Begrippen geografie
Aantrekkingsgebieden: Gebieden die vanwege een aantal kenmerken mensen aantrekken. (Bijvoorbeeld: werkgelegenheid)
Aardbeving: Een plotselinge verschuiving van een deel van de aardkorst, dit heeft een trillende of schokkende beweging als gevolg. Het punt waar de aardbeving ontstaat wordt hypocentrum genoemd, de plek hier loodrecht boven heet het epicentrum.
Aardkorst: Buitenste laag van de aardbol, deze bestaat uit de lithosfeer. Op het continent is de aardkorst 8 tot 40 kilometer dik, onder de oceanen bedraagt deze 5 tot 8 kilometer.
Abyssale vlakte: Groot relatief vlak gebied op de oceaanbodem op 4600 tot 5500 meter diepte. Dit gebied bevindt zich tussen de Mid-Oceanische Rug en het Continentaal Plat.
Aboriginals: De oorspronkelijke bevolking van Australië.
Abrasie: Erosievorm waarbij zandkorrels door water of wind tegen andere stenen worden geslagen, welke op hun beurt uiteen vallen en zo makkelijker getransporteerd kunnen worden.
Acculturatie: Immigranten adopteren steeds meer elementen van de cultuur van de autochtone groep. De eigen culturele identiteit gaat hiermee verloren. Acculturatie is een proces, geen toestand, de omvorming kan erg lang duren.
Afdekgesteente: Compact gesteente dat door zijn dichte structuur geen gassen of vloeistoffen uit onderliggende gesteentelage n kan doorlaten.
Afstand: De kortste weg tussen twee punten. Afstand is onder te verdelen in:
a- Absolute afstand: Afstand uitgedrukt in kilometers, hemelsbreed gemeten.
b- Relatieve afstand: Afstand uitgedrukt in tijd, kosten en moeite.
Afstotingsgebieden: Gebieden die vanwege een aantal kenmerken mensen afstoten. (Bijvoorbeeld: werkloosheid)
Agency: De vrije wil van een individu om te handelen en keuzes te maken. Hiermee kan hij een verandering teweeg brengen in een heersende structuur. De agency is tegengesteld aan het structuralisme waarbij het individu reageert zoals men van hem verwacht. Wanneer andere individuen (agents) de alternatieve handeling tegen de structuur imiteren, ontstaat er uiteindelijk een nieuwe structuur. (Latijns: agere = handelen)
Agglomeratie: Een stedelijk gebied, deze bestaat uit een stad met de daaraan vastgegroeide randgemeenten.
Aggradatie: Het stijgen van een rivierbedding door constante sedimentatie. Tegenovergestelde van degradatie.
Albedo: Percentage elektromagnetische straling (zonnestralen) dat gereflecteerd wordt door een object (aarde).
Een wit object weerkaatst al het licht en heeft daarmee een albedo van 1,0. Een zwart object absorbeert alle lichtstralen en heeft een albedo van 0,0.
Allochtoon: In Nederland woonachtige persoon die in het buitenland is geboren (1 e generatie), of waarvan tenminste één van de ouders in het buitenland is geboren (2 e generatie). (Grieks: = andere aarde)
Altiplano: Hooggelegen plateau, basin of vallei tussen nog hogere bergruggen. Dit komt voornamelijk voor in het Andes-gebergte.
Amalgamatie: Amerikaanse . Immigranten met verschillende afkomst vormen samen een nieuwe cultuur.
Anarchie: Een samenleving zonder leiders en wetten.
Antropologie: de wetenschappelijke studie die zich bezighoudt met het bestuderen van het gedrag van de mens. Hierbij bestudeert men de biologische en het culturele verleden van de volken en vergelijkt men deze met de huidige samenlevingen.
Apartheid: Overheidsbeleid in Zuid-Afrika waarbij mensen op maatschappelijk en juridisch gebied van elkaar werden gescheiden op grond van ras. Dit beleid werd in 1992 officieel afgeschaft.
Aphelion: Tijdstip waarop de aarde het verst van de zon af staat, namelijk 3 juli. (Tegenovergestelde van Perihelion)
Aquiclude: Laag in de ondergrond die geen water door laat, bijvoorbeeld graniet, marmer of leisteen.
Aquifer: Een ondergronds reservoir van water, dit bevindt zich in een poreuze, waterhoudende steenlaag.
Archipel: Ketting van vulkaaneilanden langs een breukzone, waarbij de toppen van de vulkanen boven de zeespiegel uitsteken.
Arctisch verdrag: In 1961 tekenden coöperatieve landen een verdrag waarin werd vastgelegd dat Antarctica alleen zou worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Het verbood militaire activiteiten en beschermd het milieu. Dit verdrag verliep in 1991.
Assimilatie: Eindtoestand van het acculturatieproces, immigranten hebben nu de gehele cultuur van de autochtone bewoners overgenomen. De verschillen onderling zijn helemaal verdwenen.
Asteroïde: Hemellichaam met een diameter van enkele meters tot 1000 kilometer. Asteroïden bevinden zich in ons zonnestelsel voornamelijk in banen tussen Mars en Jupiter. Een ander woord voor asteroïde is planetoïde.
Asthenosfeer: Plastische laag in de aardmantel net onder de lithosfeer op 60 tot 150 kilometer diepte. (Grieks = zonder weerstand)
Atmosfeer: De laag van lucht rond de aarde, deze komt tot ongeveer 10.000 kilometer hoogte. De atmosfeer bestaat voor 78% uit stikstof en voor 21% uit zuurstof. De dichtheid van de atmosfeer is het grootst bij het aardoppervlak, deze wordt kleiner naarmate men hoger komt.
Atol: Cirkel van koraaleilanden met daarbinnen lagune waarin zich geen eiland bevindt. Dit is een overblijfsel van een vulkanisch eiland.
Autarkie: Systeem waarin men onafhankelijk is en men zelfvoorzienend is met betrekking tot het levensonderhoud.
Authenticiteit: Verschijnsel dat als echt, origineel en oorspronkelijk wordt ervaren. Bijvoorbeeld een oude boerderij of een traditionele dans. Het is een maakbaar begrip, wanneer een groep mensen besluit dat een verschijnsel als authentiek geldt, dan is het vanaf dat moment voor hen authentiek. Authenticiteit wordt daarmee geconstrueerd en gereproduceerd.
Autochtoon: In Nederland woonachtige persoon waarvan de beide ouders in Nederland zijn geboren, daarbij maakt het niet uit waar de persoon zelf is geboren. (Grieks: = dezelfde aarde)
Autonomie: De onafhankelijkheid van een gebied binnen een grotere staat.
Autoriteit: Het recht (tegenover de mogelijkheid) om een bepaald besluit te nemen en opdracht geven tot gehoorzaamheid.
Backwash-effect: Verschijnsel waarbij mensen en bedrijven uit een gebied wegtrekken naar een welvarender regio, er blijven steeds minder voorzieningen over zodat nog meer mensen ervoor kiezen om te vertrekken. De economische situatie van het gebied bevindt zich in een neerwaartse spiraal.
Badlands: Erosielandschap dat voor komt in gebieden met droge klimaten. Door stromend water worden diepe geulen gevormd, dat gebeurt in zo'n hoog tempo dat planten geen kans krijgen om zich erin te wortelen.
Barrio: Stadswijk in Midden- en Zuid-Amerika. De term wordt ook wel toegekend aan concentratiegebieden van Spaanstaligen in westelijke steden van de Verenigde Staten. (Spaans: = buurtschap)
BBP: (Bruto Binnenlands Product) De totale waarde van alle goederen en diensten die een land in een jaar produceert, de inkomsten die een land verkrijgt uit eerdere investeringen in het buitenland worden hier niet bij gerekend. Het BBP staat voor de economische activiteit op een bepaald grondgebied.
Bestemmingsplan: Plan van de gemeente, hierin worden plannen voor de invulling van een stuk grond en de gebouwen die erop staan gedetailleerd uitgewerkt.
Bevolkingsdichtheid: Het gemiddeld aantal inwoners per eenheid landoppervlak (meestal per vierkante kilometer)
Bevolkingsdichtheid (Fysiologisch): Aantal mensen dat door een km 2 landbouwgrond kan worden voorzien van vo edsel.
Bevolkingspolitiek: Beleid dat gericht is op de uitoefening van controle op de omvang, samenstelling en verspreiding van de bevolking.
Bifurcatie: Zeldzaam verschijnsel waarbij een rivier zich opsplitst in twee takken die elk deel uitmaken van een ander stroomgebied. Voorbeeld hiervan is de Orinoco in Venezuela, deze heeft een aftakking naar de Amazone in Brazilië.
Bilaterale samenwerking: Samenwerking op basis van een akkoord tussen twee regeringen.
Biogeografie: De studie die vaststelt welke groepen dieren en planten kenmerkend zijn voor bepaalde gebieden en hoe de tegenwoordige ruimtelijke spreiding zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld.
Biome: Mondiale natuurlijke regio zoals tropisch regenwoud, savanne, toendra.
Biosfeer: De levenslaag waar de atmosfeer, hydrosfeer en de lithosfeer bij elkaar komen.
Bodem: Bovenste laag van de aarde, deze is ontstaan door verwering van het oorspronkelijke gesteente. De bodem bevat voedingsstoffen en water waarvan de planten leven.
BNP: (Bruto Nationaal Product) De totale waarde van alle goederen en diensten die een land in een jaar produceert, hierbij worden de inkomsten gerekend die een land verkrijgt uit eerdere investeringen in het buitenland. Het BNP staat voor het totale inkomen van een land.
Braindrain: Hoger opgeleiden verlaten de arme landen omdat zij in het Westen een veel hoger inkomen kunnen verdienen.
Branding: Plaats voor de kust waar de zee ondiep wordt en de golven steiler worden en overslaan.
Brikgrond: Bodemtype die gekenmerkt wordt door een inspoelingslaag waarin lutum is ingespoeld.
Bron: Plek waar het grondwater uit zichzelf uit de grond stroomt. Dit kan gebeuren op plekken waar de grondwaterspiegel het aardoppervlak snijdt, en op plekken waar het water door spleten of breuken uit de grond komt.
Buitenechtelijk vruchtbaarheidscijfer: Het totale aantal levendgeborenen per 1000 niet-gehuwde vrouwen tijdens de vruchtbare leeftijd van 15 t/m 45 jaar.
Bureaucratie: Organisatievorm van de overheid die zich kenmerkt door trage procedures en grote invloed van de ambtenaren.
Caldera: Stratovulkaan met een afgeblazen top, deze is weggeblazen bij een eruptie. Er is op de top een grote krater achtergebleven, hierin ontstaat vaak een meer.
Capillaire opstijging: Opstijgen van grondwater door poriën in de daarboven liggende grondlaag. Hierbij geldt: Hoe kleiner de poriën, hoe hoger de stijging. Zand zorgt dus voor weinig stijging, klei voor veel.
CBD: (Central Busines s District) Gebied in het centrum van een stad met veel bedrijven en kantoren.
Centralisatie: Concentratie van macht in de handen van de centrale overheid, dit ten nadele van de lagere overheidsniveaus.
Centrifugale krachten: Krachten die betrekking hebben op het uiteenvallen van een staat, dit kan voortkomen uit religieuze, taalkundige, etnische of ideologische verschillen binnen een land.
Centripetale krachten: Krachten die betrekking hebben op het bijeenhouden van een staat, dit kan voortkomen uit een sterke nationale cultuur, gedeelde ideologieën of een gedeeld geloof binnen dat land.
CIF: (cost insurance freight) Een bedrijf verkoopt zijn producten in een bepaald gebied tegen een vaste prijs, de transportkosten hebben hierop geen invloed.
Clan: Unilineaire afstammingsgroep die haar afkomst ontleent aan een veronderstelde gemeenschappelijke voorouder, echter zij kunnen hun onderlinge relaties niet altijd traceren. Een clan omvat meerdere generaties dan een lineage, het is een verzameling van verwante lineages.
Cliëntelisme: Politieke beloning voor bewezen diensten – Vriendjespolitiek
Cluster: Een geografische concentratie van bedrijven. Deze bedrijven kunnen een samenwerkingsverband hebben, maar meestal beconcurreren ze elkaar. Door zich bij elkaar te vestigen kunnen de bedrijven gezamenlijk gebruik maken van bepaalde voorzieningen, waardoor de kosten dalen. Door de goedkopere kosten werkt een cluster als een magneet op andere bedrijven. Tezamen creëren zij een grotere reikwijdte.
Cognatische afstamming: De afstamming van een persoon wordt teruggerekend via de mannen vrouwen. Er is hierbij echter geen mannelijke of vrouwelijke afstammingslijn te volgen. (is anders dan unilineaire afstamming)
Commercie: De ruilhandel van goederen tussen verschillende landen en regio's. (Antropologisch)
Commodificatie: Het toekennen van bepaalde kenmerken of eigenschappen aan een plek met het doel om deze plek een bepaalde meerwaarde te geven ten opzichte van andere plekken. Niet verkoopbare verschijnselen worden hierbij verhandelbaar gemaakt, bijvoorbeeld een rijk verleden, stilte of rust.
Communisme: Een politieke stroming dat uitgaat van de ideale situatie dat alle productie- en consumptiemiddelen gemeenschappelijk eigendom van de staatsburgers moeten zijn. Dit zou een eind maken aan de verschillen tussen arm en rijk.
Community: Een groep mensen die een bepaalde omgeving deelt, dit kan zowel een fysieke omgeving zijn als een virtuele. De leden van een community hebben een gedeelde interesse en/of achtergrond. De onderlinge relaties staan hierbij centraal. (Latijns: communitas = samen diensten)
Complementariteit (regionale): Situatie waarbij twee verschillende regio's elkaar aanvullen. Een voorbeeld hiervan is Korea: Noord-Korea bezit grondstoffen, Zuid-Korea heeft grote hoeveelheden voedsel.
Compound farming: Vorm van landbouw waarbij de afvalstoffen van het dorp of huis worden gebruikt voor de bemesting van het land. Het land wordt intensief bewerkt om zo genoeg eten te produceren voor het dorp.
Confederatie: Staatsvorm van onafhankelijke deelstaten die op basis van een gezamenlijk verdrag een staat vormen.
Constitutionele monarchie: Vorm van monarchie waarbij de macht van het staatshoofd wordt geregeld door de grondwet, deze bevat zowel rechten als beperkingen voor deze macht. Voorbeeld van een constitutionele monarchie is Nederland.
Constructie: (culturele geografie) Proces waarbij een plaats wordt onderscheiden van zijn omgeving. Hierbij krijgt de plaats een naam en worden bepaalde betekenissen en eigenschappen aan deze plaats toegekend. De betekenis komt tot stand door communicatie over, gedrag met betrekking tot en inrichting van deze plaats. Belangrijk bij deze toekenning van eigenschappen en betekenissen is de positie van de diverse belanghebbenden. Een machtige actor heeft veelal meer invloed op de beeldvorming van de plaats dan de andere actoren.
Containment: Geo-politieke strategie van de VS tijdens de Koude Oorlog, met als doel het Communistische blok in te sluiten, dit om te voorkomen dat het zich uit zou breiden.
Continentale helling: Steile helling op de oceaanbodem, deze bevin dt zich tussen het continentale plat (-150 m) en de abyssale vlakte (-4600 meter).
Continentale plat: Ondiepe, langzaam dalende zeebodem in margine van het vasteland. Het diepste punt van ± 150 meter wordt op 120 tot 160 km vanaf de kust bereikt. Hierna begint de continentale helling.
Conurbatie: Een samensmelting van twee of meerdere stedelijke gebieden. (Voorbeeld: De Randstad) Een andere naam hiervoor is: stedelijke zone.
Cordillera: Bergketen die bestaat uit parallel gelegen bergruggen. Dit komt met name voor in het Andes-gebergte in het noordwesten van Zuid-Amerika.
Coriolis effect: Hiermee kan men zien of men zich op het noordelijk halfrond bevindt dan wel op het zuidelijk halfrond. Op het noordelijk halfrond draait een object in het water rechtsom en op het zuidelijk halfrond linksom.
Corona: De hete buitenste laag van de zon, deze is vanaf de aarde alleen te zien tijdens een zonsverduistering.
Corridor: Smal, lang uitsteeksel van een land dat tot diep in andere landen doordringt of het land een verbinding geeft met de zee.
Corrosie: Vorm van chemische verwering waarbij gesteente oplost in water.
Creoolse taal: Mengtaal van lokale talen gekoppeld aan een hoofdtaal. Deze hoofdtaal is meestal afkomstig van een voormal ig kolonisator.
Cultureel pluralisme: Een samenleving waarin twee of meerdere bevolkingsgroepen hun eigen cultuur hebben, ze leven naast elkaar maar ze vermengen zich niet. (Voorbeeld: Canada)
Cultureel relativisme: Het beoordelen van een andere cultuur op basis van de normen en waarden van die cultuur zelf. Het accent wordt gelegd op het verschil; het unieke van een cultuur wordt benadrukt. Het tegenovergestelde hiervan is etnocentrisme. (Antropologisch)
Cultuur: Het aangeleerde patroon van gedachten en gedragingen dat kenmerkend is voor een groep mensen. Aan de hand van dit gedeelde kader geeft deze groep waardering en betekenis aan de wereld. (cultureel geografisch)
Cumulatieve causatie: Theorie waarbij het centrum van een gebied voortdurend in ontwikkeling is, deze ontwikkeling gaat meestal ten koste van de periferie.
Cycloon: Zie orkaan
Dauw: Neerslag die ontstaat wanneer waterdamp aan een vast voorwerp condenseert. Het kan alleen ontstaan wanneer de temperatuur van de lucht daalt tot onder het dauwpunt.
Dauwpunt: Temperatuur en druk waarbij de waterdamp in de lucht verzadigd is en er condensatie optreedt.
De facto: Standaarden die overal geaccepteerd worden maar die niet geregeld zijn via de wet. (Voorbeeld: de verschillende bevolkingsgroepen in de V.S., zij hebben eigen talen maar dit is niet bij de wet geregeld.)
De jure: Standaarden die zijn vastgelegd via de wet. (Voorbeeld: de bij de wet geregelde verschillende bevolkingsgroepen in Canada.)
De-agrarianisatie: Proces waarbij de peasants in de ontwikkelingslanden een steeds groter deel van hun inkomen verdienen met bijbaantjes zoals: ambacht, handel, transport, loonarbeid. Landbouw blijft hierbij echter wel de kern van het bestaan.
Debiet: De hoeveelheid water dat per seconde door een dwarsdoorsnede van een rivier stroomt, meestal uitgedrukt in m 3 /s.
Degradatie: Het insnijden van rivier in het landschap zodat er uiteindelijk een kloof ontstaat. Tegenovergestelde van aggradatie.
Delta: Stelsel van vertakkingen van een rivier, voordat deze in een groot wateroppervlak uitmondt (zee of meer). In dit gebied neemt de stroomsnelheid van de rivier af en laat het zijn meegevoerde sedimenten vallen waardoor uiteindelijk nieuw land wordt gevormd. De naam is afgeleid van de Griekse letter delta Δ, dit komt door de meestal driehoekige vorm van het gebied.
Democratie: Bestuursvorm waarbij de regering door de meerderheid van het volk wordt gekozen. De burgers hebben in dit systeem gelijke rechten en plichten. Een belangrijk aspect van de democratie is dat de drie machten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht) elkaar controleren en corrigeren. (Grieks: = volk regeren)
Demografie: De studie van de oorzaken en de gevolgen van de veranderingen in omvang en samenstelling van de bevolking.
Demografische druk: Het aantal mensen van de niet-productieve bevolking (0 t/m 19 jaar en 65 jaar en ouder), uitgedrukt als percentage van de productieve bevolking.
Demografische transitie: Overgang van een situatie die gekenmerkt wordt door hoge geboorte- en sterftecijfers naar een situatie met lage geboorte- en sterftecijfers.
Desurbanisatie: Migratiebeweging waarbij mensen wegtrekken uit de stad en zich vestigen in de landelijke gebieden ver buiten de agglomeratie.
Devolutie: Het proces waarbij regio's in een staat meer politieke macht en autonomie krijgen ten koste van de centrale regering.
Diaspora: Ruimtelijke verspreiding van een groep mensen met dezelfde oorsprong over verschillende gebieden. Oorspronkelijk was het begrip vooral van toepassing op de Joden. Zij waren verdreven uit Israël en zochten nieuwe woonplaatsen over de hele wereld. Door deze gedwongen migratie riep diaspora in eerste instantie vooral negatieve associaties op. Tegenwoordig worden ook andere verspreidingen van bevolkingsgroepen over de hele wereld aangeduid als diaspora. Bijvoorbeeld de verspreiding van Libanezen, Chinezen, internationale studenten en reizigers. (Grieks: dia speiro = terzijde spreiden)
Dictatuur: Bestuursvorm waarin meestal één pers oon het voor het zeggen heeft, hierbij worden andersdenkenden en tegenstanders van de heerser onderdrukt. Een dictatuur is het tegenovergestelde van een democratie.
Dieptegesteente: Stollingsgesteente dat gekenmerkt wordt door grote kristallen, deze zijn met het blote oog te onderscheiden. Dit komt doordat de afkoeling van het gesteente heel langzaam verlopen is.
Discourse: Theoretisch raamwerk waarin betekenissen tot stand komen, dit helpt mensen de wereld te begrijpen. Het is een manier waarop de wereld bekeken wordt, een manier van praten en denken over bepaalde onderwerpen en een manier waarop verschijnselen worden gerepresenteerd. In de Nederlandse samenleving zijn vier discourses dominant, namelijk de wetenschappelijke, de professionele, de populaire en de lekendiscourse.
Discriminatie: Het ongelijk behandelen van personen of groepen op basis van kenmerken, die in de gegeven situatie niet relevant zijn. Het verschil met vooroordelen is dat het bij discriminatie niet alleen gaat over wat iemand denkt, maar vooral om wat men zegt en doet.
Disneyficatie: Proces waarbij een gebied steeds meer kenmerken krijgt van een pretpark. Hierbij wordt een nieuwe plaats gecreëerd waarin mensen een perfecte versie van de werkelijkheid moeten ervaren. De plaats is gemakkelijk te begrijpen en veilig voor iedereen. Problemen zoals verval, armoede en verkeersdrukte worden zoveel mogelijk weg gewerkt. De omgeving wordt dusdanig ingericht dat het consumptiegedrag bij de mensen wordt gestimuleerd.
Dobbe: Meertje dat door een wal omringd wordt. Een dobbe ontstaat vaak in de depressie van een pingoruïne. Dobben kunnen ook kunstmatig aangelegd zijn, een gegraven drinkwaterpoel op een terp wordt ook vaak een dobbe genoemd.
Doline: Depressie in het kalkstenen landschap, deze ontstaat wanneer een grotsysteem instort. (Sloveens: = dal)
Domino-theorie: Geo-politiek idee van de VS uit de Koude Oorlog, op basis van de gedachte: Wanneer één land overgaat tot het Communistische blok dan zullen er meer volgen.
Donk: Geïsoleerde hoge plaats met zandgrond in een rivierlandschap, deze is ontstaan door windafzettingen tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien. Donken worden ook wel rivierduinen genoemd.
Doodijsgat: Groot meer op een plek waar vroeger een achtergebleven blok ijs van een gletsjer gelegen heeft. Het smeltwater van dit blok zette aan de randen van dit blok sedimenten af, zodoende is er een ‘gat' ontstaan, hierin vormt zich meestal een meer.
Doodtij: Minimaal verschil tussen de waterstanden bij eb en vloed, dit komt doordat de lijnen van de aarde-maan en de aarde-zon loodrecht op elkaar staan. De zwaartekrachtvelden van de maan en zon werken elkaar tegen, dus het water wordt nu minder aangetrokken.
Doorstarters : Snel groeiende nieuw e bedrijven. Er worden twee typen onderscheiden, de gazelle (minder dan 100 werknemers) en de tijger (meer dan 100 werknemers).
Draagvlak: Potentiële klantenkring van een voorziening. Wonen er genoeg klanten in de buurt die gebruik kunnen maken van een voorziening?
Drempelwaarde: Het minimale aantal klanten dat gebruik moet maken van een voorziening, zodat deze kan blijven bestaan.
Droogmakerij: Een door dijken omringd gebied, waarin de grondwaterstand kunstmatig wordt geregeld. Op de locatie van een droogmakerij heeft vroeger water gelegen. Een droogmakerij is een soort polder.
Drumlin: In het Saalien gevormde heuvel van keileem. In ijstijden ontstonden stuwwallen aan de zijkanten van het oprukkende ijs. Wanneer er genoeg kracht in de gletsjer aanwezig was brak hij door de zwakste punten van de wal heen, zo bleven uiteindelijk afzonderlijke heuvels over. Voorbeelden hiervan zijn o.a. Texel, Wieringen, Urk en Schokland.
Duinen: Door de wind gevormde zandheuvels langs kusten, rivieren en in woestijnen. Duinen ontstaan wanneer de wind greep krijgt op droog fijn zand. De zandkorrels worden opgetild en vervolgens getransporteerd naar een plek waar het minder hard waait. Op deze plek worden de zandkorrels verzameld en vormen ze tezamen een heuvel.
Echtscheidingscijfer: Het aantal huwelijksontbindingen door echtscheiding per 1000 gehuwde mannen per jaar.
Eclips: Verschijnsel waarbij een hemellichaam een ander hemellichaam voorlangs passeert. Het geproduceerde of weerkaatste licht van het achterste object wordt hierbij verduisterd, vanaf aarde kan men die niet meer zien.
Ecologie: De wetenschap die organismen bestudeert in relatie tot hun milieu, die de relaties tussen de soorten bestudeert, en tussen organismen van dezelfde soort. (Grieks: = huishouding wetenschap)
Ecologische hoofdstructuur: De bestaande en nieuwe natuurgebieden in Nederland en het netwerk dat die gebieden met elkaar verbindt.
Economische Geografie: De studie die zich bezighoudt met de ruimtelijke aspecten van productie, distributie en consumptie van de mensen.
Ecosysteem: Bepaald gebied waarin een evenwicht bestaat tussen alle levende organismen en de niet levende omgeving.
Eemien: Het interglaciaal tussen de ijstijden Saalien en Weichselein. Deze periode duurde van 130.000 tot 120.000 jaar geleden.
Eerdgrond: Bodemtype die gekenmerkt wordt door een dikke laag humus aan de oppervlakte. Deze bodem is meestal ontstaan door de mens opgebrachte mest welke inmiddels veraard is. De eerdlaag heeft een donkerbruine tot zwarte kleur en het oorspronkelijke plantaardig materiaal is niet meer te herkennen (dit maakt een eerdgrond anders dan een veengrond).
EEZ: (Exclusieve Economische Zone) Zone die 200 zeemijlen vanaf de kust van een land bestrijkt. Het land heeft alle economische rechten over dat stuk zee. Landen mogen dit verhuren, verkopen, exploiteren zoals ze het zelf willen.
Ejidos: Na de revolutie in de Zuid-Amerikaanse landen werden de hacienda's omgedoopt tot ejidos. Deze landbouwbedrijven worden door minstens 20 gezinnen gerund.
El niño: Periodiek verschijnsel, waarbij rond de evenaar op de Grote Oceaan een westenwind waait in plaats van een oostenwind. Het warme zeewater wordt nu van Azië naar Zuid-Amerika verplaatst. Het gevolg hiervan is dat er minder neerslag valt in Indonesië en meer in Zuid-Amerika.
Emigratie: Het vertrekken uit een land om zich ergens anders te vestigen.
Enclave: Een land dat geheel omsloten wordt door het grondgebied van een ander land. Voorbeeld hiervan is Lesotho in Zuid-Afrika.
Enculturatie: Het proces van leren waarbij de ouderen de cultuur doorgeven aan de jongere generatie.
Endemie: Het continu voorkomen van een bepaalde ziekte binnen een bevolkingsgroep in een bepaald gebied, het aantal ziektegevallen blijft lange tijd binnen bepaalde grenzen. Het betreft een ziekte die wordt overgebracht door wormen en muggen. Een voorbeeld van een endemische ziekte is malaria.
Endogamie: Het trouwen, naar cultureel vastgestelde regels, met iemand uit de eigen groep.
Epidemie: Een opvallende, binnen een korte periode plaatshebbende toeneming van het aantal gevallen van een besmettelijke ziekte in een bevolkingsgroep. Het betreft een ziekte die zich verspreidt door middel van een virus. Een voorbeeld van een epidemische ziekte is het ebolavirus.
Equinox: Gebeurtenis tijdens de aardrevolutie waarbij de zon loodrecht boven de evenaar staat en de dag overal op aarde 12 uur duurt. Er vinden tijdens een aardrevolutie twee equinoxen plaats, namelijk de lente equinox op 21 maart en de herfst equinox op 23 september. Deze data markeren het begin van de seizoenen lente en herfst.
Erg: Zandwoestijn in de Sahara.
Erosie: Slijtage van het oppervlak door inwerkende krachten van wind, water en ijs, het afgesleten oppervlak wordt door middel van deze media verplaatst. Erosie is niet hetzelfde als verwering, want verwering breekt alleen af en vervoert niet.
Esdorp: Dorp op de zandgronden met een groepering van boerderijen rondom een centrale brink. Het gebied rondom het dorp is opgebouwd uit drie hoofdonderdelen:
- Akkerbouwgronden die met mest zijn opgehoogd.
- Veeteeltgebieden in de lagere gedeelten.
- Woeste gronden voor de schapen op de hogere gedeelten.
Esker: Langgerekte heuvelrug van zand en grind, deze is gevormd onder een gletsjer. Door smeltwater in de gletsjer ontstaan er tunnels waardoor het water wordt afgevoerd. Dit water neemt sedimenten mee en zet deze af in de tunnel. Wanneer de gletsjer smelt dan blijft er een heuvelrug over.
Estuarium: Trechtervormige monding van een rivier waarin het rivierwater zich vermengt met het zeewater. Het getijverschil is tot ver landinwaarts merkbaar. (Bijvoorbeeld de Dollard en de Westerschelde)
Etniciteit: Een sociaal geconstrueerd systeem van regels van wie wel en wie niet tot een bepaalde groep behoort.
Etnocentrisme: Men stelt het eigen volk centraal, van daaruit beoordeelt men andere volkeren. Dit is het tegenovergestelde van cultureel relativisme. (Antropologie)
Etnografie: Onderdeel van de culturele antropologie die de afzonderlijke samenlevingen en culturen bestudeert door middel v an veldwerk. Er worden hierbij nog geen vergelijkingen gemaakt met de andere culturen.
EU: (Europese Unie) Supranationale organisatie van 27 Europese landen met als doelstelling de lidstaten economisch verder te ontwikkelen en integreren.
Eutrofiëring: Toenam e van de voedselrijkdom in het oppervlaktewater door fosfaten en nitraten.
Evaporatie: Verdamping vanuit niet levende oppervlakten .
Evapotranspiratie: Alle verdamping, dus de verdamping vanuit de levende organismen en de verdamping vanuit de niet levende oppervlakten.
Exclave: Grondgebied van een land dat gescheiden wordt van de rest door een tussenliggend land. Voorbeeld hiervan is Kaliningrad dat door Litouwen van Rusland wordt gescheiden.
Exogamie: Het trouwen, naar cultureel vastgestelde regels, met iemand buiten de eigen groep.
Extraterritorialiteit: De bevolking van een land is gevrijwaard van vervolging in een ander land. Wanneer iemand van criminele activiteiten wordt verdacht dan kan men hem in dat land niks maken.
Farmer: Moderne boer in industrielanden. Deze boer produceert voor de markt.
Favela: Sloppenwijk in Brazilië.
Federatie: Een land waarbij de soevereiniteit is verdeeld tussen het geheel en de deelstaten, ze hebben elk een eigen rechtsordening.
Feodalisme: Stelsel waarbij mensen een gedeelte van hun opbrengst moeten afstaan aan een landheer, in ruil hiervoor worden ze door de landheer beschermd.
Fjord: Diepe, steile, lange, ondergelopen vallei aan de kust, deze is ontstaan door het slijtwerk van een gletsjer. Voorbeelden van fjorden zijn te vinden in Noorwegen.
FOB: (Free on board) De prijzen voor een bepaald product zijn overal verschillend, dit komt doordat de koper ook voor de transportkosten moet opdraaien.
Footloose: Industriële bedrijven die minder gebonden zijn aan bepaalde vestigingsplaatsen. Dit komt doordat de transporttechniek en infrastructuur verbeterd is, hierdoor is de vestiging dichtbij de grondstoffen niet langer noodzakelijk.
Fordisme: Bedrijfsstructuur waarbij het bedrijf zoveel mogelijk activiteiten bij zichzelf onderbrengt, men produceert veel zonder echt rekening te houden met de wensen van de consumenten. Kenmerken van het Fordisme zijn: Massaproductie, Routine-arbeid en Verticale integratie.
Formal politics: Wetten die een regering stelt waaraan de burgers zich moeten houden. Dit staat tegenover Informal politics.
Fort: Plateauvormige verhoging in een stuifzandlandschap dat is ontstaan door reliëfinversie. Deze reliëfinversie is tot stand gekomen door de aanwezigheid van veen in de ondergrond. Een fort wordt gekenmerkt door steile randen aan de zijkanten van het plateau. Hiermee kan een fort visueel van andere heuvels in het zandlandschap worden onderscheiden.
Forward capital: Vooruitgeschoven hoofdstad in de richting van een betwist gebied, meestal dichtbij de grens. Hiermee wil een staat zijn aanwezigheid in het gebied tonen. (Voorbeeld: Islamabad in Pakistan) Een forward capital kan ook de functie hebben om een bepaald gebied in een land te ontwikkelen. (Bijvoorbeeld: Brasilia in Brazilië)
Fossiel: Alle versteende resten van planten en dieren die vroeger geleefd hebben, en de resten van hun activiteiten.
Franchising: Een bestaan bedrijf in het buitenland, krijgt tegen betaling toestemming om een bepaald product te maken of winkelformule te gebruiken.
Frontier: Overgangsgebied tu ssen de beschaafde wereld en de wildernis.
Fundamentalisme: Het handelen vanuit orthodoxe theologische normen en waarden, er is daarbij geen ruimte voor onderhandelingen.
Fysisch determinisme :Het idee dat de culturele en sociale verhoudingen binnen een samenleving worden bepaald door de natuurlijke omgeving.
Fysische geografie: De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van aspecten van de niet-levende wereld. Bijvoorbeeld: Geologie, Meteorologie en Bodemkunde.
Gaze: Het oogkleppenperspectief waarmee de omgeving bekeken wordt. Doordat de kijker de omgeving met een vooropgezet idee benadert, zal hij alleen de aspecten zien waarmee zijn beeld bevestigd wordt. Aspecten die niet aan het beeld voldoen worden hierbij, al dan niet bewust, genegeerd. Voorbeeld is de tourist gaze. Dit is de blik waarmee een toerist de omgeving waarneemt, vaak met dezelfde ogen als de lens van de camera. Men is constant op zoek naar een plek die de moeite waard is om te fotograferen.
Geboortecijfer (bruto): Het aantal levendgeborenen per 1000 van de gemiddelde bevolking in een jaar.
Gecekondu: Sloppenwijk in Turkije. (Turks: = in één nacht gebouwd)
Getto: Gebied in een stad waar mensen met eenzelfde status samenwonen. Dit kan komen door gentrification en segregatie.
Geiser: Een waterbron die wordt opgewarmd door magma in de bodem. De druk van de bron wordt steeds hoger totdat die te hoog wordt en de waterdamp onder hoge druk naar buiten wordt gespoten. Dit water koelt daar weer af en stroomt weer terug het gat in. Daar herhaalt het proces zich.
Gelifluctie: Een met water doordrenkte bodem vloeit als modder weg van een bevroren helling.
Gemeinschaft: Heeft betrekking op de sociale omgangsvormen van de traditionele maatschappij. Mensen gaan op een directe en diepgaande manier met elkaar om. Gemeinschaft is ingevoerd door de Duitse socioloog Tönnies, als tegenhanger van Gesellschaft.
Gender: Door de maatsc happij gedefinieerde rolverdeling tussen man en vrouw, de gedragingen die verwacht worden bij de verschillende geslachten. Gender is wat anders dan geslacht. Het is meer gericht op sociale verschillen tussen man en vrouw, geslacht is gericht op de anatomische verschillen.
Gentrificatie: Proces waarbij burgers uit de midden- en bovenklasse intrekken in een arbeidersbuurt. Deze stroom is op gang gezet door investeringen in de vorm van renovaties en saneringen. Dit gaat samen met een waardevermeerdering voor de algehele buurt waarmee de prijzen van de woningen stijgen. De armere bewoners kunnen deze nieuwe geldbedragen niet meer opbrengen en zijn genoodzaakt naar andere plekken te verhuizen. (Engels: gentry = mensen van goede afkomst)
Geologie: De studie die zich bezighoudt met de samenstelling, structuur en de ontstaansgeschiedenis van de aarde.
Geologische norm: Evenwichtssituatie bij erosie. Hierbij verdwijnt de bovenlaag met zo'n langzaam tempo, dat het nieuwe verweringsmateriaal van de onderliggende laag de bodem stabiel houdt. De bodemlaag blijft hierbij even dik en de bodemhorizonten blijven intact.
Geologische tijdschaal: Schematische weergave van de opeenvolging van gesteentelagen in de ondergrond, de lagen worden hierbij g eordend in tijd. De geologische tijdschaal is gebaseerd op de wet van superpositie: de jongste laag ligt boven en de oudste onder. De meeste overgangen van de tijdseenheden zijn gerelateerd aan veranderingen in het klimaat.
Geopolitiek: Studie van de geografische verdeling van politieke macht tussen de staten.
Geopolitik: De Nazi-interpretatie van geopolitiek, misbruikt ter rechtvaardiging van de uitbreiding van het Duitse Rijk.
Gerrymandering: Veranderingen aanbrengen in kiesdistricten om zo toch voordeel te behalen tijdens de verkiezingen.
Gesellschaft : Heeft betrekking op de sociale omgangsvormen van de moderne maatschappij. Mensen gaan op een indirecte en oppervlakkige manier met elkaar om. Gesellschaft is ingevoerd door de Duitse socioloog Tönnies, als tegenhanger van Gemeinschaft.
Gestandaardiseerd sterftecijfer: Het bruto sterftecijfer van een bevolkingsgroep als deze dezelfde samenstelling naar leeftijd en geslacht zou hebben als de bevolkingsgroep die voor standaard gebruikt wordt. (de leeftijd wordt uitgefilterd)
Gesteente: Verzameling van mineralen in een vaste staat. Er zijn drie soorten gesteenten:
- Stollings gesteenten
- Sediments gesteenten
- Metamorfe gesteenten
Getijden: Het afwisselend eb en vloed worden van de zee onder invloed van de zwaartekracht van de maan.
Gezag: Het duurzaam kunnen uitoefenen van macht.
Gidsfossiel: Fossiel van een le vensvorm die niet al te lang heeft bestaan en over een grootgebied voorkwam. Hiermee kan men de ouderdom van het gesteente, waarin het fossiel gevonden werd, be palen.
Glaciaal: IJstijd in het geologische tijdvak Pleistoceen.
Global village: Manier van communicatie. Dit is een combinatie van een steeds groter wordende ruimtelijke schaal (volgens de moderne wereld) en een informele manier van communiceren (volgens de traditionele wereld).
Globalisering: Proces waarbij steeds meer gelijkenis optreedt tussen verschillende regio's over de hele wereld, deze gelijkenis treedt op op economisch, politiek en cultureel vlak.
Gondwanaland: Oercontinent van het zuidelijk halfrond. Het continent bestond uit gedeelten van Zuid-Amerika, geheel Voor-Indië, zuidelijk Afrika, Westelijk Australië en een groot deel van Antarctica. Ongeveer 195 miljoen jaar geleden begon Gondwana geleidelijk uit elkaar te vallen.
Graded Stream: Rivier waarin de sediment toe- en afvoer met elkaar in evenwicht zijn. Het stromende water zal sedimenten uit de bedding slijten, maar dit verwijderde materiaal wordt weer aangevuld door sedimenten die het water stroomopwaarts heeft meegenomen.
Greenfield investment: Een nieuw gebouwde fabriek in het buitenland, hiervandaan wil het moederbedrijf zijn productie voortzetten.
Grens: Afbakenin g van een gebied. Er zijn twee hoofdsoorten te onderscheiden:
a- Natuurlijke grenzen: Deze grenzen worden getrokken over natuurlijke hindernissen zoals rivieren of bergruggen.
b- Antropogeografische grenzen: Deze grenzen worden getrokken op basis van cultuur of taalverschillen tussen bepaalde gebieden.
Grind: Minerale deeltjes met een korrelgrootte van > 2000μm. Grind bestaat uit afbraakproducten van gesteenten, deze worden meegevoerd door de rivieren. In Nederland komt grind vooral voor in het oosten en zuiden van het land, meestal onder een dikke laag jongere afzettingen. Ook in het noorden komt grind voor, dit werd door het landijs aangevoerd.
Groene revolutie: De productietoename in de landbouw in de derde wereldlanden. Dit komt door het gebruik van nieuwe rassen, kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Nadelen van de Groene revolutie zijn: uitputting van de gro nd door eenzijdige bemesting, meer bodemerosie door intensievere bewerking en verdwijning van de oude rassen.
Grondwater: Waterlaag in de bodem welke is ontstaan door infiltrerend oppervlaktewater. Dit water heeft zich opgehoopt boven een ondoorlatende laag. Het niveau tot waar de bodem verzadigd is met water wordt de grondwaterspiegel genoemd.
Grot: Op natuurlijke wijze ontstane open ruimte onder de grond. De meeste grotten zijn ontstaan door het oplossen van kalksteen door zuren in het grondwater. Ook magmastromen onder vulkanen en smeltwaterstromen onder gletsjers kunnen voor grotten zorgen.
Gully: Erosievorm waarbij waterstromen diepe geulen hebben gevormd in het landschap.
Guyot: Onder de zeespiegel liggende berg met afgesleten top, dit is een overblijfsel van een vulkanisch eiland.
Habitus: Een zich eigen gemaakt systeem van rangschikking waarmee een link wordt gelegd tussen sociale structuren en praktische activiteiten. Dit systeem bepaalt hoe men de wereld waarneemt en hoe men zich gedraagt. De habitus komt door samenspel en communicatie tot stand. Mensen die zich langer in een bepaalde omgeving bevinden hebben hierdoor een voorsprong op nieuwelingen, want hun habitus is veel verder gevormd.
H acienda: Een landbouwbedrijf in Zuid-Zmerika die geleid wordt door een persoon met veel geld. Er worden op een hacienda veel verschillende producten verbouwd, binnen het bedrijf wordt niet het totale landoppervlak benut. De oorspronkelijke bevolking van het gebied moet voor deze persoon werken.
Halo: Verschijnsel waarbij zonnestralen op de ijskristallen in de atmosfeer weerkaatsen. Vanaf de aarde is op dit moment een grote cirkel rondom de zon te zien.
Hammada: Rotswoestijn in de Sahara.
Hangwaterzone: Zone in de bodem waarin regenwater blijft hangen, dit wordt vastgehouden door de poriën in de grondlaag. Het overtollige water zakt verder weg in de ondergrond naar het grondwater.
Harmattan: Droge he te noordoostelijke woestijnwind in de Sahel in Afrika.
HDI: (Human Development Index) Samengestelde ontwikkelingsindicator die de VN hanteert, hiermee kan de ontwikkelingsstatus van een land worden berekend. De HDI omvat de volgende indicatoren: Het inkomen per hoofd van de bevolking, de gemiddelde levensverwachting, de alfabetiseringsgraad en het aantal jaren schoolbezoek.
Heartland: Geopolitiek begrip van MacKinder: Het bezit van Centraal Azië is bepalend voor de mogelijkheid tot wereldheerschappij.
Hegemonie: Politieke overwicht van een staat over andere staat. Voorbeeld hiervan is de macht van de Sovjet-Unie in Oost Europa na WOII. (Grieks: = aanvoerder)
High politics: Belangrijkste taak van de staat, namelijk het zichzelf in stand houden door de vrede te waarborgen. Tegenover high politics staat low politics.
Hobson-Lenin these: Stelling dat het imperialisme de ultieme vorm van het kapitalisme is. De koloniën worden hierin als het laatste toevluchtsoord gezien waar de kapitalisten de markt kunnen uitbreiden, daarna stort het kapitalistische systeem in. Lenin zag dit als overwinning voor de Communistische heilstaat.
Holisme: De kijk op een sa menleving als een vervlochten geheel van de facetten waarop zij is opgebouwd. Deze facetten zijn van economische, religieuze, geschiedkundige en juridische aard.
Holoceen: Het jongste tijdvak van de aardgeschiedenis. Deze begon 10.000 jaar geleden na het Weichselien en duurt nog steeds voort. Kenmerk van deze periode is de grote temperatuurstijging.
Horst: Door tektonische krachten omhoog gestuwd gebied, dit wordt van de lager liggende omgeving gescheiden door middel van twee evenwijdig lopende breuken.
Hotspot: Een plek in de mantel waar heet magma opstijgt in een zogeheten “mantel plume”. Deze magma-bel breekt zich een weg door de aardkorst en vormt aan de aardoppervlak een vulkaan. De hotspot vulkanen zijn vooral op zee te vinden, dit komt doordat de oceanische korst dunner is en dus makkelijker te doorbreken.
Humus: Organisch materiaal in de bodem, dit is ontstaan door de ontleding van plantaardige en dierlijke resten. Humus beschermt de bodem tegen uitdroging omdat het de bodem afdekt en het houdt het water goed vast. Ook helpt het tegen uitspoeling van de grond.
Hurricane: Zie orkaan
Huwelijkscijfer: Het gemiddeld aantal gesloten huwelijken per 1000 inwoners per jaar.
Huwelijksvruchtbaarheidscijfer: Het aantal levendgeborenen per 1000 gehuwde vrouwen n de leeftijd van 15 t/m 45 jaar.
Hybridisatie: Proces waarbij meerdere verschillende culturen samensmelten tot een nieuwe cultuur. Dit proces kent geen eindfase. Bestaande culturen worden constant blootgesteld aan invloeden van buitenaf, zodat bepaalde elementen hiervan worden overgenomen. De nieuwe ontstane culturen bevatten wel veel elementen uit de oorspronkelijke culturen, maar ze zijn niet gelijk aan de originelen. (Latijns: hybrida = kruising)
Hydrologische kringloop: Globaal geheel van bewegingen, uitwisselingen en opslag van water in vaste, vloeibare en gasvorm.
Hydrosfeer: Al het water op het aardoppervlak, de zeeën en de oceanen.
Ideologie: Set van ideeën over hoe een samenleving ingericht moet worden. Enkele voorbeelden van ideologieën zijn: communisme, kapitalisme, fascisme.
IJssmeltwaterdal: Klein dalletje in een stuwwal welke is gevormd door het water van een smeltende gletsjer. Het smeltwater stroomt in eerste instantie over het laagste punt van de stuwwal, met als gevolg dat het steeds dieper in de stuwwal snijdt. De meeste ijssmeltwaterdallen in Nederland zijn gevormd tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien.
IMF : (Internationaal Monetair Fonds) Intergouvernementele organisatie die de monetaire samenwerki ng promoot, de economische groei en werkgelegenheid bewaakt, en tijdelijke hulp aan landen biedt om tekorten op de betalingsbalans te corrigeren.
Immigratie: Het binnenkomen van een land om zich daar te vestigen.
Imperialisme: Het streven van een staat naar uitbreiding van zijn macht over andere gebieden. Dit heerschappij kan formeel de vorm aannemen van de overname van een ander land, het kan ook informeel door elders op politieke en economische wijze macht uit te oefenen.
Industriële Revolutie: Grote technologische vooruitgang in de Europese geschiedenis, centraal hierin stond de mechanisatie van de productie.
Inertie: Bedrijven blijven op de oude locatie zitten ondanks de voordelen van een nieuwe vestigingsplaats. Dit komt doordat er veel geld en grond op de oude locatie is geïnvesteerd. De nadelen van het blijven op deze locatie worden vaak op de koop toe genomen.
Informal politics: Invloed die een regering uitoefent buiten de wetten om, door overreding of door het gebruik van machtsmiddelen. Dit staat tegenover Formal politics.
Infrastructuur: Het netwerk van wegen en wat erwegen die nodig zijn voor de economische groei en ontwikkeling.
Inheems: Verschijnsel dat van oorsprong in een bepaald gebied voorkomt. Meestal wordt hierbij gerefereerd naar een oud verschijnsel dat door een nieuwe geïmporteerde is verdreven. Dat iets geclassificeerd wordt als inheems wil niet zeggen dat het er feitelijk altijd al voorkwam. Het is een sociaal geconstrueerde aanduiding, wat wil zeggen dat dat het er altijd al voorkwam.
Insolatie: De interceptie van de kortegolfstraling van de zon door het aardoppervlak dat eraan wordt blootgesteld. De insolatie wordt door 2 factoren bepaald, namelijk door de hoek van het inkomende zonlicht en de tijdslengte van de instraling. Deze factoren hangen op hun beurt waar af van de volgende factoren, namelijk de locatie van de aarde en de tijd van het jaar. Over het gehele jaar gemeten ontvangt de evenaar de meeste instraling en de polen de minste. De polen ontvangen ongeveer 40% van de instraling van de evenaar.
Insurgent state: Gebied in een land wat is overgenomen door een guerrillabeweging, hier heeft de regering van het land geen zeggenschap meer. De guerrilla's hebben het hier voor het zeggen. Er is sprake van een staat in een staat. (Voorbeeld: De FARC en ELN gebieden in Colombia)
De 3 fasen van de insurgent state:
1- De twist, de rebellen die zich verzetten tegen de heersende macht.
2- Het evenwicht, de rebellen hebben nu een gebied in een land onder controle.
3- Het tegenoffensief, de overheid slaat terug om het gebied weer terug te krijgen, de uitkomst van deze laatste slag is bepalend voor de toekomst van het land.
Intercropping: Het planten van verschillende soorten gewassen in een veld. Dit wordt meestal toegepast bij shifting cultivation.
Interglaciaal: Warmere periode tussen twee ijstijden in het geologische tijdvak Pleistoceen.
Intergouvernementalisme: Vrijwillige samenwerking op economisch, politiek of cultureel gebied tussen drie of meer onafhankelijke staten. De lidstaten behouden echter hun eigen soevereiniteit, beslissingen worden genomen op basis van unanimiteit. (Voorbeeld: NAVO, VN)
Intertropische Convergentiezone (ITCZ): Gordel van buien rond de evenaar, dit komt doordat daar een sterk stijgende luchtbeweging bestaat. De noordelijke en zuidelijke passaatwinden ontmoeten elkaar hier.
Involutie: Verstoring van de oorspronkelijke gelaagdheid van een sediment door afwisseling van vorst en dooi. Tijdens het ontdooien van een bodem of het smelten van ijslenzen kan de bodem verzadigd raken met water. Wanneer het later weer gaat vriezen komt de vorst van bovenaf de grond in. De vochtige laag daaronder komt onder druk te staan en vervormt.
Irredentisme: Het streven van een nationalistische / regionalistische beweging naar uitreding van een staat, en naar toevoeging aan een staat waar het eerder aan behoord zou hebben. Bijvoorbeeld Hongaren in het zuiden van Slowakije.
Isobaar: Een lijn op een kaart die punten met een gelijke luchtdruk verbindt.
Isohyet: Een lijn op een kaart die punten met een gelijke totale hoeveelheid neerslag verbindt
Isotherm: Een lijn op een kaart die punten met dezelfde temperatuur verbindt.
Isotroop landschap: Verondersteld landschap zonder verschillen in hoogte, de grond is overal even vruchtbaar, het klimaat is overal gelijk, de bevolkingsdichtheid is overal gelijk, deze mensen lijken qua inkomen en koopgedrag sprekend op elkaar.
Jakota triangle: De meest oostelijke landen van Azië, bestaande uit Japan, (Zuid) Korea en Taiwan.
Joint venture: Twee bedrijven die een samenwerkingsverband aangaan waarin ze het beiden voor 50% voor het zeggen hebben.
Kame: Heuvel van zand en grind die ontstaan is door een gat in een voormalige gletsjer. Dit gat fungeerde als een verzamelplaats waarin diverse materialen zich ophoopten. Na het smelten van de gletsjer bleef de heuvel achter.
Kapitalisme: Economisch systeem waarin alles draait om privaat bezit van productiemiddelen zoals machines, grond en gebouwen. Men produceert voor de markt met het doel om zoveel mogelijk winst te maken. Een doel is om een bepaalde voorsprong op te bouwen op concurrenten door te profiteren van nieuwe kansen op de markt en deze zoveel mogelijk uit te buiten. Het tegenovergestelde van kapitalisme is communisme.
Karstverschijnselen: Geologische verschijnselen die te maken hebben met het oplossen van kalksteen in water, bijvoorbeeld: grotten, dolines en waterbronnen. Het begrip is afgeleid van het Karst-Plateau op de grens van Slovenië en Kroatië.
Kastenstelsel: Het hiërarchisch ordenen van groepen mensen in een maatschappij (de één is hoger dan de ander). De kaste van een persoon is vastgelegd bij de geboorte en kan gedurende het leven niet veranderd worden.
Keileem: Leem dat naast klei, silt en zand ook grind en keien bevat. Dit mengsel ontstaat door het voortbewegen van een gletsjer, deze neemt allerlei materialen met zich mee. Deze materialen vermengen zich onder de gletsjer en raken steeds verder verguisd. Wanneer de gletsjer zich terugtrekt dan blijft de keileemlaag achter.
Kenozoïcum: (Tijdperk van het moderne leven) Een van de hoofdtijdperken van de geologische geschiedenis, dit tijdperk is circa 65 miljoen jaar geleden begonnen en duurt nog steeds voort. Het Kenozoïcum wordt onderverdeeld in de perioden Tertiair en Kwartair.
Klastisch gesteente: Sedimentsgesteente dat is opgebouwd uit de afbraakproducten van een ander gesteente, zoals zand klei of grind.
Klei: Minerale deeltjes met een korrelgrootte van < 2 μm. In Nederland komen kleigronden met name voor in het westen van het land (zeeklei) en langs de rivieren (rivierklei). Kleigronden hebben door de kleine korrelgrootte weinig last van uitspoeling zodat ze beter voedingsstoffen vasthouden voor de planten.
Klimaat: De gemiddelden van de temperatuur en neerslag op een bepaalde plek op de aarde, gemeten over 30 jaar.
Kolchoze: Collectieve boerderij in het voormalige Sovjet-Unie. Het doel van een kolchoze was het zo efficiënt mogelijk produceren van graan en vlees, dat wil zeggen: maximale mechanisatie. Een kolchoze was kleiner en efficiënter dan een sovchoze.
Kolonie: Een nederzetting van een staat in een vreemd land, dit is meestal door verovering verkregen. Het nieuwe land wordt op politieke en economische wijze bestuurd door de kolonisator.
Kom: Laaggelegen gebied in een rivierlandschap dat is ontstaan door inklinking. Door bedijking van de rivieren kunnen deze laagten niet meer overstromen en worden ze dus ook niet meer opgehoogd door middel van sedimentatie.
Komeet: Hemellichaam, met een diameter van enkele tot hoogstens enkele tientallen kilometers, dat voornamelijk uit bevroren gassen, water, steen en stof bestaat. Een komeet beschrijft een ellipsvormige baan rond de zon.
Koude Oorlog: Geopolitieke wereldorde die dominant was tussen 1946 en 1989, deze orde was gebaseerd op de tegenstelling tussen het communistische Sovjetunie en het kapitalistische Verenigde Staten.
Kreeftskeerkring: Bre edteparallel op 23,5º N.B. op het aardoppervlak, tijdens het zomersolstitium (21 juni) bevindt de zon zich hier loodrecht boven.
Kreek: Waterloop in het kustgebied, deze is ontstaan als gevolg van erosie van kustvlakten door getijdestromingen. In het waddengebied worden kreken ook wel prielen genoemd.
Kreekrug: Langwerpige heuvel in het kustgebied, deze is ontstaan op de plek waar vroeger een kreek lag. Door middel van sedimentatie in en vooral direct lang de kreek steeg de ondergrond van de kreek in de loop van de tijd. Toen het geheel te hoog kwam te liggen zocht het zeewater een andere weg en bleef de oude kreek als verhoging achter.
Kroonkolonie: Een kolonie met een onafhankelijk bestuur, de gouverneur van het gebied wordt benoemd door kolonisator.
Kryoturbatie: Verstoring van de oorspronkelijke gelaagdheid van een sediment door een afwisselende inwerking van vorst en dooi. Voorbeelden van kryoturbatie zijn involuties, vorstwiggen en geliflucties.
Kwartair: De laatste periode van het hoofdtijdperk Kenozoïcum, deze periode is 2,5 miljoen jaar geleden begonnen en duurt nog steeds voort. Het Kwartair wordt onderverdeeld in twee tijdvakken, namelijk Pleistoceen en Holoceen. De periode wordt gekenmerkt door het optreden van grote klimaatveranderingen.
Kwel: Water dat door hoogteverschillen in de grondwaterspiegel, door dijken of doorlatende ondergrond, terecht komt in polders.
Kwelder: Buitendijks aangeslibd land, dit is begroeid en stroomt bij vloed niet meer over. (in Zeeland heten ze schorren)
Lagune: Ondiepe zoute of brakke watervlakte welke van de diepe zee wordt afgescheiden door een strandwal of een koraalrif. (Latijns: = lege ruimte)
Lahar: Lawine van modder, stenen en water die wordt veroorzaakt door het smeltende ijs op een vulkaan.
Land alienation: Een samenleving of groep neemt een stuk land in beslag van de oorspronkelijke eigenaren.
Landbouw: Het gebruik maken van grond voor het verbouwen van gewassen en het onderhouden van vee voor eigen onderhoud en voor het maken van winst.
Landschap: Het waarneembare uiterlijk van een bepaald gebied. Het gebied wordt gekenmerkt door een mate van heterogeniteit, daardoor is het duidelijk af te grenzen de gebieden eromheen.
Landschapsecologie : De bestudering van de samenhang tussen biotische en abiotische processen van een landschap tezamen met de invloed die de mens hierop uitoefent.
Latitude: (Geografische breedte) Meridiaanboog tussen de evenaar en een gegeven punt op de aarde. Alle punten ten noorden van de evenaar geeft men aan met noorderbreedte (NB), alle plaatsen ten zuiden van de evenaar geeft men aan met zuiderbreedte (ZB).
Lava: De naam van het magma dat het aardoppervlak heeft bereikt.
Lebensraum: Geografische ruimte die een staat nodig heeft om goed te kunnen functioneren. Deze term is bedacht door Ratzel en later gebruikt door de Nazi's gebruikt om de uitbreiding van het Duitse Rijk te rechtvaardigen.
Leeftijdsspecifieke sterftecijfer: Het aantal sterfgevallen in een bepaalde cohorten per 1000 mensen in die leeftijdsgroep.
Leem: Minerale deeltjes met een korrelgrootte van tussen de 2 en 50 μm. Leem bestaat uit een mengsel van klei, silt en zand.
Levensverwachting: De gemiddelde leeftijd die bereikt kan worden door een groep mensen die in hetzelfde jaar geboren zijn, er wordt daarbij vanuit gegaan dat de leeftijdsspecifieke sterftecijfer van dat jaar gedurende hun hele leven gehandhaafd blijft.
Leviraat: De gewoonte dat een m an trouwt met de weduwe van zijn overleden broer. Dit is om het nageslacht van de broer te behouden in de mannelijke afstammingslijn. Het leviraat komt voor bij polygynie. (Antropologie)
Liberalisme: Politieke ideologie die gericht is op de maximalisatie van vrijheid voor elk individu.
Lichtjaar: De afstand die licht in één jaar aflegt, dat is ongeveer 9,46 biljoen kilometer.
Liminaliteit: Periode van overgang tussen twee verschillende stadia in het sociale leven van mensen. Het is een tussen-, transitie- of overgangsperiode waarin de oude situatie al is losgelaten maar men nog niet helemaal is ingesteld op de nieuwe situatie. Voorbeeld van liminality is de wittebroodsweken vlak voor het huwelijk. (Latijns: limen = drempel)
Lineage: Unilineaire afstammingsgroep waarbij wordt gekeken naar een gezamenlijke aanwijsbare voorouder. Wanneer de groep te groot wordt dan vindt er een splitsing plaats in lineagesegmenten, daarbij gaan de stichters na verloop van tijd gelden als voorouders van de nieuwe lineages.
Lingua franca: Een taal die door vrijwel iedereen in een land wordt gesproken. In vroeger gekoloniseerde landen is dat meestal de taal van de kolonisator.
Lithosfeer: De buitenste laag van de aardbol, deze is ± 40 tot 80 kilometer dik. De laag bestaat uit hard en vast gesteente. (Grieks = steen) De Lithosfeer is verdeeld in mobiele platen.
Loefzijde: Zijde van een bergrug waar de lucht stijgt, hier vormen zich wolken en valt de neerslag.
Longitude: (geografische lengte) Parallelboog tussen de hoofdmeridiaan en een gegeven punt op de aarde. De 0-Meridiaan is de meridiaan door Greenwich. Alle plaatsen ten westen van Greenwich geeft men aan met westerlengte (WL), alle plaatsen ten oosten van deze plaats geeft men aan met oosterlengte (OL).
Löss: Eolische afzetting die dateert uit het laatste gedeelte van het Weichselien. In die tijd stond de Noordzee droog en nam de wind het daar aanwezige bodemmateriaal mee tot aan Limburg. Löss is een rode grondsoort en heeft een korrelgrootte van < 63 μm.
Low politics: Taken waarmee de staat zich bemoeit, bijvoorbeeld de gezondheidszorg, onderwijs, welzijn. Tegenover low politics staat high politics.
Lutum: Plaatvormige minerale de eltjes met een korrelgrootte van < 2 µm.
Lijzijde: Zijde van een bergrug waar de lucht daalt, hier lossen de wolken op en er valt dus geen neerslag.
Maan: Een hemellichaam dat om een planeet draait. De aarde heeft één maan met een diameter van 3476 kilometer, de afstand vanaf de aarde tot de maan is 383.000 kilometer. Een baan van de maan om de aarde duurt ruim 27 dagen. Deze baan is elliptisch van vorm. Het punt waarbij de maan het verste van de aarde afstaat wordt apogeum (afstand 405.500 km). Het punt waarbij de maan het dichtst bij de aarde staat wordt perigeum genoemd (afstand 363.300 km).
Macht: De kans dat een individu of groep zijn wil kan doorzetten, zelfs tegenover weerstand.
Maghreb: De noordwestelijke regio van Afrika, het bestaat uit de landen: Marokko, Algerije en Tunesië.
Magma : Heet gesmolten gesteente dat zich onder het aardoppervlak bevindt (Grieks: = versteend deeg)
Mantel: Vaste steenlaag tussen de aardkorst en de kern. De mantel is ongeveer 2895 km dik.
Maquiladora: Assemblagefabrieken die belastingvrije componenten en ruwe materialen verwerken tot industriële producten. Ze staan in Mexico aan de grens met de Verenigde Staten. De voordelen voor de V.S. zijn dat ze goedkoop kunnen produceren en ze zijn een gedeelte van de illegalenstroom kwijt uit Mexico. De voordelen voor Mexico zijn dat er werkgelegenheid is in het noorden van het land en de mensen blijven eerder in Mexico wonen.
Marshallplan: Investeringen van Amerika om de Europese economie na de Tweede Wereldoorlog weer op een normaal peil te helpen. De looptijd van dit plan was tussen 1948 en 1951.
Marxisme: De leer van Karl Marx. Met zijn boek ‘das Kapital' is Marx de grondlegger van het communisme. Het centrale idee in het Marxisme is dat de industriële arbeiders ontevreden zijn met de omstandigheden waarin ze verkeren. Een kleine elite bezit het kapitaal en het overgrote deel van de mensen moet ploeteren om zichzelf te kunnen voorzien in het bestaan. De ontevredenheid zal op een gegeven moment zo groot worden dat de enige uitweg een revolutie is. Hierbij zal de elite het kapitaal moeten afstaan en verdelen onder het volk. Hoewel Marx zijn theorie baseerde op de omstandigheden in industrielanden, is het in de praktijk alleen van de grond gekomen in agrarische samenlevingen zoals de voormalige Sovjet-Unie en China.
Matrilineaire afstamming: Unilineaire afstamming waarbij de afstamming van een persoon wordt teruggerekend via de vrouwelijke lijn. (Antropologie)
McDonaldisering: Het steeds meer standaardiseren van distributie- en productieprocessen over de hele wereld. Hierbij wordt gericht op de volgende kenmerken: efficiëntie, voorspelbaarheid, kwantiteit boven kwaliteit en controle over het productieproces.
Meanderende rivier: Rivier die zich een weg door het landschap baant door middel van grote kronkels. De rivier verandert gelei delijk van plaats door erosie aan de buitenbochten en sedimentatie aan de binnenbochten.
Mediaangrens: Grens precies gelegen in het midden van de zee tussen 2 landen waar de territoriale zee of EEZ aan elkaar grenzen.
Megalopolis: Grote metropolen die dicht bij elkaar liggen en op elkaar aansluiten. (Voorbeeld: De grote steden in het noordoosten van de Verenigde Staten)
Mental map: P ersoonlijke kaart van een geografische omgeving. Deze kaart bestaat niet op papier, maar in het hoofd van een individu. Door waarnemingen worden kenmerkende verschijnselen in de geografische omgeving verwerkt in deze persoonlijke kaart.
Mercantilisme: Gerichte handelspolitiek door landen of koningen.
Meridiaan: Denkbeeldige halve boog tussen de noord- en zuidpool. De 0-Meridiaan is de meridiaan over Greenwich. De aarde is te verdelen in een totaal van 360 meridianen (180 op de oostelijke en 180 op de westelijke helft.
Mesopauze: Overgangslaag in de atmosfeer, deze bevindt zich tussen de mesosfeer en de thermosfeer (ongeveer op 80 km hoogte).
Mesosfeer: Derde laag van de atmosfeer, deze bevindt zich op een hoogte van ongeveer 50 tot 80 kilometer. Kenmerk van deze laag is de temperatuurdaling, deze daalt van 0ºC tot -80ºC. Wanneer deze temperatuur bereikt is (op ongeveer 80 km) begint de mesopauze.
Mesozoïcum: (Tijdperk van het middenleven) Een van de hoofdtijdperken van de geologische geschiedenis, deze duurde van circa 248 tot 65 miljoen jaar geleden. Het Mesozoïcum wordt onderverdeeld in de perioden Trias, Jura en Krijt, deze perioden staan bekend om het voorkomen van dinosauriërs.
Mestiezen: Bevolkingsgroep die ontstaan is uit de gemixte bevolkingen van de Europeanen en de Amerikaanse indianen.
Metamorf gesteente: Gesteente dat ontstaat wanneer sediments en stollingsgesteenten veranderen van gedaante onder hoge druk of temperatuur. Voorbeelden hiervan zijn:
a- Klei » Leisteen » Schist
b- Zandsteen » Kwartsiet
c- Kalksteen » Marmer
d- Graniet » Gneiss
Meteoor: Lichtspoor van een meteoroïde die de dampkring van de aarde binnendringt. Door de wrijvingskrachten verbrandt het deeltje. Wanneer de meteoroïde niet helemaal verdampt en er een stukje van op aarde inslaat dan spreekt men van een meteoriet.
Meteoriet: Ingeslagen brokstuk materiaal uit de ruimte. Het is een overgebleven fragment van een meteoroïde.
Meteoroïde: Ruimtedeeltje met een kleine diameter (tot enkele meters). Meestal is dit een afgebroken deeltje van een komeet, het kan ook een overblijfsel zijn van het ontstaan van het zonnestelsel.
Meteorologie: De wetenschappelijke studie die zich bezighoudt met het onderzoek naar atmosferische verschijnselen en de weersvoorspellingen. (Grieks: = hoog in de lucht studie)
Metropool: Centrale stad met een CBD en voorsteden. Er zijn veel voorzieningen aanwezig, waaronder een goed openbaar vervoerssysteem. (Grieks = moederstad)
Mid-oceanische rug: Bergrug in het midden van een oceaan. Het is een seismisch actief gebied waar platen uit elkaar drijven, de ruimte die tussen de platen ontstaat wordt opgevuld door magma. Op de plek van de rug wordt een nieuwe oceanische aardkorst gevormd.
Migratie: Verhuizing waarbij een bestuurlijke grens wordt overschreden, de verandering van woonplaats duurt minstens 12 maanden.
Mineraal: Van nature voorkomende anorganische substantie die gewoonlijk een bepaalde samenstelling heeft en een kenmerkende atoomstructuur.
Mist: Waterdamp dat zich beneden het dauwpunt bevindt, deze damp is zichtbaar als kleine waterdruppeltjes. Mist ontstaat wanneer koude lucht zich over een warm oppervlak beweegt of doordat warme vochtige lucht sterk afkoelt.
Mistral: Koude, droge wind die voorkomt in Frankrijk. Hij waait door de vallei van de Rhône naar de Middellandse Zee. De mistral ontstaat meestal in de winter, wanneer in de golf van Genua een depressie ligt. (Romeins: = meesterlijk)
Modernisme: Stroming waarin de wereld bekeken wordt als een vooruitstrevend en rationeel functionerend geheel. De vooruitgang wordt bereikt door de ratio. Symbolen van het modernisme zijn: McDonalds, bureaucratie en de lopende band.
Moedergesteente: Een gesteente dat veel organische bestanddelen bevat, zoals algen, bacteriën, plankton of planten. Hierin is een delfstof gevormd. De delfstoffen worden veelal opgeslagen in het reservoirgesteente.
Moho: Grenslaag tussen de mantel en de aardkorst.
Moiety: Unilineaire afstammingsgroep die de helft van een samenleving beslaat. Een samenleving bestaat uit twee moieties, deze twee hebben onderlinge reciprociteit. Moieties hebben een belangrijke functie in de samenleving: Ze werken met elkaar samen en houden elkaar tegen indien één ergens te ver in gaat, zo houden ze het systeem in evenwicht. Een moiety is opgebouwd uit twee of meerdere phratries. (Frans: = half)
MOL: (Minst Ontwikkelde Landen) Landen die het minst ontwikkeld zijn, ze worden gekenmerkt door etnische, religieuze of politieke spanningen, corrupte en ondemocratische regeringen, vluchtelingenstromen en voedselgebrek.
Monarchie: Regeringsvorm waarbij één persoon de macht heeft (meestal een koning), de machtsoverdracht wordt bepaald door erfopvolging. Het tegenovergestelde van een monarchie is een republiek. (Grieks: = één heersen)
Monogamie: Het trouwen, naar cultuur vastgestelde regels, met één enkele partner.
Monotheïsme: Het geloof in één God. Bijvoorbeeld: Het Christendom. (Grieks: = één God)
Monroe-doctrine: Basis van het Amerikaanse buitenlands beleid, deze is opgesteld door president Monroe. Hierin wordt bepaald dat een Europese interventie op het Amerikaanse continent wordt afgewezen. Dit is nog altijd Amerikaans beleid.
Morene: Verzamelplaats van verpulverderde materialen die zijn meegevoerd door een gletsjer. Deze materialen zijn door de schurende werking van de gletsjer losgekomen van de ondergrond en vervolgens zijn deze losse materialen zowel voor het ijs uitgedrukt als het ijs meegevoerd. Na het smelten van de gletsjer bleven de materialen als keileem achter.
Mui: Geul in een strandwal die door het zeewater is uitgesleten, onder invloed van de getijden stroomt de zee hierdoor de achtergelegen laagte (zwin) in en uit.
Mulatto: Bevolkingsgroep die ontstaan is uit de gemixte bevolkingen van de Europeanen en de Afrikaanse slaven in Amerika.
Multilaterale samenwerking: Samenwerking op basis van een akkoord tussen meerdere regeringen.
Multinational: Onderneming die vestigingen in meerdere landen heeft.
Mythen: Sterke verhalen die tezamen een bepaald beeld schetsen van een bekende of onbekende plek. Ideeën en gedachten die men heeft over deze plek worden in dit geval gevormd door deze mythen. Een mythe is afhankelijk van de sociale context waarin hij gevormd is, dit kan dus per cultuur verschillend zijn. Aangezien er veel verschillende culturen op de wereld zijn, zijn er ook veel verschillende mythen. Op deze manier kan de ene groep een positief beeld hebben over een bepaalde plek, terwijl de andere groep een negatief beeld over diezelfde plek heeft.
NAFTA: (North American Free Trade Agreement) Handelsverdrag tussen de VS, Canada en Mexico, hierin wordt bepaald dat invoerheffingen en quota in het onderlinge handelsverkeer worden afgeschaft.
NAP: (Normaal Amsterdams Peil) Referentiehoogte waaraan alle hoogtemetingen in Nederland aan worden gerelateerd. 0 NAP is ongeveer gelijk aan het gemiddelde zeeniveau.
Natie: Di t heeft betrekking op een groep mensen die zich nauw met elkaar verbonden voelt, dit komt door een gedeelde achtergrond, bijvoorbeeld: cultuur, taal, godsdienst, geschiedenis. Het is een volk met een wens tot staat.
Natiestaat: Staat waarbinnen slechts één bevolkingsgroep dominant aanwezig is. (Voorbeeld: IJsland)
Nationalisme: Het gevoel dat men zich verbonden voelt zijn eigen volk, dit komt door een gemeenschappelijke godsdienst, cultuur, taal of geschiedenis. Vaak wordt hierbij aan de eigen natie een hogere waarde toegekend dan aan de anderen.
Natuur: Oorspronkelijke, niet door de mens gewijzigde verschijningsvorm van de omgeving. Het tegenovergestelde van natuur is cultuur.
NAVO: (Noord Atlantische Verdrags Organisatie) Intergouvernementele organisatie van 26 Westerse landen met als doel het grondgebied van de lidstaten collectief te verdedigen.
Neokolonialisme: Indirect kolonialisme door Westerse landen door middel van investeringen en multinationals.
Netwerk: Samenwerkingsverband tussen verschillende bedrijven, waarbij de belangen grotendeels gemeenschappelijk zijn. Hiermee wil men gezamenlijk een doel bereiken. Elke aangesloten onderneming neemt hierbij een bepaalde taak op zich, om uiteindelijk een gezamenlijk eindproduct af te leveren. Een netwerk beperkt zich niet tot een bepaald geografisch gebied, het kan zich uitstrekken over de hele wereld.
NGO: (Non Gouvernementele Organisatie) Non-profit organisatie die onafhankelijk is van de overheid, deze streeft een ideëel politiek of maatschappelijk doel na. Voorbeelden van NGO's zijn: Amnesty International, Artsen zonder grenzen, Wereld Natuur Fonds.
NIC: (New Industrial Country) Landen die zich in de laatste 30 jaar hebben ontwikkeld van ontwikkelings- naar industrielanden. Bijvoorbeeld: Singapore, Taiwan en Zuid-Korea.
Nimby-procedure: (Not in my backyard) Interventiemogelijkheid van de burger in het gemeentelijke ruimtelijke beleid, hiermee kan men de overheid bewegen het bestemmingsplan te wijzigen.
Nodale regio: Gebied met een duidelijke kern. Dit gebied wordt afgebakend op basis van afstandsoverbruggende relaties die op de centrale plaats zijn georiënteerd.
Nomadische herders: Volkeren die met hun vee een rondtrekkend bestaan leiden om in hun eigen onderhoud te kunnen voorzien.
Occidentalisme: De Westerse wereld gezien door de ogen van niet-westerlingen, meestal is dit op een negatieve manier. (Tegenovergestelde van Oriëntalisme)
Ontgroening: De afname van het aantal jongeren tot 20 jaa r in verhouding tot de rest van de bevolking.
Ontwikkelingslanden: Landen met ernstige armoede onder brede lagen van een snel groeiende bevolking en een zwakke economische structuur.
OPEC: (Organisation of Petroleum Exporting Countries) Coalitie van 11 olie-exporterende landen die hun economische belangen willen waarborgen door middel van prijsafspraken en beperkingen van handelsmogelijkheden.
Open-capillaire zone: Zone in de ondergrond boven de grondwaterspiegel. Hierin wordt het water omhoog getrokken door poriën in de grondlaag. Niet alle poriën worden hierbij gevuld, een deel van deze poriën blijft gevuld met lucht.
Organisch gesteente: Sedimentsgesteente dat is ontstaan uit de resten van flora en fauna.
Oriëntalisme: Het idee, in de Westerse wereld, dat het oosten anders is dan het westen. Het oosten wordt hierbij als spiegelbeeld van het westen afgebeeld. (Tegenovergestelde van Occidentalisme)
Orkaan: Zware storm in de gebieden ten noorden en zuiden van de evenaar met windsnelheden van meer dan 117 km/u. Orkanen kunnen ontstaan op oceanen waar het zeewater warmer wordt dan 27 graden. Het centrum bestaat uit een lagedrukgebied met daaromheen veel wind en regen, de totale doorsnede van een cycloon bedraagt enkele honderden tot een paar duizend kilometer. Orkanen worden ook wel hurricanes (Caribbean) of Tyfonen / Cyclonen (Azië) genoemd.
Orthodoxie: Stroming in de godsdienst waar men zich strikt aan de leerstellingen en leefregels houdt, er is geen ruimte voor een flexibele invulling. Dit staat tegenover vrijzinnigheid.
Othering: Proces waarbij mensen zichzelf distantiëren van anderen. Een bepaalde categorie mensen wordt beschouwd als eigen groep, daarmee wordt de rest als anders beschouwd. Meestal wordt dat onderscheid gemaakt op basis van ras, cultuur of geografische ligging. Het beeld van de eigen groep komt hierbij grotendeels tot stand door te definiëren wat de groep niet is, namelijk zoals de ander. Aan de anderen worden hierbij vaak negatieve eigenschappen toegekend. Bekend voorbeeld van othering is Oriëntalisme (Edward Saïd).
Outback: Het afgeleg en en meestal droge interieur van Australië.
Overslaggrond: Hoog gelegen rand langs een wiel (plas in de buurt een dijk). Bij een dijkdoorbraak heeft het snelstromende water een diep gat geslagen in de grond, het materiaal dat daarbij vrijkwam werd vervolgens verspreid rond het gat.
Ozonlaag: Laag in de atmosfeer, tussen de 15 en 50 kilometer hoogte, waarin relatief veel ozon zit. Het ozon in deze laag vormt een soort filter voor de zonnestralen: het breekt voor een belangrijk deel de schadelijke UV-straling af.
Pacific Rim: De landen aan de kusten van de Pacifische Oceaan die de laatste decennia een enorme economische groei doormaken.
Padafhankelijkheid: Ontwikkelingen van een regio in het verleden hebben invloed op de huidige activiteiten.
Paleomagnetisme: In een ver verleden ontstaan magnetisch veld in een gesteente. Tijdens de vorming van het gesteente werden de aanwezige mineralen door het aardmagnetische veld gerangschikt in noord-zuid richting. Aan de hand van de verschillende richtingen van magnetische velden in gesteenten kunnen de verplaatsingen van de continenten worden gereconstrueerd.
P aleozoïcum: (Tijdperk van het oude leven) Een van de hoofdtijdperken van de geologische geschiedenis, deze duurde van circa 590 tot 248 miljoen jaar geleden. Het Paleozoïcum wordt onderverdeeld in de perioden Siluur, Devoon, Carboon en Perm.
Pandemie: Een wereldwijde uitbraak van een ziekte door een virus, het is een voortzetting van een epidemie. Een voorbeeld van een pandemische ziekte is de Spaanse griep.
Parallel: Denkbeeldige cirkel evenwijdig aan de evenaar.
Parlement: Wetgevende macht in een democratie, deze controleert alles wat de regering doet. Het parlement heeft uiteindelijk het laatste woord. In Nederland bestaat het parlement uit de Eerste en Tweede Kamer. (Frans: = praten)
Patrilineaire afstamming: Unilineaire afstamming waarbij de afstamming van een persoon wordt teruggerekend via de mannelijke lijn. (Antropologie)
Peasant: Traditionele boer in ontwikkelingslanden. De boer produceert in eerste instantie voor zelfvoorziening, alleen wanneer hij overschotten heeft dan brengt hij deze naar de markt.
Perihelion: Tijdstip waarop de aarde het dichtst bij de zon staat, namelijk 3 januari. (Tegenovergestelde van Aphelion)
Permafrost: Permanent bevroren ondergrond. De gemiddelde jaartemperatuur ligt beneden de 0ºC, hierdoor kan de ondergrond constant bevroren blijven. (enkele tot honderden meters)
Phratry: Unilineaire afstammingsgroep die een samenleving verdeelt in meerdere clans. De mensen in een phratry hebben nog maar weinig onderlinge raakvlakken. De enige overeenkomst die ze hebben is het idee dat ze hebben over hun voorouders, meestal zijn deze mythologisch.
Pidgin: Simpele mengtaal die ontstaat wanneer meerdere mensen met verschillende talen samenkomen. Deze nieuwe taal bevat elementen uit de oorspronkelijke talen.
Pingo: Heuveltje met een lensvormige ijskern. Door druk in de bodem is water en gas omhoog gekomen door een breuk in de permanent bevroren ondergrond. Vlak onder het oppervlak bevriest het water echter, het ijs zet uit en daardoor wordt de grond wordt omhoog gestuwd. Ze komen tegenwoordig voor op Groenland.
Pingoruïne: Depressie in het landschap, met een keilemen wal eromheen. De pingoruïne ontstaat wanneer de bodem onder een pingo ontdooit, het water verdwijnt dan uit de heuvel en deze zakt in. Deze depressie wordt vaak opgevuld met een meertje.
PKB: Planologische kernbeslissing. De overheden van het rijk, de provincie en de gemeente maken plannen voor de inrichting van de ruimte in Nederland. Het rijk vat deze beslissingen samen in een planologische kernbeslissing. Een PKB is een ruwe, globale schets van de inrichting van de ruimte. De provincies en gemeenten werken het planverder uit in streek- en bestemmingsplannen.
Place ballet: Dagelijkse routinebewegingen van verschillende individuen op een bepaalde plek. Deze bewegingen hebben dusdanige overeenkomsten zodat er een vast patroon ontstaat. Door deze handelingen krijgt de plek een bepaalde betekenis aangemeten, er ontstaat dus een sense of place. Een place ballet kent zowel insiders als outsiders. Insiders hebben een bepaald patroon aangeleerd en zij bewegen zich dus soepel door de plek. Outsiders hebben nog geen notie van de patronen, zij bewegen zich wat voorzichtiger. Voorbeeld van een place ballet is de dagelijkse stroom forensen op een station die direct naar hun trein- of busverbinding lopen.
Planeet: Hemellichaam met een diameter vanaf 1000 kilometer, door deze grootte produceert het lichaam genoeg zwaartekracht dat het een ronde vorm krijgt. Het lichaam produceert zelf geen licht.
Planetaire nevel: Gaswolk die door een kleine ster wordt afgestoten wanneer de brandstof in de kern op is.
Planetoïde: Hemellichaam met een diamet er van enkele meters tot 1000 kilometer. Asteroïden bevinden zich in ons zonnestelsel voornamelijk in banen tussen Mars en Jupiter. Een ander woord voor planetoïde is asteroïde.
Plantage: Kapitaal- en arbeidsintensieve landbouwonderneming in de tropen of subtropen, deze is gebaseerd op loonarbeid. Een plantage richt zich op de exportmarkt. Op een plantage worden de (sub)tropische gewassen zoals koffie, thee, katoen, rietsuiker en rubber verbouwd.
Podzol: Bodemtype in het dekzandgebied dat een duidelijk zichtbare uitspoelings- en inspoelingslaag heeft. Door middel van vocht verdwijnen de materialen humus, klei, ijzer en aluminium uit de uitspoelingslaag, deze zakken naar de inspoelingslaag. Podzols komen alleen voor in koele, vochtige klimaten, omdat de omstandigheden vereist zijn voor de uitloging van ijzer en aluminium. (Russisch: = gelijkend op as)
Polder: Een door dijken omringd gebied, waarin de grondwaterstand kunstmatig wordt geregeld. Een polder is niet hetzelfde als een droogmakerij, want op de locatie van een polder hoeft vroeger geen water te hebben gelegen.
Polygamie: Het trouwen, naar cultuur vastgestelde regels, met meerdere partners. Het kan onderverdeeld worden in: Polygynie (één man met meerdere vrouwen) en Polyandrie (één vrouw met meerdere mannen).
Polytheïsme: Het geloof in meerdere Goden. Bijvoorbeeld: Het Hindoeïsme. (Grieks: = meer Goden)
Poollicht: Lichtverschijnsel nabij de noordelijke en zuidelijke magnetische polen van de aarde. Dit wordt veroorzaakt door elektrisch geladen deeltjes, afkomstig van de zon, die langs de magnetische veldlijnen van de aarde bewegen en boven de poolstreken in aanraking komen met atomen in de dampkring.
Populaire cultuur: Nieuwe cultuur die voortkomt uit de stedelijke samenleving. Het gaat om massa in plaats van kleine gemeenschappen, het is urbaan in plaats van ruraal en het is dynamisch in plaats van statisch. Populaire cultuur is het tegenovergestelde van volkscultuur.
Positionality: (culturele geografie) De kennis en mening van een individu is altijd afhankelijk van de positie die deze persoon inneemt in de samenleving. Deze plek in de samenleving bepaalt wat deze persoon waarneemt en hoe de ontvangen informatie wordt geïnterpreteerd. (Latijns: ponere = plaatsen)
Post-Modernisme: Stroming waarin de wereld met verschillende perspectieven bekeken kan worden, deze hoeven niet rationeel te zijn. Het Post-Modernisme zet zich af tegen het modernisme, het gaat niet meer om vooruitgang maar om het hier en nu. Daarbij is het Post-Modernisme erg op de consumptie gericht. Kenmerken hiervan zijn: Lifestyle, design, symboliek en spektakel.
Precambrium: Een van de hoofdtijdperken van de geologische geschiedenis Dit tijdperk omvat circa 9/10 deel van de aardgeschiedenis, namelijk van 4600 tot 590 miljoen jaar geleden. Van deze periode is maar weinig bekend omdat de meeste gesteenten zijn afgebroken door erosie,verwering of subductie.
Priel: Waterloop in het waddengebied, deze is ontstaan als gevolg van erosie van kustvlakten door getijdestromingen. Prielen worden ook wel kreken genoemd.
Primate city: De grootste en belangrijkste stad van een land, deze stad is vaak toonaangevend voor de rest van het land. (Voorbeeld: Wenen in Oostenrijk)
Productie: Een geordende serie van handelingen. Het doel is om van een bepaald object een voorwerp te maken dat culturele waarde heeft. (Antropologisch)
Productiefactoren: Elementaire factoren die invloed hebben op de productie van goederen en diensten. De drie traditionele productiefactoren zijn: arbeid, grond en kapitaal.
Productiemilieu: Alle externe factoren die invloed hebben op de vestigingsplaatskeuze van een bedrijf, en die daarna invloed hebben op het voortbestaan van het bedrijf. Bijvoorbeeld: de aanwezigheid van genoeg arbeidskrachten, toeleverende bedrijven of rivieren voor transport.
Protectionisme: Maatregelen die de politiek neemt om de economische positie van het eigen land te beschermen, bijvoorbeeld door middel van invoerbeperkingen , exportbevordering of door voorkeursbehandeling van binnenlandse bedrijven bij aanbestedingen door de overheid.
Puinwaaier: Wanneer een rivier vanuit een gebergte in een vlak landschap terechtkomt dan neemt de stroomsnelheid af en worden de meegevoerde sedimenten afgezet. De rivier stroomt dan weer om die afzettingen heen en zet de volgende sedimenten weer ergens anders af. Het resultaat is een waaiervormig afzettingsgebied van sedimenten.
Pull-factoren: Kenmerken van een gebied die mensen aantrekken.
Push-factoren: Kenmerken van een gebied die mensen afstoten.
Racisme: Het ongelijkwaardig zien en behandelen van mensen op grond van feitelijke of vermeende verschillen in huiskleur, cultuur of afkomst. Racisme gaat een stap verder dan discriminatie, want de ongelijke behandeling hangt samen met het idee dat een persoon minderwaardig is.
Realteilung: Erfrecht waarbij het land telkens wordt verdeeld tussen de nakomelingen. Gevolg hiervan is dat de nieuwe landgoederen steeds kleiner worden.
Reciprociteit: Wederzijdse uitwisseling van goederen en diensten. Iemand geeft iets aan een ander en verwacht daar ook iets voor terug, het resulteert vaak in een continu patroon van geven en ontvangen.
Regering: Organisatie die de macht heeft wetten te maken en deze tot uitvoering te brengen. In Nederland bestaat de regering uit de koningin en de ministers.
Regionale staat: Economische zone die de nationale grenzen overschrijdt, deze is geschapen door de wereldwijde economie.
Regressie: Het terugtrekken van de zee van het land door een zeespiegeldaling en/of een stijging van de bodem. (tegenovergestelde van transgressie)
Reikwijdte: De maximale afstand die een klant bereid is af te leggen voor een bezoek aan een bepaalde voorziening.
Reliëf: Verticaal verschil tussen het hoogste en het laagste punt in een bepaald gebied.
Religie: Alle ideeën over het bovennatuurlijke en alle handelingen die daarmee te maken hebben.
Representatie: (culturele geografie) Een representatie is de manier waarop een bepaalde plaats wordt voorgesteld naar anderen toe. Men wil hierbij een bepaald beeld overbrengen. Dit overbrengen kan op diverse manieren gebeuren, bijvoorbeeld door middel van films, muziek, boeken of foto's.
Reproductie: (culturele geografie) Proces waarbij de geconstrueerde betekenis van een plaats wordt gereproduceerd. De toegekende betekenis van de plaats wordt hierbij bevestigd door communicatie over, gedrag met betrekking tot en inrichting van deze plaats. Hierbij wordt niet alleen de toegekende betekenis van de plaats overgenomen, maar worden ook direct de machtsverhoudingen onderstreept. De actor die de betekenis heeft toegekend wordt nu bevestigd in zijn ideeën.
Republiek: Regeringsvorm waarbij het staatshoofd gekozen wordt, de macht wordt hierbij verdeeld over meerdere personen. Het tegenovergestelde van een republiek is een monarchie. (Latijns: = publieke zaak)
Reservoirgesteente: Poreus gesteente dat geschikt is voor de opslag van gassen en vloeistoffen vanuit het moedergesteente.
Resistance: (culturele geografie) Weerstand bieden tegen een dominante cultuur of onderdrukking. Dit kan door vast te houden aan de eigen cultuur. De betekenissen die de dominante cultuur aan bepaalde verschijnselen koppelt worden hierbij betwist. Resistance is een begrip dat altijd aan de orde is, want er is altijd verzet tegen bepaalde betekenissen.
Re-urbanisatie: Migratiebeweging waarbij mensen wegtrekken vanuit de stadsrand of dorpen in de directe omgeving van de stad en zich weer vestigen in de centrale stad.
Riftvalley: Een langgerekt dal, deze is gevormd door het inzakken van een deel van de aardkorst langs afschuivingsbreuken. Riftvalleys (en slenken) ontstaan door rek in de aardkorst. Ze komen o.a. voor in Oost-Afrika.
Rijk: Min of meer vast staatkundig verband van een aantal volkeren plus hun woongebied, het wordt bestuurd vanuit een machtscentrum.
Rijp: Bevroren waterdamp, dauw of mist aan de oppervlakte van een vast voorwerp. Rijp ontstaat alleen wanneer de temperatuur lager is dan 0°C, anders zal er dauw gevormd worden.
Rivi er: Brede natuurlijke waterstroom, deze verzorgt de afwatering van een stroomgebied. Rivieren kunnen onderverdeeld worden in meanderen de en vlechtende rivieren.
Rivierduin: Geïsoleerde hoge plaats met zandgrond in een rivierlandschap, deze is ontstaan door windafzettingen tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien. Rivierduinen worden ook wel donken genoemd.
Rode reus: Grote, afgekoelde rode ster die zich bevindt in de laatste levensfase.
Rotliegendes: Poriënrijke rode zandsteen uit het tijdvak Perm, het is een reservoirgesteente waarin zich het aardgas verzamelde wat ontstond uit de plantenresten uit het tijdvak Carboon.
Ruilvoet: De verhouding die in een land bestaat tussen de prijs die het land ontvangt voor zijn exportproducten en de prijs die het land moet betalen voor zijn importproducten. Ruilvoet = export / import x 100%.
Ruimtelijke ordening: De plannen en maatregelen van de overheid om een bepaald gebruik en inrichting van de ruimte te realiseren.
Rurale idylle: Ideeën van mensen hoe het platteland behoort zijn. Kenmerken hiervan zijn: Tijdloosheid, hechte banden met de familie en gemeenschap, harmonieuze relatie tussen mens en natuur, de afwezigheid van sociale problemen, gezondheid op fysiek, spiritueel en moreel gebied.
Russificatie: Beleid van de voormalige Sovjet-Unie met het doel een eenheid te maken van het land. Hierbij werden minderheidsgroeperingen naar Siberië verdreven, om het land van hen over te nemen en te bevolken met Russen. Ook werden Russen geplaatst in niet-Russische republieken.
Saalien: De voorlaatste ijstijd, deze begon 200.000 jaar geleden en eindigde 130.000 jaar geleden. Tijdens het Saalien werd het noorden van Nederland met ijs bedekt tot aan de HUN-lijn (Haarlem, Utrecht, Nijmegen). In deze periode werden veel stuwwallen zoals de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en de heuvels in Overijssel gevormd door opkomende en terugtrekkende gletsjers.
Sandr: Waaiervormig afzettingsgebied van sedimenten dat door smeltwater voor een gletsjerfront gevormd is. Het smeltwater stroomde voor de gletsjer van de stuwwallen af, hierbij nam het water materiaal van deze wal mee naar beneden. Daar aangekomen nam de kracht van het stromende water af en werden deze materialen afgezet.
SAR: (Speciale Administratieve Regio) Regio dat is overgenomen door China, China heeft officieel het gezag maar de komende 50 jaar mag het gebied zichzelf nog besturen. Voorbeelden hiervan zijn Hongkong en Macau.
Satelliet: Klein object dat rondom een groter object beweegt. Vaak wordt er een kunstmatig object in een baan rond een planeet mee bedoeld.
Savanne: Tropisch of subtropisch gebied bestaande uit verspreide bomen en struiken in een grasland. Het klimaat is tropisch met een droge periode (AW).
Schaal: De verhouding tussen de kaart en de werkelijkheid. Hoe grootschaliger de kaart hoe kleiner het gebied is dat de kaart voorstelt.
Schildvulkaan: Vulkaan zonder steile hellingen, dit komt doordat deze is opgebouwd uit mafisch lava. Mafisch lava heeft een lage viscositeit (erg vloeibaar met weinig gas) en stroomt uit over grote afstanden. De meeste schildvulkanen komen voor op de mid-oceanische ruggen en bij hotspots.
Sedimentatie: Proces waarbij de door de wind, water en ijs verplaatste korrels en deeltjes worden afgezet. Om diverse redenen kan het medium waarin de deeltjes worden verplaatst in snelheid afnemen. Hierdoor verliest het medium zijn kracht om de deeltjes verder te transporteren. De zwaartekracht wordt groter dan de voortstuwende kracht en de deeltjes worden afgezet. Voorbeelden van sedimenten zijn grind, zand en löss.
Sedimentsgesteenten: Gesteenten die bestaan uit de afbraakproducten van stollings- en metamorfe gesteenten. Deze zijn door middel van lucht, water of ijs getransporteerd en elders weer afgezet. In de loop der tijden zijn de afbraakproducten samengedrukt tot gesteenten.
Segregatie (sociale): Neiging van verschillende sociale groepen om zich in verschillende stadsdelen te vestigen.
Semiotiek: Studie die zich bezighoudt met tekens en de betekenissen die hiermee samenhangen. Dit kan betrekking hebben op enkele symbolen en combinaties van tekens. De meest gebruikte vorm van semiotiek is communicatie via taal. Voorwaarde voor een geslaagde overdracht van een boodschap is dat de zender en ontvanger dezelfde taal spreken en, nog belangrijker, deze personen dezelfde betekenis aan de boodschap hangen. Landschapsgeografen kunnen semiotiek gebruiken om het landschap te analyseren en om bepaalde eigenschappen van het landschap te lezen. Bijvoorbeeld het voorkomen van Nederlandse bars in de Spaanse badplaats Lloret de Mar. (Grieks: semeion = teken)
SEZ: (Speciale Economische Zone) Open steden in China die investeringen mogen ontvangen van andere landen, deze plekken kunnen zich economisch ontwikkelen.
Shatter belt: Twee of meerdere bevolkingsgroepen in een regio die op politiek of cultureel gebied verschillen hebben. Deze groepen hebben een onderlinge rivaliteit ten opzichte van elkaar. (Voorbeeld: De bevolkingsgroepen in de Kaukasus)
Shifting cultivation: Een vorm van landbouw waarbij een stuk bos wordt gekapt en in brand gestoken om het land klaar te maken om er gewassen op te verbouwen. Wanneer het land niet goed meer bruikbaar is dan vertrekt men naar het volgende stuk bos en geeft men het oude stuk weer terug aan de natuur.
Shogun: Oorspronkelijke titel voor een Japans militair leider. De shogun kreeg in de loop der tijd steeds meer macht, waardoor de kiezer een steeds meer ceremoniële functie kreeg. In 1868 werd de shogun tijdens de Meiji-restauratie afgezet.
Sinicisatie: Beleid van China waarbij m inderheidsgroeperingen de Chinese cultuur krijgen opgelegd.
Silt: Minerale deeltjes met een korrelgrootte van tussen de 2 en 50 µm.
Site: De locatie van een plaats, hierbij wordt gekeken naar het reliëf, de vruchtbare grond, de wegen en waterwegen. De 'Site' van een plaats wordt vaak samen met ‘Situation' bekeken.
Situation: De locatie van een plaats ten opzichte van de andere plaatsen, hoe is de relatie met de omgeving. De 'Situation' van een plaats wordt vaak samen met ‘Site' bekeken.
Slenk: Door tek tonische krachten omlaag gezakt gebied, dit wordt van de hoger liggende omgeving gescheiden door middel van twee evenwijdig lopende breuken.
Socialisme: Een politiek-maatschappelijke stroming dat uitgaat van een sterk overheidsingrijpen om sociale en maatschappelijke problemen op te lossen, het speerpunt is de aanpak van de oneerlijke verhouding tussen arm en rijk. Het socialisme is in de 19 e eeuw gecreëerd door Karl Marx.
Soevereiniteit: Hoogste macht in een bepaald territorium, dit wordt vaak geclaimd door een staat.
Solifluctie: Een met water doordrenkte bodem vloeit als modder weg van een helling. Indien de ondergrond bevroren is, spreekt men van gelifluctie.
Solstitium:
a- Zomer solstitium: 21 juni is de langste dag van het noordelijk halfrond. Hierbij staat de zon loodrecht op de kreeftskeerkring (23½º N.B.). Vanaf de noordpoolcirkel duurt de dag 24 uur.
b- Winter solstitium: 22 december is de kortste dag op het noordelijk halfrond. Hierbij staat de zon loodrecht op de steenbokskeerkring (23½º Z.B.) en maakt een hoek van 43 graden met de kreeftskeerkring. Vanaf de noordpoolcirkel duurt de nacht 24 uur.
Sororaat: De gewoonte dat een man trouwt met de zus van zijn overleden vrouw. Dit komt voor bij polygynie. (Antropologie)
Sovchoze: Collectieve boerderij in het voormalige Sovjet-Unie. Het doel van een sovchoze was het zo efficiënt mogelijk produceren van graan en vlees, dat wil zeggen: maximale mechanisatie.
Spread-effect: Verschijnsel waarbij economische activiteiten zich steeds verder buiten de economische kernregio vestigen, dit komt onder andere door stijgende grondkosten en slechtere bereikbaarheid in de kernregio. Gevolg hiervan is dat een groter gebied een economische ontwikkeling doormaakt.
Springtij: Maximaal verschil tussen de waterstanden bij eb en vloed. Dit ontstaat doordat de aarde, de maan en de zon in één lijn staan. Het zwaartekrachtveld van de maan en van de zon versterken elkaar waardoor het water op aarde extra veel wordt aangetrokken.
Staat: Een politiek georganiseerd ge bied dat wordt bestuurd door een onafhankelijke regering, het moet erkend worden door een groot gedeelte van de internationale gemeenschap. Een staat moet ook een permanente bevolking en een georganiseerde economie bevatten.
Staatskapitalisme: Door de regering gecontroleerde corporaties in een vrije markt economie, meestal komt dit voor in een strak georganiseerde samenleving. Een voorbeeld hiervan is: Zuid-Korea.
Staatsnatie: Staat waarin men meerdere bevolkingsgroepen heeft kunnen samenvoegen tot één natie.
Stad: Een gebied met veel centrale functies in combinatie met een hoge bevolkingsconcentratie en een aaneengesloten bebouwing.
Stadsgewest: Een stedelijk gebied met een centrale stad en omringende gemeenten. Deze hebben veel onderlinge contacten op het gebied van werkgelegenheid, voorzieningen en wonen.
Stadsvernieuwing: De bestrijding van de gevolgen van stedelijke verouderingsverschijnselen, hierbij beperkt men zich niet alleen tot de woonfunctie.
Starters: Nieuwe bedrijven die trachten mee te dingen op de markt. Het aantal starters is uit te drukken per 100 aanwezige bedrijven in een regio.
Stedelijke revitalisering: Bele id dat erop gericht is de ruimtelijke structuur van een stadsgedeelte te vernieuwen om zo het gebied economisch aantrekkelijk te maken.
Stedelijke zone: Een samenhangend geheel van steden en stadsgewesten in een bepaald gebied. Een andere naam hiervoor is: Conurbatie.
Steenbokskeerkring: Breedteparallel op 23,5º Z.B. op het aardoppervlak, tijdens het wintersolstitium (22 december) bevindt de zon zich loodrecht hierboven.
Steppe: Droog gebied dat met kort gras is begroeid. Het bevindt zich meestal aan de randen van de woestijnen, de ecologie van deze gebieden is zeer kwetsbaar. (Russisch: = vlak en dor land)
Stereotypering: Het oordelen over eigenschappen of gedragingen van leden van groepen die niet of niet voldoende op feiten zijn gebaseerd. Stereotypen zijn beelden die iemand of een bepaalde groep heeft, deze beelden hoeven niet per definitie slecht te zijn. Bijvoorbeeld: ‘Alle Hollanders lopen op klompen' of ‘Alle Fransen eten stokbrood'.
Sterftecijfer (bruto): Het aantal gestorvenen per 1000 van de gemiddelde bevolking in een jaar.
Stollingsgesteenten: Gesteente dat ontstaat uit magma dat in de aarde of op het aardoppervlak afkoelt. Er zijn twee groepen stollingsgesteenten, namelijk uitvloeiingsgesteenten en dieptegesteenten.
Strandwal: Vlak voor de kust liggende zandrug die door de branding is opgeworpen. Deze rug is langgerekt en kan enkele meters hoog worden. Door de stroming van het zeewater worden strandwallen enerzijds aangevuld met nieuwe sedimenten en anderzijds afgebroken. Hierdoor ligt de strandwal niet op een vaste plek maar wordt deze verplaatst voor de kust.
Stratopauze: Overgangslaag in de atmosfeer, deze bevindt zich tussen de stratosfeer en de mesosfeer (ongeveer op 50 km hoogte).
Stratosfeer: Tweede laag van de atmosfeer, deze bevindt zich op een hoogte van ongeveer 15 tot 50 kilometer. Kenmerk van deze laag is de temperatuurstijging, deze stijgt van ca -60ºC tot 0ºC. Wanneer deze temperatuur bereikt is (op ongeveer 50 km) begint de stratopauze. In de stratosfeer is ook de ozonlaag te vinden.
Stratovulkaan: Vulkaan met steile hellingen, dit komt doordat deze is opgebouwd uit felsisch lava. Felsisch lava heeft een hoge viscositeit (stroperig met veel gas) en kan dus niet uitstromen over lange afstanden. De meeste stratovulkanen komen voor bij subductiezones rond de Pacifische Oceaan.
Streekplan: Plan van de provincie, deze geeft in grote lijnen de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen van een gebied aan.
De functies van een streekplan zijn:
a- Het is een ruimtelijk ontwikkelingsplan voor de regio
b- Het is een toetsingskader voor het gemeentelijke beleid
c- Het is een integratiekader voor het sectorbeleid, dat in de provincie wordt gevoerd, tezamen met het rijks- en gemeentelijke beleid.
Stroomrug: Langgerekte heuvel in het rivierlandschap, deze is ontstaan op de plek waar vroeger de rivier gestroomd heeft. Door middel van sedimentatie in en vooral direct langs de rivier steeg de ondergrond van de rivier in de loop van de tijd. Toen het geheel te hoog kwam te liggen zocht de rivier een andere weg en bleef de oude bedding als verhoging achter.
Structuration: Algemene structuren in gedrag en het doen van handelingen. Door deze structuren is communicatie mogelijk, want mensen kunnen elkaar begrijpen. Door het veelvuldig herhalen van een bepaalde handeling door meerdere individuen ontstaat een structuur. Mensen begrijpen deze structuur en ze hechten er bepaalde betekenissen aan. De structuur bestaat uit tradities, codes, instituties en gevestigde manieren om bepaalde handelingen te doen. Een structuur kan worden veranderd wanneer een individu deze structuur negeert. Wanneer meerdere individuen dat gedrag kopiëren ontstaat er uiteindelijk een nieuwe structuur.
Structuurplan: Plan van de gemeente, hierin worden de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor het grondgebied van de gemeente vastgelegd.
Stuwwal: Door oprukkende gletsjers gevormde heuvelrug. Deze bestaat uit allerlei gesteentematerialen die voor de gletsjer zijn uitgestuwd. Voorbeelden van stuwwallen zijn oa. De Veluwe, de Utrechtse heuvelrug en de Sallandse Heuvelrug.
Subductie: Het proces waarbij twee platen naar elkaar toe drijven en de plaat met de meest compacte samenstelling (meestal basaltische oceaanbodems) de mantel in verdwijnt.
Subsolair punt: Punt op de aarde waar de invalshoek van een zonnestraal 90 graden is. Dit punt kant zich alleen tussen de twee keerkringen bevinden, daarboven of daaronder is het onmogelijk dat de zonnestralen zo'n invalshoek hebben.
Suburbanisatie: Migratiebeweging waarbij mensen wegtrekken uit de stad en zich vestigen in dorpen in de directe omgeving.
Sunbelt: De zuidelijke en westelijke staten van de Verenigde Staten, dit is het gebied waar momenteel veel mensen binnen de V.S. naar toe verhuizen.
Supernova: De explosie van een ster, die wordt voor een relatief korte tijd enorm helder wanneer zijn brandstof bijna op is.
Supranationalisme: Vrijwillige samenwerking op economisch, politiek of cultureel gebied tussen drie of meer onafhankelijke staten. Deze zijn bereid iets van hun soevereiniteit af te staan aan een gemeenschappelijke instantie. (Voorbeeld: EU)
Suture: Plek waar twee continentale massa's door tektonische krachten op elkaar zijn gebotst, de suture is de hechtnaad.
Taal: Manier om te communiceren. Niet alleen via spraak maar ook door middel van andere handelingen zoals gebaren en schrifttekens. De regels voor de taal moeten door zowel de zender als de ontvanger worden begrepen zodat zij elkaar kunnen verstaan.
Taiga: Subarctisch sneeuwrijk gebied dat begroeid wordt door naaldbomen. Het bevindt zich in het noorden van Rusland en Canada ten zuiden van de toendra. (Russisch: = naaldbos)
Technocratie: Samenleving die bestuurd wordt door vakexperts (bijvoorbeeld ambtenaren), deze bestuurders hebben geen achterliggende ideologie of doelstelling.
Technopool: Stad of gebied waar veel techno-industriële bedrijven staan. Een voorbeeld hiervan is Silicon Valley in Californië.
Tektoniek: Het plooien en breken van de lithosfeer door de inwendige krachten van de aarde.
Tel: Vruchtbare kustvlakte in het Midden-Oosten.
Terp: Door de mensen opgeworpen woonheuvels in het kustgebied. Door op terpen te gaan wonen konden mensen zich in het verleden beschermen tegen de hoge waterstanden van de zee. Terpen komen vooral voor langs de kust van de Waddenzee.
Territoriale zee: Op territoriale zeeën gelden dezelfde wetten als op het land waar het bij behoort. Dit gebied strekt zich 12 zeemijlen uit van de kust van het land.
Territorialiteit : Het afbakenen van een gebied door een groep mensen die daarvoor de macht hebben, zij bepalen wat anderen wel en niet in dat gebied mogen doen.
Terrorisme: Het plegen van aanslagen met het doel om aandacht te krijgen voor een bepaalde kwestie.
Thermosfeer: De buitenste laag van de atmosfeer, deze begint op een hoogte van ongeveer 80 kilometer. Kenmerk van deze laag is de temperatuurstijging, deze begint van -80ºC tot een nog niet bekende hoge temperatuur. In de thermosfeer treedt het poollicht op.
Tierra Caliente / Fria / Helada / Nevada / Templada: Hoogtezones in Zuid-Amerika, elke hoogtezone bevat een eigen temperatuur waardoor er specifieke landbouwproducten kunnen worden verbouwd. Als volgt:
a- Tierra Caliente: Het warme lage gebied met de tropische regenwouden. Hier bevinden zich de plantages waarop de bananen, suikerriet en rijst worden verbouwd. (tot 750 meter)
b- Tierra Templada: Het gebied waarin de Spanjaarden hun nieuwe steden stichtten. Hier kunnen de gewassen koffie, maïs, tarwe en groenten worden verbouwd. (750 – 1800 meter)
c- Tierra Fria: Hier kunnen de gewassen aardappelen, gerst en tarwe worden verbouwd. Ook kunnen hier koeien worden gehouden voor de zuivelproductie. (1800 – 3600 meter)
d- Tierra Helada: Gebied waarbinnen schapen kunnen worden gehouden. (3600 – 4500 meter)
e- Tierra Nevada: De sneeuwgrens (vanaf 4500 meter)
Tipping point: Omslagpunt waarbij een voorheen klein verschijnsel een dominant wordt in het geheel. Mensen kunnen een minderheid van een bepaalde etnische groep accepteren, maar wanneer deze groep verder groeit en een bepaald percentage van de totale bevolking bereikt, dan verlaat de voorheen dominante groep massaal het gebied. (Voorbeeld: zwarte scholen)
Toendra: Boomloze vlakte in het subarctisch gebied in het noorden van Rusland en Canada. De vegetatie bestaat uit mossen, korstmossen en wintervaste grassen. Hier heerst het toendraklimaat (ET).
Tombolo: Smalle zandrug die een eiland met het vasteland verbindt.
Toponiem: Plaatsnaam die afgeleid is van de geografische eigenschappen van een locatie. (Grieks: topos nómos = plaats naam)
Tornado: Sterke wervelwind met een extreem lagedrukgebied in het centrum. Deze is zichtbaar als een trechtervormige slurf onder een cumulonimbus wolk. Ze ontstaan in de buurt van een koufront. Een tornado heeft een doorsnede van enkele honderden meters tot een kilometer.
Toyotisme: Regionaal netwerk van bedrijven. Dit is ontstaan uit het kernbedrijf, deze heeft zoveel mogelijk van zijn activiteiten afgestoten en richt zich alleen nog maar op de kernactiviteiten. De toeleverende bedrijven hebben zich gevestigd nabij het kernbedrijf.
Transculturatie: Meerdere culturen smelten samen tot één nieuwe cultuur.
Transgressie: Overtreding, het vertonen van gedrag dat niet op een bepaalde plek gewenst is. Vanuit de normen en waarden van de dominante cultuur op deze plek wordt een bepaalde betekenis aan deze plek gegeven. Deze betekenis wordt in stand gehouden doordat men zich aan de wenselijke gedragingen houdt die gekoppeld zijn aan deze plek. Wanneer een individu zich daar (bedoeld of onbedoeld) niet aan houdt dan begaat hij een overtreding op deze plek. Een voorbeeld van een transgressie is autorijden over een voetgangersgebied. (Latijns: transgredi = stap over)
Transgressie: (geologie) Het overstromen van stukken land aan de zeekust door een zeespiegelstijging en/of een daling van de bodem. (tegenovergestelde van regressie)
Transhumance herders: Volkeren die met hun vee een rondtrekkend bestaan leiden, daarbij hebben ze wel een semi-permanente woonplaats.
Transitiezone: Overgangsgebied, een gebied zonder duidelijke grens.
Transmigratie: Migratie van dichtbevolkte naar dunbevolkte gebieden. Dit proces wordt vaak gestimuleerd door de overheid. Bijvoorbeeld: In Indonesië van Java naar Irian Jaya.
Transpiratie: Verdamping vanuit levende organismen.
Trog: Lange nauwe diepe depressie op de oceaanbodem op de plek waar een oceanische plaat onder een andere plaat duikt door subductie.
Tropopauze: Overgangslaag in de atmosfeer, deze bevindt zich tussen de troposfeer en de stratosfeer (ongeveer op 14 km hoogte).
Troposfeer: Onderste laag van de atmosfeer, deze bevindt zich van het aardoppervlak tot ongeveer 13 kilometer hoogte (Aan de polen 8km, aan de evenaar 17 km). De gemiddelde temperatuurdaling in deze laag bedraagt 6,4ºC/km.
Tsunami: Een enorme door aardbevingen gegenereerde vloedgolf, deze zorgt voor verwoestingen in het kustgebied. (Japans: = havengolf)
Tyfoon: Zie orkaan
Uiterwaard: Het gebied tussen de zomer- en winterdijk langs rivieren. Tijdens perioden met weinig waterafvoer staan uiterwaarden droog, bij veel waterafvoer stromen ze onder.
Uitvloeiinggesteente: Stollingsgesteente dat gekenmerkt wordt door kleine kristalen, deze zijn niet met het blote oog te zien. Dit komt door de snelle afkoeling. De gesteenten zijn ook herkenbaar aan de holten, hierin hebben gassen gezeten.
Umbra: Het binnenste, donkere gedeelte van een schaduw die te zien is tijdens een zonsverduistering.
Unilineaire afstamming: De afstamming van een persoon wordt teruggerekend via de mannelijke lijn de vrouwelijke lijn, respectievelijk patrilineair matrilineair. (is anders dan cognatische afstamming)
Universalisme: Het beoordelen van andere culturen op basis van algemeen geldende normen en waarden. Het accent wordt hierbij gelegd op overeenkomsten en gezamenlijkheid. (Antropologisch)
Urban bias: De stelselmatige bevoordeling van stedelingen in ontwikkelingslanden. De stedelijke elites profiteren het meeste van de investeringen en dienstverlening van de overheid in de stad, zij trekken de investeringen naar zich toe. Het gevolg is dat de kloof in welzijn en welvaart tussen de stad en platteland nog groter wordt.
Urbanisatie: Migratiebeweging waarbij mensen wegtrekken van het platteland en zich vestigen in de stad.
Vaaggrond: Bodemtype waarin nog geen bodemvormend proces heeft plaatsgevonden. In deze bodem ontbreken een in- en uitspoelingslaag.
Veen: Veen is een zuurstofarme grondsoort die uit gedeeltelijk verkoold plantenmateriaal bestaat. Het vochtgehalte van deze grondsoort is erg hoog, namelijk meer dan 75%. In gedroogde vorm staat veen bekend als turf. Deze grondstof werd vroeger gebruikt als brandstof.
Verdubbelingstijd: De tijd die nodig is voor een bevolking om in omvang te verdubbelen.
Vergrijzing: Een toename van het percentage mensen van 65 jaar en ouder.
Verstedelijking: Toename van de bevolkingsconcentratie, waarbij het aantal steden groeit en een steeds groter percentage van de bevolking in de steden woont.
Verticale integratie: Bedrijfsstructuur waarbij het bedrijf zoveel mogelijk activiteiten bij zichzelf onderbrengt, hierdoor is men niet afhankelijk van andere bedrijven. Voorbeeld hiervan is Shell, dit bedrijf houdt zich bezig met olie, van winning uit de grond tot verkoop aan de pomp.
Vervangingsniveau: Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw (2,1) dat nodig is om de ene generatie te vervangen door de andere.
Verwering: Proces waarbij een gesteente fysiek en chemisch uiteenvalt door blootstelling aan het aardoppervlak. Verwering kan onderverdeeld worden in:
Chemische verwering: Hierbij verandert de samenstelling van een gesteente.
Dit kan komen door, bijvoorbeeld:
a- Oxidatie: De chemische elementen in het gesteente binden zich met zuurstof.
b- Hydrolyse: Waterstof ontbindt zich: H 2 O => H + + OH - , deze laatste bindt zich met het gesteente.
c- Oplossing: Bepaalde stoffen in gesteente lossen op, daarbij geldt: hoe warmer, hoe sneller.
Fysische verwering: Gesteente valt uiteen maar de samenstelling blijft hetzelfde.
Verzilting: Het zouter worden van het grond- of oppervlaktewater.
Vinex: Grote nieuwbouwwijken aan de randen van grote steden. Vinex is de afkorting van Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra.
Vlechtende rivier: Ri vier waarin de wateraanvoer en de hoeveelheid meegevoerd grind en zand sterk wisselt. De rivier zet het grind en zand af en stroomt er vervolgens omheen. De rivier stroomt dus steeds op een andere plaats, hierdoor kan zij zich niet diep in de ondergrond insnijden.
VN: (Verenigde Naties) Intergouvernementele organisatie met als doel de vrede en veiligheid te handhaven, en de internationale samenwerking op sociaal, economische cultureel en humanitair gebied te bevorderen.
Vol-capillaire zone: Zone in de ondergrond net boven de grondwaterspiegel. Hierin wordt het water omhoog getrokken door poriën in de grondlaag. Alle poriën worden hierbij gevuld.
Volkscultuur: Collectief e rfgoed van kleine oude plattelandsgemeenschappen, de traditionele gebruiken en uitingen van het volksleven. Dit staat tegenover populaire cultuur.
Vooroordelen: Een antipathie gebaseerd op een onjuiste en starre generalisatie, deze wordt gevoeld tegen een groep als geheel, of tegen een individuele persoon omdat hij deel uitmaakt van die groep. Een vooroordeel heeft vier kenmerken:
- Er is sprake van een vijandig oordeel.
- Het oordeel betreft een groep of een individu als lid van een groep.
- Het oordeel wordt niet of onvoldoende door feiten gesteund.
- Het oordeel blijkt in hoge mate onveranderbaar.
Vorstwig: Verstoring van de oorspronkelijke gelaagdheid van een sediment door afwisseling van vorst en door. Bij lage temperaturen (-20ºC) ontstaan er scheuren in de bodem, deze worden tijdens dooiperioden opgevuld met water. Wanneer dat water later weer bevriest dan zet het uit en rekt de scheur verder op.
Vrijzinnigheid: Stroming in de godsdienst die minder strak in de leer zijn, men gaat flexibel om met de leerstellingen en leefregels van desbetreffende godsdienst. Dit staat tegenover orthodoxie.
Vruchtbaarheidscijfer (per vrouw): Het totale aantal levendgeborenen per vrouw tijdens de vruchtbare leeftijd van 15 t/m45 jaar.
Vruchtbaarheidscijfer (totaal): Het totale aantal levendgeborenen per 1000 vrouwen tijdens de vruchtbare leeftijd van 15 t/m 45 jaar.
Vulkaan: Kegelvormige verhoging in het landschap, deze bestaat uit de gestolde uitstoot van lava. Er zijn twee hoofdsoorten vulkanen te onderscheiden, namelijk stratovulkanen en schildvulkanen.
Wadden: L aaggelegen en met geulen doorsneden kustgebieden. Bij eb vallen deze gebieden droog en bij vloed lopen ze onder. Een Waddengebied wordt door een strandwal of eilanden beschermd tegen sterke zeestromingen.
Wadi: Rivier in droge gebieden dat het grootste gedeelte van het jaar droog staat, tijdens de natte periode krijgt deze rivier echter veel water te verwerken. (Arabisch: = dal)
W allace line: Lijn die getrokken is langs de eilanden boven Australië die de grens van de specifieke Australische diersoorten markeert.
Weber-these: De politieke en economische dominantie van de noordwest Europese landen in de wereld komt voort uit het Protestantisme, hierin wordt de nadruk gelegd op individuele verantwoordelijkheid, de deugd van spaarzaamheid en het harde werken. Theorie: Max Weber
Weer: De toestand van de atmosfeer op een bepaalde plaats op een bepaald moment.
Weichselien: De laatste ijstijd, deze periode duurde van 120.000 tot 10.000 jaar geleden. Tijdens het Weichselien bereikte het ijs Nederland niet, hier heerste destijds een toendraklimaat.
Wiel: Diepe plas bij de kust of langs een rivier, deze is ontstaan door een dijkdoorbraak. Het snel stromende wa ter heeft hier een diep stroomgat achtergelaten.
Wind: Luchtbeweging in de atmosfeer. Wind ontstaat bij luchtdrukverschillen en waait van een hoge- naar een lagedrukgebied.
Windhoos: Sterke wervelwind met een lagedrukgebied in het centrum. Deze is zichtbaar als een trechtervormige slurf onder een cumulonimbus wolk. Een windhoos heeft een doorsnede van enkele tientallen meters.
Witte dwerg: Kleine hete ster. Deze is overgebleven uit een rode reus.
Woerd: Door de mensen opgeworpen woonheuvel bij de grote rivieren, dit als bescherming tegen de hoge waterstanden. Ze komen vooral voor in midden Nederland.
Woestijn: Droog gebied met weinig of geen vegetatie, waarin jaarlijks minder dan 25 centimeter neerslag valt. Meestal komen woestijnen voor in extreem warme of koude gebieden.
WTO: (World Trade Organization) Intergouvernementele organisatie met als doel een zo ruim mogelijke vrijhandel tussen de lidstaten te creëren, daarnaast dient het als forum waarin landen hun handelsconflicten kunnen bijleggen.
Yunga: Subtropisch dal aan de oostkant van het Andesgebergte.
Zand: Minerale deeltjes met een korrelgrootte van tussen de 50 en 2000 μm. Zandgronden zijn vooral in de hogere delen van Nederland (zuiden en oosten) te vinden, dit is waar de Pleistocene afzettingen aan de oppervlakte komen.
Zechstein: Ondoordringbare afgezette zoutlaag van een binnenzee tijdens het tijdvak Perm. Hieronder verzamelde zich het aardgas in het Rotliegendes.
Zeemijl: Meeteenheid op zee: 1 zeemijl = 1,85 kilometer
Zenit: Punt in de hemel recht boven de waarnemer, dit punt staat haaks op de horizon.
Zon: Het centrale hemellichaam in ons zonnestelsel. De gloeiende gasbol ligt op 149.600.000 kilometer van de aarde. De straal van dit hemellichaam bedraagt 696.000 kilometer, daarbij is de zwaartekracht 28 keer zo groot als op de aarde.
Zonneconstante: De standaard intensiteit van de zonnestralen: 1370 Watt per vierkante meter, dit is gemeten net boven de dampkring.
Zonnestelsel: Stelsel van alle objecten die door de zwaartekracht aan de zon zijn verbonden, inclusief de zon zelf.
Zonnevlek: Hooggemagnetiseerde, donkere plek op het zonoppervlak, deze is koeler dan het gebied eromheen. De zon straalt vanaf deze locatie elektrisch geladen deeltjes uit, wanneer deze deeltjes de aarde bereiken dan kunnen deze het poollicht veroorzaken.
Zuigelingensterfte: Het aantal overledenen, jonger dan 1 jaar, per 1000 levendgeborenen.
Zwart gat: Object in de ruimte met een enorm sterk zwaartekrachtsveld, de ontsnappingssnelheid is hierin groter dan de lichtsnelheid. Meestal ontstaat een zwart gat na het ineenstorten van een ster.
Zwin: Laagte tussen een strandwal en kust in, deze is vrijwel altijd met zeewater gevuld. Onder invloed van de getijden stroomt de zee het zwin in en uit, via een gat in de strandwal (mui).




