumieke massa. In de meeste gevallen is een relatief goedkope en lichtgewicht PS 15 plaat voldoende. ('15' staat voor 15 kg/m³). Ook de PS 20 plaat wordt in de praktijk veel toegepast. Onder het maaiveld verdient een diffusiedichtere plaat, bijv. van geëxtrudeerd polystyreen (XPS), de voorkeur.

Er zijn platen met z.g. thermische insnijdingen en/of hechtingsgroeven. Thermische insnijdingen zijn met dunne draad ingesmolten naden in een vierkant patroon. Deze vangen de spanningen beter op, die in de mortellaag ontstaan bij temperatuurwisselingen. Een bijkomend voordeel van thermische insnijdingen is dat hierdoor de platen minder gauw kromtrekken.

Hechtingsgroeven zijn groeven van circa 10 x 5 mm in een vierkant of rechthoekig patroon. Platen voorzien van deze groeven worden veelal gebruikt bij systemen met dikke mineraalgebonden mortels. Door deze groeven wordt de hechting van de mortel aan de plaat vergroot. Bij dunne afwerklagen wordt deze plaat niet vaak toegepast omdat de groeven zich dan kunnen aftekenen in de mortel. Dit in verband met verschillen in vochtopname en verharding.

Zowel thermische insnijdingen als hechtingsgroeven zijn systeemgebonden en te zien op de foto bij artikel 9.2.

- Geëxtrudeerd polystyreen

Stevige, duurdere, gekleurde isolatieplaat (XPS) met betere isolerende eigenschappen. Gewicht 28 kg/m³. Afmeting vaak 600 x 125 mm. De plaat heeft een hoge dampdiffusieweerstand en door zijn staafvormige bolle celwanden, een hoge drukvastheid. Deze plaatsoort komt voor als isolatiedrager in één gevelisolatiesysteem en wordt daarnaast vaak gebruikt voor de isolatiedelen onder maaiveld. Omdat de geëxtrudeerde plaat bestand is tegen vocht hoeft de wapeningslaag niet omgezet te worden onder de plaat.

8.2.2 Steenwol

Steenwolplaten worden vaak gekozen uit brandtechnische overwegingen en omdat ze dampopen zijn. De vezelige randen van de platen sluiten bij een juiste montage goed tegen elkaar aan, zodat er bijna nooit open naden ontstaan. Steenwolplaten zijn duurder dan polystyreenplaten. Er zijn twee soorten steenwolplaten die bij gevelisolatie worden toegepast:

- Steenwol gevelplaat

De standaard voor gevelisolatie toegepaste steenwolplaat heeft een soortelijk gewicht van 150 kg/m³ en als afmeting meestal 600 x 1000 mm of 800 x 625 mm. De vezels lopen evenwijdig met het plaatoppervlak.

- Steenwol lamellenplaat

Steenwolplaat waarvan de vezels loodrecht op het plaatoppervlak staan. Hierdoor heeft de plaat een iets hogere drukvastheid. (Dit geldt overigens niet voor puntlasten.) Het soortelijk gewicht is 95 kg/m³. De plaat is iets goedkoper dan de gevelplaat en valt op door zijn afwijkende maat, veelal 200 x 1000 mm. Deze maat wordt veroorzaakt doordat de plaat tijdens de produktie dwars uit de steenwol gezaagd wordt. Vanwege zijn flexibiliteit en geringe afmeting is de lamellenplaat ook bijzonder geschikt voor toepassing op ronde gevels. Door de geringe afmetingen van de steenwol lamellenplaat is het snijverlies lager dan normaal.

De lamellenplaat werd voor het eerst in Duitsland in gevelisolatiesystemen toegepast. Daar spelen de strenge eisen aan de hogere hechtkracht van de hechtmortel en wapeningslaag aan de plaat, bij toepassing op grotere hoogte, een rol. Deze (te?) strenge eisen zijn in ons land niet van toepassing.

8.2.3 Cellulaire glasplaat

Een harde zwarte, volledig dampdichte, plaat bestaande uit geschuimd glas. Het materiaal weegt 115 kg/m³ en wordt in kleine afmetingen, 450 x 600 mm, geleverd. Door de geringe afmetingen wordt het nadeel van het hogere gewicht genivelleerd. De plaat wordt vaak gekozen vanwege zijn onbrandbaarheid en vanwege het feit dat zij geen vocht opneemt. De 100 % dampdichtheid van de plaat biedt voordelen als grote vochtbelasting van binnenuit of van buitenaf (bijv. onder maaiveld) te verwachten is. Indien de plaat in nieuwbouw wordt toegepast dient rekening gehouden te worden met het feit dat het bouwvocht uit de ondergrond alleen via de binnenkant de wand kan verlaten. Cellulaire glasplaten zijn duurder dan andere isolatieplaten. Een beperkt aantal stukadoorsbedrijven is in de verwerking van deze systemen gespecialiseerd.

8.2.4 Andere isolatieplaten

Andere isolatieplaten dan de hierboven genoemde 3 soorten worden in geattesteerde systemen niet toegepast.

Inmiddels is er een gevelisolatiesysteem op de markt dat een z.g. Resolplaat als isolatieplaat heeft. Dit systeem wordt zeer weinig toegepast.

8.2.5 Isolerende mortels

Dit zijn mortels waarin polystyreenbolletjes zijn opgenomen. Deze mortels kunnen in meerdere arbeidsgangen tot grote diktes worden opgebracht. De mortels nemen daarbij de taak van de isolatielaag over. Vanwege het mindere isolerende vermogen is dan meestal niet de vereiste isolatiewaarde te bereiken. De mortels worden daarom in systemen met een KOMO-Attest niet toegepast en verder in dit handboek niet behandeld.

8.3 Pluggen

De isolatieplaten worden vaak extra bevestigd met speciale pluggen (met schotels). Pluggen worden toegepast daar waar dit in de BRL en de verwerkingsvoorschriften is voorgeschreven.

Vaak wordt onnodig voorgeschreven dat het gevelisolatiesysteem moet worden voorzien van pluggen. Normaliter is de hechtkracht van de hechtmortel vele malen hoger dan de kracht die pluggen opnemen. Onterecht worden vaak pluggen 'voor de zekerheid' toegepast. Aan de toepassing van (onnodige) pluggen kunnen echter bezwaren kleven:

- pluggen vormen in beperkte mate een koudebrug;
- te diep of te ondiep aangebrachte pluggen geven een afwijkende dikte aan de wapeningslaag. Hierdoor kunnen in een uiterst geval scheurtjes in de wapeningslaag ontstaan. Ook kan door een plug ongelijkmatige zuiging van de wapeningslaag optreden.
Eén systeemhouder levert een plug met een polystyreen afdekking op de schotel waardoor deze bezwaren worden ondervangen. Daar staan wel prijsconsequenties tegenover.

Het toepassen van pluggen mag overigens nooit een excuus zijn om de verlijming minder nauwkeurig uit te voeren.

8.4 De wapeningslaag

Op de isolatieplaat wordt de wapeningsmortel aangebracht waarin, in één bewerking, een wapeningsweefsel, vaak een glasweefsel voorzien van een alkalibestendige coating, wordt ingebed. Wapeningsweefsel en wapeningsmortel vormen de wapeningslaag. De dikte hiervan is, afhankelijk van het systeem, 3-8 mm. Bij dikke systemen horen ook dikkere wapeningslagen. De dikte neemt toe indien in de wapeningslaag twee lagen wapeningsweefsel, waarover later meer, worden toegepast. Indien het systeem gebaseerd op cellulair glas wordt afgewerkt met een mineraalgebonden pleister wordt een bitumineuze 'scheidingslaag' onder de wapeningslaag aangebracht.

Dunnere wapeningslagen, dan door de systeemhouder voorgeschreven, dienen categorisch te worden afgewezen.

Bij enkele systemen is het mogelijk een dispersiegebonden wapeningslaag toe te passen. Deze laag is flexibeler en daarom beter bestand tegen scheurvorming dan de meest voorkomende (voornamelijk) mineraalgebonden wapeningslaag. Hierbij hebben temperatuur en luchtvochtigheid tijdens de verwerking en daarna echter een belangrijke invloed op de verhardingstijd. Deze kan dan variëren van enkele dagen, onder normale weersomstandigheden, tot enkele weken bij lage temperaturen en/of een hoge relatieve vochtigheid. Met dit laatste wordt vaak geen rekening gehouden bij de planning.

Bij onderbrekingen in de isolatie, bijv. bij hoeken van ramen en deuren, maar ook bij andere muuropeningen en een aansluiting aan een balkonmuur, worden extra weefselstroken aangebracht.

Daar waar extra belastingen op de gevelisolatie verwacht worden, bijv. door vandalisme, kan bij dunne systemen naast het normale wapeningsweefsel nog pantserweefsel worden voorgeschreven. Een pantserweefsel is te herkennen aan het bredere en stuggere glasweefsel. Ook kan een dubbel (in 2 lagen) 'normaal' wapeningsweefsel worden toegepast en is een extra dikke weefsellaag mogelijk bij enkele systemen.

8.5 Voorstrijklaag

Het toepassen van een voorstrijklaag op de wapeningslaag in een dun systeem geniet vaak de voorkeur (te zien op de foto bij paragraaf 8). Redenen hiervoor zijn:

  • het tegengaan van uitbloeien van de wapeningslaag (waarover later meer);
  • het tegengaan van ongelijkmatige zuiging. Dit is een belangrijke oorzaak van kleurverschillen;
  • het verbeteren van de hechting van de pleister;
  • vermindering van het verbruik aan pleister en dus ook arbeid.

Bij een licht gekleurde mortel is de noodzaak voor een voorstrijklaag minder aanwezig. Te vaak wordt de voorstrijklaag bij de prijsonderhandeling 'ingeleverd'.

8.6 Gepleisterde afwerklaag

De wapeningslaag wordt afgewerkt met één van de navolgende pleisters:

  • kunstharsgebonden pleisters
  • gesiliconiseerde kunstharsgebonden pleisters
  • silikaatgebonden pleisters
  • dunne mineraalgebonden pleisters
  • dikke mineraalgebonden pleisters (vnl. krabpleisters)

In het hoofdstuk ' Mortels ' wordt diep ingegaan op de afwerklaag.

8.6.1 Dispersiegebonden pleister

De dunne dispersiegebonden pleisterlaag wordt in Nederland bij gevelisolatie het meest toegepast. Afhankelijk van de korrelgrootte en de wijze van de verwerking, kan een fijne tot zeer fijne structuur worden bereikt.

8.6.2 Silikaatgebonden pleister

Een traditionele pleister die in ons land zeer weinig wordt toegepast.

8.6.3 Mineraalgebonden pleister

Mineraalgebonden pleisters zijn uit natuurlijke grondstoffen opgebouwd. Er zijn twee belangrijke mineraalgebonden pleisters:

  • de dunne mineraalgebonden pleister wordt in ons land weinig toegepast en heeft een veelal fijne tot zeer fijne structuur;
  • de dikke mineraalgebonden pleister wordt dik opgezet. Van de krabpleister wordt na een beperkte uithardingstijd de huid opengekrabd met een krabborstel. Hierdoor ontstaat een fraai ogende dikke pleisterlaag. De krabpleister is de in ons land veruit de meest toegepaste mineraalgebonden pleister. Daarnaast zijn er nog glad af te werken dikke pleisters mogelijk.

8.7 Stucprofielen

In praktisch elk werk worden stucprofielen toegepast. Hiermee worden profielen bedoeld die in het systeem worden toegepast.

Bij dunne systemen wordt het gebruik van RVS- of PVC-stucprofielen aanbevolen. Dit geldt ook voor de dikke systemen echter hiervoor zijn niet alle noodzakelijke stucprofielen in RVS leverbaar. Ten tijde van het schrijven van dit handboek werd bekend dat binnen afzienbare tijd hiertoe wèl geschikte RVS-stucprofielen leverbaar zijn. In dat geval verdienen deze de voorkeur boven de goedkopere verzinkte stucprofielen. Enkele attesten staan het gebruik van aluminium profielen in dunne systemen toe.

Het juist aanbrengen van stucprofielen wordt in het hoofdstuk 'Verwerking' beschreven.

De stucprofielen worden van de navolgende materialen vervaardigd:

- PVC

Een recente ontwikkeling in de stukadoorsbranche. De hechting van de mortel vindt voornamelijk plaats door inkapseling in de mortel. Er is tevens sprake van een geringe hechting van dispersiegebonden pleisters aan PVC. Belangrijk voordeel is uiteraard dat PVC niet corrodeert.

- Roestvast staal (RVS)

RVS is een legering van staal, chroom en nikkel. RVS wordt vanwege zijn goede corrosiebestendigheid toegepast. Er zijn meerdere soorten RVS leverbaar, echter in de praktijk wordt slechts één kwaliteit toegepast (1.4301 volgens DIN 267 of USA AISI 304).

- Thermisch verzinkt staal

Sommige stucprofielen worden vervaardigd van continue thermisch verzinkt (sendzimir) staal. Verzinken wordt ook wel, onterecht, galvaniseren genoemd. Na het verzinken worden de profielen gevormd en worden er gaten in het in gestansd die mede voor de goede hechting van de mortel zorgen. Door deze stansbewerking wordt de zinklaag weliswaar onderbroken echter het verzinkproces rond de stansgaten komt daarna weer automatisch op gang door het omliggende zink.

- Thermisch verzinkt en gecoat staal

Het betreft hier dezelfde stucprofielen als hiervoor omschreven echter het staal is tevens voorzien van een coating. Omdat het zink rond de stansgaten door de coating wordt vastgehouden zal het verzinkproces in dit geval iets minder doorwerken. Anderzijds geeft de coating op het stucprofiel zelf een betere bescherming.

- Geanodiseerde aluminium.

Het geanodiseerde profiel is fabrieksmatig van een stevige, dichte aluminiumoxidelaag voorzien. Deze laag vormt een fraaie (soms gekleurde) beschermlaag. Enkel sokkelprofielen en waterslagen worden in deze kwaliteit toegepast.

- Brut aluminium

Brut aluminium is een andere benaming voor onbehandeld aluminium. Vaak worden daktrimmen in brut aluminium geleverd, soms sokkelprofielen. Er worden bijna geen brut aluminium stucprofielen buiten toegepast m.u.v. één systeemhouder die deze kwaliteit voorschrijft, veelal in zijn dunne systemen.

8.7.1 Sokkelprofiel

Speciaal stucprofiel aan de onderzijde van de gevelisolatie waarop de onderste rij isolatieplaten wordt aangebracht. Sokkelprofielen kunnen voor dikke mineraalgebonden systemen worden geleverd met een speciaal aanklikprofieltje waarin de mortellaag wordt beëindigd. In de praktijk kan hiervoor ook een stucstopprofiel gebruikt worden. Indien sokkelprofielen in combinatie met loden slabben gebruikt worden is het raadzaam deze i.v.m. spanningscorrosie uit te voeren in RVS of PVC.

8.7.2 Hoekprofiel

Zeker daar waar stootbelastingen mogelijk zijn is een hoekprofiel op uitwendige hoeken raadzaam. Omdat de mortels in de loop der tijd sterker zijn geworden is de noodzaak van een hoekprofiel overigens afgenomen. Hoekprofielen worden vaak ook toegepast omdat daarmee een strakke afwerking mogelijk is en de verwerking eenvoudiger is. Het niet toepassen van hoekprofielen in dikke mineraalgebonden mortels zou nl. meer stelwerk met zich meebrengen.

Metalen hoekprofielen voor dikke mineraalgebonden pleisters zijn veelal voorzien van een witte PVC-neus. Deze zorgt voor een extra bescherming voor het hoekprofiel zelf en een strak (wit) uiterlijk.

8.7.3 Pantserhoek

Bij kozijnhoeken (neggekanten) worden soms in plaats van hoekprofielen speciale voorgevormde pantserhoeken toegepast. Dit is vooral het geval bij dunne systemen.

8.7.4 Stucstopprofiel

Stucstopprofielen worden toegepast bij verticale en horizontale beëindigingen. Tevens worden zij soms voorgeschreven bij materiaal- en kleurovergangen en in de neggen van kozijnen.

8.7.5 PVC-Aansluitprofiel

Speciale PVC-aansluitprofielen kunnen worden gebruikt bij de aansluiting van de mortel aan bijv. het kozijn. Deze profielen kunnen de taak overnemen van een stucstopprofiel, het cellenband en het afplakken en hebben soms nog meer functies. Deze profielen worden pas sinds kort toegepast waardoor er nog niet veel ervaring mee is.

8.7.6 Dilatatieprofielen en daarvoor mogelijke alternatieven.

Dilataties in gevelisolatie zijn over het algemeen alleen noodzakelijk als de ondergrond een bouwkundige dilatatie heeft. Om deze te overbruggen zijn speciale dilatatieprofielen ontwikkeld.

Alternatief voor een dilatatieprofiel is het toepassen van twee stucstop- of hoekprofielen en in een enkel geval twee sokkelprofielen. Ter verkrijging van een strakke naad dient daarbij extra zorg besteed te worden. Deze dient tevens goed afgekit te worden.

Een andere, eenvoudige, oplossing biedt een samengesteld profiel bestaand uit twee kunststofhoeken waartussen een slabbe. De profielen zijn voorzien van weefselstroken. Een kitvoeg is hierbij niet meer noodzakelijk.

8.8 Materialen bij aansluitingen

Een juiste uitvoering van de aansluitingen van de gevelisolatie aan ondergrond en overige constructiedelen is van groot belang.

8.8.1 Cellenband

De beëindiging van de isolatieplaat en/of de aansluiting met andere constructiedelen wordt vrijwel altijd afgedicht met cellenband (open cellen); afmeting minstens 15 x 10 mm. (foto's 16.5.4 en 8.14). Dit band is dicht indien het een bepaalde compressie heeft. De af te dichten naden mogen daarom niet te groot zijn. De mate van compressie wordt aangegeven door de fabrikant. Bij cellulair glasplaten wordt naast cellenband kit gebruikt.

8.8.2 Was- of bitumenband

Voordat gevelisolatie wordt aangebracht dienen de ondergrond en de aansluitingen waterdicht te zijn. Het is van het grootste belang dat bijv. de kozijnen waterdicht in de gevel worden geplaatst. (foto 16.5.4). Dit is zeker van belang bij nieuwe kozijnen. Om dit te bereiken kan de naad tussen kozijn en gevel worden afgeplakt met een z.g. was- of bitumenband. Dit band heeft het nadeel dat het bij lage temperaturen moeilijk te verwerken is. Het band is niet bestand tegen hoge temperaturen waardoor het niet kan worden aangebracht op donkere metalen kozijnen. Vaak dient de ondergrond voor het aanbrengen van het band voorzien te worden van een primer. Het aanbrengen behoort overigens normaliter niet tot de werkzaamheden van de stukadoor.

8.8.3 Materialen bij de aansluiting bij het maaiveld

Daar waar de gevelisolatie in aanraking komt met het maaiveld moet de materiaalkeuze uiteraard dusdanig zijn dat de betreffende materialen, vochtbestendig zijn.

Voor de isolatieplaten geldt dat deze

  • òf waterongevoelig zijn. In dit geval hoeft de mortel aan de onderzijde niet omgeweefseld te worden. De hechtmortel waarmee deze platen aan de gevel bevestigd worden, dient dan wel over de gehele plaat te worden aangebracht en waterdicht en watervast te zijn;
  • òf aan onderzijde geheel voorzien worden met de wapeningslaag en dat het weefsel omgezet dient te zijn tot op de ondergrond. Dit kan achterwege blijven indien de afdichting aan de onderzijde van het systeem op een andere wijze is gewaarborgd.

Voor wat de mortels geldt dat deze:

  • òf water- en dampdicht behandeld dienen te zijn. Dit kan worden gerealiseerd door het aanbrengen van een bitumenemulsie. Deze dient bij voorkeur op de (vlak gesmeerde) wapeningslaag of anders op de pleisterlaag te worden aangebracht. Bij cellulair glas afgewerkt met mineraalgebonden mortel kan de bitumineuze laag rechtstreeks op de plaat worden toegepast zonder een wapeningsweefsel. Hierbij dienen de naden tussen de platen wel met het zelfde materiaal gedicht te worden;
  • òf zelf water- en dampdicht dienen te zijn. In dit bijzondere geval kunnen deze dan worden afgewerkt met een siliconenverf (bijv. in dezelfde kleur als de gevel). Dit is overigens niet bij alle systemen mogelijk.

Een van de taken van de water- en dampdichte (behandelde) laag is de bescherming van de isolatielaag. De hoogte van deze laag wordt vaak bepaald door de opdrachtgever. Vaak wordt deze tot 300 mm boven maaiveld toegepast. Bij gevelisolatie aan de straatwand wordt opspattend regenwater over het algemeen op een donkere ondergrond eerder geaccepteerd dan op een lichte ondergrond. Bitumen is dan een goede oplossing. Daarnaast heeft deze laag een beschermende taak tegen geursporen van langslopende honden. Vervuiling door opspattend regenwater met grond kan worden voorkomen door een grindbed langs de gevelisolatie.

8.8.4 Kit

Het belang van de juiste kitsoort en het juist aanbrengen daarvan wordt vaak onderschat. De BRL stelt het volgende:

voor de bij het systeem toe te passen kitten dienen de volgende kwalificaties te worden gehanteerd:

  • blijvend elastisch, toelaatbare vervorming 20-25%, shore hardheid A <20
  • neutraal, d.w.z. oplosmiddelvrij
  • universeel hechtvermogen (behalve wanneer een specifieke primer wordt gebruikt)
  • bij voorkeur in een van de omgeving afwijkende kleur om een goede controlemogelijkheid te hebben ten aanzien van de volledige vulling van de voeg

Aan bovenstaande kwalificaties wordt o.a. voldaan door de volgende kitsoorten:

  • neutrale siliconenkitten
  • diverse polysulfidekitten (thiokol)
  • diverse polyurethaankitten

Andere kitsoorten (bijv. 'zure' siliconenkitten) kunnen chemisch reageren met bestanddelen uit mortels of hebben andere eigenschappen die ze ongeschikt maken voor de toepassing bij gevelisolatie.

Kit mag niet uit de voeg zakken, ook niet bij felle zonbestraling. Rugvullingen mogen de eigenschappen van de kit niet nadelig beïnvloeden en moeten voldoende weerstand bieden voor het aanbrengen en afstrijken van de kit. Ondergronden voor kitvoegen dienen in principe met primer voorbehandeld te worden.

In het zicht blijvende kitvoegen dienen te worden opgenomen in een onderhoudsschema.

8.9 Tegels

Gevelisolatie kan worden afgewerkt met tegels. Reden hiervoor is voornamelijk gevelverfraaiing door andere afwerking, vorm en kleur, verhoging van stootvastheid en het minder gevoelig zijn voor vervuiling en bekladding. Er is nog geen grootschalige toepassing van tegels op gevelisolatie. Er is één gevelisolatiesysteem waarbij de tegels onder het KOMO-Attest vallen. Garantie regelingen garanderen vaak niet het complete getegelde systeem.

Veelal worden op gevelisolatie tegels van 150 x 150 mm of kleiner toegepast. Grotere tegels stellen hogere eisen aan de vlakheid van de wapeningslaag. Enkele systeemhouders stellen dat 9 % van het gevelvlak voeg moet zijn. Hiervoor wordt als reden opgegeven dat de praktisch dampdichte tegels gecompenseerd moeten worden door grote voegen. Bij tegels van 200 x 200 mm worden de voegen dan ongeveer 10 mm breed. Dit geeft vaak esthetische bezwaren.

De Duitse DIN 18515, die in 1990 herzien is, handelt o.a. over het buiten tegelen op isolatiesystemen. Deze norm stelt dat de maximale tegelmaat 0,12 m² dient te zijn terwijl de lengte van de zijde niet langer mag zijn dan 400 mm; bijv. 300 x 400 mm. De tegel mag niet dikker zijn dan 15 mm. Daarbij worden voor de voegbreedtes de navolgende richtwaarden gegeven:

  • normale tegels 3 tot 8 mm
  • splijttegels 4 tot 10 mm

Ter voorkoming van vorstschade bij voorkeur geen geglazuurde tegels toepassen. Tegels dienen vorstbestendig te zijn. In de praktijk blijkt dat tegels die wel voldoen aan de vorstbeproevingen die zijn vastgelegd in EN-normen in de praktijk toch onderhevig kunnen zijn aan vorstschade.

Sommige systeemhouders schrijven in navolging van de DIN 18515 onder meer voor dat de te gebruiken isolatieplaten waterafwijzend en vochtbestendig dienen te zijn.

Omdat donker gekleurde tegels meer uitzetten worden deze vaak ontraden. In de praktijk worden echter steeds meer donkere kleuren toegepast.

Tegels dienen volgens de voorschriften van de leverancier van de tegels en/of systeemhouder gedilateerd te worden. Dilatatievoegen moeten gekit worden. Vaak vervuilt kit sterker dan een normale voeg. Bij de keuze van de kit moet men hierop letten.

8.10 Steenstrips

Steenstrips kunnen ook als afwerking worden toegepast. Het aanbrengen van de steenstrips is bijzonder arbeidsintensief. Voor nadere informatie de leverancier van de steenstrips raadplegen.

8.11 Bevestigingsmiddelen

Aan bevestigingsmiddelen van tegen de gevel aan te brengen elementen, zijn ook eisen te stellen. Hierbij een aantal aanbevelingen:

  • bevestigingsmiddelen moeten wat betreft vorm, sterkte, afwerking of materiaalsamenstelling in overeenstemming zijn met de te bevestigen onderdelen;
  • bevestigingsmiddelen mogen geen spanningen overbrengen op het isolatiesysteem;
  • bevestigingsmiddelen mogen geen aanleiding geven tot spanningscorrosie noch corroderen;
  • stalen onderdelen die blijvend aan de buitenlucht worden blootgesteld, moeten voldoende corrosiebestendig zijn behandeld;
  • schroeven dienen te zijn vervaardigd van RVS.

8.12 Hout

Vaak worden houten klossen gebruikt als er aan de gevel elementen bevestigd worden. In dat geval letten op de volgende zaken:

  • minstens verduurzaamd vurenhout verwerken. In ieder geval geen hout toepassen met uitspoelende looizuren. De toe te passen verduurzamingsmiddelen mogen geen nadelige invloed hebben op de gevelisolatie. Vóór het verduurzamen van hout moeten zoveel mogelijk alle benodigde bewerkingen daaraan zijn verricht. Toe te passen verduurzamingsmiddelen dienen te beschikken over een KOMO-Certificaat;
  • voor zover niet anders is aangegeven moet het vochtgehalte van hout voldoen aan droogteklasse III (luchtdroog) NEN 3180 (KVH 1970);
  • hout te schilderen met grondverf, minstens 60 mu dik;
  • bij de maatvoering de dikte van de hechtmortel niet vergeten.

8.13 Polyurethaanschuim

Vaak wordt een één-componenten polyurethaanschuim (CFK-vrij, krimpvrij en klasse A) toegepast voor het afdichten van naden tussen isolatieplaten en het repareren van kleine beschadigingen.

9 Mortels

Voor de afwerking van gevelisolatie bestaan een groot aantal verschillende pleisters. Deze zijn weer leverbaar in verschillende kleuren en structuren. Een eerste oppervlakkige kennismaking met mortels vond in het hoofdstuk ' Systeemopbouw ' plaats. Daarin is informatie over hecht- en wapeningsmortel en de voorstrijklaag te vinden. In dit hoofdstuk vnl. aandacht voor de pleisters.

Bij de pleisterkeuze spelen voornamelijk de navolgende factoren een rol: materiaaleigenschappen, structuur, kleur, prijs, vervuiling, sterkte, verwerkingsaspecten en onderhoud.

Al deze factoren worden behandeld in relatie tot de verschillende pleisters te weten:

  • kunstharsgebonden pleisters
  • gesiliconiseerde kunstharsgebonden pleisters
  • silikaatgebonden pleisters
  • dunne mineraalgebonden pleisters
  • dikke mineraalgebonden pleisters

Over geen onderwerp werden zoveel verschillende en afwijkende aanbevelingen gegeven als over dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk tracht duidelijkheid te verschaffen op hoofdzaken. Desondanks blijven ogenschijnlijke tegenstrijdigheden met aanbevelingen bestaan. Een belangrijke reden daarvoor dat bij de productontwikkeling van bepaalde leveranciers andere eigenschappen aan mortels zijn gegeven.

9.1 Materiaaleigenschappen

Alle mortels bestaan uit:

- bindmiddel (bijv. kunsthars, kalk en/of cement)
- hulpstoffen (veelal water, soms met een emulsie)
- vulstoffen (bijv. zand, natuursteen en kleurstoffen)

9.1.1 Kunstharsgebonden mortels

Kunstharsgebonden mortels zijn opgebouwd uit zand en gemalen natuursteen gemengd met een waterige kunstharsdispersie. Hieraan worden vaste en/of vloeibare kleurpigmenten en andere vulstoffen toegevoegd. Hoewel de naam anders zou doen vermoeden is het percentage kunsthars veelal minder dan 20 %. De mortel wordt in pasteuze vorm geleverd, meestal in emmers.

Bij kunstharsgebonden mortels ontstaat rond de korrels van de toeslagmiddelen een film; dit (fysisch) proces wordt ook wel filmvorming genoemd. De temperatuur, relatieve vochtigheid en de vochtigheid van de wapeningslaag spelen bij de verharding een zeer belangrijke rol.

Soms zijn de weersomstandigheden bij de verwerking dermate slecht dat de pleisterlaag niet goed verhardt. In dat geval kan er vocht achter een (enigszins) verharde laag blijven zitten. Dit water beschadigt op een later moment de pleisterlaag.

Bij te hoge temperaturen en/of een lage luchtvochtigheid kunnen enkele toeslagmiddelen te snel verdampen. Hierdoor ontstaat ook een onjuiste samenstelling van de pleister.

Te lage temperatuur en het nat worden of bevriezen van drogende lagen kan de filmvorming ook verstoren. Gedurende de verhardingstijd dienen daarom maatregelen genomen te worden om dit te voorkomen.

Een kunstharsgebonden pleister mag niet onbeschermd onder het maaiveld wordt toegepast. De kunstharsdeeltjes kunnen n.l. week worden als zij continu met vocht in aanraking.

9.1.2 Gesiliconiseerde kunstharsgebonden mortels

Een redelijk nieuwe ontwikkeling is de z.g. siliconenharsgebonden mortel. Omdat siliconenhars op zichzelf niet als bindmiddel kan worden gebruikt is er sprake van het mengen van kunsthars met siliconenemulsie. In Duitsland zijn de leveranciers van dispersiegebonden mortels overeengekomen dat er sprake is van een z.g. siliconenharsgebonden mortel indien het bindmiddel minstens 50 % siliconentoeslag t.o.v. de kunststofdispersie heeft en indien de dampdoorlatendheid een bepaalde waterdampweerstand niet overschrijdt. Vaak wordt de naam siliconenharsgebonden mortel echter ook gegeven aan mortels die niet aan deze criteria voldoen. Omdat de KOMO-Attesten niet aangeven welk percentage siliconenemulsie is toegevoegd is het maken van dit verschil in dit handboek verder niet zinvol.

Het kan daarom voorkomen dat in dit handboek genoemde systemen met gesiliconiseerde pleisters 'echte' siliconenharsgebonden mortels zijn.

De gesiliconiseerde kunstharsgebonden mortel wijkt slechts op enkele punten af van het beschrevene over kunstharsgebonden mortels. Alleen deze afwijkingen worden beschreven.

De waterafwijzendheid is de belangrijkste extra eigenschap die aan de gesiliconiseerde kunstharsgebonden mortels toegeschreven wordt. Daarnaast zijn deze mortels relatief dampopen. Aan de keerzijde van de medaille is de langere verhardingstijd en de prijs van deze mortels te noemen. De grondstoffen daarvoor zijn nl. schrikbarend duur.

Siliconen worden onder invloed van Ultraviolet (UV) licht afgebroken. Hoe hoger het siliconenharsaandeel hoe langzamer de afbraak onder invloed van UV-licht plaatsvindt.

9.1.3 Silikaatgebonden mortels

Silikaatgebonden mortels worden al ongeveer 125 jaar toegepast en zijn eigenlijk mineraalgebonden mortels. Silikaatgebonden mortels zijn opgebouwd uit zand, gemalen natuursteen en kaliumsilikaat (= waterglas). Hieraan worden droge pigmenten en andere toeslagstoffen toegevoegd. Door uittreden van het water en de reactie met kooldioxide uit de lucht vindt verharding plaats. Hierbij ontstaan kleine poriën in de mortellaag. De verharding vindt plaats bij hogere temperaturen dan andere mortels.

Onder invloed van vocht kunnen ongebonden mortelcomponenten uittreden. Dit uit zich in een witte uitbloeiing die na verloop van tijd wegwast. Bijna altijd worden silikaatgebonden pleisters daarom, soms enige tijd na het aanbrengen, overgeschilderd.

9.1.4 Mineraalgebonden mortels

Mineraalgebonden mortels worden sinds de oudheid gebruikt. Zij zijn opgebouwd uit gemalen natuursteen, kalk en cement. Hieraan worden droge pigmenten en andere toeslagstoffen toegevoegd. Soms wordt, ter bevordering van de elasticiteit en hechting, een kunsthars toegevoegd. De mortel verhardt door een reactie van cement met water en kalk met kooldioxide. De reactie van de kalk met de kooldioxide blijft lange tijd (jaren!) doorgaan. Het eindprodukt wordt daardoor steeds harder.

De verharding dient plaats te vinden boven het vriespunt. Indien vorst intreedt bestaat de kans dat de mortel kapot vriest. Dit is afhankelijk van hoever de mortel op dat moment is uitgehard. Er zijn twee belangrijke mineraalgebonden pleisters:

- Dunne mineraalgebonden pleister

Dunne mineraalgebonden pleisters zijn in dikten en structuren uit te voeren die vergelijkbaar zijn met de eerder besproken pleisters. Deze pleister heeft een voor mineraalgebonden pleisters gunstige elasticiteitsmodule waardoor deze scheuroverbruggende eigenschappen heeft. Bij z.g. dunne lichtgewicht mineraalgebonden pleisters zorgen lichte toeslagmiddelen voor een aanzienlijke vermindering van het gewicht en dus voor een verbeterde verwerking.

- Dikke mineraalgebonden pleister

De meest toegepaste mineraalgebonden pleister is de krabpleister. Deze wordt in een ca. 15-18 mm dikke laag aangebracht op de wapeningslaag. Na enige uithardtijd wordt het oppervlak met een krabborstel opengekrabd waarbij de laagdikte ongeveer 8-12 mm wordt. bereikt. Bovengenoemde dikten zijn gebaseerd op de meest toegepaste korrelgrootte van 3,0-3,5 mm. Er zijn leveranciers die krabpleisters met fijnere korreldiktes leveren. De genoemde laagdiktes moeten dan natuurlijk worden aangepast. Deze pleisters bieden dan een fijnere structuur.

Er zijn ook glad afgewerkte dikke mineraalgebonden pleisters mogelijk. Deze worden in ons land slechts zeer sporadisch toegepast.

9.2 Structuur

De structuur van de pleister is afhankelijk van de korrelsamenstelling en -grootte. De structuur is daarnaast afhankelijk van het vakmanschap van de stukadoor. Met alle genoemde pleisters van dunne systemen zijn in principe dezelfde structuren te bereiken (laagdikte ongeveer 1-5 mm). Dikke mineraalgebonden pleisters wijken in structuur af.

De structuur (soms ook wel textuur genoemd) heeft geen invloed op de kwaliteit. Vanuit het oogpunt van vervuiling bezien blijkt een ogenschijnlijk 'fijne' structuur (en dat is onder de microscoop goed te zien) vaak vergelijkbaar met een 'grove' structuur. De rol die de structuur bij vervuiling speelt is daarom bij pleisters veelal niet al te groot. De vochtigheid van de gevel en de omgeving speelt een belangrijkere rol.

9.3 Kleur

Onder invloed van zonbestraling worden materialen met donkere kleuren warmer dan licht gekleurde. De pleister kan deze warmte slecht kwijt aan de isolatieplaat daarachter. Bij minder elastische pleisters worden daarom donkere kleuren afgeraden.

Overige oorzaken van kleurafwijkingen kunnen zijn:

  • ongelijkmatige zuiging van de ondergrond of aanliggende verharde mortellagen
  • verschillen in droogtijden o.m. door slecht afgeschermde steigers waardoor het weer vrij spel heeft
  • strijklicht
  • kleurverschillen in verschillende charges van pleisters. (Onder charge wordt een fabricagegang van de fabrikant bedoeld)
  • ondeskundige verwerking
  • structuurverschillen ontstaan door slechte werkomstandigheden. Bijv. een slechte bereikbaarheid van het werk door een te dicht tegen de gevel geplaatste steigervloer of -pijp (steigerslag)
  • structuurverschillen die ontstaan door ongelijkmatige temperaturen bijv. schaduw van de steiger waardoor ook steigerslagen kunnen ontstaan. Door een andere verharding kan de structuur (!) afwijken
  • aanzetten. Dit zijn structuur-, kleur- en/of niveauverschillen bij beëindigingen op plaatsen waar verse pleister is aangebracht tegen verharde pleister
  • reparatieplekken. Reparatie van gestukadoorde gevels is niet eenvoudig zonder kleur- en structuurverschillen te realiseren. De reden hiervan is vaak een combinatie van enkele van eerder genoemde factoren

Voornamelijk bij mineraalgebonden pleisters bestaat het risico dat een witte uitslag (= uitbloeiing) op het oppervlak ontstaat. Uitbloeien ontstaat door het uittreden van ongebonden componenten (vnl. kalk) uit de wapeningslaag en de mineraalgebonden pleisterlaag. De weersomstandigheden spelen daarbij een belangrijke rol. Dit uitbloeien is nauwelijks zichtbaar bij lichte kleuren. Opgetreden uitbloeiing verdwijnt meestal na verloop van tijd. Deze uitbloeiing niet te verwarren met zoutuitbloeiing, bekend van gemetselde gevels. Dit komt bij gevelisolatie niet voor.

9.3.1 Kleur en dispersiegebonden pleisters

Dispersiegebonden pleister bieden grote kleurmogelijkheden omdat er bij deze pleisters kan worden gewerkt met zowel vloeibare als droge pigmenten en omdat deze pleisters een grote elasticiteit hebben. Tijdens de verwerking wordt soms water aan de pleister toegevoegd. Dit betreft slechts een kleine hoeveelheid die geen invloed heeft op de kleur. Wel kunnen verschillende charges andere kleuren geven. Daarom is het belangrijk op één gevelvlak materiaal uit dezelfde charge te verwerken.

Kunstharsen in de bindmiddelen en de pigmenten kunnen onder invloed van UV-licht afbreken. Hierdoor neemt de helderheid van de kleur af. (Flets worden.) De afbraak is afhankelijk van het soort kunsthars, de wijze waarop het pigment in de pleister is ingekapseld en de gekozen kleur. Felle kleuren kunnen in intensiteit sterker afnemen. Het door de fabrikant gekozen soort en kwaliteit bindmiddel en pigment speelt een grote rol. Door de steeds groter wordende technische kennis vindt deze afbraak van kleur steeds minder plaats.

9.3.2 Kleur en silikaatgebonden pleisters

Bij silikaatgebonden pleisters kunnen hoogwaardige natuurlijke pigmenten toegepast worden. Deze pigmenten reageren mee in het verhardingsproces. Mede hierdoor ontstaat een sterke en kleurvaste pleister. Deze pigmenten zijn minder fel van kleur.

9.3.3 Kleur en mineraalgebonden pleisters

Bij poedervormige mineraalgebonden pleisters, worden uiteraard alleen droge kleurstoffen worden toegepast. Het in de fabriek op de juiste wijze doseren en mengen van de poedervormige kleurstoffen met andere componenten is zeer belangrijk. Een nieuwe charge materiaal geeft bijna altijd een iets andere kleur. Bij lichtere kleuren zijn de verschillen minder opvallend. Een ervaren stukadoor zal zakken van een nieuwe charge mengen met zakken van een voorafgaande charge. Ontmenging kan ook bij het transport in bulk en bij onjuiste dosering van water plaatsvinden.

Bij krabpleisters komen de eerste tijd na het aanbrengen en krabben nog deeltjes los. Dit neemt na enkele maanden (afhankelijk van de ligging t.o.v. wind en regen) sterk af, waarbij de gevel zijn uiteindelijke kleur krijgt.

Het eindresultaat is sterk afhankelijk van de deskundigheid van de stukadoor en de weersomstandigheden waaronder de verwerking plaatsvindt.

9.4 Prijs

De prijs van de pleisterlaag is o.a. afhankelijk van de:

  • prijs van de grondstoffen per eenheid;
  • het verbruik per m²;
  • te produceren m² per manuur;
  • detaillering (moeilijkheidsgraad);
  • benodigde investering aan afscherming. (Wordt veelal door opdrachtgever of bouwkundig aannemer verzorgd);
  • kosten van transport en opslag op de bouwplaats;
  • materieel- en machinekosten.

Uiteraard zijn deze factoren bij elke pleister en werk anders.

Algemeen kan worden gesteld dat pleisters van dikke mineraalgebonden pleisters duurder zijn dan pleisters van dunne systemen. Ook toevoegingen van siliconen maken een mortel duurder.

9.5 Vervuiling

Acceptatie van vervuiling en alg is erg persoonlijk en heeft ook te maken met de kleur en pleistersoort.

Vervuiling en algvorming komt bij alle gevelsoorten voor en is moeilijk meetbaar. Alg komt voor indien zich sporen aan de gevel kunnen hechten en een voedingsbodem vinden in een vochtige, enigszins broeierige situatie. Vervuiling is voornamelijk afhankelijk van omgeving en vocht. Hierna enkele factoren die daarbij een rol spelen.

9.5.1 Vochtbelasting en temperatuur

Natte gevels bieden vuildeeltjes en sporen de gelegenheid zich aan het oppervlakte te hechten. Voor algvorming is tevens een relatief hoge temperatuur vereist. De situering van de gevel is dan ook belangrijk i.v.m. de windrichting, regen, verharding, bezonning en schaduw. Bomen houden wind en zon tegen. Gevels blijven dan plaatselijk langer vochtig. Hierdoor kan vervuiling en algvorming op verschillende gevels in één project opmerkelijk variëren. Door een juiste detaillering kan plaatselijke vochtigheid en dus plaatselijke vervuiling en algvorming worden verminderd.

9.5.2 Omgeving

Industrie en verkeer kunnen belangrijke bronnen van vervuiling zijn. Vuildeeltjes, en uitstoot van bijv. een voedingsmiddelenfabriek, kunnen een voedingsbodem bieden voor algen.

9.5.3 Gelijkmatigheid van de structuur

Een ongelijkmatige structuur geeft ook een ongelijkmatige aanhechting van vuildeeltjes en sporen. Goede werkomstandigheden en een goede bereikbaarheid tijdens het pleisteren zijn, naast het vakmanschap van de stukadoor, belangrijk om een gelijkmatige structuur te bereiken.

9.5.4 Materiaalsoort

Dispersiegebonden pleisters kennen geen statische werking. Onder hoge temperatuur die door bezonning ontstaat, wordt de pleister wel weker maar niet plastisch. Het is daarom niet juist dat vuil door statische werking aan de gevel kleeft of dat deze in de pleister wordt ingekapseld bij hogere temperaturen.

Dispersiegebonden pleisters bevatten cellulose-derivaten die een voedingsbodem kunnen zijn voor algen. Door de voortschrijdende techniek, toevoeging van conserveringsmiddelen (fungicide en/of algicide toeslagstoffen) en door verbeterde grondstoffen is dit momenteel niet meer het geval.

De mogelijkheden tot aanhechting van vuil en sporen worden minimaal als de gevels sneller drogen na regenval bijv. omdat zij waterafwijzend zijn. Alleen bij silikaatgebonden en de gesiliconiseerde kunstharsgebonden pleisters is dit het geval.

Silikaat- en mineraalgebonden pleisters zijn lange tijd alkalisch. Omdat in een sterk alkalisch milieu geen algen groeien zullen deze pleisters langere tijd algenvrij zijn. Gerekend kan worden met enkele jaren, onder andere afhankelijk van omgevingsfactoren (milieu).

De dikke mineraalgebonden krabpleister heeft een bros oppervlak die door de krabbewerking is ontstaan. Door afbraak van fijne deeltjes van de toplaag, met de daaraan klevende vuil- en sporendeeltjes, zal de vervuiling minder snel plaatsvinden. Om deze reden wordt gesproken van een 'zelfreinigende' werking van krabpleisters. Hiervan is slechts een beperkte tijd sprake omdat de zeer dunne brosse laag na verloop van tijd is afgesleten en de krabpleister steeds harder wordt. De glad afgewerkte dikke mineraalgebonden pleister heeft door zijn structuur minder mogelijkheden voor aanhechting van vuil.

9.6 Sterkte

De sterkte van de pleister is niet afhankelijk van omgevingsfactoren. Alleen zout kan invloed hebben op silikaat- en mineraalgebonden pleisters. Aan zee verdienen daarom gesiliconiseerde kunstharsgebonden pleisters de voorkeur.

De sterkte van de pleisterlaag is mede afhankelijk van de dikte en treksterkte van de wapeningslaag. Beschadigingen ontstaan door invloeden van buitenaf kunnen uiteraard niet altijd voorkomen worden. Andere materiaalafhankelijke schade kan wel voorkomen worden, en wel door een juiste materiaalkeuze, detaillering en verwerking(somstandigheden).

Op plaatsen met een groot risico voor beschadiging (vandalisme) kiezen opdrachtgevers ook wel voor een afwerking met tegels of steenstrips. Dit is niet noodzakelijk omdat er mogelijkheden zijn om met gevelisolatie zelf een voldoende sterke oplossing te realiseren.

Dispersiegebonden en dunne mineraalgebonden pleisters kunnen extra verstevigd worden door de toepassing van extra weefsel en/of een grotere dikte van de wapeningslaag.

Silikaatgebonden pleisters zijn sterker dan eerder genoemde pleisters. Ook zij kunnen met een dikkere wapeningslaag extra versterkt worden.

Dikke mineraalgebonden pleisters hebben uiteraard een relatief grote dikte en worden aangebracht op een dikkere wapeningslaag. Hierdoor is het totale mortelpakket slagvaster en zijn geen extra voorzieningen aan de wapeningslaag nodig.

9.7 Verwerkingsaspecten

Een optimaal resultaat wordt bereikt onder optimale omstandigheden. Daaraan kan ook de opdrachtgever het nodige doen. Te denken aan steiger incl. afdekking. In het hoofdstuk 'Werkvoorbereiding' wordt dieper op deze zaken ingegaan.

9.7.1 Vakmanschap

Het met kennis en vakmanschap omgaan met materialen en gereedschappen is van het grootste belang voor het uiteindelijke resultaat. Voor gevelisolatiewerk moeten daarom gekwalificeerde stukadoorsbedrijven worden ingeschakeld. Sommige stukadoorsbedrijven hebben geen ervaring met bepaalde gevelisolatiesystemen of soorten pleisters.

9.7.2 Weersomstandigheden

Bij te lage temperaturen en/of een hoge vochtigheid vindt de verharding langzaam en soms niet goed plaats. Bijv. bij een hoge relatieve vochtigheid omdat dan de pleister zijn vocht niet kwijt kan. In principe blijft deze verharding wel doorgaan, al kan dit onder ongunstige weersomstandigheden lange tijd duren.

De optimale verhardingstemperaturen zijn voor de verschillende pleisters anders en zijn afhankelijk van de toegepaste grondstoffen. Bij intredende vorst kan het voorkomen dat de nog niet geheel verharde pleisterlaag kapotvriest. De vochtigheid en poreusheid van de laag speelt daarbij een grote rol.

Overigens zal vorst bij onverwerkte pasteuze pleister ook funest zijn als de vorst tot in de emmer is doorgedrongen. In die gevallen wordt de pleister onbruikbaar. Dit is in de praktijk te constateren omdat pleister dan niet meer verhardt. Ook zal een bedorven geur aangeven dat de pleister bevroren is geweest.

- Het weer en dispersiegebonden pleister

De verharding van deze pleisters stagneert bij lage temperaturen. Veel fabrikanten stellen als eis dat de verwerking niet mag plaats vinden onder 5 ° C. Te lage temperaturen kunnen negatieve gevolgen hebben voor de filmvorming. De volledige uitharding kan bij lage temperaturen soms wel een week of meer duren.

Vorst vangt vaak aan tegen het einde van de avond. Indien overdag de temperaturen acceptabel zijn kan de verharding al zover zijn doorgevoerd dat (lichte) vorst 's nachts geen problemen veroorzaakt.

Kritisch de temperaturen blijven volgen en op tijd stoppen met werken is de beste remedie. Desondanks kan het voorkomen dat niet geheel verharde pleisterlagen onverwacht blootgesteld worden aan een plotselinge vorstinval. Een onjuiste verharding door vorst is te constateren als het bindmiddel aan het oppervlak uittreedt. De pleisterlaag heeft dan een gel-achtig uiterlijk. Onjuiste verharding is echter niet altijd zo eenvoudig te constateren.

Bestaat er geen zekerheid of de pleister goed verhard is, dan is het raadzaam de verharde pleisterlaag met een kleine harde borstel (bijv. een nagelborstel) stevig te borstelen. Een gevel met vorstschade zal de hierboven beschreven behandeling niet doorstaan, ook al ziet hij er ogenschijnlijk goed uit.

- Het weer en silikaatgebonden pleister

De chemische reactie bij silikaatgebonden pleisters vindt plaats boven ongeveer 8 ° C. Daarom is het raadzaam deze pleister alleen in een voor verharding gunstig jaargetijde te verwerken.

- Het weer en mineraalgebonden pleister

Mineraalgebonden pleisters verharden onder alle vorstvrije omstandigheden alhoewel de temperatuur wel invloed heeft op de snelheid daarvan. Fabrikanten stellen vaak dezelfde temperatuurseisen voor verwerking en verharding als bij dispersiegebonden pleisters. Omdat bij de verharding zelf wat warmte vrijkomt is geringe vorst niet per definitie schadelijk.

Indien een mineraalgebonden pleisterlaag tijdens de verharding aan strengere vorst bloot komt te staan kan ze stukvriezen en is het mogelijk dat de pleisterlaag niet hecht aan de wapeningslaag of dat de binding tussen de korrels niet plaatsvindt.

Bij te hoge temperaturen en/of een te lage luchtvochtigheid kan uitdroging plaatsvinden indien de pleister niet op de juiste wijze wordt afgeschermd en/of vochtig wordt gehouden. De cement en kalk uit de pleister verbinden zich dan niet voldoende waardoor de pleister 'verbrandt'. De pleister heeft dan onvoldoende samenhang.

9.7.3 Verwerking

De hechtmortel, wapeningslaag en dunne pleisters worden veelal handmatig aangebracht. Vanwege een relatief laag materiaalverbruik is een machinematige verwerking veelal niet zinvol, vanwege een te hoge capaciteit van de machines.

Dikke mineraalgebonden pleisters worden wel machinaal opgezet en daarna met de hand geëgaliseerd en gekrabd. Voor het krabben van de krabpleisters kunnen ook machines worden ingezet. Hierbij dient de stukadoor erop te letten dat er niet teveel wordt weggekrabd waardoor de vlakheid van het werk in gevaar komt. Te smalle strookjes krabpleister kunnen niet gekrabd worden. Hierdoor erop te letten dat neggen minstens 70 mm breed zijn. Vaak worden de neggen overigens glad gepleisterd wat volgens velen een fraai uiterlijk geeft.

9.8 Onderhoud

Mits de pleister goed is aangebracht is vnl. vervuiling, grond voor onderhoudswerkzaamheden. (In dit verband wordt reiniging als onderhoud beschouwd). Bij pleisters die sneller vervuilen zal uiteraard frequenter onderhoud gepleegd worden. Eenmaal aan onderhoud toegekomen zijn de onderhoudswerkzaamheden bij praktisch alle pleisters dezelfde en dus ook even duur.

9.9 Conclusie

Met inachtname van de in dit hoofdstuk genoemde argumenten kan opdrachtgever en architect in overleg met systeemhouder en stukadoorsbedrijf komen tot een verantwoorde keuze. Een algemene aanbeveling voor één pleister is niet te geven. De verwerking dient daarom te worden toevertrouwd aan een ervaren en vakbekwaam (gecertificeerd) bedrijf.

10 Bouwfysica

In het kader van dit handboek mag men geen uitgebreide bouwfysische verhandeling verwachten. Hiervoor dient men gespecialiseerde boeken te raadplegen. Dit hoofdstuk bevat alleen een korte beschrijving van een aantal voor gevelisolatie belangrijke bouwfysische principes. Daarnaast wordt kort ingegaan op de eisen die gesteld worden in het bouwbesluit.

10.1 De berekening van de warmteweerstand

Een ongeïsoleerde gevel zorgt voor een groot warmteverlies die veelal rond de 40 % van het totale energiegebruik ligt. Dit is te verklaren uit het grote percentage geveloppervlak van gebouwen. Gevelisolatie is daarnaast de meeste energiebesparende vorm van muurisolatie. Door het toepassen van gevelisolatie is dan ook zeer veel energie te besparen.

Energie (warmte) stroomt van warm naar koud. De mate waarin materialen warmte kunnen geleiden (de warmtegeleidingscoëfficiënt) speelt daarbij een belangrijke rol. Goede warmtegeleiders isoleren slecht. Staal is bijv. een zeer goede warmtegeleider. Het ontrekt warmte aan de hand en voelt daarom koud aan. Vochtige materialen geleiden warmte beter dan droge en hebben daarom een hogere warmtegeleidingscoëfficient. Lucht is een slechte warmtegeleider. Alle isolatiematerialen ontlenen hun isolerende werking aan lucht (of een ander gas). De dikte is ook belangrijk. Hoe dikker het materiaal, hoe hoger het isolerend vermogen.

De formule waarmee de warmteweerstand wordt berekend is als volgt:

Materiaaldikte (m¹)
Warmteweerstand (R-waarde) = ----------------------------------------
Warmtegeleidingscoëfficiënt (l )

Als voorbeeld een berekening van de R-waarde van een steens buitenmuur. Er wordt uitgegaan van een gevelklinker. We nemen als lambda 0,80 W/(m.K). Omdat in dit voorbeeld een buitenmuur is genomen moet de lambdawaarde verhoogd worden met het percentage uit de kolom 'Lambda vochtig'. De lambdawaarde wordt daardoor 0,80 W/(m.K) + 25 % = 1,00 W/(m.K). Uitgaande van een dikte van 210 mm gaat de formule er als volgt uitzien:

0,21 (m¹)
Warmteweerstand (R-waarde) = ------------ = 0,21 m².K/W
1,00 (l )

Om de warmteweerstand van een uit diverse materialen samengestelde (geïsoleerde) gevel uit te rekenen, dient de warmteweerstand van de verschillende onderdelen bij elkaar opgeteld te worden. Deze som van R-waarden wordt Rc-waarde genoemd. De Rc-waarde van de ongeïsoleerde gevel wordt 0,22 m².K/W. Deze is berekend door de R-waarde van de pleisterlaag aan de binnenzijde bij de R-waarde van de gevelsteen op te tellen (0,21 + 0,01/0,70 = 0,22). Door deze gevel te isoleren met 80 mm polystyreen afgewerkt met mortel wordt de lambdawaarde 2,44 m².K/W. De opbouw van de muur en berekening is in de tabel weergegeven. Hierbij is voor de dikte van alle mortellagen 10 mm genomen. In de werkelijkheid zullen deze dikten afwijken. Bij deze 'grove' berekening heeft de dikte van de pleisterlaag geen noemenswaardige invloed op de Rc-waarde omdat de lambdawaarde van de mortels relatief hoog, en de dikte relatief dun, is.

Bij de berekening is een lambdawaarde van de gevelsteen zonder de toeslag voor vocht genomen. Door de toepassing van de gevelisolatie wordt de gevelklinker niet meer vochtig. Door de gevelisolatie is de Rc-waarde (van de constructie) toegenomen van 0,22 tot 2,44 m².K/W. Het energieverlies door de wand daalt in dit rekenvoorbeeld dus met 90 %!

De verschillen van een andere ondergrond met dezelfde dikte is marginaal. De verschillende ondergronden tonen geen grote verschillen in Rc-waarden aan. Gasbeton wijkt in positieve zin enigszins af door zijn lage lambdawaarde. Het variëren van de isolatiedikte heeft een veel grotere invloed op de Rc-waarde. Elke cm isolatie meer of minder scheelt 0,27 m².K/W, uitgaande van een lambdawaarde van 0,037 W(m.K). Door toename van dikte neemt de Rc-waarde rechtevenredig toe. De besparing in energie is echter niet rechtevenredig met de Rc-waarde!

10.2 Besparing

Om te berekenen hoeveel besparing een isolatievoorziening oplevert dienen gegevens aanwezig te zijn van alle constructiedelen van het gehele gebouw (dus o.a. dak, vloer, muren en kozijngedeelten). Daarnaast dient bekend te zijn welk rendement het verwarmingssysteem heeft, welke brandstof gebruikt wordt, welke temperaturen er gewenst zijn etc. Ook speelt het woningtype een rol. Warmteverlies via woningscheidende wanden is bijvoorbeeld te verwaarlozen. Daarnaast dient bekend te zijn met welke winterse temperaturen of graaddagen rekening gehouden dient te worden.

Begrijpelijk dat e.e.a. resulteert in een zeer gecompliceerde berekening. Na de oliecrisis, tijdens de eerste golf van isolatiewerkzaamheden in ons land, werd de volgende vuistregel geïntroduceerd:

De besparing aan gas als gevolg van een isolatiemaatregel bedraagt: 10 m³ gas per jaar per m² geïsoleerde gevel maal het verschil in K-waarde voor en na de isolatie.

Deze rekenmethode geeft slechts een zeer grove indicatie van de mogelijke besparing. De genoemde K-waarde wordt bekend met de formule:

K = 1 / Rc

De energiebesparing wordt groter bij dikkere isolatie. Onderstaande grafiek geeft aan dat dikkere isolatie zeker niet rechtevenredig meer bespaart.

Nogmaals wordt met nadruk gesteld dat deze globale berekening, daar waar een exacte berekening vereist wordt, bijv. voor een kosten-baten analyse, niet volstaat en dat in die gevallen een deskundige geraadpleegd moet worden.

In ontwerp: grafiek Omschrijving Procenten besparing Voetnoot: De besparing in procenten per 10 mm toegepaste isolatie.

10.3 Warmteïsolatie en het bouwbesluit

In het bouwbesluit worden eisen gesteld waaraan de isolatie van complete woningen dient te voldoen. Hierbij kan bijv. de warmteweerstand van de gevel binnen bepaalde grenzen worden verhoogd en die van de vloer gelijktijdig worden verlaagd. Om een woning op deze wijze te berekenen is een redelijk gecompliceerde berekening noodzakelijk. Wil men van deze mogelijkheid geen gebruik maken dan dienen de diverse onderdelen van de woning te voldoen aan bepaalde Rc-waarden. Voor gevels van nieuwbouwwoningen is in dat geval vereist dat de Rc-waarde minstens 2,5 m².K/W is.

In het bouwbesluit staat een zeer beknopte tabel met l -waarden van produkten. Deze tabel enigszins wijkt af van de NEN 1068 waarnaar het bouwbesluit veelal verwijst. Fabrikanten hanteren vaak andere waarden. Dit is toegestaan indien deze bepaald zijn volgens NEN 2444. Soms zijn de waarden die in het bouwbesluit worden genoemd gunstiger dan de waarden die door fabrikanten volgens de NEN 2444 worden bepaald!

Hierdoor wordt het exact berekenen van de Rc-waarde volgens het bouwbesluit redelijk gecompliceerd. Dit wordt nog gecompliceerder als in het najaar van 1995 de Energie Prestatienormering (EPN) van kracht wordt. De definitieve invoeringsdatum is afhankelijk van de voortgang van de wettelijke procedures.

Indien de bepaling van de isolatiewaarden van groot belang is, is het raadzaam hiertoe een gespecialiseerd bureau in te schakelen.

10.4 Koudebruggen

Een koudebrug in de gevel is een niet-geïsoleerde verbinding tussen buiten en binnen. Pluggen zijn dus eigenlijk koudebruggen. In praktijk valt het warmteverlies via pluggen erg mee. Koudebruggen die wel grote invloed hebben op constructies zijn uitkragende wanden of balkons. Vooral in de renovatie zijn deze niet altijd te voorkomen. Tekeningen (ontbreken nog) tonen aan het temperatuurverloop van een ongeïsoleerde en geïsoleerde uitkragende wand. Hieruit blijkt dat het gedeeltelijk isoleren van een uitkragende wand zeer positieve resultaten kan hebben. Indien koudebruggen niet worden geïsoleerd blijft de gevel aan de binnenzijde op die plaats koud. In dit geval blijft de kans bestaan op condensatie, die op haar beurt weer tot schimmelvorming kan leiden.

10.5 Vochtgedrag

Vaak wordt gesuggereerd dat gevelisolatie nadelig is i.v.m. de vochthuishouding in een gebouw. Dit omdat het 'ademend gedrag van de gevel' teniet zou worden gedaan. Dit is onjuist. De gevel heeft slechts een zeer marginale invloed op de vochthuishouding zodat er in het geheel geen sprake is van een 'ademende gevel'. Literatuur toont aan dat veel minder dan 1 % van het vocht uit de woning, via de gevel uittreedt. Het meeste vocht verlaat de woning door ramen, deuren, ventilatie, kieren etc. De meeste gevelisolatiesystemen laten dampmoleculen door en houden vocht tegen. Toepassing van gevelisolatie vermindert de dampdoorlatendheid wel iets, maar omdat er sprake is van marginale hoeveelheden damp, is dit geen probleem.

Bij een hoog aanbod van vocht van binnenuit kan het raadzaam zijn dampdichte materialen toe te passen, bijv. cellulair glas.

Bij nieuwbouw kan er sprake zijn van bouwvocht in de ondergrond waartegen de gevelisolatie is aangebracht. Dit bouwvocht zal de constructie moeten verlaten en dit zal plaatsvinden langs de weg waar het vocht de minste weerstand ondervindt. Afhankelijk van de dampdichtheid van de gevelisolatie zal dit sneller of langzamer plaatsvinden, waarbij ook uittreding van vocht naar de binnenzijde kan plaatsvinden. Nadat het bouwvocht is verdwenen zal normaliter alleen het geringere vochttransport van binnen naar buiten plaatsvinden.

Een diepgaandere beschouwing van het vochtgedrag is niet zinvol. In de praktijk zijn er onder de meeste omstandigheden geen problemen met dampdichtheid / openheid van de (geïsoleerde) gevel.

10.6 Inwendige condensatie

Een veel voorkomend misverstand is dat in elke (gevel)constructie inwendige condensatie (oftewel een dauwpunt) optreedt. Bij gevelisolatie is dit normaliter niet het geval omdat de isolatie aan de koude zijde van de constructie wordt aangebracht.

Grafisch worden de z.g. dampspanningslijnen in de gevel weergegeven (gevelopbouw als eerder berekend). Voor een diepgaande verhandeling over dit onderwerp de literatuur raadplegen.

Tegels hebben, in tegenstelling tot mortels, een grote dampdichtheid waardoor in de winter achter de tegels wel een dauwpunt (inwendige condensatie) ontstaat. Dit komt omdat de dampdichte tegel aan de koude kant van de isolatieplaat wordt aangebracht. Inwendige condensatie is alleen van belang als de hoeveelheid condensaat groot is en als deze gedurende de zomerperiode de constructie niet kan verlaten. Literatuur toont aan dat, zelfs uitgaande van een strenge winter, de condensatie (in grammen vocht per m²) gering is. Het vocht verlaat de constructie gedurende de zomerperiode.

10.7 Geluidisolatie

Gevelisolatie biedt, wat het tegengaan van geluidhinder betreft, weinig tot geen voordeel; vooral kozijnen incl. glaspartijen en ventilatieopeningen zijn bepalend voor de geluidswerende kwaliteiten van een gevel.

In het bouwbesluit is vastgelegd dat een buitengevel een geluidsisolerend vermogen dient te hebben van minstens 20 dB(A). De steenachtige ondergrond waartegen de gevelisolatie wordt aangebracht is meestal ruimschoots voldoende om deze 20 dB(A) te bereiken. De gevelisolatie zelf voegt daar vanwege zijn geringe gewicht praktisch niets aan toe. Daar waar een hogere geluidswering verlangd wordt, of de onderconstructie zelf niet voldoende geluidsisolerend vermogen heeft, dienen extra voorzieningen getroffen worden.

Tussen woningen kan gevelisolatie soms zelfs een negatieve rol spelen. Geluidsoverdracht is in principe mogelijk door trillingen die zich via de gevelisolatie langs de woningscheidende wand voortplanten. Dit is echter alleen van toepassing bij ondergronden met een licht gewicht. Houtskeletbouw voorzien van gevelisolatie vraagt daarom extra aandacht.

Vergelijkingen tussen de toegepaste isolatiematerialen in gevelisolatiesystemen is, vanwege minimale invloed die deze systemen op geluidsisolatie hebben, nauwelijks relevant.

Meer informatie over geluidsisolatie is op te vragen bij het NSG.

10.8 Gedrag bij brand

Brandeisen in het bouwbesluit verlangen dat de systemen in woningbouw dienen te voldoen aan brandklasse IV. Voor gestapelde woningbouw, met een woningscheidende vloer op meer dan 5,00 m¹ boven maaiveld, wordt geëist dat tot 2,50 m¹ de gevel aan brandklasse I voldoet. Systemen met KOMO-Attest zijn getest op brandwerendheid. In algemene zin kan gesteld worden dat systemen met dispersiegebonden pleisters voldoen aan brandklasse II en systemen met silikaat- en mineraalgebonden pleisters aan brandklasse I. De isolatiesoort speelt daarbij geen belangrijke rol.

10.9 Oxidatie van metalen

Een bekende vorm van corrosie van metalen is de aantasting van metalen door vochtige lucht of door (zuurstofbevattend) water. Bij staal binden de staalmoleculen zich aan de water- en zuurstofmoleculen tot een oxidelaag, beter bekend onder de naam roest. Omdat roest zeer poreus is zal deze oxidatie doorgaan tot het staal doorgeroest is. Oxidatie komt ook bij bijna alle andere metalen voor maar dat hoeft lang niet altijd zo funest te zijn als roest bij staal. Bijv. bij zink, tin, aluminium, nikkel en chroom ontstaan stevige vaste oxidelagen die het metaal afsluiten waardoor het corrosieproces stopt.

Het corrosieproces wordt versneld als in het vocht opgeloste moleculen met een positieve en negatieve lading (ionen) aanwezig zijn. Een voorbeeld hiervan is zeewater. De in het water opgeloste zoutmoleculen (Na+ en Cl-) zorgen voor het 'ladingtransport'. Het zout heeft daarbij een z.g. kataliserende oftewel procesversnellende werking. Begrijpelijk dat de zoutconcentratie daarbij een belangrijke rol speelt.

Oxidatie kan worden voorkomen door de toe te passen metalen te voorzien van een beschermende laag. Voor een overzicht van deze beschermlagen zie het hoofdstuk 'Systeemopbouw'

10.10 Spanningscorrosie

Minder bekend is dat ook metalen, net als het eerder genoemde zout, een kataliserende werking hebben. De plaats van de metalen in de z.g. 'spanningsreeks van metalen' speelt daarbij een rol. Deze spanningsreeks geeft het elektrodepotentiaal van een stof aan, waar in dit verband niet nader op wordt ingegaan. Metalen die hoog zijn opgenomen in deze lijst noemt men edeler. Als twee metalen, in een vochtig milieu, tegen elkaar worden aangebracht zal het 'minder edel' metaal corroderen omdat de moleculen worden afgebroken tot ionen voor het ladingtransport. Hoe groter het verschil in elektrodepotentiaal, des te heftiger deze corrosie zal optreden. Dit proces wordt ook wel elektrolytische werking van metalen, galvanische corrosie of contactcorrosie genoemd.

Een voorbeeld van schade door spanningscorrosie die binnen redelijk korte termijn plaatsvindt is de bevestiging van loden slabben met stalen nagels of stalen nagels die in een (natte) zinken goot achterblijven.

Een van de voorbeelden waar spanningscorrosie bij gevelisolatie een rol speelt zijn de contactvlakkengrijs tussen loden slabben en metalen profielen of de keuze van bevestigingsmiddelen daarbij. RVS is aan te bevelen omdat dit (praktisch) niet corrodeert.

Door bij detaillering het contact van verschillende metalen te vermijden of te minimaliseren wordt spanningscorrosie tegengegaan. Overigens is spanningscorrosie een traag proces dat afhankelijk is van de vochtigheid en de potentiaalverschillen. Het contact tussen verschillende metalen leidt daarom zeker niet altijd tot daadwerkelijke schade.

11 Kwaliteitszorg

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op wat het KOMO-Attest gevelisolatie en het KOMO-Procescertificaat gevelisolatie inhoudt en hoe de kwaliteitsborging in Nederland en Europa, waar deze kwaliteitsverklaringen een onderdeel van uitmaken, werkt.

Kwaliteitsverklaringen worden steeds vaker gevraagd en aangeboden. Belangrijke vraag daarbij is: Wie geeft kwaliteitsverklaringen af en op welke norm zijn deze gebaseerd? Zonder een strikte regulering is de waarde van een kwaliteitsverklaring moeilijk vast te stellen. Onafhankelijke normen en beoordelingsrichtlijnen (BRL) waarop kwaliteitsverklaringen worden gebaseerd en toetsing daaraan door onafhankelijke instanties zijn van het allergrootste belang. De Europese overheden en een groot aantal Europese instellingen hebben hun verantwoordelijkheid hierin serieus genomen.

In een Europese gemeenschappelijke markt is het niet zinvol om per land kwaliteitseisen op te stellen. Al jaren geleden is dit ingezien door een groot aantal Europese instituten die kwaliteitsverklaringen afgeven. Zij hebben zich verenigd in de Union Europeenne pour l'Agrement technique dans la construction (UEAtc). Voor gevelisolatie zijn richtlijnen opgesteld waaraan gevelisolatiesystemen getoetst dienen te worden. Momenteel is er een Europese UEAtc-richtlijn voor systemen op basis van polystyreenplaten afgewerkt met dispersiegebonden pleisters. Voor andere systemen zijn momenteel nog geen eisen vastgesteld. De Europese richtlijn, is overigens niet compleet. In deze richtlijn wordt bijv. wel gesproken over het feit dat een systeem moet voldoen aan bepaalde brandeisen, echter nog niet is opgenomen welke eisen dit precies moeten zijn. Dit zal later pas ingevuld worden omdat standaard brandbeproevingen in de Europese landen sterk van elkaar verschillen. Het is daarom niet vreemd dat er in diverse landen, (en Nederland is daarbij koploper), op basis van de UEAtc-richtlijn verder gebouwd is aan een nationale richtlijn, in ons land een BRL. In deze BRL zijn wèl duidelijke eisen gesteld aan bijv. brandwerendheid. Het is, aan de hand van de nationale BRL, mogelijk praktisch alle systemen, opgebouwd met welke isolatieplaat dan ook, te toetsen.

Inmiddels is door de Europese overheid de 'European Organisation for Technical Approvals' (EOTA) opgericht op basis van de Richtlijn Bouwprodukten. Zij heeft als doel te komen tot eensluidende kwaliteitsrichtlijnen en test- en keuringsmethodes voor de Europese bouw. Voor een groot aantal produkten en systemen (waaronder gevelisolatie) is de EOTA bezig om raamwerken te maken voor Europese richtlijnen of normen. De 'EOTA'-richtlijn voor gevelisolatie zal t.z.t. de UEAtc-richtlijn vervangen. Vanzelfsprekend een tijdrovend en gecompliceerd karwei vandaar dat e.e.a. nog wel enige tijd op zich zal laten wachten.

11.1 De bij de kwaliteitsverklaringen in Nederland betrokken instellingen

In Nederland is de kwaliteitszorg geënt op het Europees model. De Nederlandse overheid en de betrokken marktpartijen hebben hierbij de kwaliteitszorg maatschappelijk draagkracht gegeven.

11.1.1 Raad voor de Certificatie RvC
Huidige naam: Raad voor de Accreditatie.

Enige jaren geleden heeft de overheid het initiatief genomen tot het instellen van een orgaan dat toezicht dient te houden op de instituten die kwaliteitsverklaringen afgeven (certificerende instellingen). Dit instituut is de Raad voor de Certificatie (RvC). De RvC dient er o.a. op toezien dat door haar erkende certificerende instellingen voldoende deskundig en onafhankelijk zijn. De RvC ziet in principe toe op alle kwaliteitsverklaringen in het gehele bedrijfsleven, dus niet alleen in de bouw. Voor de bouw heeft de RvC een aantal van haar taken gedelegeerd aan de Stichting Bouwkwaliteit (SBK).

11.1.2 Stichting Bouwkwaliteit SBK

SBK is een stichting waarin alle partijen uit de bouw zijn betrokken. SBK wordt ondersteund door de Harmonisatie Commissie Bouw (HCB), die onder meer de nationale beoordelingsrichtlijnen vaststelt. Daarnaast wordt SBK ondersteund door de Kwaliteitsraad. In beide colleges zijn diverse maatschappelijke groeperingen uit de bouw vertegenwoordigd. SBK coördineert o.a. de Nederlandse certificerings- en attesteringsinstellingen in de bouw en ziet erop toe dat er geen tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke kwaliteitsverklaringen ontstaan.

11.1.3 Certificerende Instellingen

In de bouwbranche zijn negen certificerende instellingen erkend door de RvC. Certificerende instellingen controleren of bedrijven en produkten voldoen aan kwaliteitseisen en geven aan de hand daarvan kwaliteitsverklaringen af. Certificerende instellingen worden op hun beurt gecontroleerd door de RvC.

11.1.4 B.V. Kwaliteitsverklaringen Bouw IKOB-BKB BV

De certificerende instelling B.V. Kwaliteitsverklaringen Bouw (IKOB-BKB BV) is gespecialiseerd op het segment gevelisolatie voor zowel produkt als uitvoering en geeft daarvoor erkende kwaliteitsverklaringen af.

11.1.5 KOMO

De stichting KOMO verstrekte in het verleden kwaliteitsverklaringen. Nadat KOMO was opgeheven heeft SBK het beheer van het KOMO-Keurmerk overgenomen. Dit inmiddels uniforme en beschermde bouwkeurmerk moet op erkende kwaliteitsverklaringen worden afgebeeld.

11.2 BRL: de grondslag voor de kwaliteitsverklaringen

Alle KOMO-Kwaliteitsverklaringen zijn gebaseerd op een daartoe opgezette Beoordelingsrichtlijn (BRL). Een BRL moet, voordat hij definitief aanvaard wordt, aan belanghebbenden ter kritiek zijn aangeboden. Tevens dient zij getoetst te worden door een onafhankelijke College van Deskundigen uit de betreffende bedrijfstak. Hierdoor krijgt een BRL een breed draagvlak.

De BRL voor gevelisolatie heet Beoordelingsrichtlijn 'Buitengevelisolatiesystemen met gepleisterde afwerking' BRL 1328 d.d. 1 februari 1995 Uitgave IKOB-BKB BV. (BRL 1328). Deze BRL is gebaseerd op de Europese UEAtc-richtlijn. De eerste versie van deze BRL is in 1986 uitgegeven onder auspiciën van de (inmiddels opgeheven) vereniging VESPIN. De huidige BRL is in september 1991 samengesteld. Dit jaar (1995) is deze BRL vernieuwd omdat de BRL aansluiting diende te houden met het bouwbesluit. In technisch opzicht is niets veranderd. In de BRL eisen aan systeem en de systeemcomponenten. Daarnaast is de wijze van aanbrengen een belangrijk onderdeel van de BRL. De BRL is, zoals al eerder vermeld, samengesteld in samenspraak met alle bij gevelisolatie betrokken partijen. In dit handboek wordt veel aandacht geschonken aan deze BRL.

11.3 Soorten kwaliteitsverklaringen

In de bouw bestaan verschillende soorten kwaliteitsverklaringen, namelijk het:

  • attest
  • attest met certificaat (ook wel technische goedkeuring genoemd)
  • produktcertificaat
  • procescertificaat
  • kwaliteitssysteemcertificaat (ISO-9000 certificaten)

Op gevelisolatie zijn het KOMO-Attest en het KOMO-Procescertificaat van toepassing. (Enkele stukadoorsbedrijven beschikken over het ISO-certificaat.)

11.3.1 Het KOMO-Attest gevelisolatie

Het KOMO-Attest is een eenmalige beoordeling of een produkt of systeem (een aantal bij elkaar behorende produkten) in zijn toepassing voldoet aan bepaalde eisen. Door het afgeven van een KOMO-Attest wordt aangegeven dat het produkt of systeem voldoet aan de kwaliteitseisen. (Soms ook wel goedgekeurd systeem genoemd.) Bij gevelisolatie is het mogelijk een systeem in een binnen- of buitenlands laboratorium te laten testen. IKOB-BKB BV kan de buitenlandse of Nederlandse testrapporten toetsen aan de BRL. Als deze toetsing aantoont dat de resultaten van de testen, die het systeem heeft doorlopen, minimaal voldoen aan de eisen die geformuleerd zijn in de BRL dan kan een KOMO-Attest afgegeven worden. Omdat de BRL is gebaseerd op de Europese UEAtc-richtlijn, komt het vaak voor dat een systeem met erkende buitenlandse testrapporten, al snel voldoet aan de BRL. Het certificerend instituut ( IKOB-BKB BV ) zal de systeemhouder vragen evt. ontbrekende testen alsnog te laten uitvoeren.

11.3.2 Het KOMO-Procescertificaat gevelisolatie

Het KOMO-Procescertificaat gevelisolatie is in 1990 op initiatief van LSGI ontstaan en is een kwaliteitsverklaring waaruit blijkt dat een geattesteerd systeem op juiste wijze wordt aangebracht in het werk. Omdat het KOMO-Procescertificaat zowel eisen stelt aan het produkt als aan het aanbrengen ervan is het de belangrijkste kwaliteitsverklaring bij gevelisolatie. Voordat er met een werk begonnen wordt moet zowel het stukadoorsbedrijf, als de systeemhouder instemmen met de detaillering van het betreffende bouwproject. Het stukadoorsbedrijf wordt op de bouwplaats regelmatig steekproefsgewijs gecontroleerd door de certificerende instelling IKOB-BKB BV om te zien of de kwaliteit nog steeds voldoet aan de BRL. Zie hiervoor het hoofdstuk ' Controle '.

Een opdrachtgever die kiest voor een bedrijf dat beschikt over dit KOMO-Procescertificaat verzekert zich ervan dat op zijn werk:

  • een systeem wordt toegepast dat beschikt over een officieel erkend KOMO-Attest
  • een detaillering wordt toegepast die is afgestemd op de BRL en is goedgekeurd door het stukadoorsbedrijf en de systeemhouder
  • een stukadoorsbedrijf werkt dat bewezen heeft te beschikken over voldoende vakkennis
  • het stukadoorsbedrijf zijn eigen kwaliteit bewaakt
  • de uitgevoerde werkzaamheden regelmatig, steekproefsgewijs, worden gecontroleerd door de IKOB-BKB BV

11.4 De Europese integratie

Gevelisolatiesystemen die in het buitenland al getest en goed bevonden zijn, krijgen door de Nederlandse kwaliteitszorg eenvoudig toegang tot de Nederlandse markt.

Regelmatig wordt beweerd dat het Verdrag van Maastricht of Schengen alle Nederlandse KOMO-Attesten en -(Proces)certificaten overbodig zal maken. Dit is onjuist. Deze zijn juist geïntegreerd in de Europese regelgeving. Zij zullen door de verdere integratie ook voor toepassing in andere Europese landen (export) meerdere mogelijkheden krijgen.

11.5 Kwaliteitszorg bij gevelisolatie en het Bouwbesluit

Gemeentelijke overheden mogen sinds de instelling van het bouwbesluit geen nadere eisen stellen aan producten en bedrijven die beschikken over een erkende kwaliteitsverklaring. De KOMO-Attesten en KOMO-Procescertificaten gevelisolatie zijn opgenomen op de lijst van erkende kwaliteitsverklaringen en vormen voldoende bewijs dat aan de eisen van het bouwbesluit wordt voldaan.

12 Beoordelingsrichtlijn

In dit handboek wordt ruime aandacht geschonken aan de BRL 'Buitengevelisolatiesystemen met gepleisterde afwerking' BRL 1328 van 1 februari 1995 (auteur: IKOB-BKB BV). In 1999 is de BRL op enkel onderdelen gewijzigd. De in dit boek opgenomen cursieve teksten zijn gebaseerd op de BRL uit 1995. Bij de belangrijkste wijzigingen uit 1999 is in rood een beknopte aanvulling gemaakt. De BRL is de basis van de kwaliteitszorg bij gevelisolatie. In het vorige hoofdstuk is de taak van de BRL, en hoe deze tot stand komt, nader toegelicht. Hier wordt aangegeven wat in de BRL is opgenomen over het systeem, en de systeemcomponenten. Elders in dit handboek aandacht voor wat de BRL voorschrijft over projectbeoordeling en verwerking. Een groot aantal passages zijn integraal overgenomen. De volgorde van de fragmenten is gewijzigd en deze zijn aangepast aan de in het handboek gebruikte terminologie. Alle fragmenten uit de BRL zijn cursief weergegeven.

12.1 Uitgangspunten BRL

Enkele belangrijke uitgangspunten worden in de BRL als volgt verwoord:

12.1.1 Doelstelling

Deze beoordelingsrichtlijn is bedoeld om te worden gebruikt als beoordelingsgrondslag voor gevelisolatie, o.a. om te worden gehanteerd door keuringslaboratoria resp. attesterings/certificatieinstellingen voor:

  • het technisch goedkeuren (attesteren) van deze systemen
  • het afgeven van produktcertificaten (voor onderdelen van deze systemen)
  • de procescertificatie voor het aanbrengen van deze systemen

12.1.2 Toepassingsgebied

In deze beoordelingsrichtlijn is uitgegaan van het feit dat het gevelisolatiesysteem wordt aangebracht op een steenachtige ondergrond, die duurzaam stabiel is. Voor de beoordeling van de toepasbaarheid in andere situaties kan het noodzakelijk zijn dat aanvullende beproevingen aan het systeem worden verricht. In die gevallen raadplege men een onafhankelijke terzake deskundige.

Indien gevelisolatie in details of eisen afwijkt van wat in de BRL wordt voorgeschreven mag het werk niet door een stukadoorsbedrijf met een KOMO-Procescertificaat worden uitgevoerd. Voorbeeld hiervan is gevelisolatie op hout(skeletbouw). Dit geldt ook voor het werken met niet-geattesteerde systemen. IKOB-BKB BV kan een ontheffing verlenen.

12.1.3 Het feit dat alle componenten op elkaar dienen aan te sluiten

Alleen met minitieus op elkaar afgestemde bestanddelen van een bepaald systeem, zoals bijv. hechtmortel, isolatieplaten, wapeningsweefsel, pleister e.d., is het mogelijk om een gevelisolatiepakket op te bouwen waarin achteraf geen gebreken optreden. Daarom is het van het grootste belang dat alleen die materialen in het systeem worden verwerkt waarvan door de leverancier expliciet wordt aangegeven dat zij tezamen het specifieke gevelisolatiesysteem vormen. Vervangen van één der systeemonderdelen door een ogenschijnlijk gelijkwaardig materiaal, moet dus categorisch worden afgewezen.

12.1.4 De verwerking

Behalve de toepassing van de juiste materialen is de verwerking ervan van doorslaggevende invloed op het eindresultaat. Het is dus absoluut noodzakelijk om bij de applicatie steeds secuur en zonder compromissen, volgens de omschreven verwerkingsrichtlijnen en/of de aanwijzingen van de systeemhouder te werk te gaan. Het beste systeem kan immers door een onjuiste verwerking een fiasco opleveren.

12.2 Eisen in de BRL aan het systeem.

Om te voldoen aan de eisen uit de BRL dienen systemen te worden getest in hun samenhang. In de BRL is vastgelegd hoe en onder welke omstandigheden een te beproeven muur moet worden opgebouwd en aparte monsters (voor bijv. brand- en trekproeven) moeten worden aangeleverd. Daarnaast zijn er (NEN)-normen en waarden opgenomen waaraan het systeem moet voldoen. Hierbij te denken aan:

  • brandbeveiliging
  • bestandheid tegen windbelasting
  • hechtsterkte systeemonderdelen
  • bestandheid tegen temperatuur
  • bestandheid tegen vorst
  • bestandheid tegen mechanische belasting
  • warmteweerstand van de gevel
  • bestandheid tegen vocht van binnenuit.

12.3 Eisen in de BRL aan systeemcomponenten

In de BRL zijn eisen opgenomen waaraan de systeemcomponenten dienen te voldoen. In dit handboek worden deze eisen niet integraal overgenomen. Deze eisen zijn in de dagelijkse praktijk voor opdrachtgever, architect, bouwkundig aannemer en het stukadoorsbedrijf minder belangrijk. Ze zijn vooral van belang voor fabrikanten en systeemhouders.

12.3.1 Etikettering

Het is van belang hoe herkend kan worden dat de geleverde materialen onderdeel uitmaken van het geattesteerde systeem. De BRL vermeldt het navolgende over de etikettering:

Op de emballage van alle onderdelen van een systeem moet duidelijk en blijvend leesbaar ten minste de volgende informatie zijn aangegeven:

  • de naam van de fabrikant van het systeem;
  • de handelsnaam waaronder het systeem op de markt wordt gebracht;
  • de aard van de inhoud en de hoeveelheid conform het wettelijke 'Hoeveelheidsaanduidingenbesluit';
  • produktie en/of chargenummer van het materiaal;
  • informatie omtrent de maximale houdbaarheid van de inhoud;
  • aanvullende wettelijke verplichte informatie, bijv. ten aanzien van de schadelijkheid conform het 'Besluit Aflevering Gevaarlijke Stoffen' (BAGA).

Voor produkten die voor hun applicatie eerst moeten worden aangemaakt, moet de menginstructie van de fabrikant van het produkt bij voorkeur op de emballage zijn verwerkt. In gevallen waar de menginstructie niet op de verpakking is vermeld, of in een andere taal is gesteld, moet op het werk een in de Nederlandse taal gestelde instructie aanwezig zijn.

12.3.2 Isolatieplaten

Voor wat betreft de isolatieplaten stelt de BRL eisen aan:

  • maximale maten
  • maat- en vlakheidafwijkingen
  • haaksheid
  • rechtlijnigheid
  • warmtegeleidingscoëfficiënt
  • druksterkte of drukspanning
  • gedrag bij brand
  • volumieke massa
  • nakrimp
  • dimensiestabiliteit
  • gehalte open cellen
  • delaminatiesterkte
  • tolerantie op volumieke massa
  • buigtreksterkte
  • E-modulus.

12.3.3 Mortels en voorstrijklaag

Aan de navolgende eigenschappen van de mortels worden eisen gesteld (afhankelijk van het feit of het om pasteuze- of poedervormige mortels gaat):

  • volumieke massa
  • percentage droge bestanddelen
  • bindmiddelgehalte
  • infrarood-absorptiecentrum
  • korrelverdeling
  • afbindtijd
  • stortgewicht
  • pH-waarde
  • asgehalte
  • korrelverdeling
  • waterbindend vermogen
  • verwerkingstijd
  • hechting tussen wapeningsweefsel en wapeningsmortel.

12.3.4 Wapeningsweefsel

Aan de navolgende eigenschappen van de wapeningsweefsels worden eisen gesteld:

  • areïeke massa
  • treksterkte en rek
  • type beschermende coating
  • vezeldiameter en aantal vezels
  • breedte en lengte rol.

12.3.5 Accessoires

De BRL geeft aan wat van bijv. kit, pluggen en stucprofielen moet worden vastgelegd. Over stucprofielen is geen algemene materiaalkeus voorgeschreven.

12.4 Het kwaliteitssysteem van de producent

In de BRL is aangegeven wat een producent van een systeem (maar dat zijn vaak meerdere fabrikanten van onderdelen) in zijn kwaliteitssysteem dient op te nemen. Het gaat om voorschriften die bij de produktie van de componenten gevolgd dienen te worden.

12.5 Bijlagen

In de in de BRL opgenomen bijlagen wordt aangegeven hoe de BRL aansluiting vindt bij het bouwbesluit. Hierbij te denken aan de prestatie-eisen uit het bouwbesluit, de bepalingsmethoden in de BRL en de vereiste waarden. Het gaat om een groot aantal codes en artikelnummers die van belang zijn als de in de BRL opgenomen waarden in detail getoetst moeten worden aan het bouwbesluit. In de dagelijkse bouwpraktijk is deze informatie minder van belang en daarom niet overgenomen.

12.6 Overzicht van geattesteerde systemen

  • Kunstharsgebonden sierpleisters
  • Gesiliconiseerde sierpleisters
  • Silikaatgebonden sierpleisters
  • Dunne mineraalgebonden sierpleisters
  • Dikke mineraalgebonden pleisters
  • Tegels

13 Detailleren

Het principe van het detailleren met gevelisolatie wijkt niet bijzonder veel af van de detaillering van anders opgebouwde gevels. Daarbij te denken aan bijvoorbeeld het voorkomen van lekstrepen. In dit hoofdstuk gevelisolatiedetails en een aantal simpele tips.

Omdat gevelisolatie voor veel architecten nog 'nieuw' is, is het raadzaam om bij de detaillering hulp in te roepen van specialisten. Veel systeemhouders en stukadoorsbedrijven beschikken over specialistische kennis die zij kunnen toespitsen op een werk.

Algemene aanbevelingen

In dit hele handboek zijn tips opgenomen die bij de detaillering van belang zijn. Hier worden slechts enkele herhaald en enkele niet elders behandelde aanbevelingen gegeven:

  • het goed afstemmen van de verschillende details op elkaar voorkomt problemen. Bijv. individuele kozijndetails kunnen op zichzelf uitstekend zijn, maar onderdorpel en stijl kunnen desondanks niet op elkaar aansluiten...
  • de detaillering dient dusdanig te zijn dat er geen vocht achter de mortel en systeem kan dringen. Ook mag geen vocht tegen de mortellaag komen te staan
  • de achterliggende constructie, en de aansluiting van de gevelisolatie daaraan, dient waterdicht te zijn
  • de mortel mag niet liggend op horizontale vlakkengrijs worden toegepast
  • rekening te houden met het onderhoudsaspect. Hierbij te denken aan het vervangen van kozijnen of bijv. slabben.
  • rekening te houden met verankeringsplekken van steigers of ladders voor toekomstig onderhoud
  • bij voorkeur geen in het zicht blijvende kit toepassen. Indien onvermijdelijk, dan rekening houden met de bereikbaarheid en de juiste afmeting van voeg en evt. rugvulling
  • teneinde mogelijke problemen als gevolg van koudebruggen te voorkomen moet het systeem tenminste beginnen op 300 mm beneden de onderkant van de begane grondvloer. Bij flats op een onderbouw zal echter veelal vanaf de eerste woonlaag worden geïsoleerd. In die gevallen wordt het aanbevolen om tenminste 300 mm onder de onderkant van de vloer van de eerste woonlaag te beginnen. Ook andere uitzonderingen zijn mogelijk. Men zij in die gevallen echter altijd attent op de mogelijke bouwfysische consequenties.

14 Bestek en technisch advies

In dit hoofdstuk gaan we in op:

  • de STABU methodiek;
  • hoe momenteel werkbeschrijvingen of technische adviezen tot stand komen en gebruikt worden;
  • aanbevelingen uit de BRL hierover.

14.1 STABU-bestekken

De oude SRW- en SROW-bestekken verdwijnen en daarom wordt daarop niet meer ingegaan. De logische opvolging is de STABU. Dit voorkomt hiaten, tegenstrijdigheden en het maken van fouten. Voor het samenstellen van bestekken zijn gevelisolatie teksten van STABU voorhanden. Een bestek maken met STABU is alleen mogelijk met behulp van de bestanden van STABU en een goedgekeurd besteksverwerkend programma. Zo'n bestek kan gemaakt worden door een bedrijf, bijv. een (architecten)bureau, dat een licentieovereenkomst heeft afgesloten met STABU.

Een bestek is het (juridische) contract dat beschrijft wat gemaakt moet worden. De bestekschrijver wordt door de STABU teksten op het goede spoor gezet. Daarbij moeten een aantal keuzen gemaakt worden. Worden teksten gebruikt volgens de BRL dan is het maken van fouten tot een minimum te beperken. Vanwege het feit dat de bestekschrijver niet altijd op de hoogte is van de BRL blijven fouten echter voorkomen. Bestekontvangers zullen deze fouten vaak niet onderkennen. De foutkans wordt verminderd door gebruik te maken van de op de Stabu CD-Rom opgenomen besteksservice van LSGI.

14.2 Technisch advies en details

Zeker bij grote werken wordt daarom een z.g. technisch advies gemaakt. Dit omvat naast detailtekeningen o.m. een uitgebreide omschrijving waarin de materialen en werkzaamheden zijn vastgelegd. Technische adviezen worden veelal gemaakt door systeemhouders.

Voordeel van technische adviezen is dat zij in duidelijk begrijpelijke taal de werkzaamheden, werkwijze en toe te passen produkten beschrijven. Opzoeken van teksten elders is dan veelal niet meer nodig. Nadeel is dat hiermee weer de nadelen van de oude bestekschrijfmethoden, weer mogelijk zijn. Dit is afhankelijk van de ervaring van de schrijver van het technisch advies.

14.3 Waaraan een technisch advies moet voldoen

In de BRL zijn een aantal voorwaarden opgenomen waaraan een technisch advies moet voldoen. Enkele van de hierna genoemde zaken dienen ook in het bestek vermeld te worden.

Indien bepaalde aspecten niet in de BRL opgenomen verwerkingsrichtlijnen zijn genoemd, zullen de betreffende richtlijnen van de systeemhouder resp. het stukadoorsbedrijf van het gevelisolatiesysteem moeten worden aangehouden. Het is daarom van groot belang, dat voor elk project een door de systeemhouder opgesteld of goedgekeurd advies voorhanden is waarin tenminste, voor zover van toepassing, de hiernavolgende aspecten aan de orde moeten worden gesteld:

  • - randvoorwaarden voor het aanbrengen van het systeem
  • - door derden uit te voeren werkzaamheden voor aanvang, tijdens, en na afloop van de werkzaamheden betreffende het gevelisolatiesysteem
  • - voorbehandeling van de ondergrond
  • - bevestiging van het isolatiemateriaal
  • . eventuele additionele mechanische bevestiging bij gelijmde systemen
  • . opgave van soort, aantal, plaats bevestigingspunten bij mechanisch bevestigde systemen
  • - plaatsen van hoekprofielen
  • . soort
  • . materiaal
  • . bevestigingsmethode
  • - aanbrengen wapeningslaag en eventuele pantserlaag
  • . dikte van de laag (mortel + net(ten))
  • . opgave plaats en bevestigingswijze van het wapeningsweefsel, waarbij aangegeven moet worden waar het 'normale'- en waar het 'pantser'type gebruikt moet worden.
  • . opgave manier waarop wapeningslaag wordt opgebracht en in hoeveel bewerkingen
  • - aanbrengen afwerklaag
  • - systeemdetailleringen zoals:
  • . uitvoering en afwerking van de sokkel
  • . bescherming tegen grondwater
  • . de noodzaak om al of niet te dilateren en zo ja, waar en hoe
  • . alle aansluitdetails (standaard en voor zover daar niet in begrepen bijzondere op het betreffende werk van toepassing zijnde details)
  • - opgave van de weerscondities waaronder het systeem mag worden aangebracht
  • - een lijst van alle voor het werk benodigde materialen voorzien van merk en typenummers

Belangrijke voorwaarden die daaraan toegevoegd moeten worden zijn:

  • dat de uitvoering dient te geschieden door een stukadoorsbedrijf dat beschikt over een KOMO-Procescertificaat gevelisolatie
  • dat het toe te passen systeem beschikt over een KOMO-Attest

15 Stukadoorsbedrijf en systeemhouder

Regelmatig is in dit handboek aangegeven waarom de verwerking dient te geschieden door gespecialiseerde bedrijven. Naast het vakmanschap van de stukadoor en kennis van de toe te passen produkten vereist het werken met gevelisolatie ook kennis van bijvoorbeeld planning, organisatie op de bouw, detailleringen, administratie en risicofactoren. Het KOMO-Procescertificaat is een minimale ondergrens. De taak van de systeemhouder mag zich bij gevelisolatie niet beperken tot het leveren van materialen alleen. In de voorbereidingsfase, en vaak ook later, is ook de kennis van de systeemhouder belangrijk voor het welslagen van het project.

15.1 Stukadoorsbedrijven

Gevelisolatie wordt uitgevoerd door stukadoorsbedrijven omdat wettelijk is vastgesteld dat gevelisolatie stukadoorswerk is. De keuze welk stukadoorsbedrijf het werk zal uitvoeren is niet alleen van het grootste belang voor een optimaal eindresultaat, maar ook voor een juiste gang van zaken tijdens de bouw.

Veel opdrachtgevers hebben te laat gerealiseerd dat de eis het werk uit te laten voeren door een stukadoorsbedrijf met een KOMO-Procescertificaat gehandhaafd dient te blijven. Veel betrokkenen in het bouwproces beschouwen het KOMO-Procescertificaat gelukkig als een ondergrens van de kwaliteit.

15.2 LSGI-bedrijven

De opdrachtgever profiteert mee door de uitvoering op te dragen aan een lid van LSGI. Binnen die vereniging wordt gewerkt aan de verdere uitbouw van de kwaliteitszorg en voorlichting, zowel in- als extern. Daarnaast wordt gewerkt aan kennisvergroting en de verbetering van uitvoeringsaspecten en organisatie van de aangesloten stukadoorsbedrijven.

15.3 Systeemhouders

De naam systeemhouder geeft aan dat bij gevelisolatie meer komt kijken dan alleen de levering van systeemonderdelen. Samen met het uitvoerend stukadoorsbedrijf dient de systeemhouder ruim voor de aanvang van de werkzaamheden ingeschakeld te worden bij de detaillering en advisering. Het is van belang om ook bij de keuze van een systeem uit te gaan van de technische kennis en ervaring van de systeemhouder. De groei van de gevelisolatiemarkt heeft een aantal bedrijven tot het importeren van een systeem gebracht die met theorie en praktijk weinig tot geen ervaring hebben.

15.4 EGS-bedrijven

Binnen de vereniging EGS zijn gespecialiseerde en ervaren systeemhouders gebundeld. Leden van EGS verplichten zich in principe tot de levering van geattesteerde systemen (of systeem waarvoor een aanvraag voor een attest loopt). Regelmatig geeft EGS een actuele lijst van geattesteerde systemen van haar leden uit. Daarnaast kwamen de EGS-leden een gedragscode overeen. EGS en haar leden gaven belangrijke steun bij de totstandkoming van dit handboek.

15.5 Georganiseerde bedrijven

Georganiseerde systeemhouders en stukadoorsbedrijven zijn niet alleen technisch beter geïnformeerd. Door uitwisseling van know-how zijn minder individuele investeringen in tijd en geld noodzakelijk. Daarnaast worden ook nog besparingen gerealiseerd door kostenbesparing via gemeenschappelijke inkoop. Hierdoor verdienen deze bedrijven hun contributie 'dubbel en dwars' terug en kunnen zij scherper aanbieden.

16 Werkvoorbreiding

Vanaf de ontwerpfase tot en met het daadwerkelijke aanbrengen van de gevelisolatie dienen een groot aantal belangrijke zaken goed geregeld te worden. De beoordeling van de ondergrond is één van die belangrijke zaken. Ook in de BRL worden randvoorwaarden genoemd die dienen te worden nagelopen alvorens men met het werk begint. Deze randvoorwaarden zijn volledig overgenomen in dit handboek.

16.1 Checklist werkvoorbereiding

De navolgende punten dienen in goed overleg geregeld te worden. De volgorde zal per werk variëren. Een ervaren stukadoorsbedrijf, lid van LSGI, dient bij de verschillende stappen geconsulteerd worden. Ook systeemhouders zijn hierover te raadplegen. Deze nemen soms een aantal van de genoemde zaken over van het stukadoorsbedrijf.

  • bepaling soort isolatiemateriaal en berekening isolatiedikte
  • bepaling pleistersoort, -structuur en materiaalsoort profielen
  • bespreken en tekenen details
  • opmaken bestek en/of technisch advies
  • beoordeling ondergrond inclusief de vochtigheid ervan
  • beoordeling of voorzieningen aan de gevel getroffen moeten worden voordat met het aanbrengen van gevelisolatie wordt begonnen
  • bepaling welke werkzaamheden door wie uitgevoerd worden
  • planning, bouwsnelheid, intervalbepaling (die o.a. afhankelijk is van de verhardingstijd van de mortels) incl. vastlegging onder welke weersomstandigheden niet gewerkt mag worden
  • steigerafscherming, -hoeveelheid en -uitvoering inclusief eventuele doorwerkvoorzieningen en bouwliften
  • bouwplaatsinrichting waaronder schaft- en kleedruimten, afvoercontainers, vorstvrije opslagfaciliteiten, stroom- en waterpunten
  • milieuaspecten
  • arbeidsomstandigheden
  • beoordeling garantiemogelijkheden
  • controle op het werk (EKB, IKB, taak van uitvoerder en opzichter) en te stellen criteria
  • prijs opstellen
  • termijnregelingsschema i.v.m. de voorfinancieringskosten
  • opdrachtvoorwaarden
  • afronden van de prijs
  • kleurkeuze gevel waaronder pleister, waterslagen, sokkelprofielen en kit
  • het maken van monsters en/of een proefvlak

Veel van deze punten worden elders in het hoofdstuk of elders in dit handboek in detail behandeld.

16.2 Uitvoeringscontract

Navolgende zaken dienen minstens in de opdracht voor het aanbrengen van gevelisolatie te worden vastgelegd. Daarbij kunnen ook andere punten opgenomen worden, die elders in dit hoofdstuk worden behandeld.

16.2.1 Prijs

Naast de prijs die het stukadoorsbedrijf in zijn offerte opgeeft, wordt de prijs van gevelisolatie ook nog bepaald door:

  • de prijs voor het treffen van bouwkundige voorzieningen zoals bijv. aparte waterslagen;
  • de prijs van ter beschikking te stellen hulpmiddelen zoals bijv. de juiste steiger en opslagfaciliteiten;
  • de kosten van de gewaarborgde garantie met de daarbij behorende onafhankelijke projectcontroles op uitvoering en kwaliteit.

16.2.2 Offertevoorwaarden

In de offerte van het stukadoorsbedrijf dient exact aangegeven te worden wat er is gerekend. LSGI heeft hiervoor uniforme voorwaarden ontwikkeld. Omdat deze duidelijkheid geven wat vaak wel en niet in de prijs wordt opgenomen zijn deze in dit handboek overgenomen. Indien de werkzaamheden rechtstreeks voor een particuliere of professionele opdrachtgever worden uitgevoerd, dienen deze voorwaarden te worden aangepast. De offertevoorwaarden zijn namelijk gebaseerd op het feit dat werkzaamheden worden aangeboden aan bouwkundig aannemers.

Voorwaarden voor de uitvoering van gevelisolatiewerken opgesteld door de Landelijke Specialisten Gevel-Isolatie te 's-Hertogenbosch d.d. 10 december 1997. De hieronder opgenomen tekst is van recentere datum als de uitgavedatum (1995) van het handboek.

Bouwplaatsvoorwaarden:

Door onze opdrachtgever dient, in de nabijheid van de werkplek, zonder dat wij daarvoor kosten (huur, precario, stroomkosten o.d.) in rekening gebracht krijgen, gezorgd te worden voor:

  • een water- en stroomaansluiting, 220 v en/of 380 v van voldoende capaciteit en voor permanent gebruik op maximaal 50 m1 van de werkplek;
  • verlichting en/of afrastering indien door ons noodzakelijk wordt geacht;
  • container(s) waarin wij grof vuil en verpakkingen kunnen deponeren op maximaal 50 m1 van de werkplek. Stortgelden zijn niet voor onze rekening;
  • een steiger die:
    • over de volle hoogte van de gevel geplaatst is;
    • minimaal 1,00 m1 breed is en slagen heeft van 2,00 m1;
    • aan de bovenzijde waterdicht is afgedekt met witte lichtdoorlatende of transparante zeilen minimaal tot en met de bovenste steigerslag;
    • voorzien van regenwerend gaas is tot aan straatniveau;
    • is voorzien van trappenhuizen, met maximale tussenafstanden van 40 m1;
    • noch door plaatsing noch door bevestiging de uitvoering bemoeilijkt of verhinderd.
  • bouwliften van voldoende capaciteit voor verticaal transport van materialen. Wij kunnen in overleg gebruik maken van een evt. aanwezige bouwkraan.
  • noodvoorzieningen bij gedemonteerde hemelwaterafvoeren o.d. om te voorkomen dat regenwater voor, tijdens en na aanbrengen en uitharden langs de gevelisolatie loopt.
  • een droge, afsluitbare, voldoende grote en vorstvrije opslagruimte voor materiaal en materieel;
  • was-, kleed- en schaftgelegenheden;

Onze opdrachtgever dient zich te houden aan alle ter zake geldende veiligheidsvoorschriften zoals die voor steigers, elektra, gedemonteerde balustrades e.d. gelden.

Voorwaarden inzake de ondergrond:

  • De evt. voorbehandeling van de ondergrond is niet in de prijs inbegrepen. Het navolgende geeft aanleiding tot verrekening:
    • Oneffenheden in de ondergrond groter dan 3 mm/m1. Deze oneffenheden dienen te worden uitgevlakt en kunnen resulteren in de toepassing van (langere) kunststof nagels, voor de bevestiging van de isolatieplaten.
    • Gaten en meer dan 10 mm terugliggend metselwerk of beton (bijv. bij vloerovergangen) die gevuld dienen te worden.
    • Het uitkrozen en/of contramallen van isolatieplaten, tenzij dit op de tekening is aangegeven.
  • Alle kozijnen, aansluitingen en geveldoorbrekende (gebouw)delen dienen waterdicht en spanningsvrij door onze opdrachtgever in de gevel gemonteerd te zijn voor de aanvang van onze werkzaamheden.
  • De te isoleren gevels dienen normaal zuigend, glad en strak, vrij van obstakels en schoon aan ons te worden opgeleverd.
  • Onze opdrachtgever is verplicht te melden indien de gevel is voorzien van een (waterafstotende) behandeling welke de hechting zou kunnen beïnvloeden.
  • Montage en demontage van wat voor bouwdelen dan ook, tenzij uitdrukkelijk door ons genoemd als behorend bij ons werk, vallen buiten onze werkzaamheden.
  • Ingeval van gedemonteerde hekwerken o.d., waar nodig afdoende veiligheidsmaatregelen nemen.
  • Ingeval van direct op of in de constructie gemonteerde staalconstructies en bevestigingen, zoals kozijnankers, leidingen e.d., dienen deze te zijn vervaardigd van een niet corrosief materiaal.
  • Uitstekende geveldelen, mortelresten, nagels e.d. dienen te zijn verwijderd en tot achter het gevelvlak aangeheeld.

Niet tot onze werkzaamheden behoren:

  • Kitwerk.
  • Hak- en breekwerken.
  • Inwerken lood, (aluminium) waterslagen, en niet tot het gevelisolatiesysteem behorende profielen.
  • Het waar nodig graven en weer dichten van een sleuf langs de gevels, voor het doorzetten van het systeem onder het maaiveld. Deze sleuf dient de toegang tot de gevel niet te bemoeilijken en van ruim voldoende afmeting te zijn.

Schoonmaken en beschadigingen:

  • Steigers worden bezemschoon opgeleverd. Overige schoonmaakkosten zijn voor rekening van onze opdrachtgever.
  • Onze prijs is exclusief afplakken van niet te stucadoren bouwdelen zoals bijvoorbeeld kozijnen, waterslagen, metselwerk, beplantingen, gazons, balkons, ruiten en trottoirs etc. Schade ontstaan aan beplantingen, gazons, balkons, ruiten en trottoirs etc. vallen niet onder onze verantwoordelijkheid.
  • Buiten onze schuld vuil geworden, beschadigd of verregend werk wordt niet op onze kosten hersteld.
  • Bij werken met een krabpleister eindlaag zullen de kozijnen en het glaswerk niet gezeemd worden.

Uiterlijk van het werk:

  • Bij minerale sierpleister is kans op ongelijkmatige verkleuring aanwezig.
  • Bij gevelisolatiewerken met een krabpleister zullen steigergaten altijd zichtbaar blijven.
  • Kleuren in het werk kunnen afwijken van los aangeleverde monsters.
  • Het werk zal voldoen aan de oppervlaktebeoordelingscriteria gevelisolatie.

Oplevering, werkvolgorde en -tempo:

  • De prijs is gebaseerd op een continue tempo en voortgang van onze werkzaamheden. Uitvoering per bewerking in één fase.
  • Verletkosten door stagnaties, die buiten onze schuld ontstaan, zullen worden doorberekend.
  • Alle bouwkundige voorzieningen dienen voor de start van de gevelisolatiewerkzaamheden gereed te zijn.
  • De technische oplevering van onze werkzaamheden dient voor de demontage van de steiger (evt. per bouwdeel) te geschieden.
  • Meetmethode voor bepaling van de m2: de buitenkant van het systeem (pleister / sokkel etc.).

Kwaliteitszorg, garantie en verzekeringen:

  • In verband met de door ons gesloten KOMO-Procescertificatieovereenkomst gevelisolatie met IKOB-BKB BV zijn wij verplicht de kwaliteit in overeenstemming te brengen met de BRL. Onze opdrachtgever dient die randvoorwaarden te scheppen om dit mogelijk te maken. De belangrijkste zijn opgenomen in deze voorwaarden.
  • Details moeten bespreekbaar zijn en voldoen aan de BRL en de verwerkingsvoorschriften.
  • Op de uitvoering kunnen door IKOB-BKB BV controles worden uitgevoerd. IKOB-BKB BV-controleurs dienen toegang te krijgen tot de bouwplaats.
  • In onze prijs is niet inbegrepen de prijs van een verzekerde garantie op materiaal en loon gedurende 10 jaar excl. B.T.W. en excl. steigerwerk. Deze kosten zijn separaat in de offerte vermeld. Ingeval een verzekerde garantie van kracht is zullen eveneens controles door IKOB-BKB BV of derden worden uitgevoerd.
  • Onze werkzaamheden vallen onder de C.A.R.-verzekering van onze opdrachtgever. Bij een voorkomende schade zal het door de opdrachtgever daarbij overeengekomen eigen risico niet in mindering worden gebracht op een uitkering.

Betaling en geschillen:

  • Betaling binnen 30 dagen na faktuurdatum.
  • Verrekenposten voor door opdrachtgever uitgevoerde werkzaamheden en/of geleden schade worden niet geaccepteerd zonder dat hiervoor door ons schriftelijk opdracht is gegeven resp. schriftelijk mee is ingestemd.
  • Eventuele geschillen ontslaan de opdrachtgever niet van zijn betalingsverplichting. Het verrekenen van facturen zal niet plaatsvinden.
  • Indien door onze opdrachtgever niet (op tijd) produktiebonnen of manurenstaten worden afgegeven of getekend zullen wij toch onze fakturen indienen. In dat geval kan het ontbreken, of later indienen daarvan, geen aanleiding zijn tot het opschorten van betalingen.
  • Reclames binnen 8 dagen na factuurdatum.

Algemeen:

Al onze aanbiedingen en adviezen worden gedaan op basis van de huidige kennis van materialen en stand der techniek.

16.2.3 Termijnregelingsschema 

De betaling wordt veelal geregeld in een termijnregelingsschema. Dit dient nauw aan te sluiten bij de reële kosten. Onderstaand een verdeling van deze kosten:

- materiaalkosten: 40 %
- het aanbrengen van de isolatieplaten: 20 %
- het aanbrengen van de wapeningslaag: 20 %
- het aanbrengen van de afwerklaag: 20 %

Aangepast 10 december 1997.

Bij grote projecten worden de termijnen vaak opgedeeld in kleinere gedeelten zoals bouwblokken/woningen; de procentuele verdeling blijft daarbij natuurlijk gelijk.

16.3 Bouwplaatsinrichting 

Veel tijdwinst kan gerealiseerd worden door een optimale inrichting van het werkterrein. Hierdoor worden transporttijden gereduceerd. Voor het personeel moeten er goede en schone schaft- en sanitaire voorzieningen aanwezig zijn.

16.3.1 Toegankelijkheid van het terrein 

Voor een goede uitvoering van het werk is de bereikbaarheid van het werk mede van invloed. Het is daarom sterk aan te bevelen om het maaiveld dat aansluit op de te isoleren gevelvlakkengrijs ca. 2 m1 vanuit de gevel vrij te maken van belemmerende begroeiingen, beplantingen of (aan)bouwsels. Obstakels die niet verwijderd kunnen worden moeten afdoende worden beschermd tegen vervuiling.

Ter plaatse van gevelvlakkengrijs waar het systeem onder het maaiveld start, een sleuf minimaal breed 500 mm graven van een dusdanige diepte dat de isolatie en afwerking nauwkeurig kan plaatsvinden. (De afmeting van de sleuf is afhankelijk van de grondslag.) Uitkomende grond dient dusdanig te zijn opgeslagen dat deze de werkzaamheden aan de gevel niet hindert.

16.3.2 Steigers 

Indien gebruik moet worden gemaakt van steigers moeten deze voldoen aan de vigerende veiligheidseisen. Voor een goede uitvoering van het werk is het noodzakelijk dat de steiger tenminste 1,00 m1 breed is en slagen heeft van 2,00 m1. De steiger moet voorzien zijn van voldoende mogelijkheden voor verticaal transport van personen en materiaal.

De juiste keuze van de verankering van de steiger is zowel van belang voor de veiligheid als voor het uiterlijk van de gevelisolatie. Meestal zal de steiger via de kozijnen verankerd worden. Als dat (bijv. bij een kopgevel) niet mogelijk is dient de steiger aan de muur bevestigd te worden, waarna de isolatielaag daaromheen moet worden aangebracht. Er zijn speciale ankerhulzen waarvan de bevestigingspluggen in de wand achterblijven. Na gebruik wordt de verankering uit de bevestigingsplug losgeschroefd en hergebruikt. Hierna dienen de pluggaten met mortel te worden afgewerkt. Deze werkwijze biedt een goede stabiliteit van de steiger. De noodzakelijke kleine reparaties van de steigergaten vallen bijna niet op.

Gedurende de tijd dat er daadwerkelijk aan de gevels gewerkt wordt dient de afstand tussen steiger en dat gedeelte van de gevel waar gewerkt wordt over een breedte van 250 mm vrij van steigervloer gemaakt kunnen worden. Deze 250 mm gerekend tot de voorzijde van het aan te brngen systeem. In ieder geval erop te letten dat ook de staanders aan de gevelzijde zo ver als mogelijk van de gevel af staan. Dit mede i.v.m. het realiseren van een gelijkmatiger structuur. Reden hiervoor wordt in het hoofdstuk ' Mortels ' nader toegelicht. Dit betekent dat er gewerkt zal moeten worden met bevloerde (te verwijderen) consoles o.d. aan de gevelzijde van de steiger. In het hoofdstuk ' Arbeidsomstandigheden ' wordt ingegaan op de veiligheid van de steiger.

16.3.3 Voorzieningen rond de steiger.

Het gevelisolatiesysteem mag niet worden aangebracht tijdens regenweer of hevige wind, tenzij de gevel vooraf en tijdens de werkzaamheden hiertegen zorgvuldig is afgeschermd. Dit betekent in de praktijk dat in vrijwel alle gevallen de steiger aan de bovenzijde moet worden afgedekt.

Hierbij te denken aan een kap welke is afgedekt met witte lichtdoorlatende of transparante zeilen minimaal tot en met de bovenste steigerslag. De zeilen die daarbij gebruikt worden dienen door te lopen over de daaronder aan te brengen netten of zeilen. Niet afgedekte steigers kunnen structuurverschillen veroorzaken. Dit verschijnsel wordt nader toegelicht in het hoofdstuk ' Mortels '.

Aan de buitenzijde moet de steiger worden voorzien van lichtdoorlatende netten of zeilen om inwateren, beregenen of te snelle droging van de gevel te voorkomen. De netten resp. zeilen mogen pas dan worden verwijderd als de materialen volledig zijn uitgehard.

Bij langere werkonderbrekingen (week-end, vakantie) is het nodig het onvoltooide werk af te dekken teneinde de mogelijkheid van het indringen van regenwater te voorkomen.

Uitlopen van de goten moeten praktisch altijd omgelegd worden omdat de hemelwaterafvoeren tijdens de werkzaamheden veelal niet aanwezig zijn. Voorkomen moet worden dat regenwater de nog niet verharde pleister of wapeningsmortel wegwast.

16.3.4 Doorwerkvoorzieningen

Met doorwerkvoorzieningen wordt het mogelijk ook tijdens ongunstige weersomstandigheden gevelisolatie aan te brengen. Te denken valt aan het voorzien van de gehele steiger van (isolerende) zeilen. Voor de aanvoer van personeel en materialen dienen dan doorvoersluizen gecreëerd te worden. De werkruimte kan daarna verwarmd worden evt. met blowers. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan een gelijkmatige verwarming. Anders ontstaat het risico voor kleurverschillen en scheurvorming. Bij nieuwbouw kan het stoken van de verwarming van het goed ingepakte gebouw, met open ramen, een oplossing bieden.

Vaak worden doorwerkvoorzieningen niet getroffen uit kostenoverwegingen. Daarbij worden de financiële voordelen van doorwerkvoorzieningen vaak onderkend. Deze worden gerealiseerd doordat er een hogere bouwsnelheid ontstaat omdat er:

  • kortere intervallen ontstaan omdat de verschillende lagen sneller verharden en daardoor sneller na elkaar kunnen worden aangebracht
  • een hogere produktiviteit geleverd kan worden
  • minder regen-, wind- en vorstverlet is
  • geen vorstschade ontstaat

Door de hogere bouwsnelheid ontstaan kostenbesparingen:

  • door korter en soms minder steigerinzet
  • door vermindering van de bouwrente en/of huurderving
  • door meer produktie bij dezelfde loonkosten

Gedetailleerde berekeningen kunnen vaak aantonen dat doorwerkvoorzieningen besparingen opleveren. Dit komt ten goede aan de opdrachtgever, bouwkundig aannemer en het stukadoorsbedrijf. Deze dienen dan ook de kosten te delen.

Een belangrijk risico is het weer. De ingepakte steiger is veelal tegen een stevige storm niet bestand. Hiertegen zijn verzekeringen af te sluiten.

16.3.5 Opslag 

Ook voor de veiligheid dient erop gelet te worden dat de isolatieplaten dusdanig zijn opgeslagen dat deze niet kunnen wegwaaien bij hevige wind. In de BRL wordt geëist dat alle systeemcomponenten vochtvrij opgeslagen worden. De opslag van (zeker pasteuze) mortels dient droog en vorstvrij te geschieden. De meeste pasteuze mortels zijn na bevriezing niet meer te gebruiken. Mortels en isolatieplaten zijn daarnaast diefstalgevoelig. Een afsluitbare vorstvrije opslagruimte is daarom een noodzaak. De grootte en plaats(en) ervan dienen te worden vastgesteld in overleg met het stukadoorsbedrijf.

16.4 Randvoorwaarden voor het aanbrengen van gevelisolatie

Het is niet mogelijk om onder alle condities in alle situaties gevels zonder meer van gevelisolatie te voorzien. In bepaalde gevallen zal het noodzakelijk zijn om vooraf min of meer ingrijpende (bouwkundige) voorzieningen te treffen.

16.5 Ondergrondbeoordeling

Een grondige beoordeling van de ondergrond voorkomt discussies achteraf. Goed en tijdig overleg bespaart kosten.

Elk te isoleren object moet derhalve vooraf nauwgezet aan een kritische inspectie worden onderworpen, waarbij met name de in dit hoofdstuk genoemde aspecten moeten worden beschouwd. Eventuele bedenkingen die tegen het aanbrengen van gevelisolatie kunnen worden aangevoerd, dienen vooraf schriftelijk aan de opdrachtgever te worden medegedeeld. Dit geldt met name voor de ondergrond waarop het systeem dient te worden aangebracht.

16.5.1 Verschillende ondergronden in één vlak

Wanneer er sprake is van verschillende ondergronden moet vooraf nauwkeurig worden aangegeven wat de aanvullende eisen zijn met betrekking tot de bevestiging van het systeem op die ondergrond met een specificatie van de locaties waarop een en ander betrekking heeft.

16.5.2 Vlakheid van de ondergrond

Zo dient men zich te realiseren dat gevelisolatiesystemen niet ontwikkeld zijn om scheve muren recht te maken resp. grote oneffenheden aan het gezicht te onttrekken of andere bouwkundige gebreken te verdoezelen.

16.5.3 Oneffenheden

Op gevelvlakkengrijs waarin oneffenheden voorkomen die groter zijn dan 10 mm/m1, mag het systeem pas worden aangebracht nadat deze oneffenheden zijn weggewerkt. Plaatselijke, voorspringende oneffenheden van de gevel moeten eerst worden weggebikt en terugliggende gedeelten moeten worden uitgevlakt met een daartoe geëigende mortel. Pas nadat de beraping voldoende is doorgehard mag met het aanbrengen van het systeem worden begonnen.

Zorgvuldigheid in de uitvoering door de bouwkundig aannemer kan zeker hier onnodige meerkosten voorkomen. Speciebaarden, die eenvoudig voorkomen kunnen worden, kosten later geld! Vanwege de vereiste vlakheid van de ondergrond, is ook het metselen van binnen uit, af te raden. Bij het stellen van een ondergrond in de nieuwbouw dient erop gelet te worden dat door het gevelvlak stekende delen (bijv. betonbalken) moeten worden weggekapt of dat daardoor plaatselijk de isolatieplaat moet worden ingekeept. Terugliggende vloeren of balken verdienen dan de voorkeur. Geheel vlak is uiteraard het beste.

16.5.4 Waterdichtheid

Tenslotte moet men er in het bijzonder op attent zijn dat de onderconstructie waarop het systeem wordt aangebracht 'slagwaterdicht' is. Het gevelisolatiesysteem is een gevelbekledingssysteem en mag niet worden gebruikt als geveldichtingssysteem'.

De gevels zelf, en de aansluitingen van de gevel met andere constructiedelen zoals bijv. kozijnen, moeten waterdicht zijn. Het afgestukadoorde isolatiepakket is praktisch nooit de oorzaak van vochtdoorslag. De aansluitingen zijn 'de zwakke schakel'.

Vaak wordt over het hoofd gezien dat, als er door een uitvoerings- of detailleringsfout, vocht achter de isolatieplaat komt, dit vocht naar beneden kan zakken. Het kan dan voorkomen dat dit vocht, bijv. enkele verdiepingen lager, lekkages rond de kozijnen veroorzaakt. Onder invloed van de wind en de windrichting kan de luchtdruk in de woning lager zijn dan buiten! Daardoor kan het vocht als het ware het gebouw ingezogen worden. Het is daarom van het allergrootste belang dat kozijnen goed afgedicht in de gevel zijn geplaatst. Hiertoe kan een strook was- of bitumenband over de (afgepurde) naad tussen kozijn en muur geplakt te worden. Om de hechting van de platen niet te verstoren mag het wasband op kritische plaatsen ook weer niet te breed zijn, bijv. in neggen. Ook is speciale aandacht noodzakelijk voor het aanbrengen van het wasband rond ankers waarmee kozijnen bevestigd kunnen zijn. PUR-schuim alleen is zeker niet voldoende. Het afdichten van kozijnen behoort normaliter niet tot het werk van de stukadoor.

16.5.5 Spanningsvrije en stabiele aansluitingen

De in het systeem op te nemen of door te voeren (ge)bouwdelen dienen spanningsvrij te worden uitgevoerd. Deze mogen geen extra krachten uitoefenen op het systeem en dienen zelfstandig te worden gefixeerd. De aansluiting van de kozijnen e.d. dient zodanig te worden uitgevoerd dat er sprake is van een stabiele bevestiging, ook zonder de nog aan te brengen gevelisolatie.

16.5.6 Gekromde gevelvlakkengrijs

Uiteraard kan het gevelisolatiesysteem niet zonder meer op gebogen gevelgedeelten worden aangebracht. Bij 'lichte' krommingen kan dikwijls worden volstaan met het inkepen van de isolatie of, in andere gevallen met het 'verticaal' plaatsen van de isolatieplaten. De inkepingen (zaagsneden om de kromming te kunnen realiseren) zijn echter alleen toegestaan als deze zich aan die zijde van de plaat bevinden, die op de ondergrond wordt gelijmd. Wanneer sprake is van sterkere krommingen, en de platen ook na inkeping niet zonder beschadigingen kunnen worden gemonteerd, zullen vormstukken moeten worden toegepast. De speciaal te vervaardigen vormstukken moeten in dat geval uiteraard voldoen aan de eisen die aan de overige in het werk toegepaste isolatieplaten zijn gesteld. Indien isolatieplaten op een gekromde ondergrond bevestigd worden, moet direct tijdens het aanbrengen door middel van pluggen een additionele mechanische bevestiging worden gerealiseerd.

Het toepassen van vormstukken vereist een goede inmeting van de gevel. De kromming dient daarbij niet teveel afwijkingen te hebben. Vormstukken hebben een lange levertijd en zijn kostbaar. Daarom worden vormstukken niet vaak toegepast. Bij polystyreen wordt vaak gewerkt met smallere stroken plaatmateriaal. Openstaande V-vormige naden worden afgepurd. Bij cellulair glas worden de platen in segmenten verlijmd en daarna geschuurd. Bij steenwol worden in dit geval vaak lamellenplaten gebruikt die een redelijke flexabiliteit hebben. Het is raadzaam bij gekromde gevelvlakkengrijs met de betreffende systeemhouder overleg te plegen.

16.5.7 Vochtschade

Gevels waarop de gevolgen van vochtschade worden waargenomen mogen niet zonder meer van een gevelisolatiesysteem worden voorzien. Aanbevolen wordt om hieromtrent een onafhankelijke deskundige de situatie ter plaatse te laten beoordelen. In bepaalde situaties (bijv. bij optrekkend vocht) zijn, alvorens tot het aanbrengen van een systeem mag worden overgegaan, min of meer ingrijpende bouwkundige maatregelen nodig om vooraf de oorzaken van vochtschade te elimineren.

16.5.8 Scheuren

In de meeste gevallen kunnen gevels met smalle scheuren zonder speciale voorzorgsmaatregelen van een gevelisolatiesysteem worden voorzien. Indien men met zeer brede scheuren in de gevel wordt geconfronteerd raadplege men een onafhankelijke deskundige. Hetzelfde geldt voor scheuren waarvan het vermoeden bestaat dat zij nog zullen 'bewegen' (bijv. door zetting). Afhankelijk van het verloop en de aard van de scheuren, moeten zonodig dilatatievoegen worden aangebracht. Scheuren die het gevolg zijn van een verschillend thermisch gedrag van de ondergrond kunnen in het algemeen zonder meer door het systeem worden overbrugd daar de thermische werking van de ondergrond permanent gereduceerd wordt.

16.5.9 Gebrekkig voegwerk

Voegwerk behoeft niet eerst te worden hersteld. Beschadigingen van grotere omvang moeten echter vooraf met een geëigend reparatiemateriaal worden gevuld en uitgevlakt.

16.5.10 Geverfde gevels

Bij geverfde gevels raadplege men, indien een gelijmd systeem wordt toegepast, altijd de leverancier van het systeem in verband met de hechting van het systeem op betreffende verf. Beschadigde, slecht hechtende of bladderende verflagen moeten volledig worden verwijderd.

16.5.11 Gepleisterde gevels

Gevels waarvan het pleisterwerk los zit, brokkelig is geworden of zacht is, zijn niet geschikt als ondergrond voor een gelijmd gevelisolatiesysteem. Wanneer gelijmde systemen toch op deze ondergrond moeten worden bevestigd, is het noodzakelijk om aanvullende mechanische bevestigingsmiddelen toe te passen.

Hiermee worden pluggen bedoeld. Bij gepleisterde gevels kan nader onderzoek naar de hechtkracht gewenst zijn.

16.5.12 Metalen voorwerpen in en aan de gevel

De metalen voorwerpen (bijv. blootliggend wapeningsstaal) die in het systeem worden opgenomen moeten roestwerend worden behandeld.

Daartoe moeten ze stofvrij worden gemaakt en evt. in meerdere lagen behandeld worden.

16.5.13 Gevels met niet- of sterk zuigend oppervlakte

Op gevels van materialen met een niet-zuigend oppervlak (bijv. geglazuurde baksteen, verblendsteen, tegel- of mozaïekwerk etc.) mag een gelijmd systeem niet zonder meer worden aangebracht. Hetzelfde geldt voor gevels met een sterk dampremmende huid (dichte verfsystemen, dicht buitenpleisterwerk, etc.) of die voorzien zijn van waterafstotende middelen. Tevens dient men attent te zijn op gevels die opgebouwd zijn uit materialen met een zeer sterk zuigend karakter. Men raadplege in die gevallen vooraf de systeemhouder inzake de hechting van het systeem op dergelijke ondergronden en de noodzakelijke voorbehandeling daarvan.

16.5.14 Natte gevels

Het is niet toelaatbaar om het systeem aan te brengen op gevelvlakkengrijs die te nat zijn. In dat verband kan men bijvoorbeeld denken aan woningen of gebouwen die langdurig leeg hebben gestaan en die zich als gevolg daarvan in een slechte staat van onderhoud bevinden (lekkende dakgoten, hemelwaterafvoeren etc.) Maar ook in de nieuwbouw is het van belang dat men voor aanvang van de werkzaamheden aandacht schenkt aan de vochtigheid van de ondergrond. Voor een goed eindresultaat wordt het noodzakelijk geacht dat de ondergrond ten minste 'winddroog' is.

16.5.15 Gevels hoger dan 10 m¹

Gelijmde systemen moeten op gevels hoger dan 10 m¹ additioneel worden voorzien van pluggen. De pluggen moeten in elk geval worden aangebracht op het geveldeel dat zich boven de 10 m¹ boven maaiveld bevindt.

Dit artikel uit de BRL is vaak onderwerp van discussie, zeker als buitenlandse fabrikanten daarbij betrokken worden. In de ons omringende landen gelden nl. andere eisen.

16.5.16 Dilataties

Bouwkundige dilataties in de onderconstructie waarop het gevelisolatiesysteem wordt aangebracht moeten consequent in het systeem worden doorgezet. Wanneer in lange en/of hoge doorlopende gevels geen dilataties voorkomen, respectievelijk waar dat om constructieve redenen noodzakelijk is (bijv. bij de overgang op andersoortige bouwmaterialen), moet door de systeemhouder worden aangegeven of dilateren al dan niet noodzakelijk is.

Buiten bouwkundige dilataties behoeven systemen, behalve als die met tegels afgewerkt worden, dus niet gedilateerd te worden. Tenzij door de systeemhouder anders voorgeschreven. Dit kan soms bij zeer grote vlakkengrijs voorkomen.

16.5.17 Geveldoorbrekingen

Aan ventilatie-, afvoerkanalen en andere openingen in de gevel (bijv. doorvoeren van gevelkachels, wasemkappen, ventilatoren, etc.) dient de nodige aandacht te worden besteed. Buitenroosters van geveldoorvoeren moeten eerst worden gedemonteerd; de doorvoeren moeten na verlenging aan de buitenzijde van het systeem aansluiten, waarna de buitenroosters wederom kunnen worden gemonteerd. Daarbij moet worden gezorgd voor een goede afdichting rondom (bijv. met een cellenband of een voegvullingsmassa die het isolatiemateriaal niet aantast). Bij systemen op basis van polystyreenplaten moeten afvoerkanalen van hete rookgassen altijd eerst rondom worden voorzien van een bekleding van een onbrandbaar isolatiemateriaal opdat het systeem nergens met de doorvoerbuis in aanraking kan komen. De breedte van de strook isolatiemateriaal moet in dat geval ten minste 50 mm bedragen met dezelfde dikte als die van de toegepaste isolatieplaten.

Hierbij valt op te merken dat de toegepaste afvoerkanalen aan de buitenzijde een aanzuigbuis voor buitenlucht (voor de verbranding) hebben. De rookgassen treden door een daarbinnen gelegen afvoerbuis naar buiten. In deze gevallen is de temperatuur van de buitenste buis dermate laag dat het niet nodig is deze rondom te voorzien van onbrandbaar isolatiemateriaal.

16.5.18 Plafonds

Indien isolatieplaten op plafonds bevestigd worden, moet direct tijdens het aanbrengen door middel van pluggen een additionele mechanische bevestiging worden gerealiseerd.

16.6 Ventilatie

Door toepassing van gevelisolatie in renovatie mag niet over het hoofd gezien worden dat de oorspronkelijke ventilatie van vloeren en daken minstens gehandhaafd moeten blijven. In de BRL is hierover het navolgende beschreven.

16.6.1 Kruipruimte

Er wordt op gewezen dat ook in die gevallen waar oorspronkelijk géén of onvoldoende/gebrekkige ventilatievoorzieningen voor de kruipruimte aanwezig waren, deze wel dienen te worden aangebracht, ongeacht of het een houten of een steenachtige vloer betreft. De ventilatie van de kruipruimte mag door het aanbrengen van het gevelisolatiesysteem niet worden geblokkeerd. In sommige gevallen kunnen reeds bestaande ventilatievoorzieningen, eventueel na het treffen van de nodige maatregelen, worden gehandhaafd. Daar waar dit niet mogelijk is dienen vervangende ventilatievoorzieningen te worden gerealiseerd. Hierbij moet worden gelet op het aantal (ventilerend oppervlak) en de verdeling (plaats) over de daarvoor in aanmerking komende gevelvlakkengrijs. Extra aandacht moet worden besteed aan woningen die uit meer dan één beuk bestaan, waarbij dezelfde 'beukenverdeling' ook voorkomt in de funderingsbalken.

  • richtlijn voor houten vloerconstructies:

    Als richtlijn voor de omvang van de aan te brengen ventilatievoorzieningen geldt voor houten vloerconstructies NEN 3253 (indien de roosters worden aangebracht in twee tegenover elkaar liggende buitenmuren, moet de gezamenlijke vrije doorlaatopening in elke buitenmuur 400 mm² per m² vloeroppervlak bedragen). De onderzijde van de ventilatie-openingen mogen niet lager dan 100 mm boven het maaiveld liggen om toevallige afsluiting, door bijv. bladeren en planten, te voorkomen. Zij moeten worden afgeschermd met 'muisdichte' roosters

    richtlijn voor steenachtige vloerconstructies:

    Ook bij steenachtige vloerconstructies moet voldoende ventilatie voor de kruipruimte tot stand worden gebracht. Hoewel hiervoor geen eenduidige richtlijn ten aanzien van de luchtdoorlaatopeningen bestaat, moet in dit verband ten minste worden gedacht aan openingen van in totaal 100 mm2 per m2 vloeroppervlak in elk van twee tegenover elkaar liggende gevelvlakkengrijs.

16.6.2 Daken 

Wanneer de dakspouw van platte daken wordt of moet worden geventileerd, mag door het aanbrengen van het gevelisolatiesysteem deze ventilatie niet worden geblokkeerd. In sommige gevallen kunnen reeds bestaande ventilatievoorzieningen, eventueel na het treffen van aanvullende voorzieningen, worden gehandhaafd, of moeten vervangende ventilatievoorzieningen conform NEN 3253 worden aangebracht.

16.7 Vochttoetreding van binnenuit bij gebouwen met een speciaal gebruik

In bijzondere situaties, waarbij met een zeer hoog vochtaanbod vanuit de binnenzijde rekening moet worden gehouden (bv. bij wasserij, textielfabriek, badhuis, overdekt zwembad, brouwerij, zuivelfabriek etc.) is het noodzakelijk om speciale maatregelen te treffen. In dergelijke gevallen raadplege men vooraf een onafhankelijke deskundige.

Dit is dus niet van toepassing bij normale woning- of utiliteitsbouw.

16.8 Overige te regelen zaken

Naast eerder genoemde zaken dient men nog te denken aan:

16.8.1 Planning

Gevelisolatie wordt meestal aangebracht in de laatste fase van de ruwbouw, nadat de kozijnen en bouwkundige voorzieningen, zijn aangebracht en alle 'natte binnenwerkzaamheden' zijn uitgevoerd. Na overleg met het stukadoorsbedrijf worden de produktie en de benodigde intervallen bekend.

Het verdient de voorkeur de isolatie in de grond òf vooraf, òf achteraf aan te brengen. Door de hierdoor ontstane betere bereikbaarheid kan het systeem dan met meer zorg aangebracht worden. Dit kan tevens stempelen en wegzakken van de steiger voorkomen.

16.8.2 Kleur en kleurafwijkingen

De kleurmogelijkheden die gevelisolatie biedt worden lang niet altijd benut. Het inschakelen van een kleuradviseur geeft vaak verrassende resultaten.

Donkere kleuren mogen niet altijd worden toegepast. De isolatie achter de mortellaag kan de warmte nl. niet afvoeren. Systeemhouders geven aan of een kleurkeuze correct is.

Aan kleurovergangen dient extra aandacht te worden besteed. Toepassen van stucstopprofielen vereenvoudigen de werkzaamheden maar zijn niet altijd noodzakelijk. Enkele systeemhouders raden af kleurvlakkengrijs te scheiden met stucstopprofielen.

Om conflicten achteraf te voorkomen is het raadzaam vast te leggen welke kleurafwijkingen wel en niet geaccepteerd worden. Zie ook de hoofdstukken 'Verwerking' en 'Mortels'.

16.8.3 Afplakken

Het al dan niet afplakken van het werk is vaak een keuze tussen de kosten van het afplakwerk en de kosten van het achteraf reinigen. Vooral bij krabpleisters dient rekening gehouden te worden met de afvoer van het krabsel. Bij balkons en stoepen wordt vaak afdekplastic aangebracht omdat anders het achteraf verwijderen van het krabsel, o.a. door het inlopen ervan, moeilijk en dus kostbaar is.

16.8.4 Waterslagen

Bij de maatvoering van waterslagen worden bij de bestelling regelmatig fouten gemaakt. Ondermeer de dikte van de pleister speelt daarbij een rol. Indien men met de maatvoering geen ervaring heeft, is het sterk aan te bevelen vooraf overleg te plegen met de systeemhouder of leverancier van de waterslagen. In de praktijk blijkt tevens dat waterslagen regelmatig te laat besteld worden.

Waterslagen kunnen geleverd worden met daarop aangebracht een krimpfolie. Dit folie kan na het stukadoorswerk verwijderd worden. Het afplakken van waterslagen in het werk is minder effectief.

17 Verwerking

In de BRL worden richtlijnen voor de verwerking gegeven. Dit gedeelte van de BRL is in dit handboek geheel overgenomen (tekst cursief), van commentaar voorzien en aangevuld.

17.1 Werkzaamheden ter voorbereiding van de isolatiewerkzaamheden

Voordat met het isoleren van een gevel kan worden begonnen moeten de noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden zijn voltooid. De werkzaamheden verschillen per project. Deze werkzaamheden komen ook in het voorgesprek aan de orde.

17.1.1 Het demonteren van voorwerpen bij renovatie

In elk geval moeten aan de gevel bevestigde voorwerpen eerst worden gedemonteerd. Na het verwijderen van de hemelwaterafvoeren zullen passende maatregelen getroffen moeten worden voor de tijdelijke afvoer van hemelwater, waarbij er zorgvuldig voor moet worden gewaakt dat regenwater niet in of achter het systeem kan terechtkomen.

In enkele gevallen moeten verwijderde elementen tijdelijk worden opgeslagen omdat deze (aangepast) later weer aan de gevel bevestigd dienen te worden. Zaken die in aanmerking kunnen komen voor verwijdering en/of aanpassing zijn: leidingen van elektra, telefoon, antennesysteem, bliksemafleiding, hemelwaterafvoer, balkonhekken, buitenzonwering, luifels, (rol)luiken, roosters, schuttingen, naamborden, adresplaten, gevelbeplating, boeiboorden, windveren, waterslagen, raamdorpelstenen, lekdorpels etc.

17.1.2 Aanwezige (elektrische) bedrading

Van eventueel aanwezige elektrische bedrading moet, voor zover het in de bedoeling ligt, dat zij na voltooiing van het werk haar functie wederom moet vervullen, de stroomtoevoer gedurende de uitvoering van het isolatiewerk uiteraard worden afgesloten. Eventuele overige op de gevel bevestigde bedrading (CAI, PTT e.d.) kan (echter slechts na overleg met de betreffende instanties) in het systeem worden opgenomen. Dit mag echter nimmer leiden tot een significante verzwakking van de thermische of mechanische eigenschappen van het systeem.

Bij een kabelgoot van beperkte omvang zal er (mede door het isolerende vermogen van lucht) niet snel sprake zijn van een ernstige inbreuk op de isolatie. Voor de stabiliteit van de mortel dient de isolatie op de koker minstens 20 mm dik te zijn. Hierbij verdient het de voorkeur een uitsparing in de isolatieplaat te maken. Indien deze uitsparing niet mogelijk is en er dus sprake is van een uitsparing opgebouwd uit verschillende isolatieplaten dient een extra weefselstrook over de volle lengte te worden aangebracht.

17.1.3 Het aanbrengen van dilatatieprofielen, dakaansluitingen, waterslagen en muurafdekkingen

Vaak worden er bij horizontale aansluitingen nieuwe profielen (lekdorpels, waterslagen, daktrimmen of muurafdekkingen o.d.) geplaatst.

Ter plaatse van dakaansluitingen en muurafdekkingen dienen de koppelingen van de gebruikte profielen onderling waterdicht te worden uitgevoerd met voldoende ruimte om de thermische uitzetting van de profielen op te kunnen vangen. Voorkomen moet worden dat vocht via de koppelingen achter het systeem kan komen. In dit verband is het van bijzonder belang dat dakaansluitingen, waterslagen, muurafdekkingen, e.d. zijn aangebracht voordat het systeem wordt gemonteerd.

Hierbij te letten op de aansluitingen. Dilatatieprofielen dienen te lood gesteld te worden en wel voor het aanbrengen van de platen. Indien om welke reden dan ook een aantal aansluitingen achteraf dienen te worden gemaakt dient erop gelet te worden dat deze werkzaamheden het systeem niet beschadigen. Bijv. daktrimmen in de directe omgeving van een stuclaag moeten dan geschroefd worden en niet genageld.

Bovengenoemde werkzaamheden behoren, m.u.v. het aanbrengen van het dilatatieprofiel niet tot de werkzaamheden van het stukadoorsbedrijf.

17.1.4 Voorbehandeling van de gevel

Het te isoleren geveloppervlak moet voor het aanbrengen van het systeem behalve winddroog ook schoon zijn. Bij gelijmde systemen moet de ondergrond ten minste met een harde borstel worden gereinigd. Eventueel aanwezige klimplanten moeten worden verwijderd c.q. gerooid. Mos en algengroei moeten worden verwijderd en de gevel moet worden behandeld met een algendodend preparaat en vervolgens grondig worden nagespoeld met schoon water. Stof en zoutuitslag moeten vooraf door afrossen met een staalborstel worden verwijderd, losse verflagen moeten worden geschrapt, vet- en olievlekken moeten worden verwijderd evenals - bij betongevels in nieuwbouwsituaties - restanten van het ontkistingsmiddel.

Altijd naspoelen met schoon water. Met chemicaliën behandelde gevelvlakkengrijs grondig reinigen.

17.1.5 Voorzieningen voor achteraf te bevestigen zaken

Daar waar, nadat de gevelisolatie is aangebracht, zonneschermen, waslijnen, bloembakken o.d. worden voorzien, kunnen houten klossen van voldoende afmeting ter dikte van de isolatie- en hechtmortellaag worden aangebracht.

17.2 Verpakking en opslag

De BRL meldt er het navolgende over:

17.2.1 Poedervormige materialen

Poedervormige materialen moeten, in de originele fabrieksverpakking, droog en vorstvrij worden opgeslagen. Aangebroken verpakkingen dienen goed gesloten en tegen vochtinwerking te worden beschermd.

Zolang de poedervormige mortels droog worden opgeslagen is de geëiste vorstvrije opslag niet noodzakelijk.

17.2.2 Vloeibare of pasteuze materialen

Vloeibare of pasteuze materialen moeten in waterdichte corrosievrije verpakking vorstvrij worden opgeslagen. Aangebroken verpakkingen moeten luchtdicht worden afgedekt.

17.2.3 Isolatieplaten

Isolatiemateriaal dient vochtvrij en beschermd tegen zonbestraling te worden opgeslagen. Uit de verpakking genomen zal het isolatiemateriaal op een schone ondergrond moeten worden geplaatst. Voor PS-schuimplaten geldt bovendien dat, naast hetgeen hieromtrent in NEN 7043 is geregeld, op het label in de verpakking de ouderdom van de platen aangegeven moet worden.

17.2.4 Wapeningsweefsel en stucprofielen

Wapeningsweefsel en stucprofielen dienen beschermd te worden tegen de inwerking van vocht. Stucprofielen dienen zodanig opgeslagen te worden dat zij niet door ruwe hantering gedeformeerd worden. Gedeformeerde stucprofielen mogen niet in het systeem worden verwerkt.

17.3 Vochtigheidsmeting

Het gelijmde systeem mag niet worden aangebracht op een ondergrond met een hogere vochtigheid dan 3 vol. %. Wanneer men niet beschikt over de hiertoe benodigde meetapparatuur kan controle op de volgende wijze plaatsvinden:

  • bevestig op de te behandelen wandvlakkengrijs stukken polyethyleenfolie door middel van plakband in een afmeting van 400 mm x 400 mm;
  • dek deze plaatsen af met een 60 mm PS-schuimplaat;
  • na circa 48 uur de PS-plaat en de folie verwijderen;
  • bevindt zich vocht op de achterzijde van het folie dan kan geen aanvang worden genomen met de applicatie.

Deze controle moet in 'nieuwbouw-situaties' plaatsvinden voor aanvang van het werk wanneer het systeem wordt aangebracht. Bij naisolatiewerkzaamheden moet dit gebeuren wanneer terzake van de vochtigheid van de ondergrond twijfels bestaan.

Deze vochtigheidsmeting wordt in de praktijk bijna niet uitgevoerd. In de in 1999 gewijzigde BRL is hij dan ook niet meer terug te vinden. Er bestaat daarnaast twijfel aan de juistheid van de genoemde 3 %. Veelal wordt uitgegaan van een 'winddroge' gevel. Vocht in de gevel is niet bezwwarlijk, indien het te beplakken vlak 'winddroog' en/of het vocht via de binnenzijde kan verdampen.

17.4 Wanneer begonnen mag worden met de isolatiewerkzaamheden

Het is van het grootste belang dat alle relevante bouwkundige voorzieningen gereed zijn voordat de gevelisolatie wordt aangebracht c.q. met het plakken van de isolatieplaten wordt begonnen. In het bijzonder dient men erop attent te zijn dat:

- eventueel optrekkend vocht door een horizontale waterkering wordt tegengehouden;

  • het dak is afgedicht en er adequate maatregelen zijn genomen om hemelwater van de gevel af te leiden;
  • de raam- en deurkozijnen zijn geplaatst en de waterslagen zijn aangebracht en het geheel is afgedicht.

17.5 Weersomstandigheden

Het is ontoelaatbaar om een gevelisolatiesysteem aan te brengen bij weersomstandigheden die een goed eindresultaat dubieus maken. Om die reden dient de systeemhouder de hieronder aangegeven informatie te verstrekken met betrekking tot de weersomstandigheden waarbij het systeem mag worden verwerkt resp. waarbij de componenten mogen uitharden:

  • hoogst toelaatbare luchttemperatuur (° C)
  • laagst toelaatbare luchttemperatuur (° C)

beiden in relatie tot de toegestane maximale relatieve luchtvochtigheid.

Voor het meten van de temperaturen is het gebruik van een minimum-maximum thermometer op het werk aan te raden. Over weersomstandigheden is ook informatie aan te treffen in de hoofdstukken ' Mortels ' en ' Werkvoorbereiding '.

17.6 Het aanbrengen van de isolatieplaten

17.6.1 Consequenties de randprofilering van polystyreenplaten

Stompe platen worden koud (oftewel zonder een vulmateriaal in de naad) tegen elkaar aangeschoven. Bij stompe platen is het moeilijker een vlakke isolatielaag te realiseren. Oneffenheden moeten met een schuurbord (of mechanisch met een speciale schuurmachine) weg worden geschuurd. Dit laatste is niet mogelijk bij geëxtrudeerd polystyreen.

Door een randprofiel sluit het oppervlak van naast elkaar liggende platen op elkaar aan, en geven daardoor een vlakker (te stukadoren) oppervlak. Aan de verlijming van deze platen op gevels met grove oneffenheden moet wel extra aandacht worden besteed. Omdat de plaats van de plaat door het randprofiel bepaald wordt, moet erop gelet worden dat er een lijmlaag van voldoende dikte is aangebracht.

17.6.2 Aanmaak van mortel

De mortel moet volgens voorschrift van de systeemhouder worden aangemaakt in een schone speciekuip van niet-corrosief materiaal. De aangemaakte mortel moet worden verwerkt binnen de tijd die hiervoor door de systeemhouder is aangegeven.

17.6.3 Passtroken

Isolatieplaten moeten zoveel mogelijk in hun geheel worden verwerkt, behalve daar waar zij, als gevolg van bouwkundige details van de gevel, tot passtukken moeten worden verzaagd of versneden. In die gevallen moet er voor worden gezorgd dat een strakke zaaglijn verkregen wordt. In principe mogen geen kleinere passtukken worden gebruikt dan stroken van tenminste 150 mm. In geen geval mogen deze passtroken structureel over de gevel verdeeld worden toegepast. Afgebrokkelde of anderszins beschadigde platen mogen niet worden verwerkt.

17.6.4 Het maaiveld

Indien een waterbestendige isolatieplaat wordt toegepast hoeft het wapeningsweefsel niet aan de onderzijde te worden omgezet. Wel blijft het dan vereist dat de isolatieplaat aan de onderzijde over de gehele lengte volledig is verlijmd. Zie over dit onderwerp ook hoofdstuk 'Systeemopbouw'.

17.6.5 De onderste rij isolatieplaten op een stellat of een sokkelprofiel

Het aanbrengen van de onderste rij platen van het systeem op het te isoleren gevelvlak moet nauwkeurig en waterpas geschieden. Men gebruike hiertoe een sokkelprofiel, dan wel een stellat. De stellat dient als hulpmiddel en moet na het aanbrengen van het systeem worden verwijderd. Indien een sokkelprofiel moet worden toegepast zal dit in het bestek of advies omschreven dienen te zijn. Bij gebruik van sokkelprofielen op geveldelen boven aanbouwen e.d. moet men attent zijn op het gevaar van spanningscorrosie wanneer de sokkelprofielen op een loodslabbe worden gemonteerd.

De sokkelprofielen bevestigen met slagschroeven.

Bij de aansluiting van de gevel met gallerijvloeren, balkonvloeren etc. onder het sokkelprofiel loden of kunststof slabben aanbrengen. Deze kunnen bevestigd worden met knelprofielen, waardoor de slabben eenvoudig te vervangen zijn.

17.6.6 Het op maat maken

Polystyreen en cellulair glasplaten worden veelal met een fijne handzaag op maat gesneden. Het pasmaken van steenwolplaten dient te geschieden met een scherp mes en niet door zagen, scheuren of een andere methode.

Een speciaal snijapparaat geeft minder afval en strakkere aansluitingen. De meest gebruikte snijapparaten voor polystyreenplaten werken met een gloeidraad die door de polystyreen smelt. Er zijn ook snijapparaten die voor zowel polystyreen als steenwol geschikt zijn. De snijdraad maakt daarbij een licht zagende beweging.

17.6.7 De hechtmortel

De isolatieplaten dienen volgens voorschrift van de systeemhouder van hechtmortel te worden voorzien zodanig dat een voldoende hechtoppervlak ontstaat. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de kamspaan voor het 'volvlak' verlijmen van de plaat hetgeen in de meeste gevallen gebeurt bij gevelvlakkengrijs met weinig oneffenheden. Wanneer niet voor de volvlak lijmmethode gekozen wordt moet men in ieder geval de randen (en hoeken) van het plaatoppervlak zorgvuldig van hechtmortel voorzien en moeten tevens in het 'hart' van de plaat meerdere rillen of moppen worden aangebracht zodat een evenwichtig verdeeld 'draagvlak' wordt verkregen. Een en ander is te controleren door direct na plaatsing de isolatieplaat los te trekken van de ondergrond teneinde de hechtmortelverdeling te inspecteren.

In tegenstelling tot andere systemen wordt de cellulair glasplaat met een bitumineuze koude kleefstof verlijmd.

Bij isolatieplaten van cellulair glas worden eerst de stofresten van de platen verwijderd. Vervolgens worden de platen volgens voorschrift van de systeemhouder van hechtmateriaal voorzien. Deze platen worden dan met een licht draaiende beweging zo dicht mogelijk tegen de reeds geplaatste platen geschoven.

In bepaalde gevallen worden de plaatnaden ook van kleefstof voorzien.

Indien gevelisolatie incidenteel wordt aangebracht op een niet-steenachtige ondergrond o.d. dient de verlijming geschieden volgens voorschriften van de systeemhouder. Te denken aan het aanbrengen van gevelisolatie op een gedeelte van een pui. Isolatie wordt bij voorkeur niet op houten ondergronden aangebracht. In deze gevallen genieten cementgebonden plaatmaterialen de voorkeur, echter het blijft in strijd met de BRL. Bij toepassing van cementgebonden houtvezelplaten dienen de verwerkingsvoorschriften bijvoorbeeld m.b.t. tot het vastschroeven en droge opslag zeer strikt nageleefd te worden om schade te voorkomen.

17.6.8 Het plakken

De isolatieplaten moeten strak tegen elkaar aansluiten. Er moet echter zorgvuldig voor worden gewaakt dat er geen mortel in de naden tussen de isolatieplaten raakt. Voor het aandrukken van de platen kan men het beste een schoon schuurbord gebruiken. Met een rei moet regelmatig worden gecontroleerd of de platen ook in één vlak liggen. Op deze wijze moeten, van onderen af in horizontale rijen naar boven toe werkend, de isolatieplaten systematisch op het gevelvlak worden aangebracht.

Over de aansluiting van platen tegen kozijnen e.d. wordt elders in dit hoofdstuk beschreven.

17.6.9 Het 'verband'

De isolatieplaten moeten op het gevelvlak horizontaal en in 'verband' worden aangebracht. In de BRL 1999 is op dit punt een wijziging doorgevoerd. De platen mogen nu ook verticaal in 'verband' worden aangebracht. Hierbij moeten zij tenminste 150 mm verspringen. Op gebouwhoeken (uitgezonderd neggekanten kleiner dan 250 mm) moeten de platen in verband worden gemonteerd. In uitzonderlijke gevallen, bijv. om geen kleine passtukken te hoeven gebruiken, mogen de platen verticaal worden gemonteerd. Bij isolatieplaten van cellulair glas worden afhankelijk van de gekozen lijmsoort (een al dan niet elastisch blijvende lijm) de platen in verband aangebracht of met doorlopende voegen.

Te denken aan uitwendige hoeken. Het beschrevene over cellulair glas heeft betrekking op hoeken.

17.6.10 Plaatnaden bij scheuren, dilataties en ongelijksoortige ondergrond

Boven scheuren in de gevel mogen geen plaatnaden komen. In die gevallen moeten de platen de scheur steeds tenminste 100 mm overlappen. Ook bij de overgang van ongelijksoortige bouwmaterialen als ondergrond mogen de plaatnaden niet samenvallen met die overgangen. Bij constructieve dilataties in de gevel moet er op gelet worden dat deze niet worden bedekt met het systeem. De platen moeten daar zodanig worden aangebracht dat de dilataties altijd in het systeem kunnen worden doorgezet. In die gevallen moet ook het sokkelprofiel worden onderbroken.

Overgangen van materialen mogen niet samenvallen met plaatnaden. Dit is uiteraard alleen het geval bij die materialen die in één vlak liggen.

17.6.11 Plaatnaden bij gevelopeningen, neggen en hoeken

Plaatnaden mogen bij voorkeur ook niet samenvallen met hoeken van gevelopeningen zoals ramen en deuren. Zo mogelijk moeten platen bij die hoeken uit een volledige plaat gezaagd worden. Bij raamopeningen moeten in de neggekanten passtroken worden geplaatst in een dikte zoals voorgeschreven is in het bestek of advies. Het verdient echter aanbeveling om zo mogelijk dezelfde dikte aan te houden als ter plaatse van de gevelvlakkengrijs. Indien in het bestek of advies hieromtrent niets vermeld wordt dan passtroken van ten minste 10 mm dik toepassen.

Hierbij te letten op de stabiliteit van de plaat. Bij cellulair glas wordt in deze gevallen een dikkere plaat geleverd die tot de gewenste dikte kan worden geschuurd of gezaagd.

17.6.12 Reparatie van beschadigde platen

In het geval dat reeds aangebrachte isolatieplaten zijn beschadigd (deuken, gaten) moet het beschadigde deel zorgvuldig met een scherp mes tot aan de ondergrond worden uitgesneden, waarna de ontstane opening met een passtuk van hetzelfde isolatiemateriaal, dat op de ondergrond moet worden gelijmd, kan worden opgevuld.

17.6.13 PUR-schuim

Kleine naden en openingen, bijv. bij aansluitingen, kunnen eventueel met één-componenten polyurethaanschuim worden gedicht. Het aanbrengen van het schuim mag ten vroegste 48 uur na het lijmen van de platen geschieden. Het opvullen van gaten en deuken met hechtmortel of wapeningsmortel is niet toelaatbaar.

De reden dat het schuim pas later mag worden aangebracht is dat, door de uitzetting van het schuim, de platen kunnen worden weggedrukt. Naden tussen cellulair glasplaten kunnen met de bitumineuze kleefstof worden gedicht waarmee ze verlijmd worden. Dit is onder normale omstandigheden (tot klimaatklasse IV) overigens niet noodzakelijk.

17.6.14 Het vlakschuren

Eventuele ongelijkheden in de plaatoppervlakkengrijs en bijv. op hoeken moeten met een schuurbord worden geëgaliseerd.

Bij cellulair glas afgewerkt met een dispersiegebonden pleister is dit schuren altijd een onderdeel van het aanbrengen. Na het schuren dienen de losse stofdeeltjes te worden verwijderd. Meestal wordt de gevel daartoe met lucht schoongespoten of geborsteld.

17.6.15 Vlakheidsafwijkingen in de isolatielaag

Vlakheidsafwijkingen in de isolatielaag zijn veelal het gevolg van een niet vlakke ondergrond. In het vorige hoofdstuk zijn hierover waarden gegeven. Indien er sprake is van kleine vlakheidsafwijkingen in de isolatielaag, dan kunnen deze opgevangen worden door het vlakschuren van platen.

17.7 Pluggen

17.7.1 Wanneer noodzakelijk

Bij gelijmde systemen is het in bepaalde gevallen noodzakelijk dat de platen naast verlijming als extra zekerheid, met additionele middelen worden gefixeerd. Voorts is, naast verlijming, additionele mechanische bevestiging noodzakelijk op ondergronden die als onvoldoende draagkrachtig en daarom als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Als zodanig zijn te noemen gevels die voorzien zijn van (loszittende) mortellagen of geschilderde gevels, ook wanneer het verfsysteem nog intact is. Voor het aanbrengen van de isolatieplaten moeten de losse delen worden verwijderd. Bij gekromde gevelvlakkengrijs en tegen de onderkant van plafonds moet in ieder geval aanvullend mechanisch worden bevestigd. Op hoogtes boven de 10 m¹ boven het maaiveld moet het systeem altijd aanvullend mechanisch worden bevestigd. In de BRL 1999 is de eis van 10 meter komen te vervallen. Bij grote hoogtes moet wel worden aangetoond of zonder pluggen voldoende trekkracht aanwezig is om af te zien van pluggen.

In algemene zin kan gesteld worden dat er (te) vaak, onnodig pluggen worden voorgeschreven en dat dit ook nadelen kan hebben.

Omdat de vezels van de steenwol lamellenplaten loodrecht op de gevel staan heeft de plaat een grotere trekkracht en hebben pluggen geen effect. Bij hoge trekkrachten aan de plaat zal de plug nl. door de plaat getrokken worden. Soms wordt bij deze plaat geadviseerd de plug na het aanbrengen van de (verse) wapeningslaag aan te brengen. Bij hoge trekkrachten is het vaak verstandiger normale platen toe te passen. Zelfs dan kan het voorkomen dat geadviseerd wordt de plug aan te brengen nadat het wapeningsweefsel is aangebracht.

Bij cellulair glasplaten moeten de pluggen altijd na het aanbrengen van de wapeningslaag worden aangebracht.

17.7.2 Welke

Hiervoor moeten pluggen worden gebruikt in een aantal en op een manier zoals dit door de systeemhouder wordt aangegeven en/of in het bestek c.q. advies is omschreven. De lengte van de pluggen moet zodanig worden gekozen dat zij ten minste 30 mm in de draagkrachtige ondergrond zijn verankerd.

17.7.3 Hoe

De geplaatste pluggen moeten zo ver worden ingeslagen dat zij in geen geval buiten het vlak van de isolatieplaten uitsteken. Men zij er echter ook op attent dat de pluggen niet te diep in de plaat geslagen worden waardoor daar ter plaatse te dikke mortellagen ontstaan.

17.7.4 Tijdstip

Ten aanzien van het tijdstip van aanbrengen van de pluggen dient men zich nauwkeurig te houden aan hetgeen de systeemhouder heeft voorgeschreven. Veelal is het mogelijk of wenselijk (bijv. bij horizontale plaatsing) de pluggen direct na het lijmen van de platen aan te brengen. Wanneer dit niet mogelijk of gewenst is moeten de pluggen worden aangebracht op een zodanig tijdstip dat de hechtmortel volledig is uitgehard.

In andere gevallen kan de plug het verhardingsproces verstoren en/of scheurvorming in de hechtmortel veroorzaken.

17.8 De wapeningslaag

17.8.1 Wanneer

Ten minste 48 uur en ten hoogste zes weken na plaatsing van de isolatieplaten en de hoekprofielen, moet op de aangebrachte platen een gelijkmatige dikke laag worden aangebracht van de wapeningsmortel, die volgens voorschrift van de systeemhouder is aangemaakt. Indien - bijv. als gevolg van onwerkbaar weer - de tijd tussen het aanbrengen van platen en het aanbrengen van de wapeningsmortel langer duurt dan 6 weken, moet het oppervlak van de platen volgens voorschrift van de systeemhouder worden behandeld alvorens de wapeningsmortel wordt aangebracht. Dit omdat anders UV-licht de oppervlakte van de polystyreenlaag enigszins aantast.

Bij steenwolplaten moeten deze in dit geval van stof worden ontdaan.

De wapeningslaag moet op een droge isolatielaag worden aangebracht. Vocht dat onder deze laag wordt opgesloten kan achteraf, bij hogere temperaturen, blazen veroorzaken bij afwerkingen die een hoge dampdichtheid hebben. Dit is vooral belangrijk bij systemen op basis van cellulair glas afgewerkt met een dispersiegebonden pleister. Dit omdat het vocht zich in de open cellen aan het oppervlak van de cellulair glasplaat kan bevinden en omdat de afwerking zeer dampdicht is.

17.8.2 Het wapeningsweefsel

In de nog natte mortellaag moet het wapeningsweefsel zodanig worden ingebed dat het overal en zonder plooien geheel in de mortel is opgenomen. De afzonderlijke banen moeten elkaar ten minste 100 mm overlappen. Aan het verbruik van de wapeningsmortel per m², zoals dat door de systeemhouder is opgegeven, moet nauwkeurig de hand worden gehouden. Het is van het grootste belang dat het wapeningsweefsel volledig in de wapeningsmortel is opgenomen. Voorts mag het wapeningsweefsel nergens met de isolatieplaten in direct contact staan. Wapeningsweefsel van glasvezels mogen ook nergens buiten de mortellaag steken, omdat uitstekende glasvezels langs hun oppervlak vocht in de mortel kunnen geleiden.

Aan de voorgeschreven dikte van de wapeningslaag dient streng de hand gehouden te worden.

17.8.3 Extra stroken bij geveldoorbrekingen

Ter voorkoming van scheuren, moeten op alle hoeken van geveldoorbrekingen (ramen, deuren, e.d.) extra voorzieningen worden aangebracht volgens de opgave van de systeemhouder.

Bij sommige systemen moet z.g. diagonaalstroken van ongeveer 300 x 300 mm aangebracht voordat de wapeningslaag is aangebracht terwijl. Soms adviseren systeemhouders een omgekeerde volgorde. Deze extra stroken moeten loodrecht op de diagonalen van geveldoorbrekingen zoals kozijnen aangebracht worden. Onder geveldoorbrekingen ook te verstaan balkonmuurtjes die door de gevelisolatie aan de constructie aansluiten en dus de isolatielaag doorbreken.

17.8.4 Spanningsverdelende banen

Op plaatsen waar extra spanningen kunnen ontstaan moet een extra spanningsverdelende strook worden aangebracht. Dit is bijv. het geval bij in het systeem ingewerkte zaken zoals kabelgoten, brandstroken, bevestigingsklossen, leidingen etc.

17.8.5 Een tweede wapeningsweefsel of pantserweefsel

Ter vermindering van het risico op toevallige of moedwillige beschadiging van het systeem moet op de begane grond, voor zover direct aan de openbare weg gelegen, of op bepaalde plaatsen waar extra kans op beschadiging aanwezig is (bijv. rondom ingangspartijen van flatgebouwen) gebruik worden gemaakt van een zogenaamd pantserweefsel. Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van ten minste een tweede laag 'normaal' wapeningsweefsel.

In de BRL 1999 wordt erop gewezen dat indien twee lagen weefsel wordt toegepast dat het dan ook om twee bewerkingen gaat en niet om twee weefsels die in een keer worden ingebed. In de praktijk wordt deze extra weefsellaag nogal eens weggelaten, vaak uit verkeerde zuinigheid. Indien twee lagen 'normaal' wapeningsweefsel wordt gebruikt mag de achterste laag stuikend aangebracht worden.

In het geval er ter verhoging van de slagvastheid van het systeem zogenaamd 'pantserweefsel' wordt toegepast moet over dit pantserweefsel nog een laag 'normaal' weefsel worden aangebracht. Het pantserweefsel moet 'stuikend' worden aangebracht en het normale weefsel met de gebruikelijke overlap. Voor de wijze van aanbrengen van deze twee weefsellagen volge men strikt de voorschriften van de systeemhouder.

17.8.6 Nabehandeling

Bij toepassing van mineraalgebonden krabpleisters moet de wapeningslaag voordat de mortel is opgedroogd met een kam of harde borstel horizontaal worden opgeruwd.

Dit is ook van toepassing op de dikke glad af te werken mineraalgebonden pleisters. De horizontale opruwing verdient de voorkeur boven een verticale. Bij dunne systemen wordt de wapeningslaag veelal vlak afgesmeerd tenzij de pleister ongeveer 5 mm dik is; dan vindt een beperkte opruwing plaats.

17.8.7 Afwerking met bitumenemulsie

Op de onafgewerkte (vlak gesmeerde) wapeningslaag of op de pleisterlaag kan een bitumenemulsie worden aangebracht (voornamelijk bij het maaiveld). Een bitumenemulsie dient, ter verkrijging van de waterdichtheid, in meerdere lagen aangebracht te worden waarbij de onderscheide lagen geheel droog moeten zijn alvorens een nieuwe laag wordt opgebracht. Verwerkingsvoorschriften van de leverancier volgen.

17.9 Stucprofielen en pantserhoeken

17.9.1 Het afkorten

Stucprofielen worden vaak met een tang op maat geknipt. Volgens de voorschriften van de leveranciers van stucprofielen mogen verzinkte stucprofielen niet afgekort worden met een slijpschijf. Reden hiervoor is dat dan metalen slijpdeeltjes zich aan het stucprofiel kunnen hechten en corrosie kunnen veroorzaken.

RVS-stucprofielen mogen alleen afgekort worden met daarvoor geschikte slijpschijven. In de praktijk zal natuurlijk een voor RVS geschikte slijpschijf ook gebruikt worden voor het incidenteel afkorten van niet-RVS waardoor het eerder genoemde risico blijft.

In de praktijk zijn geen ernstige schadegevallen bekend met deze oorzaak.

17.9.2 Waar en hoe

Op de aangebrachte isolatieplaten moeten op alle uitwendige hoeken dus ook rondom raam- en deuropeningen, bij het systeem behorende hoekprofielen met behulp van wapeningsmortel te worden aangebracht een en ander volgens bestek of advies. Bij systemen met een dik mineraalgebonden pleister is het aan te bevelen dat gebruik wordt gemaakt van hoekprofielen die voorzien zijn van een kunststof neus.

Hierbij wordt uitgegaan van metalen hoekprofielen. Er zijn ook PVC alternatieven. In de praktijk wordt het hoekprofiel vaak met hechtmortel vastgezet. Deze hechtmortel heeft veelal een hogere aanvangshechting. Over andere plaatsen waar stucprofielen worden toegepast is informatie te vinden in het hoofdstuk 'Details' en 'Systeemopbouw'.

De stucprofielen dienen bij voorkeur over de gehele lengte in de mortel te worden ingebed. Bij systemen die worden afgewerkt met een dik mineraalgebonden pleister is het ook mogelijk dat de stucprofielen over de wapeningslaag worden aangebracht.

Eventueel voor de provisorische bevestiging van de stucprofielen gebruikte stalen nagels dienen voor het aanbrengen van de wapeningslaag verwijderd te worden. Voor deze toepassing zijn ook PVC en aluminium nagels te verkrijgen die niet meer verwijderd hoeven te worden.

Haaks op elkaar staande metalen hoekprofielen in een kozijnhoek niet strak tegen elkaar plaatsen maar altijd enige speling houden. Reden hiervoor is dat bij uitzetting de hoekprofielen elkaar iets wegduwen waardoor diagonale scheurvorming kan optreden.

17.9.3 Notities bij stucprofielen in dikke systemen

Hier is overigens sprake van een dun systeem. Het stellen van stucprofielen kan praktisch niet anders dan met moppen mortel. Nadat deze moppen het stucprofiel gefixeerd hebben moet het stucprofiel over de gehele lengte worden ingebed met wapeningsmortel. Een verzinkt stucprofiel wordt zeker onvoldoende beschermd indien het alleen met de redelijk open en brosse krabpleister wordt ingebed. RVS-stucprofielen zijn wat betreft de maatvoering (nog) niet altijd geschikt om de taak van deze stucprofielen over te nemen. Zie ook hierover het hoofdstuk 'Systeemopbouw'. PVC-stucprofielen kennen geen corrosie.

- Aanbrengen van verzinkte stucprofielen op de plaat

Indien geëist wordt dat het verzinkte hoekprofiel op de plaat wordt aangebracht dan is dat omdat deze dan zeker volledig in de wapeningslaag wordt ingebed. Hierbij ontstaat er geen holle ruimte achter het hoekprofiel en kan er zich daar geen vocht ophopen en corrosie veroorzaken. Bij deze wijze van aanbrengen dient er bij krabpleister op gelet te worden dat de uiteindelijke dikte van de pleisterlaag (van buitenkant wapeningslaag tot buitenkant hoekprofiel) ongeveer 8-12 mm wordt. Dit is afhankelijk van de korrelgrootte. Dikkere of dunnere krabpleisterlagen verhogen nl. het risico op scheurvorming.

- Aanbrengen van verzinkte stucprofielen op de wapeningslaag

Als verzinkte stucprofielen op de wapeningslaag moeten worden aangebracht er op letten dat het stucprofiel volledig in de wapeningsmortel wordt ingebed. Als het stucprofiel te lood gesteld wordt dient de isolatielaag ook te lood staan. Indien dit niet het geval is worden de dikteverschillen in de afwerklaag te groot.

17.9.4 Pantserhoeken

In plaats van metalen stucprofielen kan men in sommige gevallen ook gebruik maken van zogenaamde 'pantserhoeken'. Dit zijn speciale voorgevormde verstevigde weefsels voor in- en uitwendige hoeken.

Deze worden vaak toegepast rond raamkozijnen.

17.10 De afwerking

17.10.1 Voorstrijklaag

Indien dit bij een bepaald systeem is vereist, moet na de door de systeemhouder voorgeschreven periode, voor het aanbrengen van de pleister, eerst de voorstrijklaag op de wapeningslaag worden aangebracht.

Voorstrijklagen zijn alleen van toepassing bij dunne systemen.

17.10.2 Pleister

Na ten minste 48 uur, in elk geval wanneer de wapeningslaag c.q. de voorstrijklaag volledig is gedroogd, moet volgens voorschrift van de systeemhouder, de pleister 'naadloos' worden aangebracht. Aan het verbruik per m², zoals dat door de systeemhouder is opgegeven, moet nauwkeurig de hand worden gehouden.

In principe moet het gevelvlak zonder onderbrekingen in één keer worden aangebracht.

- Dunne pleister

De verwerking van dunne pleisters geschiedt veelal met de hand door middel van het schurend opbrengen. De korrelgrootte en de wijze waarop geschuurd wordt bepaalt het uiterlijk van de gevel in hoge mate.

- Krabpleister

De krabpleister wordt in een ± 15-18 mm dikke laag, veelal machinaal, aangebracht op de wapeningslaag. Te snelle droging kan worden tegengegaan door de pas aangebrachte pleister met een folielaag te bedekken of de laag regelmatig met nevel vochtig te maken. Afhankelijk van vochtigheid en temperatuur wordt een verhardingstijd tussen een halve en drie dagen in acht genomen. Het is zeer belangrijk dat eventueel ontstane krimpscheuren en z.g. zakscheuren (die soms ontstaan als de dikke pleisterlaag voor verharding 'uitzakt') voor de krabbewerking worden dichtgeklopt. Daarna wordt het oppervlak met een speciale krabborstel gekrabd. De grootste korrels springen daarbij uit de halfharde pleisterlaag tot een laagdikte van ongeveer 8-12 mm wordt bereikt. Bovengenoemde dikte is gebaseerd op de meest toegepaste 5 mm korrel. Er zijn krabpleisters met fijnere korrel leverbaar waarbij een andere laagdikte hoort. Na de krabbewerking, tijdens de verdere verharding, mag de pleister NIET meer met nevel vochtig gemaakt worden.

- Gladde dikke mineraalgebonden pleisters

De gladde dikke mineraalgebonden pleister wordt in principe op dezelfde wijze als de krabpleister aangebracht echter hier is de handmatige afwerking tevens de eindbewerking. Hiermee zijn fijne structuren verkrijgbaar. De z.g. waspleisters worden met nevel 'gewassen' (vgl. uitgewassen grind) waardoor deze pleister een zeer gladde afwerking krijgt.

17.10.3 Afschermen

Tijdens het aanbrengen en het verharden mag de laag niet worden blootgesteld aan regen, felle wind of extreem hoge luchtvochtigheden. Bij het werken tijdens felle zonneschijn, alsmede tijdens het verharden van de pleisterlaag, moet het werk zodanig worden ingericht dat met de stand van de zon rekening houdend, de vers opgezette pleisterlaag steeds in de schaduw ligt. Zonodig dienen hiertoe 'afschermende' maatregelen te worden getroffen.

17.10.4 Aansluitnaad

Het lossnijden van de mortellaag (ongeacht de mortelsoort), bij aansluiting met een ander materiaal (bijv. het kozijn), werkt een niet-strakke-naad in de hand. Een krimpnaad is daarom esthetisch veel verantwoorder. Bouwtechnisch heeft een krimpnaad bij een goede aansluiting geen bezwaren.

17.10.5 Tegels

Bij het aanbrengen van de tegels dient men ervoor te zorgen dat achter de tegels geen holle ruimtes ontstaan. Holle ruimtes kunnen bij condensatie ophoping van vocht en dus schade veroorzaken. Hierbij geeft de z.g. 'buttering-floating'methode de beste en zekerste resultaten. Hierbij wordt op zowel de ondergrond als op de tegel lijm aangebracht en wordt de tegel 'glijdend' op ondergrond aangebracht waardoor er geen luchtbellen achter de tegels kunnen ontstaan. Vaak wordt veel te licht aangekeken tegen de kritische verwerking.

17.11 Diverse aansluitingen

17.11.1 Op metalen (niet-stuc)profielen

Aansluitingen van het systeem tegen andere materialen zoals staal of aluminium van waterslagen, kopschotjes e.d. moet zodanig geschieden dat deze materialen als gevolg van thermische werking kunnen krimpen en uitzetten, zonder het systeem te beschadigen waardoor o.a. lekkages kunnen worden veroorzaakt.

In het geval men van speciale van wapeningsweefsel voorziene profielen gebruik maakt moeten deze met corrosiebestendige schroeven tegen het kozijn worden vastgezet. De hoekaansluitingen van de profielen moeten in verstek worden gemaakt zodat overal een goede aansluiting wordt verkregen.

17.11.2 Met kit

Bij gebruik van kit als afdichtingsmateriaal moet de vrije ruimte tussen de isolatieplaten en de constructie waartegen de aansluiting plaatsvindt (stelkozijn, metselwerk, plaatmateriaal etc.) bij voorkeur 8-10 mm maar tenminste 5 mm zijn. De beide hechtvlakkengrijs dienen droog en vet- resp. stofvrij te zijn. Zonodig (zie de verwerkingsvoorschriften van de kitleverancier) moet de ondergrond eerst voorzien worden van een bij de kitsoort horende primer. Direct na het aanbrengen moet de kit glad worden afgestreken met een ontvettende zeepoplossing.

Kit volledig, gelijkmatig en zonder luchtinsluitingen in de voegen aanbrengen. Het naastliggende werk schoonhouden. Vooraf de ondergrond goed reinigen en voorzien van een primer. Ook voor het aanbrengen van kit is ervaring nodig. Er dient op gelet te worden dat de aangebrachte kit slechts twee hechtvlakkengrijs krijgt. Indien er drie hechtvlakkengrijs ontstaan bestaat het gevaar dat de kit gaat scheuren.

Voor de hechting op rubber dient speciaal advies ingewonnen te worden bij een onafhankelijke deskundige, want niet alle kitsoorten hebben een blijvende hechting op rubber.

17.11.3 Aan het dak

Indien bij dakaansluitingen geen overstek is, dient hier een passend profiel van kunststof, roestvast staal o.d. te worden aangebracht, zodanig dat inwateren van het systeem wordt voorkomen, een en ander volgens bestek of advies.

17.11.4 Cellenband

Cellenband, in voorgecomprimeerde vorm, aan te brengen volgens voorschriften van de fabrikant. Tijdens het aanbrengen mag het cellenband niet in de lengte uitgerekt worden. Het band zwelt na het aanbrengen langzaam op en dicht op deze wijze de naad af. Een bepaalde compressie moet blijven bestaan. Deze opzwelling zal bij hogere temperaturen sneller plaatsvinden. Als de isolatieplaat bij het aanbrengen door het uitzetten van het cellenband los gedrukt kan worden, mag in plaats van dit band ook een geschikte kitvoeg aangebracht worden of kan de plaat met een plug gefixeerd worden.

17.12 Hemelwaterafvoeren

Voor het aanbrengen van hemelwaterafvoeren zijn verschillende oplossingen. Vaak wordt een speciale isolatieplug gebruikt waarbij een schotel zich in de wapeningslaag verankert. Deze schotel mag dan niet te groot of te dik zijn. Door de speciale plug wordt een draadeind in de gevel bevestigd. Aan het draadeind de hemelwaterafvoerbeugel te bevestigen.

18 Arbeidsomstandigheden

Steeds meer bedrijven zien in dat een goede arbo-zorg (veiligheid, gezondheid, welzijn) voorwaarde is voor een hoge produktkwaliteit. Goede werkomstandigheden komen ook de produktiviteit ten goede. De veiligheidsbladen van de te gebruiken produkten en hulpmaterialen moeten daarom goed worden doorgenomen en op de bouw aanwezig zijn. Een complete behandeling van de arbozorg is in dit handboek niet opgenomen. De bij het bouwproces betrokken bedrijven hebben hierin hun eigen verantwoordelijkheid. Op enkele aspecten wordt kort ingegaan.

18.1Algemene veiligheidsaspecten

Navolgende onderwerpen komen in principe op elk werk voor:

18.1.1Steiger

Allereerst moeten de steiger en het steigermateriaal veilig zijn. Op onveilige steigers mag niet gewerkt worden. Er dient op gelet te worden dat ook de verankering voldoet aan de eisen. Volgens die veiligheidseisen dient er op de steiger minstens 800 mm vrije arbeidsruimte zijn. Bij een smallere steiger kunnen bijv. pakken isolatieplaten de doorgang verhinderen waardoor gevaarlijke situaties ontstaan in pogingen deze te passeren. In de praktijk eisen stukadoorsbedrijven dat de steiger minstens 1,00 m¹ breed dient te zijn.

Formeel dienen traditionele steigers, bestaande uit stalen pijpen verbonden door koppelingen, te voldoen aan het gestelde in de uitgave P6. Voor systeemsteigers is er een NEN-norm (2770). Deze is voor gebruik in de dagelijkse praktijk ingewikkeld. De Stichting Arbouw geeft over veiligheid publicaties uit, o.m. over steigers die wel in de dagelijkse praktijk hanteerbaar zijn.

Een volledig geïsoleerde steiger in de winter is voor de arbeidsomstandigheden een voordeel. Over andere voordelen het hoofdstuk 'Werkvoorbereiding' te raadplegen.

18.1.2 Elektra

Kabels moeten helemaal van de haspels afgerold worden in verband met warmte-ontwikkeling bij stroomafname. De kabels moeten veilig opgebonden worden zodat ze niet los op de steiger liggen (struikelen). De steiger moet geaard zijn. Stekkeropeningen dienen i.v.m. kortsluiting beschermd te worden tegen spat- en regenwater. In de meterkast dient een goede aardlekschakelaar geplaatst te zijn.

18.1.3 Opslag

Lichte isolatieplaten kunnen wegwaaien en daarbij gevaar opleveren voor de omgeving (bijv. verkeer op de openbare weg). Ook om die reden is het belangrijk vangschotten en netten aan de steiger te bevestigen. Ook bij de opslag van de platen moeten maatregelen getroffen worden om het wegwaaien te voorkomen. Voor andere aan opslag te stellen eisen zie het hoofdstuk 'Werkvoorbereiding'.

18.1.4 Kleding

Tijdens natte en koude perioden moet gezorgd worden voor voldoende beschermende kleding.

18.1.5 Gehoorbescherming

Tijdens het werken met aangedreven handgereedschap moet gehoorbescherming worden gedragen. Te denken aan het boren voor de pluggen of aan het machinaal verwerken van pleisters.

18.1.6 Oogbescherming

Bij het met een slijpschijf afkorten van stucprofielen, mits toegestaan, moet een veiligheidsbril worden gedragen.

18.1.7 Veiligheidshelm

Op veel bouwplaatsen is het dragen van een veiligheidshelm verplicht. Het dragen van een helm zal daardoor eerder regel dan uitzondering zijn. In andere gevallen kan logischerwijs aangenomen worden dat het dragen van een helm nuttig is; bijv. als er gewerkt wordt op een steiger met bovenliggende vloeren.

18.1.8 Veiligheidschoenen

Veiligheidschoenen dienen te worden gedragen om letsel te voorkomen die bijv. ontstaat door het trappen in spijkers of door vallende voorwerpen.

18.2 Produktgebonden opmerkingen

Onderstaande opmerkingen hebben enkel betrekking op de daarbij genoemde produkten.

18.2.1 Polystyreen

Indien polystyreen met een gloeidraad wordt gesneden ontstaan er wat rookgassen. Deze hebben een dermate lage concentratie dat ze (ook bij een ingepakte steiger) geen problemen voor de stukadoor opleveren.

18.2.2 Steenwol

Steenwol kan irritatie veroorzaken aan de huid, ogen en slijmvliezen. Dit is niet schadelijk voor de gezondheid maar wel vervelend. Het is daarom belangrijk dat stofvorming bij de verwerking zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Indien buiten op verticale vlakkengrijs zorgvuldig gewerkt wordt met steenwol blijft de stofvorming beneden de afgesproken grenswaarde, en hoeft geen adembescherming gebruikt te worden. Stofvorming wordt in hoge mate bepaald door de wijze waarop de steenwolplaten pas worden gemaakt. Dit moet gebeuren met een scherp mes en niet door zagen, scheuren of een andere methode. Voor adembescherming kan een masker gebruikt worden. Lamellenplaten bieden in dit opzicht voordelen. Omdat de vezels loodrecht op de plaatrichting staan zal bij het pas maken minder stofvorming ontstaan.

Tegen irritatie die aan de handen kan ontstaan kunnen handschoenen enige bescherming bieden.

18.2.3 Cellulair glas

Tijdens het bewerken van de cellulair glas komt zwavelwaterstof (prikkelend) en stof vrij. Adem- en gelaatsbescherming (ogen) is daarbij gewenst. Een stofbril en stofmasker bieden voldoende bescherming. Bij het verwerken van cellulair glas bieden handschoenen bescherming tegen irritatie van het stof aan handen.

18.2.4 Mortels

Volgens de CAO verplichten de werkgevers zich alleen (poedervormige) mortels te kopen in een verpakking van maximaal 25 kg per zak. Leveranciers (waaronder buitenlandse) zijn echter niet aan de CAO gebonden en leveren vaak nog steeds mortels in 40 kg-zakken, voor een aantrekkelijker prijs. Deze kunnen daarom nog steeds op bouwplaatsen worden aangetroffen. 25 kg-zakken verdienen de voorkeur i.v.m. rugletsel dat kan ontstaan door het (verkeerd) tillen van zware zakken mortel.

Handschoenen kunnen noodzakelijk zijn bij het gebruik van mortels. Bij herhaald huidcontact kunnen mortels allergisch eczeem veroorzaken. Dit is niet altijd het geval maar produkt- en persoonsafhankelijk.

Wanneer er sprake is van stofvorming bij het aanmaken en mengen van mortel en bij het krabben van de krabpleister, wordt het dragen van een stofmasker aanbevolen.

19 Controle

Naast controles op de gevelisolatiewerkzaamheden door de opzichter, de bouwkundig aannemer en het stukadoorsbedrijf zelf, worden in het kader van garantieregelingen of het KOMO-Procescertificaat ook nog controles uitgevoerd door IKOB-BKB BV of andere instellingen.

19.1 Interne kwaliteitsbewaking (IKB)

Het stukadoorsbedrijf is zelf verantwoordelijk dat de kwaliteit van zijn werk optimaal is en dat er conform de opdracht wordt gewerkt. Stukadoorsbedrijven met een KOMO-Procescertificaat zijn verplicht om deze kwaliteitsbewaking schriftelijk vast te leggen. In een 'dagboek' worden o.a. de op de bouw optredende problemen en andere, voor de kwaliteit van belang zijnde, zaken vastgelegd. Deze kwaliteitsbewaking wordt IKB genoemd. De stukadoorsploeg moet de IKB aan IKOB-BKB BV-controleurs (waarover later meer) kunnen tonen. Tevens dient de ploeg in het bezit te zijn van het technisch advies met details.

19.2 Externe kwaliteitsbewaking (EKB)

Hiervan bestaan de navolgende varianten:

19.2.1 KOMO-Procescertificaat

IKOB-BKB BV zal de werken van stukadoorsbedrijven met KOMO-Procescertificaat steekproefgewijs controleren. Zij controleren daarbij in principe of de betreffende stukadoorsbedrijven de eigen kwaliteit goed bewaken (IKB). Daarnaast worden de werken bij steekproef bezocht. Van deze controles wordt een rapport opgemaakt waarvan het stukadoorsbedrijf een afschrift ontvangt.

19.2.2 Projectmatige controles

Een projectmatige controle wordt veelal in opdracht van garantiegevers door een onafhankelijke controlerende instelling uitgevoerd. De controle wordt schriftelijk gerapporteerd aan de opdrachtgever van de projectmatige controle. De projectmatige controle bestond in 1995 uit drie onderdelen:

- Projectbeoordeling

Voor aanvang wordt het technisch advies met details beoordeeld. Hierbij wordt getoetst of dit voldoet aan de BRL en het betreffende KOMO-Attest. Afwijkingen worden kenbaar gemaakt en de aanpassingen worden wederom getoetst.

- Projectcontrole

Gedurende het werk worden bij steekproef de werkzaamheden gecontroleerd. Van de controle wordt een rapport opgemaakt waarvan de opdrachtgever, vaak (via) de bouwkundig aannemer, een rapport ontvangt. Er wordt bewaakt of onvolkomenheden worden opgelost.

- Eindinspectie en eindrapportage

Een eindinspectie is formeel niet hetzelfde als een oplevering tussen opdrachtgever en stukadoorsbedrijf. Na beëindiging van de werkzaamheden wordt een eindinspectie uitgevoerd. De dan alsnog geconstateerde afwijkingen worden gerapporteerd. Hierbij wordt ook gelet op de voor de gevelisolatie belangrijke werkzaamheden van bouwkundig aannemer of derden. De in het eindinspectierapport genoemde punten dienen door het stukadoorsbedrijf (of soms de bouwkundig aannemer) worden hersteld/afgewerkt. Hierop kan eventueel opnieuw worden gecontroleerd. Daarna wordt een eindrapport opgesteld. Indien de herstelwerkzaamheden niet (juist) zijn uitgevoerd of dit niet aan de controlerende instelling wordt gemeld dan worden deze in het eindrapport opgenomen. Dit kan nadelige gevolgen hebben voor de afgifte van de garantieverklaring.

Voorgesprek

In 1999 is aan deze drie onderdelen van de projectmatige controle een vierde element toegevoegd. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een voorgesprek op het werk plaats te vinden. Bij dit gesprek zijn minimaal aanwezig het stukadoorsbedrijf en de controlerende instelling, maar bij grotere projecten is de aanwezigheid van opzichter / opdrachtgever ook vaak raadzaam. In dit voorgesprek dienen alle zaken, het werk aangaande, doorgenomen te worden. Ook de controlerende instelling kan bij dit onderhoud aanwezig zijn, echter dat heeft dan kostenconsequenties.

Een projectmatige controle is verstrekkender, frequenter en duurder dan de controle uit hoofde van het KOMO-Procescertificaat. De kosten van projectmatige controle zijn vaak voor rekening van de garantiegevers of het stukadoorsbedrijf en worden veelal aan de opdrachtgever in rekening gebracht.

19.3 Controlerende instellingen

De controle in verband met het KOMO-Procescertificaat wordt door IKOB-BKB BV uitgevoerd. De Garantiefonds Gevelisolatie werkt voor de projectmatige controle ook samen met IKOB-BKB BV. Op de werken die in haar garantieregeling zijn ingebracht komen dus alleen IKOB-BKB BV-controleurs. Verzekerd Keur B.V. *) controleert deels de werken zelf en deels worden de controlewerkzaamheden door IKOB-BKB BV uitgevoerd. Bij Centraal Beheer N.V. *) is het mogelijk dat i.p.v. IKOB-BKB BV het STS de controle op zich neemt. Bij twee laatstgenoemde garantiegevers is het dus mogelijk dat er controleurs van IKOB-BKB BV i.v.m. het KOMO-Procescertificaat als andere controleurs (STS of Verzekerd Keur B.V.) op het werk verschijnen. *) Centraal Beheer N.V. beeindigt haar gevelisolatiepolis per 31-12-1999. De afgegeven garantieverklaringen blijven geldig. Verzekerd keur is inmiddels failliet waardoor de door Verzekerd Keur afgegeven garantieverklaringen vaak geen waarde meer hebben.

19.4 Beoordelingsgrondslagen

De controles zijn gebaseerd op de BRL gevelisolatie, het bestek en tekeningen en/of het technische advies met details. Er wordt niet gecontroleerd op het uiterlijk van het werk (esthetica).

19.5 Verantwoordelijkheden

De controlerende instantie heeft een rapporterende taak. Zij is niet bevoegd om dwingende maatregelen op te leggen. Dit kan uiteraard wel door de opdrachtgever, de bouwkundig aannemer en in sommige gevallen de garantiegevers.

19.6 Kwaliteitscontrole door bouwkundig aannemer en opdrachtgever

De externe kwaliteitsbewaking vindt bij steekproef plaats. De uitvoerder en opzichter zijn vaker op het werk. De externe controles ontslaan bouwkundig aannemer of opdrachtgever dan ook niet van hun normale eigen controlerende taak. Zij kunnen bij twijfel overleggen met de externe controleurs.

20 Milieuaspecten

Gevelisolatie is in het gebruik bijzonder milieuvriendelijk vanwege de brandstofbesparing. Hierdoor wordt het milieu minder belast. In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de wettelijke bepalingen en daarna worden de individuele milieuaspecten belicht van de meest voorkomende materialen die bij gevelisolatie worden toegepast. Daarbij wordt gekeken naar de fabricage, het aanbrengen, de gebruikstoestand en de sloop.

20.1 Afvalstoffenwetgeving

Op 1 januari 1994 is de Wet Milieubeheer uitgebreid en gelijktijdig is de Afvalstoffenwet en de Wet Chemische Afvalstoffen (WCA) ingetrokken. De uitbreiding van de wet bevatte o.m. het navolgende:

  • chemisch afval heet voortaan gevaarlijk afval
  • meer bevoegdheden inzake afvalverwijdering zijn aan provincies toegekend
  • andere/nieuwe regeling voor afgifte van zowel gevaarlijk als bedrijfsafval
  • nadruk op afvalpreventie en doelmatige verwijdering.

Van afval is wettelijk gezien pas sprake indien het gaat om 'een stof of produkt waarvan iemand zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, zal ontdoen of moet ontdoen.' Hierbij geldt dat eigenlijk ieder afval, dat bij de bedrijfsuitoefening vrijkomt, bedrijfsafval is, tenzij het is aangewezen als gevaarlijk afval op grond van het 'Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen' (BAGA). De in tabel geeft een beperkt overzicht van de gevaarlijke afvalstoffen die bij de gevelisolatie vrij (kunnen) komen. Bouw- en sloopafval en lege verpakkingen, mits ontdaan van bepaalde stoffen, zijn geen gevaarlijk afval.

20.2 Gevaarlijk afval en de wet

Voor gevaarlijk afval bevat de Wet Milieubeheer een uitgebreide afgifteregeling. Deze regeling geldt in het gehele land op gelijke wijze. Kort samengevat bepaalt deze afgifteregeling dat

  • gevaarlijk afval alleen mag worden afgegeven aan een vergunninghouder (vraag er naar!) of aan het gemeentelijk depot. Niet alle depots accepteren echter gevaarlijke afvalstoffen van bedrijven. Daarbij wordt soms een maximum gewicht per bedrijf per jaar gesteld;
  • bij de afgifte een omschrijving van het gevaarlijk afval moet worden gegeven en de afgifte moet worden gemeld;
  • gevaarlijke afvalstoffen naar één soort gescheiden moeten worden bewaard en aangeboden;
  • alle gegevens betreffende de afgifte geregistreerd en (drie jaar) bewaard moeten worden;
  • bij ieder transport een begeleidingsbrief moet worden meegegeven.

In de praktijk zal de vergunninghouder enkele van de genoemde verplichtingen (melden, begeleidingsbrief) voor de afval'ontdoener' verrichten.

20.3 Bedrijfsafval en de wet

Voor bedrijfsafval bevat de Wet Milieubeheer een globale regeling die door de verschillende provincies anders kan worden ingevuld via de z.g. Provinciale Milieu Verordening (PMV).

In ieder geval geldt dat ook bedrijfsafval alleen door een vergunninghouder mag worden afgegeven. Daarnaast kan een provincie bepalen dat:

  • iedere afgifte gemeld wordt
  • bij ieder transport een geleidebrief aanwezig is
  • bij iedere afgifte wordt omschreven wat wordt afgegeven
  • alle afgiftes worden geregistreerd e.d.

Let wel: van afgifte is ook al sprake indien afval van de ene vestiging naar de andere (binnen een bedrijf) wordt overgebracht.

In de praktijk gelden sommige van de genoemde regels voor de afgifte van bedrijfsafval niet voor z.g. primaire ontdoeners (zoals stukadoorsbedrijven).

In alle gevallen geldt, dat verpakkingen (emmers, blikken o.d.) geen gevaarlijk afval zijn maar vallen onder bedrijfsafval. Zij moeten open worden gehouden teneinde controle op de inhoud mogelijk te maken.

20.4 Bodembescherming

De Wet Bodembescherming legt aan ieder een z.g. zorgplicht op; iedereen heeft ervoor zorg te dragen dat de bodem niet verontreinigd wordt en dat eenmaal opgetreden verontreiniging ongedaan wordt gemaakt (gesaneerd). Hierbij te denken aan de opslag van materiaal op het werk en in/bij het bedrijf.

20.5 Meer informatie

Bij alle provincies kan nadere informatie kan worden ingewonnen.

20.6 De wet in de praktijk

Wat in ieder geval niet mag is afval:

  • storten (ongeacht waar en hoe)
  • zomaar wegwerpen (bijv. op de openbare weg)
  • met ander afval mengen
  • in het oppervlaktewater lozen
  • aan zomaar iemand afgeven

De enige juiste manier is het afgeven van afval aan een houder van een vergunning.

In dit handboek wordt niet verder ingegaan op de details uit de wet.

20.7 Onderdelen en hun milieuaspecten.

Hierna wordt ingegaan op milieuaspecten van de belangrijkste gevelisolatieonderdelen. Hierbij wordt ook aandacht geschonken aan de vervaardiging. Om niet teveel in details te treden wordt niet ingegaan op de fabricage van de grondstoffen waaruit die onderdelen zijn vervaardigd of samengesteld.

Zoals onderstaand is beschreven is 'recycling' van o.a. afval van isolatieplaten mogelijk. In de praktijk wordt dit (nog) niet vaak doorgevoerd.

20.7.1 Geëxpandeerd polystyreen

Een geëxpandeerde polystyreenplaat bestaat voor 98 % uit lucht. De overige 2 % is de basisgrondstof polystyreen waarvoor aardolie als grondstof dient. Het basisprodukt bestaat uit kleine harde polystyreenkorreltjes die door polymerisatie van monostyreen zijn ontstaan. Bij de produktie door verhitting met stoom wordt het blaasmiddel pentaan gebruikt; een niet-giftige koolwaterstof. Door de hitte wordt de pentaan gasvormig en ontstaan de lichte polystyreenparels. De losse parels worden vervolgens met stoom in vormen aaneengesloten tot grote polystyreenblokken. Nadat deze blok voldoende is gekrompen (geboortekrimp) wordt deze tot platen gesneden. Over de bij de produktie vrijkomende pentaan hebben de Nederlandse fabrikanten met de overheid afspraken gemaakt om deze uitstoot met 50 % te reduceren voor het jaar 2000. Bij de produktie worden nu al aanzienlijke hoeveelheden pentaan en energie teruggewonnen. Geëxpandeerd polystyreen is volledig CFK-vrij. Er werden bij de produktie overigens nooit CFK's gebruikt.

Bij de recycling wordt verschil gemaakt tussen schoon en vervuild polystyreen. Het in gevelisolatie gebruikte polystyreen valt door de aanhechting van de mortel onder de laatste categorie. Recycling van schoon polystyreen is momenteel al aan de orde van de dag. De fabrikanten zijn momenteel bezig met het verbeteren van de recycling van het vervuilde materiaal. Te verwachten is dat binnenkort concrete resultaten worden geboekt. Reststoffen zullen dan door verbranding worden gebruikt voor 'energie-terugwinning'. Hierbij wordt gedoeld op volledige en dus schone verbranding bij zeer hoge temperaturen in speciale verbrandingsovens.

20.7.2 Geëxtrudeerd polystyreen

Geëxtrudeerd polystyreenplaten worden uiteraard d.m.v. een extrusieproces vervaardigd. Hierbij wordt de basisgrondstof polystyreen vermengd met verschillende additieven o.a. kleurstof en een vlamvertrager terwijl blaasmiddel dient voor het expanderen van het mengsel. Na dit proces wordt het materiaal gezaagd. Het extruderen van geëxpandeerd polystyreen verbruikt weinig energie en is bovenal een schoon proces. Binnenkort zal bij de vervaardiging bij een van de belangrijkste fabrikanten gebruik gemaakt worden van kooldioxide als blaasmiddel. Dit kooldioxide komt als bijprodukt van andere industriële processen vrij. Produktresten ontstaan door bijv. randafwerking, oppervlaktebewerking etc., worden direct in het proces hergebruikt.

Voor wat betreft de recycling geldt in grote lijnen hetzelfde als is omschreven bij geëxpandeerd polystyreen.

20.7.3 Steenwol

Steenwol wordt gefabriceerd van vulkanische gesteente dat o.a. in Duitsland, Frankrijk en Zweden in dagbouw wordt gewonnen. Het materiaal wordt gesmolten en gesponnen tot vezels. De vezels worden met een bindmiddel aan elkaar gehecht en tot platen gevormd. De energie die de vervaardiging van steenwol kost is per saldo meer, maar is binnen 1 à 2 maanden gebruik terugverdiend. De uitstoot van zwavelwaterstof, zwaveldioxide en stof is bij de vervaardiging van steenwol door de belangrijkste Nederlandse fabrikant sinds 1987 met 90 % of meer gereduceerd.

Snijresten van steenwol kunnen, onder voorwaarden, op de bouwplaats in een speciale container of speciale zakken worden verzameld tegen een vast bedrag aan kosten per m³. De containers worden afgevoerd naar een recyclingfabriek. Daar wordt het restmateriaal verwerkt tot briketten die weer als grondstof bij de produktie van nieuwe steenwol worden gebruikt.

20.7.4 Cellulair glas

Voor de vervaardiging van cellulair glas wordt glas in een kogelmolen onder toevoeging van koolstof tot poeder vermalen. Dit mengsel wordt in vormen gestort en tot ca. 1000 ° C verhit. Hierbij oxideert de koolstof en ontstaan gasbellen. Door een lichte verontreiniging van zwavel uit de koolstof en waterstof uit het glas wordt daarin zwavelwaterstof gevormd. Na voltooiing van het schuimproces en afkoeling worden de blokken op maat gesneden.

Cellulair glasafval kan gebruikt worden voor de vervaardiging van nieuw cellulair glas van mindere kwaliteit. Dit vergt echter extra energie en is daarom ecologisch minder aan te bevelen. Sinds 1980 wordt vermalen cellulair glas gebruikt o.a. bij het aanleggen van autowegen en voor ophogingswerken. Soms wordt het residu ook als los isolatiemateriaal gebruikt.

20.7.5 Dispersie- en silikaatgebonden mortels

De produktie van dispersie- en silikaatgebonden mortels bestaat uit het mengen van verschillende vloeibare en vaste grondstoffen en is daarom in principe geen milieubelastend proces. Op de produktie van de componenten gaan we niet dieper in. Overigens zijn dit geen milieubelastende produktiemethoden. Over de afvoer van pleisterresten is in de tabel informatie te vinden.

20.7.6 Mineraalgebonden mortels

De produktie van deze mortels bestaat in principe uit het mengen van verschillende poedervormige grondstoffen. De winning van die grondstoffen geschiedt veelal door ontgraving en in een enkel geval in mijnbouw. Behandeling van die processen zijn in het kader van dit handboek minder relevant. Over de afvoer van pleisterresten is in de tabel informatie te vinden.

20.8 Afvoer van gevelisolatie bij sloop.

Bij de verschillende isolatiematerialen is beschreven hoe deze als afval kunnen worden aangeboden voor hergebruik, mits deze gescheiden zijn van andere bouwresten. De praktijk leert dat dit scheiden niet altijd schoon materiaal oplevert. Bouw- en sloopafval valt overigens in principe niet onder gevaarlijk afval.

21 Schade

De Stichting Bouwresearch (SBR) heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen met gevelisolatie. Over dit onderzoek is in 1993 de publicatie 'Praktijkervaring met gepleisterde buitengevelisolatiesystemen' uitgegeven: SBR-nr. 283. De publicatie werd opgesteld door rapporteurs van TNO aan de hand van bezoeken aan een 25-tal projecten. In deze publicatie wordt geconcludeerd dat gevelisolatie goed functioneert. Als er sprake is van 'degradatie' dan betreft dit vooral esthetische zaken; voornamelijk lokale vervuiling en algaangroei. Er wordt vastgesteld dat dit verschijnsel zich ook voordoet bij geveltypen samengesteld uit metselwerk, beton en dergelijke maar dat de acceptatiegraad daar kennelijk anders ligt.

In genoemde publicatie worden een aantal oudere projecten beoordeeld en verder diep op de problematiek ingegaan. Alle in het SBR-publicatie genoemde schaden zijn in dit handboek opgenomen en verder aangevuld. Voor meer informatie over dit onderwerp de genoemde publicatie raadplegen.

Het is ten zeerste aan te bevelen, mede i.v.m. het recht op garantie, voordat men over gaat tot herstelwerkzaamheden overleg te plegen met de garantiegevers, de systeemhouder en het gecertificeerd stukadoorsbedrijf.

21.1 Mechanische beschadiging

Mogelijke kenmerken:

- plaatselijk gedeukte mortellaag
- wapeningslaag en soms isolatielaag blootliggend
- isolatie verdwenen en ondergrond in het zicht

Oorzaken: Opzettelijke stootbelastingen, vuurwerk of onjuist gebruik zoals bijv. een ladder die onvoorzichtig tegen het gevelvlak is geplaatst.
Herstel: Afhankelijk van de ernst van de beschadiging plaatselijk nieuwe wapenings- en/of pleisterlaag of nieuw systeem aanbrengen. Uit esthetische overwegingen de gevel daarna geheel opnieuw op kleur brengen. Niet te lang wachten met herstelwerkzaamheden omdat aanwezige schade nieuwe, moedwillig aangebrachte, schade aantrekt.
Preventie: Kwetsbaarheid plaatselijk verminderen door in de pleister een extra wapeningsweefsel en/of dikkere wapeningslaag aanbrengen of door tegels op het systeem te plaatsen.

21.2 Brandschade

Kenmerken: Beschadiging aan pleisterlaag alleen, of het wegkrimpen of -smelten van polystyreen, al dan niet rond de kozijnen.
Oorzaken: Brand in of buiten de woning. Zorgvuldige inspectie is noodzakelijk omdat niet altijd duidelijk zichtbaar is dat er schade is opgetreden.
Herstel: Schoonmaken en/of schilderen; e.e.a. als omschreven bij mechanische beschadiging.
Preventie: Beperking van brandschade is mogelijk door steenwol- of cellulair glas toe te passen.

21.3 Lekkages via aansluitingen

Kenmerken: Natte plekken rond kozijnen of bij plafondaansluitingen die optreden kort na een regenbui of enkele dagen na een groot regenaanbod. Vnl. in op regenzijde (zuidwesten) georiënteerde gevelvlakkengrijs, korte tijd na de oplevering.
Oorzaken: Vochttransport achter de isolatieplaten. Dit vocht is niet door het systeem zelf heen gedrongen maar ontstaat door een of meerdere moeilijk te traceren inwateringspunten. Dit in combinatie met het ontbreken van een goede afdichting tussen bijv. kozijnen en de binnenconstructie.
Herstel: Opsporen inwateringspunten. Er zijn bedrijven die hiervoor specialistische apparatuur hebben. Inwateringspunten afdichten en soms details aanpassen.
Preventie: Geen buiten het gevelvlak stekende kozijnen toepassen en kozijnen waterdicht in de gevel plaatsen.

Omtrent het opsporen van lekkage's (inwateringspunten) is in 1999 meer kennis opgedaan. Ook met betrekking tot het waterdicht maken van de ondergrond zijn er nieuwe ontwikkelingen te melden. neem kontakt op met LSGI.

21.4 Corrosie van verzinkt stalen stucprofielen

Kenmerken: Wegdrukken van de pleister bij roestvorming.
Oorzaken: Roestvorming na 5 à 10 jaar meestal bij aansluiting met een horizontaal vlak waar een capillair water vasthoudt.
Herstel: Plaatselijk pleisterlaag verwijderen en stucprofielen corrosiewerend behandelen of door het compleet vervangen door corrosiebestendige stucprofielen en daarna pleisterlaag bijwerken.
Preventie: De SBR-publicatie concludeert dat verzinkt stalen stucprofielen ongeschikt zijn voor buitentoepassing. Deze mening wordt niet door eenieder gedeeld. Toepasbare alternatieven:
- RVS-stucprofielen
- PVC-stucprofielen
- pantserhoeken

21.5 Plaatselijk verkruimelen pleisterlaag

Kenmerken: De pleisterlaag verliest zijn samenhang en wordt zacht daar waar deze langdurig nat blijft.
Oorzaken: Vorstschade die kan ontstaan als er vocht in de pleisterlaag aanwezig is. Dit is weer afhankelijk van de poreusheid van de pleisterlaag.
Herstel: Opnieuw pleisteren en vochttoetreding beperken door bijv. hydrofoberen en soms aanpassing van details.
Preventie: Letten op de juiste verwerkingstemperaturen en details. Mineraalgebonden pleisters die kort voor de winterperiode worden aangebracht hydrofoberen of waterafstotende middelen toepassen.

21.6 Onthechting systeem of -lagen

Kenmerken: 'Veren' van het systeem wanneer erop gedrukt wordt. Soms blaasvorming. Klankverschil bij het bekloppen. Dit klankverschil is overigens niet per definitie een bewijs van onthechting.
Oorzaken: Geen hechting pleister, dit kan o.a. zijn veroorzaakt door:

- een te vochtige of vervuilde onderlaag
- aangebracht onder verkeerde weersomstandigheden of vorst tijdens de verharding
- onjuiste plaatverlijming bijv. door een niet goed uitgevlakte ondergrond

Herstel: Herstel is alleen noodzakelijk als de samenhang met het omliggende systeem teloor is gegaan of het pleisterwerk is losgekomen. Indien blaasvorming is opgetreden achter de pleisterlaag en het een klein vlak betreft: Blaas inspuiten met kunstharsemulsie. Pleister platdrukken. Anders op zelfde wijze te werk gaan als omschreven bij mechanische beschadiging.
Preventie: Opvolgen BRL en verwerkingsrichtlijnen.

Ook met betrekking tot blaasvorming is er o.m. bij LSGI sinds 1995 meer kennis opgebouwd. Het blijft overigens een complexe problematiek.

21.7 Blazen in de stuclaag

Kenmerken: Blaasvormige opbolling van stuclaag op cellulair glasplaten. Blazen worden bij bezonning groter en nemen weer af als de zon is verdwenen.
Oorzaken: Voordat de wapeningslaag is aangebracht, is vocht in de open cellen van het cellulair glas aanwezig geweest. Doordat dit vocht bij bezonning verdampt en niet kan diffunderen door het cellulair glas, en moeilijk of niet door de bitumineuze laag, ontstaan er blazen.
Herstel: Vooraf overleg plegen met de systeemhouder over de te volgen werkwijze.
Mogelijk herstel: Blaas doorprikken met de priem. Kit in het gat spuiten. Mortellaag platdrukken en uitpuilende kit verwijderen. Met pleister gaatje repareren.
Preventie: Afdekken van de steiger of gevel zodat de isolatieplaat en wapeningslaag niet nat kan worden. Voor het aanbrengen van de pleisterlaag de ondergrond grondig op vocht controleren.

21.8 Scheurvorming door geboortekrimp van polystyreen.

Kenmerken: Deze schade komt alleen voor bij polystyreen en treedt op korte tijd na het aanbrengen van het systeem. Ter plaatse van de naden van de platen tekenen zich scheuren af van 0,1 à 0,2 mm.
Oorzaken: De isolatieplaat krimpt na. Deze krimp kan tot 5 mm/m¹ bedragen en treedt op als de platen na de fabricage te snel verwerkt zijn. De scheurvorming treedt eerder op als de mortellaag te dun is.
Herstel: Indien de scheurvorming kleiner of gelijk is als 0,2 mm is er geen technische reden tot herstel. Plaatselijke reparaties kunnen niet onzichtbaar worden uitgevoerd. Overwogen kan worden een scheuroverbruggende coating aan te brengen.
Preventie: Bij levering controleren of er een datum van verwerking op de verpakking staat anders dient naar de verwerkingsdatum navraag gedaan te worden. Platen niet voor de toegestane datum verwerken.

21.9 Aftekening van isolatieplaten

Kenmerken: Het opbollen van polystyreenplaten. Meestal na enige jaren. Zij worden zichtbaar op sommige gevels bij strijklicht. Aftekening van de platen is ook mogelijk doordat de naden gering scheuren (scheurwijdte ca. 0,1 mm) en de naden wat meer vervuild zijn.
Oorzaken: In de SBR-publicatie wordt geen uitspraak gedaan over de oorzaak. Wel blijkt de mortellaag zeer dun te zijn. Het opbollen van een polystyreenplaat kan praktisch niet plaatsvinden als deze goed verlijmd is.
Herstel: Uit technische overwegingen niet noodzakelijk. Herstel is veelal alleen mogelijk door het compleet vervangen van het systeem.
Preventie: In ieder geval de mortellaag en hechtmortel dik genoeg aanbrengen en letten op de fabricagedatum van de isolatieplaten.

21.10 Scheurvorming in de pleisterlaag door drogingskrimp

Kenmerken: Scheuren in dikke mineraalgebonden pleisters met een breedte minder dan 0,3 mm. Zij hebben hun oorsprong ter plaatse van geveldoorbrekingen zoals kozijnhoeken of balkons. Bij grote vlakkengrijs kan zich een min of meer onregelmatig patroon van scheurtjes vormen. De scheuren treden vaak snel op na het aanbrengen, soms al in de wapeningslaag voor het aanbrengen van de pleister, in veel gevallen bij droge weersomstandigheden.
Oorzaken: De oorzaak is veelal verhardings- en drogingskrimp en kan zijn bevorderd door zon in combinatie met wind. De scheurvorming start aan de buitenzijde van de pleisterlaag en treedt op ondanks het wapeningsweefsel.
Herstel: Bij genoemde scheurwijdte en indien de onderlinge afstand van de scheuren globaal niet minder dan 1,00 m¹ is, kan niet van een abnormaal verschijnsel gesproken worden. Er is geen schade in de zin dat de functionaliteit wordt aangetast. Er kan wel van een esthetische achteruitgang gesproken worden. Indien dit niet acceptabel is kan een coating over de pleisterlaag worden aangebracht.
Preventie: De verhardingscondities dienen gunstig te zijn. Dit betekent dat afgeschermd moet worden tegen wind en zon en dat de pas aangebrachte pleisterlaag (voor het krabben) zo nodig (met nevel) nat gehouden of met folie afgedekt moet worden.

21.11 Scheurvorming in krabpleister

Kenmerken: Scheuren in de krabpleister die pas zichtbaar wordt enkele maanden na het aanbrengen.
Oorzaken: Droog- of zakscheuren die na het aanbrengen van de krabpleister ontstaan bij droog weer en/of bezonning. Krabsel dat tijdens het krabben vrijkomt zal zich in de scheuren nestelen waardoor deze scheurvorming in eerste instantie niet zichtbaar is.
Herstel: Indien dat uit esthetische overwegingen noodzakelijk is scheurtjes vullen en overschilderen. Herstel is uit technische overwegingen niet noodzakelijk als de scheurwijdte minder is dan 0,3 mm.
Preventie: Voor de krabbewerking de gevel nalopen en evt. droogscheurtjes dichtdrukken of dichtkloppen.

21.12 Lokale vervuiling van pleisterwerk

De herkenning of er sprake is van vervuiling of algvorming is beschreven in het hoofdstuk 'Onderhoud'. Lokale vervuiling doet zich vooral voor bij gevels die op de regenzijde geconcentreerd zijn. Hierbij zijn er verschillende mogelijkheden waarvan de kenmerken en oorzaken genoemd worden. Voor het herstel en preventie kan worden volstaan met een algemene aanbeveling.

Kenmerken en oorzaken:

- geconcentreerde vervuiling bij onderhoeken onder waterslagen van kozijnen door een te geringe hellingshoek van de waterslag (minstens 15°) en/of omdat geen of verkeerde kopschotjes bij de waterslagen zijn toegepast
- langdurig nat blijven van zones onder het raam (met soms algaangroei) door een te geringe overstek van het waterslagprofiel
- plaatselijke vervuiling ter plekke van onderbrekingen van het gepleisterde vlak (bijv. bij bevestigingen van zonwering, verlichting en hemelwaterafvoeren). Dit ontstaat door vuil-, metaal- en corrosiedeeltjes van de bevestiging die door de regen zijn weggespoeld
- vuile zones onder de daktrim van de horizontale dakrand door het ontbreken van een koppelstrip (of kitvoeg) bij lengtelassen
- een over een breed front optredende vervuiling onder een daktrim is vaak het gevolg van drie tekortkomingen:
- een te geringe opstand van de daktrim
- een te gering overstek van de daktrim
- een te breed horizontaal dakvlak achter de daktrim

Herstel: Zie hoofdstuk 'Onderhoud'. Schoonmaken is alleen zinvol wanneer de oorzaken (de details) worden aangepakt.
Preventie: Lokale vervuiling kan bijna altijd voorkomen worden. Zie hiertoe ook het hoofdstuk 'Detailleren'.

21.13 Groen worden van de pleisterlaag

Kenmerken: Op het gevelvlak tekenen zich groene en zwarte plekken af bij plaatselijk verhoogd wateraanbod. Dit komt vooral voor bij gevels die op het noorden georiënteerd zijn en gevels waarvoor bomen staan. Voor herkenning van algvorming zie het hoofdstuk 'Onderhoud'.
Oorzaken: Algvorming die veroorzaakt wordt door het vaak en lang nat zijn van de gevel. Dit vindt zijn oorzaak in detaillering, ontbreken van zon door bijv. bomen en de oriëntatie van de gevel. Algvorming maakt de weg vrij voor het groeien van (korst)mossen.
Herstel: Voor verwijdering en overschilderen is in het hoofdstuk 'Onderhoud' nadere informatie aan te treffen.
Preventie: Indien bezonning of winddroging niet mogelijk is zal de gevel lang nat blijven en is het moeilijk algvorming te voorkomen. Op plaatsen waar begroeiing de bezonning belemmert kan het wegnemen of snoeien ervan effectief zijn.

21.14 Graffiti op buitenpleisterwerk

Kenmerken: Met verf of spuitbussen aangebrachte tekeningen en tekst. Op plaatsen die makkelijk zonder hulpmiddelen bereikbaar zijn en die vaak niet zichtbaar zijn vanuit woningen. Vaak bij kopgevels.
Oorzaken: Vandalisme.
Herstel: Graffiti kan worden overgeschilderd. Dit is praktisch niet onzichtbaar te doen i.v.m. kleurverschillen. Toepassing van chemische middelen bij reinigen dient omzichtig te geschieden omdat deze de pleisterlaag of de isolatieplaat kunnen aantasten. Niet te lang wachten met herstelwerkzaamheden omdat aanwezige graffiti, nieuwe graffiti, aantrekt.
Preventie: Toepassen van een anti-graffitisysteem of het plaatsen van struiken voor de gevel. Daarbij rekening houden met de opmerkingen in het hoofdstuk 'Onderhoud'.

Het is niet per definitie onmogelijk over te schilderen zonder kleurverschillen. Indien bij een overschilderbeurt hiervoor verf wordt achtergehouden is dat een eerste stap. De tweede stap is het met beleid, al dan niet verdund met water, (en niet met een roller) de laag aan te brengen, niet meer dan nodig

21.15 Verkleuren van de pleister

Kenmerken: Fletser worden van de gevel. Vooral de kleur blauw is hiervoor gevoelig. Dit verschijnsel doet zich voor bij gevels aan de zonzijde gesitueerd. Het verschil met de oorspronkelijke kleur is duidelijk waarneembaar op plaatsen waar een gevelvlak van het zonlicht afgeschermd is geweest.
Oorzaken: UV-licht. Hierbij spelen het bindmiddel en de pigmenten een rol. Vaak is bij de systeemhouder bekend of deze gevoelig zijn voor verkleuring.
Herstel: Overschilderen. Te adviseren is om hiervoor een lichtechte UV-bestendige verf te kiezen in een pastelkleur.
Preventie: Lichte kleuren toepassen en/of aan de systeemhouder zekerheden omtrent verkleuring te vragen.

21.16 Defecte kitvoegen

Kenmerken: Onthechting of scheuren van kit binnen enkele tot 15 jaar na aanbrengen.
Oorzaken:

- kit die is aangebracht op hechtvlakkengrijs die niet schoon of droog zijn;
- het onvoldoende mengen van meercomponentenkit;
- niet diep genoeg aangebrachte rugvulling;
- voegafmetingen niet afgestemd op het vervormingsvermogen van de kit;
- meer dan 2 hechtvlakkengrijs.

Herstel: Verwijderen defecte kitvoegen. Een gezond aanhechtingsvlak voor nieuwe voegen maken. Nieuwe kit aanbrengen. In principe dezelfde kitsoort toepassen. Sommige kitten kunnen vlekvorming veroorzaken. Voor te gebruiken kitten zie het hoofdstuk 'Systeemopbouw'. Als alternatief kan soms een geïmpregneerd cellenband worden toegepast.
Preventie: In principe in het zicht blijvende kit voorkomen. Voegdimensies vooraf berekenen en zorgvuldig kit aanbrengen. Onderhoud is een vereiste.

21.17 Ongedierte in de isolatie

Kenmerken: Ongedierte (muizen en wespennesten) in de isolatieplaat.
Oorzaken: Ongedierte dat toegang gekregen heeft tot het isolatiemateriaal als dat in open verbinding staat met de grond of buitenlucht.
Herstel: Ongedierte doden. Indien noodzakelijk isolatiemateriaal reinigen en opvullen met isolatiemateriaal of PUR-schuim. Toegang afsluiten met mortel of bitumen afhankelijk van de plaats waar deze toegang zich bevindt.
Preventie: Bij detaillering erop letten dat er geen open toegangen zijn. Vooral bij de aansluiting maaiveld. Bij de toepassing van een isolatieplaat zonder omgeweefselde mortel deze plaat wel volledig verlijmen aan de onderzijde.

22 Onderhoud

De levensduur van elk gebouw wordt verlengd door een regelmatige deskundige controle en de prompte uitvoering van onderhoud. Tegen onderhoud van gestukadoorde gevels wordt in Nederland nogal onwennig aangekeken. De reden hiervan is de onbekendheid met deze vorm van gevelafwerking.

Veelal worden onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd door schildersbedrijven die eigenlijk (begrijpelijkerwijs) hier ook niet mee bekend zijn. Ondeskundig uitgevoerd onderhoud kan voor garantiegevers aanleiding zijn de afgegeven garantie te laten vervallen. Eventueel noodzakelijke herstelwerkzaamheden kunnen over het hoofd zijn gezien en het is niet ondenkbeeldig dat verkeerd systeem is opgebracht.

Een door LSGI ontwikkeld onderhoudsplan dat inspeelt op deze problematiek wordt in dit hoofdstuk behandeld. Daarnaast komen de meest voorkomende onderhoudswerkzaamheden aan bod en wordt aangegeven wat in een gebruiksaanwijzing moet zijn opgenomen.

22.1 Onderhoudsplan gevelisolatie

Sinds het schrijven van het handboek in 1995 is er in de uitvoering van de LSGI onderhoudsplan het nodige gewijzigd. Vraag bij LSGI de laatste stand van zaken.

LSGI ontwikkelde samen met IKOB-BKB BV een onderhoudsplan gevelisolatie. Dit onderhoudsplan is op de navolgende punten gebaseerd:

22.1.1 Beoordeling gevels

Allereerst worden de geïsoleerde gevels geïnspecteerd. Deze (betaalde) inspectie geschiedt door deskundigen van LSGI en IKOB-BKB BV gezamenlijk in principe samen met het stukadoorsbedrijf, dat het werk oorspronkelijk heeft uitgevoerd. Er wordt tijdens de inspectie gelet op: de algemene staat waarin de gevel zich bevindt, eventueel opgetreden schade en de ernst hiervan. Indien noodzakelijk worden monsters uit de gevel genomen of ter plekke testen uitgevoerd.

22.1.2 Rapportage

Aan de hand van deze inspectie wordt een uitvoerige, door IKOB-BKB BV gefiatteerde, rapportage met een onderhoudsadvies en een vrijblijvend voorstel voor een meerjarenplanning gemaakt. In dit onderhoudsadvies is een werkbeschrijving opgenomen. Tevens wordt erin aangegeven of bouwkundige aanpassingen (bijvoorbeeld ter voorkoming van ongelijkmatige vervuiling) dienen te worden uitgevoerd.

22.1.3 Onafhankelijkheid

Door de ervaring van de betrokkenen en de onafhankelijkheid van IKOB-BKB BV ontstaat een deskundig advies. De opdrachtgever behoeft zich daardoor niet te verlaten op een advies dat uit een commercieel belang gemaakt is. De opdrachtgever hoeft daarbij geen specifieke kennis van gevelisolatie te hebben.

22.1.3 Uitvoering

Eventuele onderhoudswerkzaamheden kunnen aansluitend worden uitgevoerd door bedrijven met ervaring, niet alleen op stukadoorsgebied. De uitvoerende bedrijven verplichten zich tot het beheersen van de verschillende bij dit onderhoud noodzakelijke discipline's. Op de werkzaamheden zullen controles door IKOB-BKB BV worden uitgevoerd.

22.1.4 Garantie

De onderhoudswerkzaamheden zullen geen inbreuk doen op de van toepassing zijnde garantie. Na afloop van de oorspronkelijke garantietermijn kan desgewenst een nieuwe garantie ingaan die afloopt 7 jaar na oplevering van de onderhoudswerkzaamheden. Hiervoor is een premie verschuldigd.

22.2 Onderhoudswerkzaamheden

22.2.1 Herstel van schade

Voor informatie over herstel zie het hoofdstuk ' Schade '.

22.2.2 Reinigen

Vervuilde of met alg bezette gevels kunnen worden overgeschilderd of gereinigd. Belangrijk is om eerst te bepalen of er sprake is van alg of vuil. Alg wordt niet verwijderd door borstelen met water waarin een huishoudreinigingsmiddel zit. Wel door een hogedrukspuit.

Het toepassen van een algdoder wordt sterk aangeraden omdat men hierdoor ervan verzekerd is dat de sporen worden vernietigd. Anders biedt het via deze reinigingsmethode ingebrachte vocht aan achtergebleven alg een ideaal milieu om zich opnieuw te ontwikkelen.

Het is niet altijd zeker dat vuil egaal wordt weggewassen. Bij verkeerde behandeling kunnen waterafwijzende componenten van de pleisterlaag (sneller) verdwijnen. Het is daarom noodzakelijk om, voordat de gevel wordt gereinigd, eerst een proefstuk uit te voeren en dit na droging te beoordelen. Diep in het pleisterwerk ingedrongen vuil zal met een hogedrukspuit zeker niet egaal kunnen worden gereinigd. Het is aan te bevelen de frequentie van het reinigen op te voeren, voordat de vervuiling te diep in de mortel is ingedrongen.

In enkele gemeenten (o.a. in Amsterdam) is het uit milieuoverwegingen niet toegestaan het vervuilde 'was'water in de grond of riolering te laten weglopen. Bij de voorbereiding van onderhoudswerkzaamheden dient hiermee rekening gehouden worden.

22.2.3 Overschilderen

Alvorens pleisterwerk over te schilderen dient het vuil verwijderd te worden als hiervoor omschreven. Voor de keuze van de juiste afwerkmaterialen dient men ervan verzekerd te zijn dat de op te brengen laag aansluit op de oude laag. Hierbij te denken aan hechting en dampdoorlatendheid. Evt. algdoder toevoegen. Achteraf eventueel de gevel te impregneren al dan niet onder toevoeging van algdoder.

22.3 Anti-Graffitisystemen

Anti-graffitisystemen bieden zeker niet altijd een juiste oplossing. Een kostenvergelijking met het reinigen en daarna overschilderen versus een anti-graffitisysteem is zeker op zijn plaats.

Indien toch voor een anti-graffitisysteem gekozen wordt dan dient voorzichtig gewerkt te worden. In principe zijn er geen bezwaren tegen welk anti-graffitisysteem dan ook, mits het volgende in acht wordt genomen:

  • het toe te passen middel mag de gevelisolatie niet aantasten (denk aan de pleister en de isolatieplaat);
  • het te gebruiken middel dient een zodanige waterdampdoorlatendheid te hebben dat er geen vocht zal ophopen achter deze laag;
  • de behandelde gevel zal bij het verwijderen graffiti worden schoongespoten, vaak met een hogedruk spuit. Indien de druk hiervan te hoog is, kan mechanische schade ontstaan.

Een door een anti-graffitisysteem veroorzaakte schade zal bijna per definitie niet onder garantie vallen tenzij hierover vooraf met de garantiegever afspraken zijn vastgelegd.

22.4 Kit

Foto: Schade aan de kitvoeg.
Kitvoegen moeten eens in de drie jaar worden nagelopen en evt. vervangen. Zie het hoofdstuk ' Verwerking '.

22.5 Gebruiksaanwijzing

Het verdient ten zeerste aanbeveling dat door de systeemhouder resp. het stukadoorsbedrijf aan de eigenaar c.q. beheerder van het geïsoleerde object een schriftelijk advies wordt gegeven ten aanzien van onder meer de navolgende gebruiksaspecten:

  • het achteraf bevestigen van zonneschermen, lampen, waslijnen, hekjes en pergola's;
  • wat te doen bij beschadigingen.

Hieraan kan worden toegevoegd:

  • welke kit in een voorkomend geval (niet) te gebruiken;
  • mogelijke mechanische schade bijv. door het tegen de gevel laten vallen van ladders (krachten zijn op te vangen met een dwarsligger);
  • dat ongelijkmatige vervuiling veelal te verhelpen is met geringe aanpassingen;
  • uit te kijken met warmtebronnen (kachels, barbecue etc.) tegen de gevel.

Door de systeemhouder moet instructie worden gegeven nooit zelf te gaan repareren doch bij schades steeds de systeemhouder te raadplegen

  • hoe te handelen bij het leggen van stoepen en/of betontegels of betonstortingen, welke tegen het gevelvlak aansluiten in verband met mogelijke zware puntbelasting op de gevel;
  • welke beplantingen wel of niet tegen de gevelvlakkengrijs mogen worden aangebracht. (Planten of bomen met kruipwortels kunnen onder het maaiveld, indien er ruimte tussen isolatie en muurvlak aanwezig is of ontstaat, een verwoestende werking hebben).

Daarnaast is het van belang, dat de systeemhouder informatie verstrekt met betrekking tot eventuele toekomstige reinigings- c.q. onderhoudswerkzaamheden. Als voornaamste punten moeten hierin naar voren komen:

  • dat reiniging niet mag plaatsvinden met gevelreinigingsmethoden waarbij stoom wordt toegepast;
  • welk type verf op de toegepaste pleister mag worden aangebracht wanneer het systeem moet worden overgeschilderd;
  • dat in verband met de dampdiffusie voor het overschilderen gebruik moet worden gemaakt van een dampdoorlatende verf;
  • dat in verband met het optreden van te hoge oppervlaktetemperaturen bij bezonning voor het overschilderen donkergekleurde verven moeten worden vermeden;
  • dat voor het verwijderen van aangebrachte graffiti, afhankelijk van de aard van het daarvoor gebruikte materiaal, van geval tot geval de systeemhouder zal moeten worden geraadpleegd.

Op de gebruiksaanwijzing moeten verder tenminste de volgende gegevens vermeld te worden:

  • naam en type van het systeem met opbouw (isolatieplaat, mortels);
  • naam en adres van de systeemhouder en het stukadoorsbedrijf dat het systeem heeft aangebracht;
  • welke garantie van kracht is.

23 Garantie

Garantie en kwaliteit gaan hand in hand. Bij gevelisolatie is naast de uitgebreide kwaliteitszorg ook de garantie uitstekend geregeld. Er is sprake van gewaarborgde garantieregelingen. Een van de jongste ontwikkelingen (sinds 1992) op dat gebied is de Garantiefonds Gevelisolatie. Dit fonds geeft garantie op alle systemen met een KOMO-Attest die door haar deelnemers worden uitgevoerd. Naast de garantieregeling van het garantiefonds zijn er garantieregelingen die door systeemhouders worden afgesloten met Centraal Beheer *) en Verzekerd Keur B.V. *) en een aantal andere verzekeringsmaatschappijen, waaronder buitenlandse. Tevens wordt ingegaan op z.g. driehoeksgaranties.

De systeemhouder is verplicht, uit hoofde van zijn overeenkomst met Centraal Beheer *) of Verzekerd Keur B.V. *) , of het stukadoorsbedrijf uit hoofde van zijn overeenkomst met de Garantiefonds Gevelisolatie, alle werken bij betreffende garantiegevers onder te brengen. Mede op verzoek van opdrachtgevers wordt incidenteel toch uit kostenoverwegingen (premie) afgezien van een gewaarborgde garantie. Bij schade heeft men dan wel een probleem. Om misverstanden te voorkomen is het aan te bevelen voor aanvang te laten bevestigen dat het werk onder een gewaarborgde garantieregeling valt.

*) Centraal Beheer beeindigt haar gevelisolatiepolis per 31-12-1999. De afgegeven garantieverklaringen blijven geldig. Verzekerd keur is inmiddels failliet waardoor de door Verzekerd Keur afgegeven garantieverklaringen vaak geen waarde meer hebben.

23.1 Driehoeksgaranties

Goedkoop is duurkoop. Dat is zeker van toepassing op driehoeksgaranties als er schade optreedt. Driehoeksgaranties zijn garanties waarbij stukadoorsbedrijf, systeemhouder en bouwkundig aannemer gezamenlijk tekenen voor de garantie; ieder voor wat betreft zijn eigen aandeel. Zolang er geen schade is, en dat is overigens meestal het geval, is de 'niets-kostende' driehoeksgarantie natuurlijk het gunstigste. Problemen kunnen ontstaan op het moment dat er schade optreedt. Meestal dient in die gevallen de eigenaar aan te tonen wie van de drie partijen de veroorzaker is van de opgetreden schade. Dit is veelal een zeer langdurige zaak, als een onbetwistbare uitspraak al mogelijk is. Daarbij dient nog uitgegaan te worden van het feit dat alle bedrijven die de garantie tekenden, op het moment dat tot herstel moet worden overgegaan nog bestaan en dat zij dan draagkrachtig genoeg zijn.

23.2 Gewaarborgde garantie

Bijna vanaf de eerste toepassing van gevelisolatie zijn er in ons land vormen van gewaarborgde garantie bekend, veelal 'verzekerde garantie' genoemd. Een niet altijd juiste benaming omdat twee van de drie genoemde garantiegevers geen verzekeringsmaatschappijen zijn.

Ervaring leert dat garantieregelingen door bouwkundig aannemers en opdrachtgevers helaas matig tot slecht bestudeerd worden. Het in de literatuurlijst opgenomen boek 'Vijf principes van garanties' geeft criteria waaraan garantieregelingen in het algemeen getoetst kunnen worden. Naast het hierin gestelde ook letten wie op de garantieverklaring c.q. -polis als de begunstigde genoemd wordt en of:

  • al dan niet een aflopende garantie verstrekt wordt. (Een aflopende garantie keert bij schade per jaar minder uit)
  • de steiger onder de garantieregeling valt
  • de BTW-kosten van de eventuele schade ook onder de garantie vallen
  • het gegarandeerde bedrag geïndexeerd wordt
  • alle mondelinge toezeggingen ook schriftelijk in de garantieregeling zijn vastgelegd
  • of schadeuitkering beperkt wordt tot de maximale aanneemsom of slechts een gedeelte van de aanneemsom (gerelateerd aan het vlak waar de schade optreedt)

De gewaarborgde garanties garanderen logischerwijs alleen de uitgevoerde gevelisolatie. Opdrachtgevers realiseren zich echter vaak niet dat navolgende zaken meestal niet onder de garantie vallen:

  • werkzaamheden (al dan niet uitgevoerd door het stukadoorsbedrijf) die niet tot gevelisolatie behoren zoals: kitvoegen, tegels, steenstrips en buitenstucwerk
  • het waterdicht maken van aansluitingen van de ondergrond bijv. met kozijnen
  • het uiterlijk
  • gevolgschade, schade van buitenaf komend e.d.

In dit handboek wordt niet verder ingaan op de garantieregelingen van Centraal Beheer *) en Verzekerd Keur B.V. *) Inhoudelijk en prijstechnisch zijn er overigens verschillen.

23.3 Garantiefonds Gevelisolatie

De Garantiefonds Gevelisolatie is op initiatief van LSGI opgericht. Ondermeer uniek aan deze garantieregeling is dat het garantiefonds de kwaliteitszorg koppelt aan de garantie. Bij het garantiefonds zijn alleen stukadoorsbedrijven aangesloten met een KOMO-Procescertificaat gevelisolatie. Zij mogen alleen systemen toepassen die een KOMO-Attest hebben. Naast stukadoorsbedrijven kunnen ook leveranciers zich bij het garantiefonds aansluiten mits zij systemen leveren met een KOMO-Attest.

IKOB-BKB BV voert de z.g. projectmatige controle uit als omschreven in het hoofdstuk ' Controle '. Brengt IKOB-BKB BV een positief eindrapport uit, dan kan de opdrachtgever een garantiecertificaat krijgen.

Mocht binnen de garantietermijn toch schade optreden, dan zorgt het garantiefonds voor herstel van de schade of voor vervanging. De volledige aanneemsom is grondslag voor de dekking. De schade-uitkering is dus onafhankelijk van de grootte van het bouwdeel waar de schade optreedt. De acceptatie, controle, oplevering of schadeafwikkeling wordt via een uitgebreid, op te vragen, garantiereglement geregeld.

Door het constante toezicht op de kwaliteit, zijn de risico's laag. Hierdoor zijn de kosten van de garantie laag. Daar komt nog bij dat het garantiefonds geen winstoogmerk kent. Ook hoeft bij de premieberekening de BTW op de aanneemsom niet te worden meegeteld. In de garantieregeling en premie is een voorziening voor het steigerwerk opgenomen.

Tien belangrijke argumenten:

  • betrouwbare garantieregeling onder onafhankelijk toezicht
  • voor alle systemen met KOMO-Attest
  • stukadoorsbedrijven met KOMO-Procescertificaat
  • kwaliteitsbewaking vanaf het begin
  • één laag tarief met de mogelijkheid een voorziening voor het steigerwerk benodigd voor de herstelwerkzaamheden mee te nemen
  • bij de premieberekening dient de bij de aanneemsom behorende BTW niet meegerekend te worden
  • onafhankelijke schadevaststelling en vlotte herstelafhandeling
  • geen uitsluiting van verplichtingen uit onderliggende overeenkomst
  • geen eigen risico
  • dekking voor de volledige geïndexeerde aanneemsom

23.5 Tegels en steenstrips

Bij garantie op tegelwerk zijn meerdere partijen betrokken zijn, t.w.: systeemhouder, stukadoorsbedrijf, tegelleverancier, tegellijmfabrikant, tegelzettersbedrijf, kitfabrikant en kitbedrijf. Bij steenstrips is het aantal partijen vaak niet minder. Vaak wordt er per bedrijf garantie gegeven met de consequenties die in dit hoofdstuk eerder zijn omschreven.

Indien tegels toch onder de gewaarborgde garantieregelingen vallen kunnen de garantiebepalingen zich beperken tot het technisch voldoen aan in het hoofdstuk 'Systeemopbouw ' genoemde EN-normen en daarom niet voldoende zijn. Ook komt het voor dat garantieregelingen essentiële zaken uitsluiten.

24 Tot slot

Ondanks dat we over gevelisolatie dit hele handboek hebben kunnen volschrijven wil dit niet zeggen dat het realiseren van een fraai ogende gevelisolatie, van kwalitatief hoog niveau, gecompliceerd is. Het specialisme en de ervaring van het op zijn minst gecertificeerde stukadoorsbedrijf garandeert het uiteindelijke goede resultaat in technisch en esthetisch opzicht.

Met de uitgave van dit handboek willen allen die hieraan meewerkten de kennis over gevelisolatie bevorderen. Daardoor kunnen opdrachtgever, architect, bouwkundig aannemer en eindgebruiker, samen met het de gespecialiseerde stukadoorsbedrijf en systeemhouder, werken aan een optimaal eindresultaat.

25 Literatuurlijst

Bij de realisatie van dit handboek gevelisolatie zijn onderstaande publicaties geraadpleegd:

  • Kwaliteitseisen en verwerkingsvoorschriften voor gevelisolatiesystemen met gepleisterde afwerking. Vervallen BRL 1328/01 d.d. 12 september 1991 Uitgave IKOB-BKB BV .
  • Beoordelingsrichtlijn Buitengevelisolatiesystemen met gepleisterde afwerking. BRL 1328 d.d. 1 februari 1995 Uitgave IKOB-BKB BV .
  • Eigenschappen van bouw- en isolatiematerialen. SBR -publicatie 9 herziene 4e druk 1994.
  • Praktijkervaring gepleisterde buitengevelisolatiesystemen. SBR -publicatie 283 1993.
  • Praktijkhandboek Milieuzorg Schildersbedrijf. 2e druk 1994. Uitgave Bedrijfschap Schildersbedrijf Rijswijk.
  • Vijf criteria van garanties 1994 SBR -publicatie 327.
  • Het groene boekje van Rockwool. 1993 Uitgave Rockwool Roermond.
  • EPS-verpakkingen en ketenbeheer. Optimalisering in Nederland. 1994 Uitgave Stybenex Verpakkingen Zaltbommel.
  • Buitengevelisolatie. 1e druk 1993. Uitgave Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf STS .
  • Warmte- en Vochttransport in Bouwconstructies 1980 Auteurs E. Tammes en B.H. Vos. Uitgave Kluwer Technische Boeken.
  • P6 Stalen steigers opgebouwd uit stalen pijpen die onderling door koppelingen zijn verbonden. Uitgave Inspectiedienst SZW .
  • 5.02 Steigers. Bouwveiligheidsadvies. 1992 Uitgave Stichting Arbouw .
  • De opzichter en arbeidsomstandigheden op de bouwplaats. Checklist op de bouwplaats / Logboek op kantoor. 1993 Uitgave Stichting Arbouw .
  • Inwendige condensatie bij gevels met gelijmde keramische tegels. Rapport 15091 april 1990 Bouwcentrum Advies B.V. in opdracht van Eurocol B.V. uit Wormerveer.
  • Hoogwaardig geïsoleerde gevels. Standaardetails voor baksteenmetselwerk. Uitgave Koninklijk Verbond van Nederlandse Baksteenfabrikanten uit De Steeg.
  • Principe details gevelisolatie SBR -publicatie 238 1991.
  • Gepleisterd Bouwen 1981-1991. Pim W.A. Metman Uitgave Bedrijfschap STS
  • Gevelgids deel 2; Buitengevelisolatie SBR -publicatie 246 1992
  • Buitengevelisolatie, marktoverzicht natte en droge systemen SBR -publicatie 284 1993.

Alle in deze lijst opgenomen SBR-publicaties zijn uitgaven van de Stichting Bouwresearch SBR uit Rotterdam. Alle in de tekst genoemde NEN-normen zijn op te vragen bij het Nederlands Normalisatie Instituut NNI te Delft.

26 Afkortingenlijst

BAGA Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen
BGI Buitengevelisolatie
IKOB-BKB BV B.V. Kwaliteitsverklaringen Bouw
BNA Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond Nederlandse Architecten
BRL Beoordelingsrichtlijn (BRL 1328)
CAO Collectieve Arbeids Overeenkomst
CFK Chloor Fluorkoolwaterstoffen (o.m. drijfgassen)
EGS Nederlandse Vereniging van Erkende Gevelisolatie Systeemhouders EGS
EKB Externe Kwaliteitsbewaking
EOTA European Organisation for Technical Approvals
EPS Geëxpandeerd polystyreen
IKB Interne Kwaliteitsbewaking
LSGI Landelijke Specialisten Gevel-Isolatie
NSG Nederlandse Stichting Geluidhinder
PS Polystyreen
PS 15 Geëxpandeerd polystyreen met een soortelijke massa van 15 kg/m³
PUR Polyurethaan
RvA Raad voor de Accreditatie
RVS Roestvast Staal
SBK Stichting Bouwkwaliteit
SBR Stichting Bouwresearch
SE Schwer Entflammbar = Brandvertragende kwaliteit polystyreen
SROW Standaard Referentiebestek voor Onderhoud en Woningverbetering
SRW Standaard Referentiebestek voor Woningbouw
STS Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf
SZW Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ministerie)
UEAtc Union Europeenne pour l'Agrement Technique dans la Construction
UV Ultraviolet
VESPIN Vereniging van Erkende Specialisten op Isolatiegebied in Nederland (Inmiddels opgeheven)
VROM Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VSB Vereniging van Steiger- en Hoogwerkbedrijven
XPS Geëxtrudeerd polystyreen

Advertentie


Buzz Bouwbuzz
Bouwbuzz is de plek voor informatie over kalkzandsteen. Filmpjes, foto's, interviews, tips.
E-nergie.nl E-nergie.nl
Vergelijk alle energie leveranciers en bespaar honderden euro's door gratis over te stappen.
Hypotheken vergelijken Bizzeker.nl
Bizzeker.nl verstrekt informatie op het gebied van hypotheken, lenen, verzekeren, sparen, pensioen en beleggen.
Wilt u ook hierboven staan?

Bouwnieuws

Geen posts gevonden.
rss

Poll

Ik zie het jaar 2010 vol vertrouwen tegemoet.

Zeer mee eens
Mee eens
Neutraal
Mee oneens
Zeer mee oneens

Nieuwsbrief

Wilt u onze gratis nieuwsbrief ontvangen?
Nieuwsbrief Vul hier uw e-mail adres in:


Laatst toegevoegde bedrijven

De Interieurstudio
TimmermanVacature.nl
GawaloVacature.nl
LaserNed.nl
Baksteencentrum Limburg BV

Bedrijf van de week

Bussman Verhuur B.V.
Categorie: Materieel & Verhuur
Mortelweg 10, 6551 AE
Weurt (Gelderland)

Partners

BouwVacatures op BouwPlanet

Copyright RealLogic © 2003-2008 | Alle rechten voorbehouden | rss
Bouwtrefpunt.nl