Maatvoering baksteen metselwerk
Doel:
Doel van deze informatie is aan te geven welke uitgangspunten worden gehanteerd bij de
maatvoering van metselwerk. Deze is een afgeleide van de maat van de steen. Uitgelegd wordt hoe
de steenverhoudingen doorwerken in de maatvoering van gevelopeningen, muurdammen en
muurhoogten.
Metselformaten
Maatvoering traditioneel metselwerk
Metselverbanden
Halfsteensverband
Kruisverband
Staand klezorenverband
Vlaams verband
Wild verband
Overige metselverbanden
Stenen sorteren
Lateien
Bijzondere constructies
Gerelateerde informatie
Inleiding
De maatvoering van metselwerk is afhankelijk van de maat van de gekozen steen. Om het knip- of zaagverlies tot een minimum te beperken. wordt de maatvoering van metselwerk vrijwel geheel gebaseerd op de koppenmaat en de lagenmaat van de te gebruiken metselsteen.
Als de stenen elkaar in het metselverband een klezoor overlappen, kan de klezoor als uitgangspunt voor de maatvoering worden genomen. In de meeste gevallen verdient het echter ook hier de voorkeur om uit te gaan van de koppenmaat omdat anders al gauw minder fraaie oplossingen ontstaan voor muurbeëindigingen en hoekoplossingen.
De koppenmaat (K) is de breedte van de steen + de dikte van de stootvoeg. De lagenmaat (L) is gelijk aan de dikte van de steen + de dikte van de lintvoeg.
Openingen, onderbrekingen en penanten e.d. dienen overeenkomstig het metselwerk 'patroon' te worden gemaatvoerd omdat anders onherroepelijk zaag- en knipverlies optreedt en vertraging van de uitvoering van het metselwerk. Bovendien wordt het moeilijk om dan nog een esthetisch verantwoord beeld van het metselwerk te realiseren.
Dit geldt eens te meer indien het metselwerk is ontworpen in een metselverband waarin koppen en strekken voorkomen in een regelmatig terugkerend patroon, zoals bij staand verband of kruisverband. Het is dus van belang dat de ontwerper reeds in een vroeg stadium tot een definitieve steenkeuze komt, zodat de maatvoering kan worden gebaseerd op de maat van de te leveren steen.
Metselformaten
Stenen zijn er in vele soorten en maten. Bij de maatvoering is steeds de actuele maat van de gekozen steen (= de maat van de te leveren steen) het uitgangspunt. Hierna worden algemene principes van de maatvoering van metselwerk behandeld aan de hand van voorbeelden in verschillende veelvoorkomende metselformaten en verbanden. Deze principes zijn echter toepasbaar op elk formaat metselsteen. Tabel 1 laat de afmetingen zien van enkele van de meest voorkomende formaten metselsteen.
Waalformaat: 210 x 100 x 50
Vechtformaat: 210 x 100 x 40
Dikformaat: 210 x 100 x 65
Rijnformaat: 181 x 87 x 41
Moduulformaat: 190 x 90 x 50/65/90
IJsselformaat: 160 x 78 x 41
Kloostermop: 280 x 105 x 80
Euroformaat: 240 x 100 x 69
Tabel 1. Afmetingen metselstenen.
De in tabel 1 genoemde steenafmetingen zijn standaardmaten. De werkelijke steenmaat kan daar enige mate van afwijken. Wanneer de maatvoering van het metselwerk gevoelig is voor afwijkingen, dient uitgegaan te worden van de werkelijke steenafmetingen zoals die op het werk worden aangevoerd.
Maatvoering traditioneel metselwerk
Met traditioneel metselwerk wordt hier bedoeld metselwerk met een cement of kalkvoeg. De maatvoering bij stootvoegloos metselwerk, lijmwerk of droogstapelsystemen wijkt hier enigszins van af. In het algemeen geldt dat de afmetingen van muuropeningen en muurvlakken en daarop aansluitende bouwdelen in metselwerk, zoals lateien, kolommen en kozijnen direct worden afgeleid van de steenafmetingen.
De horizontale maatvoering wordt in principe gebaseerd op de koppenmaat van de gebruikte steen en de verticale maatvoering wordt gebaseerd op de lagenmaat van de steen.
De koppenmaat
De koppenmaat (K) is de breedte van de steen + de dikte van de stootvoeg. Metselstenen worden in bepaalde verhoudingen gefabriceerd om ervoor te zorgen dat het metselwerkverband op logische en esthetische wijze kan worden gerealiseerd. Voor de meest gebruikte steenformaten is daarom de verhouding tussen lengte en breedte van de steen zodanig, dat éénmaal de steenlengte gelijk is aan tweemaal de steenbreedte plus de breedte van een stootvoeg.
Om te bepalen wat de gemiddelde koppenmaat is die als basis voor de maatvoering dient, legt men tien strekken tegen elkaar met daarop 20 koppen. Het verschil tussen de twee rijen is tien stootvoegen. De koppenmaat wordt verkregen door dit verschil op te tellen bij de maat van tien koppen en de uitkomst te delen door tien.
Bij een goede kop- strekverhouding van de steen zullen de stootvoegen tussen de koppen net zo breed zijn als die tussen de strekken, dat wil zeggen 8 tot 12 mm. Als blijkt dat de stootvoegbreedte kleiner dan 8 mm of groter dan 12 mm moet zijn, dan is de steen ongeschikt voor het maken van bijvoorbeeld kruisverband of staand verband.
De maat van muuropeningen (of kozijnen) is altijd een veelvoud van de koppenmaat plus een voegbreedte. De maat van muurvlakken (dammen, penanten of kolommen) is altijd een veelvoud van de koppenmaat minus een voegbreedte. Vooral bij kleinere afmetingen van openingen en muurdammen luistert dit nauw omdat de tolerantie gering is.
Uiteraard is het niet altijd mogelijk om gehele stenen of koppen als uitgangspunt voor de maatvoering te nemen. Ook sommige metselverbanden gaan uit van de verwerking van een gedeelte van de steen. In de praktijk komt het uiteraard wel voor dat de koppenmaat moet worden afgestemd op bestaande kozijnafmetingen of muren met een vaste lengte. In die gevallen moet er voor gekozen worden om de koppenmaat aan te passen door een dunnere of juist iets dikkere voeg te nemen, of om passtenen in de vorm van bijvoorbeeld klezoren toe te passen.
De maat van muuropeningen (of kozijnen) is altijd een veelvoud van de koppenmaat plus een voegbreedte. De maat van muurvlakken (dammen, penanten of kolommen) is altijd een veelvoud van de koppenmaat minus een voegbreedte.
Lagenmaat
De lagenmaat (L) is gelijk aan de dikte van de steen + de dikte van de lintvoeg. De verticale maatvoering van bouwdelen moet worden afgestemd op de lagenmaat van het metselwerk. Dit is vooral van belang wanneer in het metselwerk ook constructieve elementen zoals lateien, prefab elementen of sierelementen zijn opgenomen en bijvoorbeeld bij balkons, loggia's en dergelijke. De lagenmaat wordt verkregen door de gemiddelde dikte van 10 stenen te nemen en daar de voegdikte bij op te tellen.
Metselverbanden
Hier beperken wij ons tot het aangeven van de belangrijkste consequenties van de toepassing van enkele van de meest voorkomende metselverbanden voor de
maatvoering.
Halfsteensverband
Halfsteensverband is een zeer economisch metselverband met slechts weinig afval door zaag- knip- of hakwerk en constructief sterk (de stenen grijpen maximaal in elkaar). Het overgrote deel van het schoonmetselwerk in Nederland voor buitenspouwbladen en binnenmuren wordt dan ook uitgevoerd in halfsteensverband.
De kleinste muuropening is hier 1 koppenmaat (K) + een voeg (V). Muuropeningen van opeenvolgende grootte ontstaan door hierbij telkens een koppenmaat op te tellen. Elke muuropening moet dus voldoen aan de formule:
O = (1K + V) + nK, waarin:
O = Lengte opening
K = Koppenmaat
V = Voegdikte
n = geheel getal
De kleinste muurdam is 2 x koppenmaat min een voeg. Ook hier geldt dat voor elke opvolgende lengte van de muurdam er 1 koppenmaat bij opgeteld wordt.
Muurdammen in halfsteensverband moeten daarom voldoen aan de formule:
L = (2K - V) + nK, waarin:
L = Lengte muurdam
K = Koppenmaat
V = Voegdikte
n = geheel getal (1, 2, 3 enz.)
Kruisverband
Het kruisverband is na het halfsteensverband één van de meest voorkomende metselverbanden in Nederland. Kruisverband is een sierverband dat zijn naam ontleent aan de kruisvormige patronen die in het metselwerk herkenbaar zijn. Deze patronen worden soms ook geaccentueerd door ze in reliëf of in een contrasterende kleur steen te metselen. Het kruisverband bestaat uit lagen met alleen strekken die worden afgewisseld met koppenlagen. De strekkenlaag begint op een hoek met een drieklezoor en is daarmee zeer verwant aan het ‘staand verband’. Het verschil is dat de volgende drieklezoor eerst wordt gevolgd door een kop voordat de strekken worden gemetseld. Hierdoor ontstaat het patroon van kruiselings in elkaar grijpend kruisvormen.
De kleinste muurdam is 3K-V. Hierbij wordt de muurdam beëindigd met afwisselend een klezoor of een drieklezoor in de strekkenlaag. Wil men het gebruik van klezoren vermijden, dan wordt de kleinste muurdam 5K-V. Voor elke opvolgende grootte van de muurdammen moet 2K worden bijgeteld. Bij een even koppenmaat ontstaat namelijk een minder fraai asymmetrisch beeld in de beëindigingen. De algemene formule voor muurdammen in het kruisverband is dus:
L = (3K-V) + n x 2K.
De kleinste muuropening is 1K + V. Ook voor de openingen geldt dat hierbij steeds 2K moet worden opgeteld voor opeenvolgende lengten, omdat anders een weinig fraai asymmetrisch beeld ontstaat. De algemene formule voor muuropeningen is dus:
O = (1K+V) + n x 2K.
Staand klezorenverband
Het staand klezorenverband is een sierverband. Aan het verband zelf wordt weinig sterkte ontleend door het metselwerk en het gebruik van (drie-)klezoren bij muurbeëindigingen, op hoeken en tegen muuropeningen brengt een zeker zaag- knip- of hakverlies met zich mee. Bij staand klezorenverband wordt op een hoek altijd met een drieklezoor begonnen.
De kleinste muuropening in dit verband is 1,5K + V. Voor opeenvolgende lengten van muuropeningen moet hierbij steeds tweemaal de koppenmaat worden opgeteld, omdat men anders niet uitkomt met het verband dat boven de openingen moet doorlopen. De algemene formule voor muuropeningen in staand klezorenverband is dus:
O = (1,5K + V) + n x 2K.
De kleinste muurdam is hier 2,5K - V en ook hier moet voor opeenvolgende maten van dammen steeds 2K worden opgeteld. In formule:
L = (2,5K - V) + n x 2K.
Vlaams verband
Bij Vlaams verband bestaan de lagen uit achtereenvolgens een kop, een strek, een kop, een strek enzovoorts. De kop in een laag ligt altijd midden boven de onderliggende strek. Begint men op een hoek met een kop, dan krijgt de volgende laag een drieklezoor.
De maatvoering van muuropeningen en muurdammen in het Vlaams verband. De kleinste opening is hier 0,5K + V en voor opeenvolgende muuropeningen moet hierbij steeds 1,5K worden opgeteld. De algemene formule voor muuropeningen in Vlaams verband wordt dus:
O = (0,5K + V) + n x 1,5K.
De kleinste dam in Vlaams verband meet 4K - V. Ook hiervoor geldt dat steeds 1,5K moet worden opgeteld voor opeenvolgende maten van muurdammen. In formule:
L = (4K - V) + n x 1,5K.
Wildverband
Bij wildverband worden koppen en strekken in ogenschijnlijk willekeurige volgorde in het metselwerk opgenomen. Om dit gevelbeeld te verkrijgen dient de metselaar echter goed op te letten dat er niet ergens in het metselwerk plaatselijk toch onbedoeld regelmatige patronen ontstaan.
Volgens de Uitvoeringsrichtlijn metselwerkconstructies bestaat wildverband uit:
- hoeken die beginnen met een strek, drieklezoor of een kop;
- vallende tanden niet groter dan 6 lagen;
- sprongen van een klezoor niet meer dan 6 boven of schuin boven elkaar;
- lijkt niet op een of ander regelmatig verband.
Voor de maatvoering van het metselwerk kan men halfsteensverband als uitgangspunt nemen en voor muuropeningen en muurvlakken dezelfde formules gebruiken. Bij smalle muurdammen zal de metselaar door gebruik van klezoren proberen het gevelbeeld zo goed mogelijk te continueren.
Overige metselverbanden
Met behulp van de hierboven geschetste systematiek kan voor elk metselverband een algemene formule worden opgesteld voor de maatvoering van muuropeningen en muurvlakken of -dammen.
Stenen sorteren
Bij de maatvoering van metselwerk en de daarmee samenhangende bouwdelen wordt uitgegaan van gemiddelde steenafmetingen. Afhankelijk van het type steen en de productiewijze kunnen binnen een levering nog relatief grote verschillen ontstaan.
Afwijkingen van meer dan 2 mm komen in de praktijk wel voor. Bij rollagen en kleine muurdammen kunnen dan problemen ontstaan. Door vooraf de benodigde stenen voor dammen en eventuele rollagen op grootte te sorteren wordt voorkomen dat tijdens de werkzaamheden met hak- en breekwerk moet worden geïmproviseerd.
Lateien
Boven muuropeningen dienen de daarop rustende belastingen door het eigen gewicht van het bovenliggende metselwerk en eventuele belastingen van vloeren of andere constructies te worden afgedragen via de naastliggende muurdammen, penanten of kolommen. Hiervoor wordt veelvuldig gebruik gemaakt van allerlei soorten en typen (prefab-)lateien.
De maatvoering van lateien, vooral wanneer die in het zicht komen, dient te worden afgestemd op het metselwerk.
Voor in het zicht komende lateien, meestal van prefab gewapend beton, gelden dezelfde regels als voor muurdammen. De lengte van het in het zicht komende deel van de latei voldoet aan de algemene formule L = nK - V. Ook kan men uitgaan van de te overspannen muuropening en daarbij twee koppenmaten optellen en twee voegdiktes aftrekken. Dit geldt bij een opleglengte van 1 kop aan beide zijden. Indien de opleglengte groter is, dan wordt de formule L = O + nK -2V. Bij een opleglengte van 1,5 kop, ofwel een drieklezoor, dan wordt n = 3, enzovoorts.
De aansluiting op het metselwerkverband is het mooist als de aansluiting van het verband op de muuropening symmetrisch is. Bij een klezoorverband hoeft dit niet altijd het geval te zijn en kan het nodig zijn om minimaal een drieklezoor als oplegging te nemen om aansluiting met een klezoor te voorkomen wat vaak minder fraai oogt.
Voor de in het zicht komende lateihoogte geldt weer de lagenmaat als uitgangspunt. De algemene formule voor de lateihoogte wordt dan H = nL - V.




