Jugendstil
De beweging staat ook onder verschillende andere namen bekend:
- de Franse art nouveau van Hector Guimard
- de Oostenrijkse Secession van Gustav Klimt
- de Tsjechische Seczession van Alfons Mucha
- de Duitse Münchener Sezession van Franz von Stuck
- de Engelse 'modern style' van Aubrey Beardsley
- het Catalaanse modernisme van Antoni Gaudí
Een gemeenschappelijk kenmerk van deze jugendstil-stromingen is het gebruik van golvende ornamentele lijnen, vaak in de gedaante van gestileerde planten. Elk jugendstilproduct is een gesamtkunstwerk omdat dezelfde stijlkenmerken terugkomen in een gebouw, meubel of siervoorwerp.
In januari 1896 gaf Georg Hirth in München het satirische weekblad Die Jugend uit. De randillustratie werd verzorgd door Otto Eckmann, Bernhard Pankok en Bruno Paul. Al in het eerste hoofdartikel brak Hirth een lans voor de kunstvernieuwing. De term Jugendstil verscheen in een tekst van de revue Insel van Rudolf Schröder, in hetzelfde jaar. In de volksmond werd jugendstil ook spaghettistijl of style nouille genoemd, vanwege de typische golvende lijnen. De stroming kreeg ook de benamingen slaoliestijl (naar aanleiding van reclame voor slaolie in jugendstil), style Horta (naar de Belgische architect) en style métro toegemeten. In 1894 al maakte de style Mucha ophef, naar aanleiding van de expositie van zijn arabeske Sarah Bernhardt-affiches, in Parijs.
In datzelfde 1896 opende Siegfried Bing zijn Parijse galerij L'Art Nouveau, in de Rue de Provence. Hij werd de grote Franse stimulator van de vernieuwende kunst. De stroming is naar zijn galerie genoemd.
In 1897 werd Gustav Klimt de eerste voorzitter van de pas te Wenen gestichte Secession.
Ondanks de opvallende regionale verschillen zijn er een aantal kenmerken die deze stromingen verenigen: een optimistisch wereldbeeld en geloof in de toekomst, een voorliefde voor het gebruik van nieuwe, moderne technieken (in de architectuur bijvoorbeeld grote glasoppervlakken), een afkeer van symmetrie en een voorkeur voor ornamentiek, waarbij bloem- en vogelmotieven domineren.
De stroming kende een korte maar hevige bloeitijd. In West-Europa was de stijl ruim voor 1910 al verleden tijd, in het oosten kon ze wat langer overleven.
De jugendstil manifesteerde zich vooral in gebruiksvoorwerpen (glaskunst, plateel, sieraden, meubels etc.), de architectuur en de schilderkunst.
Architectuur
Bij het architectuurerfgoed van de jugendstil valt op dat de stijl bijzonder in trek was bij degenen die in deze economisch voorspoedige periode geld te besteden hadden: jugendstilgebouwen zijn meestal hotels, warenhuizen en andere winkelpanden, kantoren van verzekeringsmaatschappijen en villa's van industriëlen.
De stijl heeft, overal waar men haar toepaste, regionale elementen in zich opgenomen en kon uitstekend overweg met wat plaatselijk in de mode was. Op verschillende plaatsen werden oosterse elementen geïntroduceerd (met name in Hongarije, maar ook in Nederland). In Finland strookten de doelstellingen met die van de nationaal-romantische beweging. In Duitsland nam de stijl folkloristische motieven op. Voornaamste verschil tussen de Frans-Belgische art nouveau en de Duits-Oostenrijkse jugendstil in enge zin zijn de vloeiender, ijlere lijnen van de art nouveau tegenover de strengere, hoekiger jugendstil.
Jugendstil is in vrijwel alle Europese metropolen en (vooral ook) provinciesteden te vinden (en ook in de Nieuwe Wereld, bijvoorbeeld in Chicago). Een selectie (gegroepeerd naar de toenmalige geografie):
- in Oostenrijk-Hongarije: bovenal Wenen (gebouwen van Otto Wagner, schilderkunst van Gustav Klimt), en Praag; verder Ljubljana en Lviv en in het Hongaarse deel Boedapest, Kecskemét, Oradea, Tirgu Mures en Subotica,
- in Duitsland: München, Darmstadt, Hagen, Leipzig en Weimar,
- in België: Brussel (Hotel Solvay en andere werken van Victor Horta, Old England),
- in Frankrijk: Nancy (glaskunst) en Parijs Hector Guimard en de Deense Gerda Wegener (illustraties),
- in het Russische rijk: Riga, Helsinki en Łódź,
- in Spanje: Barcelona met het werk van Antoni Gaudí,
- in Noorwegen: Ålesund en Oslo,
- in Groot-Brittannië: Glasgow
- in Nederland: Het American Hotel in Amsterdam. Het Witte Huis in Rotterdam. Verder relatief weinig, met name panden in Den Haag. Enige details van het station in Haarlem.
Wenen, Praag, Brussel en Riga mogen de hoofdsteden van de jugendstil worden genoemd.
Nederland is qua art nouveau onderbedeeld. Een op de Duitse jugendstil lijkende stijl komt echter vrij veel voor. De in die tijd al dominante architect H.P. Berlage ontwikkelde met zijn Koopmansbeurs (Beurs van Berlage) in Amsterdam een variant die hij zelf rationalisme noemde. Duidelijk een geval van 'Nieuwe Kunst', maar lang niet zo weelderig als bijvoorbeeld de Parijse, Brusselse en andere voorbeelden. In de Beurs van Berlage vindt men wel op uitgebreide schaal bloem- en natuurmotieven in de verlichting en -gestileerd- in de wand- en vloerbekleding. De architectuur zelf is echter functioneel-rationalistisch.
Veel jugendstilkunst is in Nederland bewaard gebleven in de vorm van tegeltableaus, vaak in portieken naast woningen of winkels.
Schilderkunst
Schilders die zich lieten inspireren door de jugendstil waren:
- in Frankrijk: Henri de Toulouse-Lautrec, Alphons Mucha
- in Oostenrijk: Gustav Klimt
- in Nederland: Jan Toorop
- in België: Henry van de Velde
- in Duitsland: Otto Eckman, Franz von Stuck
- in Frankrijk/Denemarken: Gerda Wegener en Einar Wegener alias Lili Elbe
Toegepaste kunsten
De jugendstil of art nouveau als gesamtkunstwerk uitte zich ook in gebruiksvoorwerpen zoals meubels, wanddecoratie in sgraffititechniek, glaskunst, sieraden en kleding.
In Frankrijk maakt Lalique naam met zijn ontwerpen in glasdeeg. Als ontwerper van sieraden is de Belgische edelsmid Philippe Wolfers bekend voor zijn verfijnde juweelcreaties zoals sierspelden met motief van een waterjuffer, gordelgespen of fibula, diademen, kammen, hangers en waaiers. Daarnaast ontwierp Henry Van de Velde serviesgoed, bestekken en de sierlijke kledij voor zijn vrouw.
Ontwikkelingen
Van jugendstil en art nouveau naar Nieuwe Stijl
Door de industriële revolutie hechtte men in Engeland rond 1850 erg veel waarde aan alles wat met mechanisatie te maken had. Het eerlijke en eenvoudige handwerk was uit. Een machinaal vervaardigd product had voor de mensen in die tijd veel meer waarde dan een product dat door ambachtslieden was gemaakt. De industriële revolutie vierde hoogtij. Men verdiende veel in die tijd want de productie was goedkoper geworden. Mensen voelden zich rijk en wilden daarom ook dingen hebben die de echte rijken hadden. Daarom werden vroegere stijlen geïmiteerd en snel en slordig gemaakt om aan de vraag te voldoen. Alles werd een beetje té. Zo had ook de kalligrafie, de met de hand vervaardigde werken in schoonschrift (monniken), in die tijd afgedaan. Dat kwam in dit geval door de opkomst van de drukpers.
Maar er waren mensen die dit klakkeloos imiteren verwierpen en de met de hand gemaakte, traditionele producten wilden beschermen en zelf weer wilden gaan maken. Men vond dat men zelf moest kunnen waarnemen hoe een product tot stand was gekomen. Zo ontstond de Arts en Crafts-beweging.
Jugendstil of art nouveau is dus een naam die wordt gegeven aan de stijlvernieuwing in Europa tussen ca. 1890 en 1910. Het heeft als "zuivere stijl" maar een jaar of 20 bestaan. De term, die in de eerste plaats geldt voor de decoratieve kunsten maar zich vrijwel in alle kunstuitingen manifesteerde, heeft verschillende namen: Modern Style of Liberty Style (Engeland, naar de firma Liberty en Co. in Londen), Glasgowstijl (Schotland), Stile Liberty of Stile Floreale (Italië), Sezessionstil (Oostenrijk) en Nieuwe Kunst (Nederland). De meest bekende termen die voor de stijlperiode tussen 1890 en 1910 worden gebruikt zijn echter: jugendstil of art nouveau. Art nouveau blijft over het algemeen voorbehouden aan België en Frankrijk, terwijl jugendstil wordt gekoppeld aan Oostenrijk en Duitsland. In de namen komen de woorden "nieuw" en "jeugd" voor en daarmee hoor je al de bedoeling van art nouveau en jugendstil namelijk zich onderscheiden van de oude (neo)stijlen.
Algemene kenmerken van jugendstil
Het jugendstil ornament is samengesteld uit motieven die gewoonlijk asymmetrische composities vormen met een tweedimensionaal karakter, zoals men dit ziet op meubels, sieraden, lampen, bedrukte stoffen enz. De belangrijkste inspiratiebron is de natuur. De motieven zijn vaak langstelige, gracieus gestileerde planten en bloemen (lelies, kelken, irissen, papavers, rozenknop), vogels (zwanen, pauwen), libellen, de eivorm, wolken- water- en rotspartijen, vaak gecombineerd met slanke vrouwengestalten.
De bewogen lijnen waren een middel om emoties uit te drukken. (Het zielenleven werd belangrijk in die tijd.) We zien deze vormen ook bij de boekdrukkunst en bij de decoratieve vormen van bijv. trapleuningen, balkons en gevels. IJzer was nl. zeer geschikt om verwerkt te worden tot sierlijke gebogen vormen. Dat het in zoveel kunstvormen werd toegepast, kwam omdat het heel gebruikelijk was dat een architect ook meubels, zilver, glaswerken, wandversieringen en affiches ontwierp. De jugendstil kenmerken kwamen het meest tot uiting in de grafische kunst want in dit vakgebied is de lijn het belangrijkste element. De illustraties en de letters werden als één geheel ontworpen. Er ontstond een combinatie van beeld en tekst en dit is nu nog een bron van inspiratie voor kalligrafen. Jugendstil producten hebben ook vaak Japanse kenmerken zoals lege ruimten en de waaiervorm. Dat kunstenaars met de Japanse kunst in aanraking kwamen kwam o.a. door de kunsthandelaar Siegfried Bing. Hij was erg onder de indruk van de Japanse cultuur die vanaf 1854 op de Europese en Amerikaanse markt kwam. Bing specialiseerde zich in deze kunst en heeft veel Japanse kunst in zijn atelier tentoongesteld. (Zelfs Vincent van Gogh, die ook een klant van Bing was, maakte een paar Japanse olieverven.)
De letters werden in de jugendstilperiode zo min mogelijk geassocieerd met de drukkunst en de mechanische productie. In één tekst kon men meerdere letterhoogten aantreffen doordat enkele of meerdere letters vergroot of verkleind werden. Gewijzigde sociale en economische omstandigheden en de toepassing van nieuwe materialen zoals beton, brachten na de Eerste Wereldoorlog het einde van de jugendstil. In het midden van de jaren zestig van de 20e eeuw beleefde de jugendstil, vooral in ontwerpen voor affiches en textiel, een nieuwe bloei. De lettervormen, vooral de initialen uit de jugendstil- of art nouveauperiode, inspireren nog steeds veel kalligrafen.
Jugendstil
Voorpagina van het Duitse tijdschrift "Die Jugend" uit München, 1896.Al in 1896 had de nieuwe jugendstil in Duitsland en Oostenrijk haar naam gekregen door het tijdschrift "Die Jugend", een geïllustreerd weekblad "für Kunst & Leben" in München. Het lettertype had daar al de kenmerkende vormen van deze nieuwe stijl. Otto Eckmann illustreerde de eerste jaargangen met karakteristieke vignetten en randversieringen. In 1899 werd het tijdschrift "Die Woche" opgericht. Dat was de aanleiding voor Otto om zijn eigen alfabet te ontwikkelen voor de Rudhardsche Schriftgiesserei (Lettergieterij) in Offenbach, compleet met randversieringen en vignetten. Dit werd het klassieke schrift van de jugendstil. Het diende als voorbeeld voor alle later getekende lettertypen.
Duitse jugendstil ontwerpers gebruikten gestileerde, natuurlijke elementen. Ze zijn vaak zo gestileerd dat er geen duidelijk planten- of dierenmotief te herkennen is. De kenmerkende zweepslag komen we natuurlijk ook tegen.
De beroemde Belgische architect Henry van de Velde, vestigde zich in Weimar. Daar versoberde zijn stijl en uiteindelijk werkte ook hij in deze gestileerde jugendstil.
De Secessionstil
De architect Otto Wagner (1841-1918) is hiervan de bekendste. De schilder Gustav Klimt (1862-1918) richtte de Secessiongroep op, samen met Josef Hoffmann (1870-1956) en Joseph M. Olbrich (1867-1908). Het was een progressieve kunstenaarsvereniging. Joseph Olbrich ontwierp in 1897 het tentoonstellingsgebouw in Wenen en het affiche van de eerste tentoonstelling van het gezelschap. In Josef Hoffmans gestileerde bloemen is duidelijk de stijl van Mackintosh te zien. Hij maakte strakke, elegante ontwerpen. Olbrich vertrok naar Duitsland en behoort óók tot de kunstenaars van de Duitse jugendstil. In Duitsland had hij de leiding over de bouw van het kunstenaarsdorpje Darmstadt. Hij had de supervisie over de opzet en uitvoering van het atelier- en tentoonstellingsgebouw én de zeven huizen voor kunstenaarsbewoning. Hij ontwierp zelf zes huizen en het atelier- en tentoonstellingsgebouw. In de interieurs valt vooral het mozaïekachtige kleurgebruik op.
Peter Behrens
Peter Behrens (1868-1940) ontwierp zijn eigen (het zevende) huis in Darmstadt en vestigde hiermee meteen zijn naam als ontwerper. In de kunstnijverheidsontwerpen van bijv. meubels, lampen en grafisch werk van Behrens, is duidelijk te zien waarin de Duitse jugendstil zich onderscheidt van de Oostenrijkse en Schotse. De Duitse jugendstil maakt gebruik van natuurlijke elementen en construeert daar de hoofdvorm mee. (De vrouw is gelijk de poot van een lamp, de schelpvormige waaier is tegelijk de kap van een lamp.) Constructie en decoratie zijn op deze wijze versmolten. Hij maakte onder meer ook AEG bekend door tal van covers. Later ontwierp hij ook nog lampen, ventilatoren, posters en meer.
Nieuwe Kunst
Ook in Nederland kwamen er vernieuwingen in architectuur en toegepaste kunsten. Er werden verschillende, soms spottende, namen voor deze stijl verzonnen zoals: vermicelli-, slaolie-, Berlage- of Binnenhuisstijl of stijle nouille, vanwege de lijnen.
De term 'slaoliestijl' is afkomstig van een ontwerp voor een affiche van de NOF ter promotie van de "Delftsche slaolie". Dit was één van de eerste uitingen van de Nederlandse art nouveau afkomstig van Jan Toorop. Jan Toorop heeft in zekere zin als voorbeeld gediend voor een andere grote (Oostenrijkse) jugendstil-kunstenaar, Gustav Klimt.
De andere benamingen kwamen voort uit zeer uiteenlopende uitgangspunten en verschijningsvormen, die te onderscheiden waren. Uit gemak werd de Nederlandse nieuwe stijl uiteindelijk maar bij de internationale art nouveau of jugendstil ingedeeld. Dat belangrijke onderdelen van de Nederlandse stijl tóch een geheel eigen richting vertegenwoordigen, heeft in 1960 geleid tot het in gebruik raken van de benaming Nieuwe Kunst. Deze benaming geeft, net als jugendstil en art nouveau, aan dat de stroming nieuw en jong was en zich wilde onderscheiden van voorgaande stijlperiodes. De meest geliefde vorm van versieren in de Nieuwe Kunst was een geometrische figuur, soms in de vorm van blokjes of een serie blokjes, soms sterk gestileerde planten of dieren. Dit zien we o.a. in het werk van Jac. van den Bosch.
Jugendstil
De Jugendstil / Art Nouveau stroming ontstond toen de periode van het Eclecticisme afliep en de Neo-stijlen opkwamen (circa 1893). Het was een reactie op het impressionisme.
Jugendstil komt van het Duitse blad "Die Jugend" en de Franse benaming Art Nouveau komt van een gelijknamige kunstgallerie in Parijs. In Engeland spreekt men wel van de Liberty Style, de Spaanse aanduiding is Modernismo en in Oostenrijk wordt de bouwstijl ook wel Sezession genoemd. Behalve een verschil in naam is er ook wel degelijk een verschil tussen bijvoorbeeld Art Nouveau, Jugendstil en Sezession (etc.) ! De stijlen verschillen ook van stad tot stad!
Het verschil tussen de Frans-Belgische Art Nouveau en de Duits-Oostenrijkse Jugendstil zijn bijvoorbeeld de vloeiender, ijlere lijnen van de Art Nouveau tegenover de strengere, hoekiger Jugendstil. Ook de (Wiener) Sezession is strakker en meer geometrisch dan Art Nouveau. Prachtige Art Nouveau panden stonden in Bezuidenhout, de meeste daarvan zijn verwoest tijdens het bombardement van maart 1945.




