Begrippen landschappen
aanwas: Aangeslibd materiaal tegen een bestaande dijk, kust of oever.
afwatering: Afvoer van overtollig water uit een gebied. Dit gebeurt natuurlijk (als het gebied hoog genoeg ligt ten opzichte van de omgeving) of kunstmatig in laaggelegen gebieden door molens en gemalen.
B
basisveen: Veen dat aan de basis ligt van de holocene
afzettingen in Nederland en dat tussen 7000 en 6000 voor Christus is gevormd. Op
de meeste plaatsen later bij hoge vloeden weer weggeslagen.
bio-industrie: Intensieve veehouderij, waarbij op een (bijna) industriële wijze dierlijk voedsel wordt geproduceerd.
bodemerosie: Het opnemen en verplaatsen van gronddeeltjes door wind, water of ijs. De kans op bodemerosie is het grootst op stukjes onbeschermd aardoppervlak, bijvoorbeeld een akker.
boezem: Opslagplaats van overtollig polderwater.
bonkveen: (ook wel 'bolster' genoemd) Bovenste deel van een hoogveenpakket dat bruin van kleur is, vrij los is en als turfstrooisel gebruikt kan worden.
brink: Rond grasveld met drinkput waar dieren 's nachts verbleven, omgeven door boerderijen en bomen. Komt voor op de zandgronden bij brink/esdorp.
brinkdorp: Dorpstype, ook bekend onder de naam esdorp, op de zandgronden. De kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink).
C
Carboon: Periode in de geologische tijdstabel, ca. 300
miljoen jaar geleden, waarin Nederland een tropisch klimaat had en waardoor
steenkool is gevormd.
colluvium: Löss die onderaan een helling is samengespoeld.
cultuurlandschap: Een landschap dat is ontstaan door de activiteiten van mensen. Een cultuurlandschap bestaat uit inrichtingselementen als wegen, akkers en weilanden, parken en vijvers, huizen en fabrieken, dorpen en steden. Een cultuurlandschap wordt wel beschouwd als het tegenovergestelde van een natuurlandschap.
D
dalgrond: Een kunstmatige bodem, gevormd na afgraving
van hoogveen in de veenkoloniën. De tijdelijk aan de kant gezette bovenste laag
van het veen (bonkaarde) werd door het dekzand gemengd.
dekzand: Door de wind gevormde zandafzetting uit de Weichseltijd, die vrijwel geheel Nederland heeft bedekt.
dijkdorp: Een langgerekt dorp, bepaald door het verloop van de dijk. Vanaf de dijkwoning werd het land ontgonnen in lange smalle stroken. Deze lintbebouwing komt voor in het laagveenlandschap in West-Nederland. In het zeekleilandschap van Zuidwest Nederland komen andere soorten dijkdorpen voor.
dijkverzwaring: Verhogen en verbreden van dijken, onder andere in het kader van de Deltawet. Het betreft dijken in Laag-Nederland en langs de grote rivieren. Nodig in verband met zeespiegelstijging.
donk: Rivierduin dat geheel is omgeven door (of overdekt met) jongere holocene afzettingen.
droogmakerij: Een polder ontstaan door uitmaling van het water van een meer of plas.
duin: Door de wind gevormde afzettingen met veel reliëf. Langs de kust kennen we kustduinen, langs rivieren zijn er ook rivierduinen.
duinvallei - primair: Laagte tussen een oude zeereep en een nieuwe zeereep; een oorspronkelijke strandvlakte.
duinvallei - secundair: Laagte door winderosie uitgeblazen tot het grondwaterniveau.
E
Eemien: Warmere periode tussen het Saalien en het
Weichsel-glaciaal.
enk: Met mest opgehoogde akkers die vroeger rondom dorpen in het zandlandschap te vinden waren. Ook wel es genoemd.
eolische afzetting: Een afzetting door de wind.
erosie: Het opnemen en verplaatsen van gronddeeltjes door wind, water of ijs. De kans op bodemerosie is het grootst op stukjes onbeschermd aardoppervlak, bijvoorbeeld een akker.
esdorp: Dorpstype, ook bekend onder de naam brinkdorp, op de zandgronden. De kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink), omgeven door boerderijen en akkers (essen).
es: Met mest opgehoogde akkers die vroeger rondom dorpen in het zandlandschap te vinden waren. Ook wel enk genoemd.
eutrofiëring: Voedselverrijking van water (en uiteindelijk ook van de bodem) waardoor algen en hogere waterplanten sterk kunnen groeien. Ontstaat onder andere door overbemesting in de landbouw waardoor veel nitraten en fosfaten aan de bodem worden toegevoegd.
F
fluviatiele afzetting: Een afzetting door een
rivier.
G
geestgrond: Zandgrond aan de binnenzijde van het
kustgebied ontstaan door afgraving van de oude duinen. Zeer geschikt voor de
bloementeelt.
glaciaal: Koude periode in het Pleistoceen. Met 'het Glaciaal' wordt het Saalien bedoeld.
glaciale verschijnselen: Verschijnselen veroorzaakt door het ijs. Je kunt hierbij denken aan de grondmorene, stuwwallen, zwerfkeien.
graft: Steile rand met bos of struikgewas op hellingen in Zuid-Limburg.
grondmorene: Aan de onderzijde van het landijs afgezet keileem.
grondsoort: Materiaal aan de oppervlakte, waaruit de ondergrond bestaat, bijvoorbeeld zand, veen.
grondwater: Water met een onder het aardoppervlak gelegen waterspiegel.
grondwaterspiegel: Het hoogteverschil tussen het grondoppervlak en de grondwaterspiegel.
H
Hollandveen: Veen dat aan de oppervlakte ligt van
de Holocene afzettingen in Nederland.
holle weg: In het landschap diepliggend pad of weggetje, ontstaan door erosie in de löss.
Holoceen: Geologisch tijdvak dat circa 10.000 jaar geleden begon en waarin we ons nu bevinden. Jongste periode van het Kwartair.
hoofddiep: Belangrijkste kanaal in het hoogveenlandschap van waaruit de ontginning werd gestart.
Hoog Nederland: Het deel van Nederland dat boven 1 meter boven NAP ligt.
hoogveen: Veen dat groeit onder invloed van voedselarm regenwater, boven NAP gelegen.
hoogveenontginningsdorp: Kanaaldorp in het hoogveenlandschap, waarin vanuit de woningen langs het veenafvoerkanaal de vervening plaatsvond.
houtwal: Afscheiding van agrarische percelen bestaande uit struiken en rijen bomen.
I
infiltratie: Aanvulling van het grondwater door
aangevoerd rivierwater in de grond te laten zakken.
infrastructuur: Het geheel van verbindingen in een landschap.
inklinken: Daling van het grondoppervlak door volumeverlies ten gevolge van vochtverlies. Verschijnsel komt vooral voor bij klei en veen.
J
jonge zeeklei: Zeeklei, afgezet ongeveer 1300
na Christus in West-Nederland. Ook wel afzetting van Duinkerken genoemd.
Jura: Gebergte op de grens tussen Frankrijk en Zwitserland. Jonggebergte bestaande uit voornamelijk kalksteen, vandaar de vele karstverschijnselen. De hoogste top meet 1732 meter. Tijdens een ijstijd was er vergletsjering.
K
kavel: Een duidelijk afgebakend stuk cultuurgrond.
keileem: Ongesorteerde afzetting uit het glaciaal, bestaande uit een mengsel van keien, zand en leem.
klei: Verweringsmateriaal, minerale deeltjes door chemische verwering ontstaan, met een korrelgrootte kleiner dan 0,002 mm. Heeft als eigenschappen onder andere een groot opnamevermogen van water en de adsorptie van voedingsstoffen voor planten.
kom: Bij overstroming tussen de stroomruggen gevormd gebied met zware rivierklei dat later door inklinking lager is komen te liggen dan de stroomruggen.
kreekrug: Zandige rug in het zeekleilandschap die bestaat uit een dichtgeslibde kreekbedding met de bijbehorende oeverwallen.
Krijt: Geologische periode van 140 miljoen tot 65 miljoen jaar geleden, gekenmerkt door zeespiegelstijging waardoor veel kalkafzettingen werden gesedimenteerd.
Kwartair: De jongste geologische periode die circa 2.500.000 jaar geleden is begonnen en die tot op heden doorloopt. Bestaat uit de tijdvakken pleistoceen en holoceen.
kwel: Water dat door natuurlijke of kunstmatige hoogteverschillen in grondwaterspiegels door dijken of doorlatende ondergrond in polders terecht komt. Kan plaatselijk aan de oppervlakte treden.
kwelder: Buitendijks gebied langs de zeekust dat begroeid is met zoutminnende flora en dat alleen bij zeer hoge vloed overstroomt. In Zeeland spreekt men van schor.
L
Laag Nederland: Het deel van Nederland dat
beneden +1 meter NAP ligt, en dat bij elke vloed zou overstromen als er geen
dammen, dijken en duinen zouden zijn.
laagveen: Veen dat groeit onder invloed van het grondwater, beneden NAP gelegen.
landschap: Een gebied dat in zijn uiterlijk een geheel vormt. Bestaat uit een aantal natuurlijke elementen (grondsoort, reliëf, waterhuishouding, bodem, hoogteligging) en uit een aantal door de mens aangebrachte bouwstenen (bewoningsvorm, grondgebruik, verkaveling, verkeersinfrastructuur).
löss: Afzetting door de wind uit het Weichselien (post-glaciaal) met een korrelgrootte kleiner dan 0,05 mm. Komt incidenteel in Oost-Nederland aan de oppervlakte (rond Nijmegen) en in grote delen van Zuid-Limburg.
M
mariene afzetting: Afzetting door de zee.
meanderen: Het kronkelen van een rivier als gevolg van de afnemende stroomsnelheid.
meent: Gemeenschappelijk stuk grond met weidefunctie in het zandlandschap.
meer: Open watervlakte, voormalig water.
mergel: Afzettingsgesteente bestaande uit een mengsel van klei en van resten van organismen met een kalkschaal dan wel een kalkskelet. In Zuid-Limburg veelvuldig afgegraven voor de cementindustrie.
morene: Materiaal dat onder het ijs wordt meegebracht.
N
natuurlandschap: Een natuurlandschap is een
landschap zoals dat door de natuur is gevormd. Dit landschap bestaat nog geheel
uit natuurlijke elementen, bijvoorbeeld: heuvels en bergen, rivieren en zeeën,
bossen en steppen. De mens heeft er nog niet of nauwelijks zijn invloed laten
gelden.
nieuw land: Onderdeel van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden dat is ontstaan door actieve dijkaanleg en landwinning en bestaat uit jonge zeeklei.
O
oeverwal: Brede lage rug langs de rivier, ontstaan
door sedimentatie van zandig materiaal direct langs de rivier tijdens
overstromingen.
oud land: Onderdeel van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden dat bestaat uit oude kwelders of schorren. Vaak in later tijd weer weggeslagen.
oude zeeklei: Blauwgrijze zeeklei, zwaar, afgezet ongeveer 3000 voor Christus in West-Nederland. Ook wel afzetting van Calais genoemd.
overslaggrond: Tijdens een dijkdoorbraak rondom een wiel afgezet zand en grind.
P
perceel: Door sloot, weg of hek afgebakend stuk grond.
permafrost: Permanent bevroren ondergrond die in Nederland in de Weichsel-tijd voorkwam.
pionierplanten: De eerste planten die zich vestigen op een nieuw stuk duingrond of drooggevallen grond.
plateau: Hooggelegen vlak gedeelte in het landschap. Ook wel hoogvlakte genoemd.
Pleistoceen: Geologisch tijdvak dat 2.500.000 jaar geleden begon en 10.000 jaar geleden eindigde. Kenmerkend voor deze periode is dat koude en warmere perioden elkaar afwisselden.
polder: Een gebied omringd door dijken met een kunstmatige waterbeheersing.
puinwaaier: Sedimentpakket dat zich opbouwt in het gebied waar een rivier of stroom in een bekken terecht komt. In Nederland in het pre-glaciaal afgezet door bijvoorbeeld Rijn en Maas.
R
recreatiedruk: De toename in de benutting van
natuur en landschap in landelijke gebieden door recreatie.
regressie: Zeewaartse verschuiving van de kustlijn, die optreedt bij een zich terugtrekkende zee.
relatieve zeespiegelstijging: Het gecombineerde effect van de stijging van de zeespiegel en de daling van het land.
reliëf: Hoogteverschillen in het landschap.
ringdijk: Dijk rondom een polder die als eerste werd aangelegd met behulp van materiaal dat afkomstig was van de aan de buitenzijde van deze dijk.
ringvaart: Kanaal rondom een polder of droogmakerij.
rivierduin: Duin langs rivieren of beken, dat is opgebouwd uit materiaal dat ten tijde van het Weichselien uit de versmallende rivierbediingen is gewaaid.
S
Saalien: IJstijd in het pleistoceen. Tijdens deze
ijstijd werd ongeveer half Nederland met ijs bedekt.
sandr: Smeltwaterafzetting uit het Saalien aan de voet van een stuwwal.
schaalvergroting: Ontwikkeling waarbij steeds grotere eenheden worden gevormd, onder andere in de landbouw door mechanisatie, intensivering en specialisatie.
strandwal: In het Holoceen gevormde zandbank, evenwijdig aan de huidige kust, die bij normale getijden boven water uitstak. Hierop hebben zich de oude duinen gevormd.
stroomrug: Relatief hooggelegen strook in een riviervlakte, bestaande uit een opgevulde verlaten rivierloop en de daarbij behorende oeverwallen.
stuwwal: Door het landijs tijdens het Saalien tot een heuvel opgedrukt materiaal. In Nederland aan te treffen ten noorden van de lijn Haarlem-Utrecht-Nijmegen.
T
terp: Kunstmatig opgeworpen heuvel, toevluchtsoord bij
hoge waterstanden. Ook bekend onder de naam ward, werd, wierde en hil.
terpdorp: Dorpstype in het zeekleigebied ontstaan op een kunstmatig opgeworpen heuvel. Ook bekend onder de naam warddorp, wierddorp of woerddorp (laatste benaming in het rivierengebied).
terrassen: Vlakliggende beddingrestanten van rivieren in Zuid-Limburg.
Tertiair: Geologische periode van 65 miljoen tot 2,5 miljoen jaar geleden.
toendra: Boomloze vlakte rondom de Noordpool, die het grootste deel van het jaar bevroren is.
toendraklimaat: Klimaat waar het altijd koud en droog is, met een korte zomer met een temperatuur tussen 0° en 10°C.
tongbekken: Door landijstongen uitgeschuurde laagte.
transgressie: Landwaartse verschuiving van de kustlijn als gevolg van zeespiegelstijging.
U
uiterwaard: Strook land langs een rivier tussen de
bedding en de rivierdijk. Loopt bij hoge waterstand onder. Watterbuffer langs de
rivier.
V
veen: Opeenhoping van dode planten resten tijdens
moerasachtige omstandigheden.
verdroging: Proces waarbij grote delen grond minder vocht krijgen door de kunstmatige verlaging van de grondwaterstand ten behoeve van de landbouw (makkelijker te bewerken met zware machines).
verkaveling: Manier waarop de cultuurgrond in stukken (kavels) is verdeeld. We onderscheiden moderne rationele verkaveling (grote rechthoekige eenheden), strookverkaveling (lang en smal, al dan niet met bebouwing op de kavel) en blokverkaveling (kleinere rechthoekige eenheden).
vervening: Het afgraven van hoogveen waardoor het huidige hoogveenlandschap ontstond, of het uitbaggeren van laagveen waardoor het huidige laagveenlandschap is ontstaan.
verzilting: Toename van het zoutgehalte in het oppervlaktewater, grondwater of in de bodem.
verzuring: Stijging van de zuurgraad in het milieu, onder andere door zure regen.
W
wad: Ondiepe zee in een reliëfarm kustgebied, met een bodem
van fijn los materiaal, een sterke getijdenwerking en van de open zee
afgeschermd door een rij waddeneilanden.
wegdorp: Dorp met langgerekte bebouwing, ontstaan langs rivier, beek, dijk of kanaal. Ook wel lineaire bebouwing genoemd.
Weichselien: Koude periode in het pleistoceen, waarin dekzand en löss is afgezet.
wiel: Diepe, ronde of ovale plas, ontstaan bij een doorbraak van een dijk. Gelegen achter de gedichte dijk.
wierde: Kunstmatig opgeworpen heuvel, toevluchtsoord bij hoge waterstanden. Ook bekend onder de naam ward, werd, terp en hil.
wijk: Dwars op het hoofdkanaal gelegen zijkanaal in het hoogveenlandschap.
windkuil: Verlaging in het duin ontstaan door winderosie (vaak een voorstadium van een duinvallei en een paraboolduin).
windsingel: Bomenrij om de windkracht te breken.
winterbed: Het gebied tussen de winterdijken, bestaande uit de zomerdijk en de uiterwaarden.
winterdijk: Dijk op grotere afstand van de rivier die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming. Het gaat om een hoge dijk die samen met de zomerdijk de uiterwaarden begrensd.
Z
zand: Verweringsmateriaal, minerale deeltjes met
doorsneden van 0,05-2 mm. Bestaat voor het het merendeel uit kwarts.
zavel: Mengsel van zand en klei. Zware zavel heeft een groter percentage klei dan lichte zavel.
zeereep: Direct aan de kust liggende zeewerende duinenrij.
zoetwaterlens: Zoet regenwater dat door een lagere soortelijke massa drijft op zout water in de duinen.
zomerdijk: Lage dijk of kade aan weerszijden van de rivier, die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming in de zomer.
zure regen: Regen waarbij waterdruppels sporen van zwavelzuur en salpeterzuur bevatten.




