Arbeidsomstandighedenregeling
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Gelet op de artikelen 7, vierde lid, onder b, 9, vierde en zesde lid, 10, vijfde lid, 41, eerste lid, en 42, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 6 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers en artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's;
Voorts gelet op de artikelen 2.7, tweede en derde lid, 2.8, 2.15, eerste en derde lid, 2.24, eerste lid, 4.7, eerste, derde en vijfde lid, 4.8, tweede tot en met vijfde lid4.9, zevende lid, 4.10, tweede en derde lid, 4.14, vijfde lid, 4.16, eerste lid, 4.42, vijfde lid, 4.50, tweede lid, 4.54, derde en vijfde lid, 4.60, vierde en vijfde lid, 4.65, eerste lid, onder a en b, 4.66, onder a en b, 4.67, eerste en vijfde lid, 4.68, eerste lid, 4.7.0, derde en vijfde lid, 4.71, eerste lid, 4.72, eerste lid, 4.73, 5.12, 6.17, derde lid, 7.19, achtste tot en met negende en elfde lid, 7.29, zesde en zevende lid, 7.32, tweede lid, en vierde tot en met zevende lid, 8.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
Gezien de adviezen van de Sociaal Economische Raad van 28 juli 1995, kenmerk 95/35, en 28 maart 1996, kenmerk 96/31.
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen
Paragraaf 1.2 Algemene bepalingen over opleidingen
Artikel 1.2. Algemeen
Voor zover in deze regeling regels zijn gesteld over opleidingen zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.8 van toepassing.
Artikel 1.3. Materiaal
De opleiding wordt gegeven aan de hand van aan de cursisten ter beschikking gesteld overzichtelijk schriftelijk opleidingsmateriaal van voldoende didactische kwaliteit.
Artikel 1.4. Docenten
De docenten beschikken voor de onderwerpen die zij tijdens de opleiding behandelen aantoonbaar over ruime theoretische, praktische en didactische kennis of vaardigheden.
Artikel 1.5. Faciliteiten
| 1. | De opleidingsinstelling beschikt over adequate opleidingsfaciliteiten. |
| 2. | De opleidingsinstelling biedt de opleiding ten minste twee maal per jaar aan en voert haar ten minste eenmaal per jaar uit. |
| 3. | De opleidingsinstelling legt de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle betrokkenen bij de opleiding schriftelijk vast. |
| 4. | De opleidingsinstelling treft adequate maatregelen om de veiligheid van de cursisten zoveel mogelijk te waarborgen. |
Artikel 1.6. Toetsing eindtermen
| 1. | De toetsing van de eindtermen vindt plaats door middel van een examen. |
| 2. | De opleidingsinstelling neemt de examens af aan de hand van een deugdelijk en op schrift gesteld examenreglement. |
Artikel 1.7. Diploma
De opleidingsinstelling overhandigt de cursist die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, een op naam gesteld schriftelijk bewijs, getekend door twee leden van de examencommissie dan wel het hoofd van de opleidingsinstelling.
Artikel 1.8. Administratie
De opleidingsinstelling voert een deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de cursist en de datum waarop het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 1.7 is uitgereikt in ieder geval zijn opgenomen en waarin de periode is bepaald gedurende welke de examenopgaven en de uitwerkingen daarvan worden bewaard.
Paragraaf 1.3 [Vervallen]
Artikel 1.9 [Vervallen per 01-11-1999]
Paragraaf 1.4. Melding beroepsziekten
Artikel 1.10 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 1.11. Gegevens beroepsziekten
| 1. | In dit artikel wordt verstaan onder beroepsziekte: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden. |
| 2. | De mededeling van een beroepsziekte, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet omvat ten minste de volgende, niet tot een individuele natuurlijke persoon herleidbare, gegevens:
|
| 3. | De in het tweede lid bedoelde gegevens worden verstrekt overeenkomstig de aanwijzingen van de instelling, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet. |
Paragraaf 1.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 1.12 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 1.6 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 1.16 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 1.17 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 1.18 [Vervallen per 01-01-2005]
Hoofdstuk 2. Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, deskundigen en arbodiensten
Paragraaf 2.1 Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie
Artikel 2.0. Veiligheidsbeheerssysteem
In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen ten minste de elementen aan de orde, genoemd in bijlage I bij deze regeling.
Artikel 2.0a. Procedures risico-inventarisatie en -evaluatie
| 1. | De procedures voor de systematische identificatie van de ongewenste gebeurtenissen en de evaluatie van de risico’s van zware ongevallen, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder a, van het besluit, hebben betrekking op:
|
| 2. | De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde onderzoeksmethode is afgestemd op de in dat lid, onderdeel a, bedoelde fasen. |
| 3. | De methode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is geschikt om vast te stellen welke maatregelen nodig zijn ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan. |
Artikel 2.0b. Beschrijving van scenario’s
| 1. | De beschrijving van de scenario’s, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, onder b, van het besluit, heeft betrekking op de onderdelen van installaties die de grootste risico’s van een zwaar ongeval met zich meebrengen. De identificatie van de betreffende onderdelen van de installaties vindt plaats op basis van een gedocumenteerde methode. |
| 2. | Bij de beschrijving van de scenario’s, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste in aanmerking genomen welke van de volgende voorvallen deze scenario’s op gang kunnen brengen: corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk, onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen, menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud. |
| 3. | Van elk scenario wordt aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen getroffen zijn om te voorkomen dat het scenario zich voordoet. |
| 4. | Voorts wordt van elk scenario, met inachtneming van de reeds getroffen maatregelen, een samenhangend inzicht geboden in:
|
Artikel 2.0c. Intern noodplan
Het intern noodplan, bedoeld in artikel 2.5c van het besluit, bevat ten minste de gegevens en de beschrijvingen, bedoeld in bijlage II bij deze regeling.
Paragraaf 2.2 Taken van deskundigen en arbodiensten
Artikel 2.1. Risico-inventarisatie en -evaluatie
| 1. | Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de wet verricht de deskundige of de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van het besluit of de arbodienst de volgende werkzaamheden:
|
| 2. | Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.14b, tweede lid, onder b, van het besluit verricht de deskundige of de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van het besluit of de arbodienst de volgende werkzaamheden:
|
Artikel 2.2. Ziekteverzuimbegeleiding
Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet ondersteunt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst de werkgever bij het adequaat begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten teneinde een verantwoorde werkhervatting te bevorderen. Voor het uitvoeren van deze taak legt de bedrijfarts of de arbodienst vast:
| a. | op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd; |
| b. | op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens over het verzuim van werknemers; |
| c. | op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd. |
Artikel 2.3. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:
| a. | op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd; |
| b. | op welke wijze de periodiciteit en de inhoud van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek zijn geregeld; |
| c. | hoe met bedrijven afspraken worden gemaakt over de wijze waarop werknemers van het recht op het arbeidsgezondheidskundig onderzoek gebruik kunnen maken; |
| d. | op welke indicaties groepsgewijze arbeidsgezondheidskundige onderzoeken plaats kunnen vinden; |
| e. | op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit arbeidsgezondheidskundige onderzoeken voortvloeien; |
| f. | op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd. |
Artikel 2.4. Aanstellingskeuring
Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:
| a. | op welke wijze de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd; |
| b. | op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit het onderzoek in het kader van de aanstellingskeuring voortvloeien; |
| c. | op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen wordt gewaarborgd. |
Artikel 2.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.6. Melding gegevens
| 1. | De arbodienst meldt een wijziging van zijn organisatievorm terstond aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bedoeld in artikel 2.7. |
| 2. | Indien zich een wijziging voordoet in de gegevens, bedoeld in de artikelen 2.12, eerste lid, onder a of b, of 2.13, eerste lid, onder a, meldt de arbodienst onderscheidenlijk de werkgever dit zo spoedig mogelijk aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bedoeld in het eerste lid. |
Paragraaf 2.3 Certificatie
Artikel 2.7. Aanwijzing certificerende instelling
Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit kan worden aangewezen een instelling die voldoet aan de criteria, opgenomen in het Reglement Certificatie Arbodiensten van 17 februari 1998 van de Stichting Beheer Certificatie Arbodiensten.
Artikel 2.8 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.9. Klachtenprocedure
Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft een procedure voor het behandelen van klachten aangaande de dienstverlening door arbodiensten. Vastgelegd wordt op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd, welke procedures daarbij worden gevolgd en op welke wijze klachten zo nodig zullen leiden tot correcties en preventieve maatregelen.
Artikel 2.10. Verrichten controle
Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 verricht jaarlijks controle bij de arbodienst ten behoeve waarvan door de instelling een certificaat arbodienst is afgegeven.
Artikel 2.11. Afgifte certificaat arbodienst
| 1. | Een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet naar behoren kan worden uitgevoerd, en wordt voldaan aan de artikelen 13, zesde lid, 14, derde lid en 14a, vierde lid, van de wet, de artikelen 2.7 en 2.9 tot en met 2.12 van het besluit, de artikelen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.12, eerste lid, en bij de uitvoering van taken een kwaliteitssysteem wordt gehanteerd, dat bewerkstelligt dat aan deze wettelijke vereisten wordt voldaan en dat voldoet aan normen, waarmee de belanghebbende groeperingen hebben ingestemd. |
| 2. | Een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet naar behoren kan worden uitgevoerd, en wordt voldaan aan de artikelen 13, zesde lid, 14, derde lid en 14a, vierde lid, van de wet, de artikelen 2.7, 2.9, 2.11 en 2.12 van het besluit, de artikelen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.13, eerste lid, en bij de uitvoering van taken een kwaliteitssysteem wordt gehanteerd, dat bewerkstelligt dat aan deze wettelijke vereisten wordt voldaan en dat voldoet aan normen waarmee de belanghebbende groeperingen hebben ingestemd. |
| 3. | Een certificaat als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vier jaar. |
Artikel 2.12. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat externe arbodienst
| 1. | Een externe arbodienst verstrekt aan de minister dan wel, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de aanvraag van een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, de volgende gegevens:
|
| 2. | Indien een externe arbodienst niet de in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde gegevens verstrekt, wordt de aanvraag van het certificaat arbodienst niet in behandeling genomen. |
Artikel 2.12a [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 2.12b [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 2.13. Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat interne arbodienst
| 1. | De werkgever verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bij de aanvraag van een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, de volgende gegevens:
|
| 2. | Indien de werkgever niet de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde gegevens verstrekt, wordt de aanvraag van het certificaat arbodienst niet in behandeling genomen. |
Artikel 2.14 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 2.15. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne
Een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regelingen SAH, SVK ref.nr. SKO/03034S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van arbeidshygiënisten, vastgesteld per 19 november 2003.
Artikel 2.16. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskunde
Een certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regelingen SAH, SVK ref.nr. SKO/03034S, van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van veiligheidskundigen, vastgesteld per 19 november 2003.
Artikel 2.17. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde
Een certificaat arbeids- en organisatiekunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van het besluit, wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de certificatie-eisen voor arbeids- en organisatiekundigen, bedoeld in versie 3.0 van het Certificatieschema Persoonscertificatie Arbeids- en Organisatiedeskundigen van de Stichting Registratie Arbeids- en Organisatiedeskundigen, vastgesteld per 26 april 2005.
Artikel 2.18 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 2.4 EG-verklaring
Artikel 2.19. Aanvraag
| 1. | In deze paragraaf wordt verstaan onder lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. |
| 2. | De minister geeft op schriftelijke aanvraag een EG-verklaring als bedoeld in artikel 2.8 van het besluit af op de vakgebieden van de veiligheidskunde, arbeidshygiëne dan wel arbeids- en organisatiekunde indien wordt voldaan aan de artikelen 2.20 tot en met 2.22. |
Artikel 2.20. Vereisten
Bij de schriftelijke aanvraag, bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, wordt aangegeven dan wel overgelegd:
| a. | een gewaarmerkte kopie van het diploma dan wel de diploma’s, bedoeld in artikel 2 dan wel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s waarvan gelijkstelling door middel van een EG-verklaring wordt verlangd alsmede een gewaarmerkte kopie van de daarbij behorende cijferlijst of beoordelingen; |
| b. | een overzicht van relevante studiegegevens, in ieder geval bevattende de totale cursusduur, de bestudeerde hoofdvakken, en eventueel andere vakken, gegevens omtrent gevolgde stages, gemaakte verslagen en publicaties en, indien beschikbaar, tevens een globale leerstofomschrijving van deze vakken met de daarbij behorende studietijd; |
| c. | een schriftelijke verklaring van een daartoe bevoegde instantie in de lidstaat waar het diploma is behaald of erkend waaruit blijkt welke bevoegdheid de aanvrager in de lidstaat op grond van zijn diploma heeft; |
| d. | indien de opleiding overwegend buiten de lidstaat is genoten, een bewijsstuk gewaarmerkt door de daartoe bevoegde instantie in de lidstaat waar het diploma is behaald of erkend, dat ten minste drie jaren beroepservaring is opgedaan; |
| e. | indien de aanvraag en de in dit artikel bedoelde stukken in een andere dan de Nederlandse of Engelse taal zijn gesteld, een, zo mogelijk, door een beëdigd tolk vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen. |
Artikel 2.21. Afgifte
| 1. | Een EG-verklaring wordt afgegeven indien:
|
| 2. | Een EG-verklaring wordt niet afgegeven dan nadat de aanvrager met goed gevolg, naar keuze, een proeve van bekwaamheid heeft afgelegd of een aanpassingsstage heeft doorlopen als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s indien de opleiding die ten grondslag heeft gelegen aan het door de aanvrager behaalde diploma als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s betrekking heeft op vakgebieden die meer dan in geringe mate verschillen van de wezenlijke vakgebieden van de Nederlandse opleiding die is vereist voor het verkrijgen van een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit. |
Artikel 2.22. Proeve van bekwaamheid en aanpassingsstage
| 1. | Bij een proeve van bekwaamheid wordt de volgende procedure gevolgd:
|
| 2. | Een aanpassingsstage wordt als volgt vormgegeven:
|
| 3. | Indien de proeve van bekwaamheid niet met positief resultaat is afgelegd of de aanpassingsstage negatief is beoordeeld, heeft de aanvrager het recht nog een maal, naar keuze, een proeve van bekwaamheid af te leggen of een aanpassingsstage te doorlopen. |
Paragraaf 2.5 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.23 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.24 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 2.25 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 2.26 [Vervallen per 01-11-1999]
Hoofdstuk 3. Bouwproces en winningsindustrieën met behulp van boringen
Paragraaf 3.2 Winningsindustrieën met behulp van boringen
Artikel 3.2. Definities
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. risico-analyse:
systematisch onderzoek van risico's voor de veiligheid en de gezondheid op basis waarvan een beoordeling van die risico's wordt gemaakt als bedoeld in artikel 5 van de wet;
- b. acceptatiecriteria:
de grenzen waarbinnen risico's aanvaardbaar zijn;
- c. prestatienormen:
duidelijke en meetbare parameters ten aanzien van die prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen, die direct bijdragen aan de verwezenlijking van veiligheids- en gezondheidsdoelstellingen;
- d. mijnbouwwerk:
een werk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet;
- e. mijnbouwinstallatie:
een installatie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, onderdeel f, van het besluit;
- f. veiligheids- en gezondheidszorgsysteem:
een systeem als bedoeld in artikel 2.42e van het besluit;
- g. veiligheids- en gezondheidsdocument:
een document als bedoeld in artikel 2.42f van het besluit.
Artikel 3.2a. Bepaling risico’s en grenzen
| 1. | De risico’s in het kader van de risico-analyse, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel a, worden kwalitatief en, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald. |
| 2. | De grenzen in het kader van bepaling van de acceptatiecriteria, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel b, worden, voor zover mogelijk, kwantitatief bepaald. Voor zover dit niet mogelijk is, worden deze grenzen kwalitatief bepaald. |
Artikel 3.3. Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem
Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem is gebaseerd op een procesgerichte internationaal erkende norm voor de beheersing van veiligheid, gezondheid, kwaliteitszorg of milieu.
Artikel 3.4. Vastlegging veiligheids- en gezondheidszorgsysteem
| 1. | Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt schriftelijk vastgelegd. |
| 2. | In de beschrijving van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt aangegeven wat de onderdelen van dit systeem inhouden en hoe de samenhang is tussen deze onderdelen. |
Artikel 3.5. Doorlichting veiligheids- en gezondheidszorgsysteem
| 1. | Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem wordt regelmatig doorgelicht op basis van internationaal erkende normen voor het doorlichten van zorgsystemen. |
| 2. | De aard en de frequentie van de doorlichting wordt zodanig gekozen dat de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem telkens na een periode van drie jaar kan worden bepaald. |
Artikel 3.6. Veiligheids- en gezondheidsdocument
| 1. | Er wordt een veiligheids- en gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende mijnbouwwerken:
|
| 2. | Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is op de mijnbouwwerken, bedoeld in het eerste lid, aanwezig. |
Artikel 3.7. Veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden
| 1. | Voor zover niet reeds bij het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, hiermee rekening is gehouden, wordt er een veiligheids- en gezondheidsdocument opgesteld voor de volgende bijzondere werkzaamheden:
|
| 2. | Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, is bij de uit te voeren werkzaamheden aanwezig. |
Artikel 3.8. Onderdelen veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken
| 1. | Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, onderdelen a en b, bestaat uit de volgende onderdelen:
|
| 2. | Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, onderdelen c en d, bestaat uit de volgende onderdelen:
|
Artikel 3.9. Inhoud veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken
Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, bevat:
| a. | een duidelijke en nauwkeurige beschrijving van het mijnbouwwerk alsmede van de werkzaamheden die op het mijnbouwwerk worden uitgevoerd, met inbegrip van een aanduiding van de voorzieningen die in het ontwerp van het mijnbouwwerk zijn opgenomen ter uitsluiting of vermindering van de risico's; |
| b. | in aanvulling op onderdeel a, de informatie, bedoeld in bijlage IV bij deze regeling; |
| c. | de informatie, bedoeld in bijlage V bij deze regeling, met betrekking tot het brandbestrijdingsplan; |
| d. | de informatie, bedoeld in onderdeel c, is gebaseerd op de opgave, bedoeld in artikel 2.42f, eerste lid, onder a, van het besluit; |
| e. | een opgave van de acceptatiecriteria; |
| f. | een lijst van alle geïdentificeerde en geanalyseerde risico's, inclusief een samenvatting van het onderzoek dat in dit kader is verricht voor het mijnbouwwerk op het land of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie als bedoeld in bijlage VI bij deze regeling of voor de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie of een andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd, bedoeld in bijlage VII bij deze regeling; |
| g. | een specificatie van de bronnen, die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren van de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze waarop de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is vastgesteld; |
| h. | een beoordeling van de doeltreffendheid en geschiktheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem voor het mijnbouwwerk met inbegrip van de resultaten en de noodzakelijk bevonden wijzigingen of aanvullingen van dat zorgsysteem; |
| i. | een samenvatting, in niet-technische terminologie, van het onderzoek, bedoeld in bijlage VI en VII bij deze regeling, dat is verricht in het kader van het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument; |
| j. | een opgave van de noodzakelijk geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een samenvatting van al het onderzoek dat in dit kader is verricht; |
| k. | een opgave van de prestatienormen; |
| l. | de grenzen waarbinnen de op het mijnbouwwerk gebruikte apparatuur en beheerssystemen normaal kunnen functioneren; |
| m. | een actieplan met tijdpad voor de realisatie van de maatregelen, bedoeld in onderdeel j; |
| n. | een toetsing van de vermelde risico's aan de acceptatiecriteria; |
| o. | een toetsing van de prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen aan de prestatienormen, en |
| p. | een schriftelijke verklaring dat de risico's ten minste binnen de van tevoren vastgestelde acceptatiecriteria en prestatienormen vallen. |
Artikel 3.10. Inhoud veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden
| 1. | Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.7, bevat:
|
| 2. | In het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in het eerste lid, worden de maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het beheersen van risico's, afgestemd op het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, indien bij het uitvoeren van werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een combinatie van:
|
Artikel 3.11. Toezenden gegevens
| 1. | Het voorontwerprapport, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt voorafgaand aan de aanvraag om een vergunning, bedoeld in de artikelen 8.1 van de Wet milieubeheer en 40 van de Mijnbouwwet, in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder. |
| 2. | Het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt acht weken voor het in gebruik nemen van een mijnbouwwerk in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder. |
| 3. | Het addendum gebruik, bedoeld in artikel 3.8, eerste en tweede lid, wordt voor de eerste maal vijf jaar na toezending van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik en vervolgens eenmaal in de vijf jaar in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder. |
| 4. | Het addendum verlaten en verwijderen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, wordt acht weken voor het verlaten van een mijnbouwwerk of het verwijderen van een vast opgestelde mijnbouwinstallatie in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder. |
| 5. | De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, wordt op verzoek van een daartoe aangewezen toezichthouder in tweevoud aan hem toegezonden. |
Artikel 3.12. Toezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden
| 1. | Het veiligheids- en gezondheidsdocument voor de bijzondere werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdelen a en b, wordt vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder. |
| 2. | Dit veiligheids- en gezondheidsdocument gaat vergezeld van het werkprogramma, bedoeld in artikel 74 van het Mijnbouwbesluit indien het de volgende werkzaamheden betreft:
|
Artikel 3.13. Naleving veiligheids- en gezondheidsdocument
| 1. | De werkgever die verantwoordelijk is voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, gaat na of het veiligheids- en gezondheidsdocument, met uitzondering van het voorontwerprapport, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, wordt nageleefd. |
| 2. | De werkgever die verantwoordelijk is voor het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, beoordeelt regelmatig en systematisch de naleving en de doeltreffendheid van het veiligheids- en gezondheidsdocument. |
| 3. | Indien de resultaten van de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geven, herziet de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats het veiligheids- en gezondheidsdocument. De herziene delen van het veiligheids- en gezondheidsdocument worden, alvorens het gewijzigde veiligheids- en gezondheidsdocument wordt uitgevoerd, in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder. |
Artikel 3.14. Noodplan
| 1. | Het noodplan, bedoeld in artikel 3.37v, van het besluit, bevat in ieder geval de informatie, bedoeld in bijlage VIII bij deze regeling. |
| 2. | Het noodplan is op het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanwezig. |
Hoofdstuk 4. Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen
Paragraaf 4.1 Veiligheid aan op of in tankschepen
Artikel 4.1. Definities
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
| a. | brandbare vloeistoffen: vloeistoffen waarvan het vlampunt niet hoger is dan 100°C; |
| b. | K0-, K1- en K2-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, met een vlampunt lager of gelijk aan 55°C, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, voor zover niet begrepen onder KT-vloeistoffen; |
| c. | K3-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, geen KT-vloeistoffen zijnde, waarvan het vlampunt hoger is dan 55°C; |
| d. | KT-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging, bedwelming of verstikking kunnen opleveren; |
| e. | T-vloeistoffen: vloeistoffen, niet zijnde brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging bedwelming of verstikking kunnen opleveren; |
| f. | K1-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin K0-, K1- of K2-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen; |
| g. | K3-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin geen andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen; |
| h. | KT-ruimte:een tot een schip behorende ruimte waarin KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen; |
| i. | T-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin T-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen; |
| j. | K1-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een K1-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was; |
| k. | K3-schip: een schip, in de ladingtanks waarvan noch andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen geen T-vloeistoffen of resten van een van die vloeistoffen anders dan in verpakking voorkomen; |
| l. | KT-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een KT-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was; |
| m. | T-schip: een schip, niet zijnde een K1- of KT-schip, waarvan een of meer van de ladingtanks een T-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was; |
| n. | vuur: vuur, vonkvorming, open licht of elk oppervlak met een temperatuur welke gelijk is aan of hoger is dan de minimumontstekingstemperatuur van de vloeistoffen of de gassen die de ladingtanks bevatten of waarvan resten in die tanks voorkomen; |
| o. | werk met vuur: werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt of kan ontstaan; |
| p. | koud werk: werkzaamheden waarbij geen vuur wordt gebruikt of kan ontstaan; |
| q. | schoonmaken: iedere handeling die gericht is op of verband houdt met het schoon-, gasvrij- of droogmaken van een K1-, KT-, K3- of T-ruimte; |
| r. | ladingzone: de ladingtanks en alle rechtstreeks aan deze tanks grenzende tanks of andere ruimten, welke als afscheiding dienen tussen de ladingtanks en de overige ruimten van het schip; |
| s. | gasdeskundige: een deskundig persoon als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit die voldoet aan artikel 4.14; |
| t. | veiligheids- en gezondheidsverklaring: een door een gasdeskundige na een doeltreffend onderzoek afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit, overeenkomstig een van de bij bijlage IX van deze regeling vastgestelde modellen. |
Artikel 4.2. Toepassingsgebied
Deze paragraaf is van toepassing op de in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit bedoelde werkzaamheden op K1-, K3-, KT- of T-schepen.
Artikel 4.3. Veiligheidsmaatregelen
Indien zich bij of als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende luchtbeweging niet snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit niet in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de desbetreffende werkzaamheden gestaakt.
Artikel 4.4. Schoonmaken
| 1. | Alvorens werknemers de schoon te maken ruimten betreden, is vastgesteld dat zulks zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid kan geschieden. |
| 2. | Een schoon te maken ruimte wordt niet betreden zolang als gevolg van werkzaamheden in een aangrenzende ruimte de temperatuur van de schotten aanmerkelijk hoger kan worden dan de omgevingstemperatuur. |
| 3. | Een schoon te maken ruimte wordt evenmin betreden zolang in een aangrenzende ruimte een explosief mengsel aanwezig is en deze ruimte niet is gesloten. |
| 4. | Tijdens het schoonmaken worden aan dek en in de ladingzone geen andere werkzaamheden verricht dan die welke verband houden met het schoonmaken, tenzij deze werkzaamheden plaatsvinden tijdens een gesloten schoonmaakproces en uitsluitend betrekking hebben op laden en lossen. Het schoonmaken en de laad- en loswerkzaamheden:
|
Artikel 4.5. Onderzoek
Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen, gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking of vergiftiging ontstaat.
Artikel 4.6. Voorkomen gevaren
| 1. | Het schoonmaken van K1-, K3- en KT-ruimten is erop gericht de concentratie van gassen en dampen onder de onderste explosiegrens te houden of op veilige wijze tot onder die grens terug te brengen. Indien tijdens het schoonmaken een gassamenstelling optreedt, welke gevaar oplevert voor een ontploffing, wordt de duur van deze toestand zo kort mogelijk gehouden. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan ontstaan. |
| 2. | Het schoonmaken van K1-, K3-, KT- en T-ruimten wordt zo uitgevoerd, dat binnen en buiten die ruimten naar redelijke verwachting geen gevaar voor bedwelming, verstikking of vergiftiging kan ontstaan. Indien het schoonmaken geschiedt met gebruikmaking van inert gas, wordt dit op zodanige wijze uitgevoerd, dat een ontplofbaar mengsel niet kan optreden. |
Artikel 4.7. Veiligheidsvoorwaarden
| 1. | Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is noch naar redelijke verwachting kan ontstaan. |
| 2. | Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen gevaar bestaat voor vonkvorming of ontstekingsgevaar door elektrostatische ladingen. |
| 3. | Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone niet gerookt wordt. |
| 4. | Het schoonmaken van K1-, K3- of KT-ruimten aan boord van K1-, K3-, of KT-schepen vindt slechts plaats indien er binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen onbevoegden kunnen komen. |
| 5. | De ladingtanks in de gehele ladingzone van K1,- K3- en KT-schepen worden niet geopend dan nadat aan het eerste tot en met vierde lid is voldaan. |
| 6. | De ladingtanks in de gehele ladingzone van T-schepen worden niet geopend dan nadat aan het vierde lid is voldaan. |
Artikel 4.8. Veiligheids- en gezondheidsverklaring
De artikelen 4.4, vierde lid, en 4.7 zijn niet van toepassing op K3-ruimten buiten de ladingzone op K1-, KT- en T-schepen indien met betrekking tot deze schepen een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.1, onder t, is afgegeven.
Artikel 4.9. Onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen
| 1. | Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt slechts plaats nadat een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de bij artikel 4.10 gestelde regels heeft plaatsgevonden en in verband met dit onderzoek een volledig en correct ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt aan de werkgever die de onderhouds-, herstellings-, verbouwings-, of sloopwerkzaamheden zal uitvoeren. |
| 2. | Het onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen vindt voorts slechts plaats voor zover die werkzaamheden en de ruimten waarin deze worden uitgevoerd, zijn vermeld in de in het eerste lid bedoelde veiligheids- en gezondheidsverklaring als zijnde toegestaan. |
| 3. | Een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt bij een gasdeskundige aangevraagd. |
| 4. | Bij de aanvraag worden alle inlichtingen verstrekt, welke met het oog op de afgifte van de veiligheids- en gezondheidsverklaring van belang zijn, terwijl desverlangd nadere inlichtingen ter zake worden verstrekt. |
Artikel 4.10. Onderzoek gasdeskundige
| 1. | Het in artikel 4.9 bedoelde onderzoek wordt ingesteld door de gasdeskundige, die de uitslag van dat onderzoek vermeldt op de door hem uit te reiken veiligheids- en gezondheidsverklaring. |
| 2. | De gasdeskundige strekt dit onderzoek uit over alle ruimten ten aanzien waarvan hij dit in verband met de aard van de te verrichten werkzaamheden noodzakelijk acht. Bij het onderzoek betrekt de gasdeskundige zo nodig een goed geoutilleerd laboratorium. Hij maakt gebruik van deugdelijke, in goede staat verkerende meet- en andere hulpapparatuur. |
| 3. | Hij stelt vast of de te onderzoeken ruimten:
|
| 4. | De gasdeskundige reikt een veiligheids- en gezondheidsverklaring uit, indien hij heeft vastgesteld, dat:
|
| 5. | Hij reikt een veiligheids- en gezondheidsverklaring voor het verrichten van werk met vuur in een deel van de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit, indien hem ten minste zes uren na de in het vierde lid bedoelde vaststelling uit een doeltreffend onderzoek is gebleken, dat de in dat lid vermelde ruimten nog steeds voldoen aan de daarbij gestelde eisen. |
| 6. | In afwijking van het vierde lid reikt hij een veiligheids- en gezondheidsverklaring voor het verrichten van werk met vuur in de ladingzone van K1- en KT-schepen slechts uit, indien hij heeft vastgesteld, dat:
|
| 7. | Een veiligheids- en gezondheidsverklaring is niet van toepassing op leidingen in of buiten het tankschip en is alleen geldig als zij volledig en juist is ingevuld en zolang de toestand op grond waarvan de verklaring is verleend ongewijzigd is. |
Artikel 4.11. Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring
Werk met vuur boven dan wel in een deel van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c en waarbij in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:
| a. | de aard van de werkzaamheden, de plaats of plaatsen waar deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en de periode waarin zij zullen worden verricht, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur; |
| b. | de plaatsen waar vonken of gloeiende metaaldelen kunnen neerkomen door de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur; |
| c. | de plaatsen waar aanmerkelijke temperatuurverhoging kan optreden als gevolg van de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur; |
| d. | door een gasdeskundige een gedagtekende verklaring is uitgereikt waaruit blijkt dat op de onder a tot en met c bedoelde plaatsen de resten van brandbare vloeistoffen zijn verwijderd, zodat geen brandgevaar bestaat; |
| e. | door een gasdeskundige een volledig en juist ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is afgegeven waaruit blijkt dat ruimten waarin gewerkt moet worden en aangrenzende ruimten veilig voor mensen zijn of geïnertiseerd als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b. |
Artikel 4.12. Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring, binnen 25 meter van de ladingzone
| 1. | Binnen 25 meter van de ladingzone op een K1, of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c, en waarvoor, in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt, is de aanwezigheid van vuur slechts toegestaan indien door een gasdeskundige voor de aanvang van de werkzaamheden een verklaring is afgegeven waaruit blijkt, dat de ladingzone veilig voor mensen is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b. |
| 2. | De aanwezigheid van vuur, bedoeld in het eerste lid, is voorts toegestaan indien blijkt uit de verklaring, bedoeld in voornoemd lid, dat: |
| a. | de brandbare gassen in de atmosfeer van de ladingzone nergens een concentratie van meer dan 20% van de onderste explosiegrens vormen, of |
| b. | de toestand van de in de ladingzone aanwezige atmosfeer zodanig is dat bij verdunning daarvan met lucht geen brandbaar of explosief mengsel ontstaat. |
Artikel 4.13. Melding werkzaamheden
Indien de situaties, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, zich voordoen ontvangt de daartoe aangewezen toezichthouder voor de aanvang van de werkzaamheden een volledig en juist ingevuld meldingsformulier overeenkomstig het bij bijlage X bij deze regeling vastgestelde model.
Artikel 4.14. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige
Een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regeling SGT ref.nr. SKO/03035/S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, vastgesteld per 19 november 2003.
Artikel 4.15 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 4.2 Veilig werken met explosieven
Artikel 4.16. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid springmeester
Een certificaat van vakbekwaamheid springmeester als bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regeling SPR ref.nr. SKO/03036/S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, vastgesteld per 19 november 2003.
Artikel 4.17 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 4.2a Veilig werken met professioneel vuurwerk
Artikel 4.17a. Definities
| 1. | In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
| 2. | Voor de toepassing van deze paragraaf wordt consumentenvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit, dat wordt bestemd voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling of dat wordt bewerkt ten behoeve van een evenement of voorstelling aangemerkt als groot vuurwerk. |
Artikel 4.17b. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk
| 1. | Een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in het document Certificatie-eisen Vuurwerkdeskundige versie 1 van Kiwa Certificatie en Keuringen N.V, vastgesteld per 14 februari 2002. |
| 2. | Een bewijs van vakbekwaamheid dat, met betrekking tot het veilig werken met professioneel vuurwerk, door een lidstaat van de Europese Unie anders dan Nederland of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse bondsstaat is voorgeschreven en dat naar het oordeel van de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, qua vereist niveau van vakbekwaamheid gelijkwaardig is, wordt gelijkgesteld aan het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid. |
| 3. | De beoordeling van gelijkwaardigheid, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats aan de hand van de procedure Beoordeling buitenlandse opleidingen in het kader van de persoonscertificatie Vuurwerkdeskundige van Kiwa Certificatie en Keuringen NV, met kenmerk 02-41, vastgesteld per 25 september 2002. |
Artikel 4.17c [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 4.17d. Gegevens werkplan professioneel vuurwerk
Het werkplan, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van het besluit omvat tenminste de gegevens, bedoeld in bijlage XI bij deze regeling.
Paragraaf 4.2b. Opsporen conventionele explosieven
Artikel 4.17e. Afgifte procescertificaat opsporen conventionele explosieven
| 1. | Een procescertificaat opsporen conventionele explosieven als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen gesteld in bijlage XII bij deze regeling. |
| 2. | Een certificaat dat, met betrekking tot het opsporen van conventionele explosieven, door een lidstaat van de Europese Unie anders dan Nederland of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse bondsstaat is voorgeschreven en dat naar het oordeel van de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, voor wat betreft de aan het proces van opsporing, de organisatie en het management van personeel en middelen gestelde eisen ten minste gelijkwaardig is, wordt gelijkgesteld aan het procescertificaat, bedoeld in het eerste lid. |
Paragraaf 4.3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4.18 [Vervallen per 01-01-2007]
Paragraaf 4.4 Wettelijke grenswaarden
Artikel 4.19. Gevaarlijke stoffen
| 1. | Als grenswaarden als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder a, van het besluit worden aangewezen de waarden die zijn opgenomen in bijlage XIII bij deze regeling. |
| 2. |
De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.3, tweede lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.
Artikel 4.19a. Biologische grenswaarden
Als grenswaarde als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder b, van het besluit, wordt voor lood vastgesteld: 70 µg/100 ml bloed.
Artikel 4.20. Kankerverwekkende en mutagene stoffen
| 1. | Als grenswaarden als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van het besluit worden aangewezen de waarden die zijn opgenomen in bijlage XIII bij deze regeling. |
| 2. | De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.16, tweede lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode. |
Paragraaf 4.4a Nadere voorschriften over het werken met lood
Artikel 4.20a. Meetfrequentie en analyse van lood in de lucht
| 1. | In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, van het besluit wordt de concentratie van lood in de lucht om de drie maanden gemeten. Er kan worden volstaan met eenmaal per jaar meten, indien er geen verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling plaatsvindt, en
|
| 2. | De bepaling van de concentratie van lood in de lucht, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt met behulp van de atomaire arbsorptiespectrometrie of een andere analysemethode, die gelijkwaardige resultaten oplevert. |
Artikel 4.20b. Controle van lood in het bloed
| 1. | In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het besluit, worden de werknemers ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid gesteld tot het meten van het loodgehalte in het bloed. |
| 2. | De frequentie van het meten van het loodgehalte in bloed kan worden teruggebracht tot eenmaal per jaar, indien het loodgehalte van geen enkele werknemer meer bedraagt dan 50 µg/100 ml bloed en uit de twee opeenvolgende voorafgaande metingen is gebleken dat de concentratie van lood in de lucht minder bedraagt dan 100 µg/m³ lucht. |
| 3. | Het loodgehalte in het bloed als bedoeld in artikel 4.10b, tweede lid, van het besluit wordt gemeten met behulp van de atomaire absorptiespectrometrie of een andere gelijkwaardige methode. |
| 4. | De resultaten van de meting, bedoeld in het eerste lid, worden getoetst aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.19a. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode. |
| 5. | Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10b, eerste lid, van het besluit, wordt de werknemers ten minste eenmaal per jaar aangeboden. |
Paragraaf 4.5 Meetmethodes asbest
Artikel 4.21. Algemeen
De metingen, bedoeld in artikel 4.47, derde lid, van het besluit worden overeenkomstig de artikelen 4.22 tot en met 4.26 uitgevoerd.
Artikel 4.22. Monsterneming
Monsters worden genomen uit de individuele ademzone van de werknemers, dat wil zeggen binnen een halve bol met een straal van 300 mm frontaal voor het gezicht en gemeten vanaf het midden van een lijn, die de oren verbindt.
Artikel 4.23. Te gebruiken materialen
Bij monsterneming wordt gebruik gemaakt van:
| a. | membraanfilters van gemengde esters van cellulose of cellulosenitraat, met een poriëngrootte van 0,8 tot 1,2 micrometer met gedrukte vierkanten en een doorsnede van 25 mm en een optimale belasting van 100/400 vezels per mm²; |
| b. | een open filterhouder, voorzien van een cilindervormige kap die zich tussen 33 en 44 mm voor het filter bevindt, waardoor een cirkelvormig oppervlak van ten minste 20 mm doorsnee wordt blootgesteld, waarvan de kap bij het gebruik naar beneden is gericht; |
| c. | een draagbaar pompje met batterijvoeding dat de werknemer tijdens de monsterneming meedraagt, waarvan de luchtsnelheid regelmatig is en wordt afgesteld op 1 liter per minuut ± 5%; deze luchtsnelheid blijft tijdens de periode van de monsterneming gehandhaafd binnen ± 10% van aanvankelijke stroomsnelheid, waarbij voor de duur van de monsterneming een marge van 2% is toegestaan. |
Artikel 4.24. Vezeltelling
| 1. | De voor de vezeltelling te gebruiken binoculaire microscoop heeft de volgende kenmerken:
|
| 2. | De microscoop wordt aan het begin van de dag van gebruik opgesteld volgens de voorschriften van de fabrikant, waarbij de waarnemingsgrens wordt gecontroleerd aan de hand van een fase-contrastproefplaatje. De codes op de AIA-proefglaasjes of op de blokken op het HSE/NLP/Mark 2 proefglaasje zijn bij gebruik volgens de door de fabrikant aangegeven wijze zichtbaar tot aan code 5 respectievelijk blok 5. |
Artikel 4.25. Voorschriften bij telling
Telling van de vezels op het filter, bedoeld in artikel 4.24, vindt plaats volgens de onderstaande voorschriften:
| a. | alleen telbare vezels worden geteld; onder telbare vezel wordt verstaan een vezel die voldoet aan de definitie van een vezel, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, onder c, van het besluit die geen deeltje met een maximum diameter groter dan 3 micrometer raakt; |
| b. | telbare vezels waarvan de twee uiteinden zich binnen de graticulezone bevinden, worden als één vezel geteld; |
| c. | telbare vezels waarvan zich één uiteinde binnen de graticulezone bevindt, worden als een halve vezel geteld; |
| d. | een vezelcluster dat over zijn lengte op één of meer plaatsen stevig en niet gespleten schijnt te zijn maar dat op andere plaatsen in afzonderlijke vezels uiteen schijnt te vallen, is één telbare vezel indien het voldoet aan de definitie van een vezel, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, onder c, van het besluit; de diameter wordt gemeten dwars door het niet-gespleten deel en niet door het gespleten deel; |
| e. | bij vezelclusters in de vorm van een bundel, waarin de afzonderlijke vezels elkaar raken of kruisen, worden deze vezels apart geteld indien zij voldoende van elkaar kunnen worden onderscheiden om vast te stellen dat zij voldoen aan de definitie van een vezel; wanneer dit niet het geval is, dan is de bundel een telbare vezel, indien hij als geheel aan de definitie voldoet; |
| f. | het filter dan wel een deel daarvan wordt op een voorwerpglaasje geplaatst, doorzichtig gemaakt volgens de acetontriacetinemethode en met een dekglaasje bedekt; |
| g. | graticulezones waar zal worden geteld, worden a-select in het hele blootgestelde oppervlak van het filter gekozen; |
| h. | indien meer dan een achtste van een graticulezone is bedekt met een vezelcluster dan wel deeltjes wordt de graticulezone overgeslagen en wordt een andere zone geteld; |
| i. | er worden 100 vezels geteld, waarbij minimaal 20 graticulezones worden onderzocht of er worden 100 graticulezones onderzocht. |
Artikel 4.26. Berekening
| 1. | Het gemiddelde aantal vezels per graticulezone wordt berekend door het aantal getelde vezels te delen door het aantal onderzochte graticulezones. De bijdrage tot het tellen als gevolg van vlekken op het filter en verontreiniging wordt beneden 3 vezels per 100 graticulezones gehouden en wordt gemeten met behulp van blancofilters. |
| 2. | De concentratie van vezels in de lucht is (het gemiddeld aantal vezels per graticulezone x de gehele blootgestelde zone van het filter)/(graticulezone x doorgeleid luchtvolume). |
Paragraaf 4.6. Certificatiebepalingen arbeid met asbest
Artikel 4.27. Afgifte certificaten
Een certificaat wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, door een certificerende instelling, afgegeven indien:
| a. | in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema SBC-BRL 5052, ‘Asbestinventarisatie’, 1998-06-01; |
| b. | in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema SBC-BRL 5050 ‘Asbestverwijdering’, 1999-06-01; |
| c. | in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema SC-510 ‘Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering’, juli 2005; |
| d. | in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, zevende lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het SCA Certificatieschema SC-520 ‘Deskundig Asbestverwijderaar (DAV)’, augustus 2006. |
Artikel 4.28 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 4.7 [Vervallen per 01-03-2006]
Artikel 4.29 [Vervallen per 05-03-2005]
Artikel 4.30 [Vervallen per 01-03-2006]
Paragraaf 4.8 [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 4.31 [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 4.32 [Vervallen per 03-12-2004]
Paragraaf 4.8a Vluchtige organische stoffen
Artikel 4.32a. Lijmen en verven in binnensituaties
| 1. | In dit artikel wordt verstaan onder:
|
| 2. | Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen handelingen in woningen of andere gebouwen, bestaande uit:
|
| 3. | Het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op:
|
| 4. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, bevatten ten hoogste 5 gram vluchtige organische stoffen per kilogram gebruiksklaar product. |
| 5. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het betreft het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 60 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product. |
| 6. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het andere werkzaamheden betreft dan het aanbrengen van muurverf, bevatten ten hoogste 100 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product. |
Artikel 4.32b. Offsetdrukken
| 1. | Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
|
| 2. | Het vochtwater dat wordt gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat ten hoogste 8 volumeprocenten isopropylalcohol of andere mono-alcoholen bij automatische doseersystemen en ten hoogste 10 volumeprocenten bij handmatige doseersystemen en bij rotatie-offsetpersen die voor het eerst in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1985. |
| 3. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C. |
| 4. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C. |
Artikel 4.32c. Zeefdrukken
| 1. | Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
|
| 2. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 21 °C. |
| 3. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten ten hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product. |
Artikel 4.32d. Illustratiediepdrukken
| 1. | Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen het reinigen van vloeren in illustratiediepdrukkerijen. |
| 2. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, bevatten ten hoogste 0,1 volumeprocenten gehalogeneerde koolwaterstoffen of monoaromaten met een dampspanning van meer dan 0,1 millibar bij 20 °C en hebben een vlampunt van ten minste 55 °C. |
Artikel 4.32e. Verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken
| 1. | In dit artikel wordt verstaan onder:
|
| 2. | Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
|
| 3. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten ten hoogste 50 gram vluchtige organische stoffen per kilogram product. |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, indien daarbij bijzondere eisen aan de kwaliteit of bestendigheid van het gefabriceerde product worden gesteld, mits op jaarbasis het gewicht van de vluchtige organische stoffen van de producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, ten hoogste 80% bedraagt van het gewicht van de opgebrachte vaste stof. |
Artikel 4.32f. Herstellen autoschade
| 1. | In dit artikel wordt verstaan onder motorrijtuig: een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een autobus of een kampeerauto als bedoeld in artikel 2, onder b, c, d, e onderscheidenlijk g, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 of een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet goederenvervoer over de weg. |
| 2. | Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen:
|
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden ten behoeve van het herstellen van lakschade of het vernieuwen van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen die zijn gebouwd vóór 1970; |
| 4. | Producten die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, bevatten in gebruiks- of spuitklare vorm, ten hoogste het gehalte aan vluchtige organische stoffen dat met betrekking tot deze producten is vastgesteld bij bijlage XV bij deze regeling. |
Artikel 4.32g. Coating van timmerwerk in binnensituaties
| 1. | In dit artikel wordt verstaan onder coating: een product dat opgebracht wordt op een oppervlak om een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te verkrijgen. |
| 2. | Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.62b van het besluit worden aangewezen werkzaamheden in binnensituaties bestaande uit:
|
| 3. | Coatings die worden gebruikt bij de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, bevatten ten hoogste 150 gram vluchtige organische stoffen per liter gebruiksklaar product. |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op het aanbrengen van een coating op delen van de in het tweede lid genoemde producten, voorzover die producten zijn vervaardigd van houtsoorten waarbij door het aanbrengen van een coating, als bedoeld in het derde lid, inhoudstoffen kunnen vrijkomen. |
Artikel 4.32h. Gelijkstelling vervangende producten
Met de in de artikelen 4.32a vierde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en 4.32g, derde lid, bedoelde producten worden gelijkgesteld producten, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Paragraaf 4.9 [Vervallen]
Artikel 4.33 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.34 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.35 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.36 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.37 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.38 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.39 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.40 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.41 [Vervallen per 19-04-2002]
Artikel 4.41a [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 4.41b [Vervallen per 01-09-2000]
Artikel 4.42 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.43 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.44 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.45 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.46 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.47 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.48 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.49 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 4.50 [Vervallen per 01-11-1999]
Hoofdstuk 5. Beeldschermarbeid
Artikel 5.1. Apparatuur en meubilair
Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:
| a. | de tekens op het beeldscherm zijn voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels; |
| b. | het beeld op het beeldscherm is stabiel; |
| c. | de luminantie van of het contrast tussen de tekens en de achtergrond is gemakkelijk door de gebruiker bij te stellen; |
| d. | het beeldscherm is vrij te plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar; |
| e. | het beeldscherm is vrij van voor de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen; |
| f. | het toetsenbord kan hellend worden geplaatst en vormt geen geheel met het beeldscherm; |
| g. | er is voor het toetsenbord voldoende ruimte voor handen en armen van de gebruiker; |
| h. | het toetsenbord heeft een mat oppervlak; |
| i. | de indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het gebruik; |
| j. | de symbolen op de toetsen zijn voldoende contrastrijk en vanuit een normale werkhouding voldoende leesbaar; |
| k. | de werktafel of het werkvlak maakt een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk en heeft een reflectiearm oppervlak, is voldoende groot en maakt een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk; |
| l. | een voor het werk noodzakelijke documenthouder is stabiel en regelbaar en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt; |
| m. | de werkstoel is stabiel, heeft een in hoogte verstelbare zitting en een rugleuning, waarvan de hoogte en hellingshoek verstelbaar zijn en geeft de gebruiker bewegingsvrijheid en een comfortabele werkhouding; |
| n. | indien de gebruiker dat wenst wordt een voetensteun aangebracht. |
Artikel 5.2. Inrichting van de beeldschermwerkplek
De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:
| a. | de verlichting van de werkruimte of de beeldschermwerkplek zorgt voor voldoende licht en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker; |
| b. | mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm of op apparaten door kunstmatige lichtbronnen zijn vermeden; |
| c. | er treden door raam- en andere openingen, wanden en apparaten geen directe verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm op; |
| d. | de ramen zijn uitgerust met passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de beeldschermwerkplek valt te verminderen; |
| e. | het geluid dat de apparatuur voortbrengt veroorzaakt geen verstoring van de aandacht en het gesproken woord; |
| f. | de apparatuur brengt geen voor de werknemers hinderlijke warmte voort; |
| g. | de vochtigheidsgraad is steeds toereikend. |
Artikel 5.3. Programmatuur
De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de volgende voorschriften:
| a. | de programmatuur is aangepast aan de te verrichten taak; |
| b. | de programmatuur is gemakkelijk te gebruiken en aan te passen aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker; |
| c. | er wordt zonder medeweten van de gebruiker geen gebruik gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme; |
| d. | de systemen verschaffen de gebruiker gegevens over de werking ervan; |
| e. | de systemen maken de informatie zichtbaar in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de gebruiker; |
| f. | bij de verwerking van informatie door de gebruiker worden de beginselen van de ergonomie toegepast. |
Hoofdstuk 6. Arbeid onder overdruk
Paragraaf 6.1 Certificatie
Artikel 6.1 Aanwijzingscriteria certificerende instelling
- 1.
- Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid, van het besluit kan worden aangewezen een opleidingsinstelling die een opleiding verzorgt die tot doel heeft personen op te leiden die uit hoofde van een bedrijf of beroep arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit uitvoeren of zullen gaan uitvoeren en die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en de artikelen 6.2, 6.3a, 6.4, 6.5, en 6.6.
- 2.
- Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, zesde lid, onderscheidenlijk zevende lid, van het besluit, is aangewezen een instelling die:
- a.
- op grond van een daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde regeling een examen behorend bij de opleiding duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij de brandweer afneemt;
- b.
- op grond van een daartoe door de Minister van Defensie vastgestelde regeling een opleiding duikploegleider, duiker of duikmedische begeleiding bij het Ministerie van Defensie verzorgt en de bijbehorende examens afneemt.
- 3.
- Als certificerende instelling als bedoeld in het tweede lid kan tevens worden aangewezen een opleidingsinstelling die een opleiding verzorgt die tot doel heeft personen op te leiden die uit hoofde van een bedrijf of beroep:
- a.
- arbeid als duikploegleider verrichten of zullen gaan verrichten;
- b.
- duikarbeid verrichten of zullen gaan verrichten;
- c.
- duikers adequaat medisch begeleiden of zullen gaan begeleiden,
en die voldoet aan de artikelen 1.3 tot en met 1.8 en de artikelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, en 6.6
Artikel 6.2. Verstrekken gegevens
Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.1, eerste en derde lid verstrekt aan de minister op diens verzoek alle informatie met betrekking tot de door haar verzorgde opleiding en stelt hem tijdig op de hoogte van voorgenomen wijzigingen van de inhoud van de opleiding en het bijbehorende examen.
Artikel 6.3. Afgifte certificaat duikploegleider, duikarbeid en duikmedische begeleiding
| 1. | Een certificaat duikploegleider, duikarbeid of duikmedische begeleiding als bedoeld in artikel 6.16, derde lid, zesde lid, onderscheidenlijk zevende lid, van het besluit wordt door de instelling, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid en derde lid, afgegeven indien de cursist met goed gevolg het examen, behorend bij de opleiding, bedoeld in de laatstgenoemde artikelleden, heeft afgelegd. Het certificaat wordt aangemerkt als een schriftelijk bewijs als bedoeld in artikel 1.7. |
| 2. | Een certificaat duikploegleider, duikarbeid of duikmedische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, dat door een lidstaat van de Europese Unie anders dan Nederland of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse bondsstaat is voorgeschreven en dat naar oordeel van de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, qua vereist niveau van vakbekwaamheid gelijkwaardig is, wordt gelijkgesteld aan de certificaten, bedoeld in het eerste lid. |
| 3. | Een certificaat als bedoeld in het eerste lid wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste 2 jaar. |
| 4. | Op het certificaat worden de volgende gegevens vermeld:
|
Artikel 6.3a. Afgifte certificaat duikerarts
| 1. | Een certificaat als bedoeld in artikel 6.14a, derde lid, van het besluit, wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager:
|
| 2. | Een certificaat als bedoeld in het eerste lid is geldig voor een periode van ten hoogste twee jaar; na afloop van die periode kan de geldigheidsduur van een certificaat op aanvraag telkens met ten hoogste twee jaar worden verlengd, indien de aanvrager kan aantonen dat hij de noodzakelijke kennis heeft bijgehouden en in de afgelopen periode nodige ervaring als duikerarts heeft gehad. |
| 3. | De aanvrager van een certificaat verstrekt aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, de relevante gegevens met betrekking tot opleiding, diploma's en kennis en beroepservaring als bedoeld in het eerste lid. |
| 4. | Op de certificaten, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens vermeld:
|
| 5. | Een certificaat of een ander bekwaamheidsdocument voor duikerartsen dat door een lidstaat van de Europese Unie anders dan Nederland of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse bondsstaat is voorgeschreven en dat naar oordeel van de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, qua vereist niveau van vakbekwaamheid ten minste gelijkwaardig is, wordt gelijkgesteld aan het certificaat, bedoeld in het eerste lid. |
Artikel 6.4. Vergoeding
Voor de afgifte van een certificaat als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.3a is een vergoeding verschuldigd van ten hoogste € 273, bijkomende kosten en BTW alsmede opleidings- en examenkosten daaronder niet begrepen.
Paragraaf 6.2 Opleidingen
Artikel 6.5. Categorieën opleidingen
| 1. | Een opleiding als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, leidt op tot het uitvoeren van:
|
| 2. | Een opleiding als bedoeld in artikel 6.1, tweede en derde lid, omvat:
|
Artikel 6.6. Eindtermen
Een opleiding als bedoeld in artikel 6.5 leidt ten minste op tot de eindtermen behorende bij de desbetreffende categorie arbeid als duikploegleider, duikarbeid, duikmedische begeleiding respectievelijk uitvoering van onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit, bedoeld in bijlage XVI bij deze regeling.
Hoofdstuk 7. Arbeidsmiddelen
Paragraaf 7.1 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7.1 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7.2 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7.3 [Vervallen per 01-09-2003]
Paragraaf 7.2 Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen
Artikel 7.4. Modellen certificaten beproevingen en onderzoekingen
Als modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).
Artikel 7.5. Model register
Als model van het register, bedoeld in artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).
Paragraaf 7.3 Certificatie machinisten hijskranen en funderingsmachines
Artikel 7.6. Categorieën torenkranen, mobiele kranen en mobiele hei-installaties
| 1. | Een persoon is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, van het besluit indien hij een torenkraan, mobiele kraan of mobiele hei-installatie als omschreven in de onderdelen a tot en met c, bedient:
|
| 2. | Met betrekking tot een certificaat als bedoeld in het eerste lid, worden onderscheiden
|
Artikel 7.7. Afgifte certificaat van vakbekwaamheid
| 1. | Een certificaat als bedoeld in artikel 7.6 wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen die, met betrekking tot de bediening van een kraan of heistelling van een categorie als genoemd in artikel 7.6, tweede lid zijn opgenomen in de certificatieschema’s van de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport te Bennekom, bedoeld in het tweede lid. |
| 2. | Voor het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in artikel 7.6 zijn de volgende certificatieschema’s van toepassing:
|
Artikel 7.8 [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 7.9 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.10 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.11 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.12 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.13 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.14 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.15 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.16 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.17 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.18 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.19 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 7.20 [Vervallen per 01-11-1999]
Hoofdstuk 8. Veiligheids- en Gezondheidssignalering
Artikel 8.1. Vereisten
Veiligheids- of gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.2 van het besluit voldoet aan de artikelen 8.2 tot en met 8.29.
Artikel 8.2. Permanente signalering
| 1. | De signalering met betrekking tot een verbod, een waarschuwing en een gebod, alsmede de signalering met betrekking tot de lokalisatie en de identificatie van reddings- of hulpmiddelen geschiedt permanent door middel van borden. |
| 2. | De signalering voor de lokalisatie en identificatie van brandbestrijdingsmateriaal geschiedt permanent door middel van borden of een veiligheidskleur. |
| 3. | De signalering op recipiënten en leidingen geschiedt overeenkomstig de artikelen 8.12 tot en met 8.15. |
| 4. | De signalering van gevaren van stoten tegen obstakels en van vallen van personen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur of borden. |
| 5. | De markering van verkeerswegen geschiedt permanent door middel van een veiligheidskleur. |
Artikel 8.3. Occasionele signalering
| 1. | De signalering van gevaarlijke gebeurtenissen, de oproep van personen voor een specifieke actie, alsmede de dringende evacuatie van personen geschiedt occasioneel, door middel van een lichtsignaal, een akoestisch signaal of een mondelinge mededeling. |
| 2. | Het leiden van personen die handelingen verrichten waarbij een gevaar bestaat, geschiedt occasioneel door middel van hand- of armseinen of mondelinge mededelingen. |
Artikel 8.4. Vrije keuze van signalering
| 1. | Bij gelijke doeltreffendheid van de signalering bestaat een vrije keuze tussen:
|
| 2. | De volgende signaleringswijzen kunnen gelijktijdig worden gebruikt:
|
| 3. | De doeltreffendheid van een signalering mag niet in het gedrang worden gebracht door de aanwezigheid van een andere signalering of van andere factoren die de zicht- of hoorbaarheid verstoren, een slecht ontwerp, een ontoereikend aantal, een slechte plaatsing, een slechte staat of een slechte werking van de signaleringsmiddelen of signaleringsvoorzieningen. |
Artikel 8.5. Gebruik van kleuren
Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:
| a. | met de kleur rood aangeduid:
| ||||||
| b. | met de kleur geel of oranje-geel aangeduid een waarschuwingssignaal; | ||||||
| c. | met de kleur blauw aangeduid een gebodssignaal; | ||||||
| d. | met de kleur groen aangeduid:
|
Artikel 8.6. Noodinstallatie
Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie.
Artikel 8.7. Controle licht- en geluidssignalen
| 1. | De licht- en geluidssignalen zijn voor de ingebruikneming op hun goede werking en reële doeltreffendheid gecontroleerd. Die controle wordt nadien voldoende vaak herhaald. |
| 2. | Een licht- of geluidssignaal geeft bij inwerkingstelling het begin van een actie aan: de duur ervan is zo lang als de actie vereist. |
| 3. | De licht- en geluidssignalen worden na ieder gebruik onmiddellijk opnieuw in werking gesteld. |
Artikel 8.8. Bescherming specifieke werknemers
Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.
Artikel 8.9. Algemene eisen veiligheidsborden
| 1. | De pictogrammen waarvan veiligheidsborden zijn voorzien, zijn zo eenvoudig mogelijk en voor het begrip overbodige details worden weggelaten. |
| 2. | De borden zijn gemaakt van materiaal met een zo groot mogelijke schokvastheid en weerbestendigheid. |
| 3. | De borden bezitten dusdanige afmetingen en kleur- en lichttechnische eigenschappen dat zij goed zichtbaar en gemakkelijk te begrijpen zijn. |
Artikel 8.10. Soorten borden
| 1. | Verbodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn, waarbij de rode kleur ten minste 35% van het oppervlak van het bord beslaat. |
| 2. | Waarschuwingsborden kenmerken zich door een driehoekige vorm, een zwart pictogram op gele achtergrond en een zwarte rand, waarbij de gele kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat. |
| 3. | Gebodsborden kenmerken zich door een ronde vorm, een wit pictogram op blauwe achtergrond, waarbij de blauwe kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat. |
| 4. | Reddingsborden kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm, wit pictogram op groene achtergrond, waarbij de groene kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat. |
| 5. | Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal kenmerken zich door een rechthoekige of vierkante vorm en een wit pictogram op rode achtergrond, waarbij de rode kleur ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaat. |
| 6. | De in bijlage XVIII bij deze regeling opgenomen borden, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties. |
| 7. | De gebruikte pictogrammen mogen licht afwijken van of meer gedetailleerd zijn dan de pictogrammen van de borden, bedoeld in bijlage XVIII bij deze regeling. De betekenis ervan is dan evenwel dezelfde en verschillen of aanpassingen maken de betekenis niet onduidelijk. |
Artikel 8.11. Plaatsing van borden
| 1. | De borden worden, rekening houdend met eventuele obstakels, op passende hoogte en op een passende plaats ten opzichte van het gezichtsveld geïnstalleerd, hetzij bij de toegang tot een zone waar een algemeen risico bestaat hetzij in de onmiddellijke nabijheid van een bepaald risico of het te signaleren object, en wel op een goed verlichte en gemakkelijk toegankelijke en zichtbare plaats. |
| 2. | Bij slechte natuurlijke verlichtingsomstandigheden worden fluorescerende kleuren, reflecterende materialen of kunstlicht gebruikt. |
| 3. | Een bord wordt verwijderd zodra de situatie die de aanwezigheid ervan rechtvaardigt, niet meer bestaat. |
Artikel 8.12. Reservoirs gevaarlijke stoffen
| 1. | Reservoirs die gebruikt worden bij werkzaamheden met dan wel de opslag van:
|
| 2. | Het vorige lid is niet van toepassing op reservoirs die worden gebruikt bij werkzaamheden van korte duur of die vaak wisselen van inhoud mits er toereikende alternatieve maatregelen worden genomen, met name op het gebied van voorlichting of opleiding, die hetzelfde beschermingsniveau garanderen. |
| 3. | De in het eerste lid bedoelde gevaarssymbolen kunnen:
|
Artikel 8.13. Aanbrengen van signalering op reservoirs
De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf.
Artikel 8.14. Plaatsing op reservoirs
| 1. | Indien gevaarssymbolen of gevaarsbenamingen als omschreven in de in artikel 8.12 onder a of b bedoelde richtlijnen op reservoirs en leidingen aangebracht worden, voldoen deze aanduidingen aan de artikelen 8.9, tweede lid, en 8.11. |
| 2. | De op leidingen gebruikte gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden zichtbaar en voldoende herhaald aangebracht in de nabijheid van de meest gevaarlijke plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten. |
Artikel 8.15. Signalering bij opslag gevaarlijke stoffen
| 1. | De signalering van plaatsen, lokalen of afgesloten ruimten die worden gebruikt voor de opslag van aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen geschiedt door een passend waarschuwingsbord als bedoeld in artikel 8.10 of door gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen als bedoeld 8.12 tenzij, rekening houdend met artikel 8.9, derde lid, wat de afmeting betreft, de gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen van de afzonderlijke verpakkingen of op de reservoirs ter zake volstaan. |
| 2. | De in het eerste lid bedoelde borden of gevaarssymbolen en gevaarsbenamingen worden bij de opslagruimte of op de toegangsdeur tot de opslagruimte geplaatst. |
Artikel 8.16. Wijze van gebruik lichtsignalen
Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.
Artikel 8.17. Uniformiteit
| 1. | Het lichtoppervlak dat een signaal uitzendt, is uniform van kleur of bevat een pictogram op een bepaalde achtergrond. |
| 2. | De uniforme kleur voldoet aan artikel 8.5. |
| 3. | Wanneer het signaal een pictogram bevat, voldoet dit aan artikel 8.10. |
Artikel 8.18. Bijzondere lichtsignalen
| 1. | Wanneer een voorziening een continu en een intermitterend signaal kan uitzenden, wordt het intermitterende signaal gebruikt om ten opzichte van het continue signaal aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd. |
| 2. | Wanneer een intermitterend lichtsignaal wordt gebruikt in plaats of ter completering van een geluidssignaal, is de code van het signaal identiek. |
| 3. | Een voorziening om een lichtsignaal uit te zenden in geval van groot gevaar, wordt speciaal in het oog gehouden of uitgerust met een reservelamp. |
| 4. | De duur en de frequentie van de flitsen van een intermitterend lichtsignaal zijn zodanig dat:
|
Artikel 8.19. Vereisten geluidssignalen
| 1. | Een geluidssignaal:
|
| 2. | Wanneer een voorziening een geluidssignaal met een variabele en een vaste frequentie kan uitzenden, wordt de variabele frequentie gebruikt om ten opzichte van de vaste frequentie aan te geven dat het gaat om een situatie die een groter gevaar inhoudt of waarbij de gewenste of verplichte interventie of actie met grotere spoed moet worden uitgevoerd. |
| 3. | Het geluid van een ontruimingssignaal is continu. |
Artikel 8.20. Algemene vereisten inzake de mondelinge mededeling
| 1. | De mondelinge mededeling vindt plaats tussen een spreker of zender en een of meer toehoorders, en wel in de vorm van korte teksten, woordgroepen of afzonderlijke woorden, eventueel gecodeerd. |
| 2. | De mondelinge boodschappen zijn zo kort, eenvoudig en duidelijk mogelijk. |
| 3. | De taalvaardigheid van de spreker en het gehoorvermogen van de toehoorder zijn voldoende om een ondubbelzinnige communicatie tot stand te brengen. |
| 4. | De mondelinge mededeling is direct door middel van gebruik van de menselijke stem of indirect door middel van de menselijke stem of spraaksynthese, verspreid door een middel ad hoc. |
| 5. | Indien de mondelinge mededeling wordt gebruikt in plaats van of ter aanvulling van hand- of armseinen en er geen codes worden gebruikt, worden met name de volgende woorden gebruikt:
|
Artikel 8.21. Gebruikte taal
De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.
Artikel 8.22. Algemene vereisten inzake hand en armseinen
| 1. | Een hand- of armsein is precies en eenvoudig en bestaat uit een breed gebaar. |
| 2. | Het gelijktijdig gebruik van beide armen verloopt symmetrisch en geeft slechts één enkel signaal weer. |
Artikel 8.23. Seingever
| 1. | De seingever geeft met behulp van hand- en armseinen besturingsinstructies door aan de ontvanger van de seinen. |
| 2. | De seingever wijdt zijn aandacht uitsluitend aan het geven van de besturingsinstructies en de veiligheid van de werknemers die zich in de nabijheid bevinden. |
| 3. | De seingever kan de gehele besturingsoperatie zien, zonder daarbij door de handeling gehinderd te worden. |
| 4. | Wanneer niet aan de in het derde lid, genoemde voorwaarden kan worden voldaan, worden een of meer bijkomende seingevers ingeschakeld. |
Artikel 8.24. Ontvanger van seinen
De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren.
Artikel 8.25. Kenbaarheid seingever
De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen.
Artikel 8.26. Voorkomen onduidelijkheid seinen
De in bijlage XIX bij deze regeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.
Artikel 8.27. Signalering van obstakels en gevaarlijke plaatsen
| 1. | De signalering van gevaar door stoten tegen obstakels, door vallende voorwerpen of personen, geschiedt door middel van geel, afgewisseld met zwart, of rood afgewisseld met wit, binnen de bebouwde zones van het bedrijf of de inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft. |
| 2. | De gele en zwarte of rode en witte banden worden onder een hoek van circa 45° aangebracht en hebben ongeveer dezelfde afmetingen. |
Artikel 8.28. Afstemming signalering op obstakel of gevaarlijke plaats
De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats.
Artikel 8.29. Vereisten inzake markering van verkeerswegen
| 1. | Wanneer de bescherming van de werknemers dat vereist, worden de verkeerswegen op de arbeidsplaats voor voertuigen duidelijk door doorlopende strepen met een goed zichtbare kleur aangegeven. |
| 2. | Bij het aanbrengen van de strepen wordt rekening gehouden met de nodige veiligheidsafstanden tussen de voertuigen die er kunnen rijden en elk voorwerp dat zich in de nabijheid en tussen de voetgangers en de voertuigen kan bevinden. |
Hoofdstuk 8a. Strafbare feiten en beboetbare feiten
Artikel 8.29a. Overtredingen
Als strafbaar feit wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de artikelen 2.0, 2.0a, 2.0b en 2.0c.
Artikel 8.29b. Beboetbare feiten; eerste categorie
Als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de eerste categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 3.4, 3.5, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 4.4, vierde lid, 4.5, 4.9, derde en vierde lid, 4.13, 4.19, tweede lid, 4.20, tweede lid, 4.20a, 4.20b, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.22 tot en met 4.26, 5.1 tot en met 5.3, 8.2, 8.3, 8.4, derde lid, 8.5 tot en met 8.11, 8.12, eerste en tweede lid, 8.13 tot en met 8.29.
Artikel 8.29c. Beboetbare feiten; tweede categorie
Als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de de artikelen 4.3, 4.4, eerste tot en met derde lid, 4.6, 4.7, 4.9, eerste en tweede lid, 4.11, 4.12 en 4.17d.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en Slotbepalingen
Artikel 9.1. Vergoeding
| 1. | Voor de certificatie-onderzoeken in verband met de afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 2.11, 2.14 tot en met 2.17, 4.14, 4.16 4.17b, 4.17e, 4.27 en 7.7 en een certificaat als bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit is een vergoeding verschuldigd van ten hoogste € 182 per uur, bijkomende kosten en BTW daaronder niet begrepen. |
| 2. | Voor het bepalen van het tarief per certificaat worden de duur van de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, en het aantal en de soort van de verrichtingen die daarbij worden uitgevoerd alsmede de aard en de hoogte van de bijkomende kosten zo nauwkeurig mogelijk omschreven. |
Artikel 9.2. Vergoeding extra kosten certificatie en wijze van betaling
| 1. | Voor zover ten gevolge van een verzoek of handeling dan wel nalaten van de aanvrager van een certificaat als bedoeld in deze regeling, extra kosten worden gemaakt in verband met de afgifte van het certificaat, worden deze kosten doorberekend aan de aanvrager. |
| 2. | De kosten verbonden aan de afgifte van een certificaat, voor zover de afgifte gebeurt door de minister, worden bij de aanvraag voldaan door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.21.366 (Rabobank), ten name van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Postbus 90801, 2509 LV te 's-Gravenhage. Indien de minister voor de afgifte van een certificaat een certificerende instelling heeft aangewezen, worden de kosten, verbonden aan de afgifte van het certificaat, bij de aanvraag voldaan overeenkomstig de aanwijzingen van de instelling. |
Artikel 9.2a
De afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne door de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO in de periode van 1 november 1999 tot 3 november 2006 wordt aangemerkt als de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.15.
Artikel 9.2b [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 9.2c [Vervallen per 03-12-2004]
Artikel 9.2d [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.2e [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9.2f. Overgangsbepaling certificering arbeid met asbest
| 1. | Certificaten die bij de toepassing van het Asbest-verwijderingsbesluit zijn afgegeven op basis van de certificatieschema’s, genoemd in artikel 4.27, onderdeel a of b, worden voor de geldigheidsduur die is vastgesteld bij de afgifte ervan, doch maximaal voor een periode van drie jaar, aangemerkt als een certificaat als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit. |
| 2. | Indien de geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in het eerste lid is verstreken en de instelling die het betreffende certificaat heeft afgegeven op grond van het derde lid is aangewezen als certificerende instelling, kan de geldigheidsduur door deze instelling worden verlengd voor maximaal een periode van een jaar. |
| 3. | Behalve indien de aanwijzing, bedoeld in artikel 1.5a van het besluit, is ingetrokken, wordt een instelling tot uiterlijk 1 juli 2007 aangemerkt als een certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 12 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005:
|
Artikel 9.3 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 9.4 [Vervallen per 01-11-1999]
Artikel 9.5. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenregeling.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd.
De Staatssecretaris voornoemd,
Bijlage I. , behorend bij artikel 2.0
In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen aan de orde:
| a. | die onderdelen van het algemene managementsysteem waartoe de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de gebruiken, de procedures, de toegepaste werkmethoden en productiemethoden en de hulpmiddelen behoren welke het mogelijk maken het beleid ter voorkoming van zware ongevallen te bepalen en uit te voeren; |
| b. | de organisatie en het personeel: de taken en verantwoordelijkheden van het personeel dat op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de risico’s van zware ongevallen is betrokken, het onderkennen van de behoeften aan opleiding van dat personeel, de organisatie van die opleiding en de deelname daaraan door het personeel, de aannemers en de onderaannemers; |
| c. | de identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, van het besluit; |
| d. | het toezicht op de uitvoering: de vaststelling en de toepassing van procedures en instructies voor de beheersing van de veiligheid van de bedrijfsvoering, met inbegrip van het onderhoud van de installaties en de tijdelijke onderbrekingen; |
| e. | de wijze waarop wordt gehandeld bij wijzigingen: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de planning van wijzigingen met betrekking tot het bedrijf of de inrichting of een onderdeel daarvan of de toegepaste werkmethoden en productiemethoden dan wel met betrekking tot het ontwerpen van nieuwe werkmethoden of productiemethoden; |
| f. | de planning voor noodsituaties: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de systematische identificatie van noodsituaties alsmede voor het uitwerken, beoefenen, en toetsen van de noodplannen. Bij het oefenen van noodplannen worden alle werknemers op de locatie betrokken, met inbegrip van relevante aannemers en onderaannemers; |
| g. | het toezicht op de prestaties: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de permanente beoordeling van de inachtneming van de doelstellingen van het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en van het veiligheidsbeheerssysteem, alsmede de invoering van regelingen voor onderzoek en correctie bij het niet in acht nemen daarvan. Tot deze procedures behoren het systeem voor de melding van zware ongevallen en bijna-ongevallen, met name die waarbij de beschermende maatregelen hebben gefaald, het onderzoek daarnaar en de nazorg, een en ander op grond van de ervaringen uit het verleden; |
| h. | audits en beoordeling: de vaststelling en de toepassing van procedures voor de systematische periodieke evaluatie van het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en van de doeltreffendheid en van de deugdelijkheid van het veiligheidsbeheerssysteem alsmede voor de met documenten gestaafde analyse door de werkgever van de resultaten van het gevoerde beleid, van het veiligheidsbeheerssysteem en van de actualisering daarvan. |
Bijlage II. , behorend bij artikel 2.0c
Het intern noodplan als bedoeld in artikel 2.5c van het besluit bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:
| a. | de naam en functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te laten treden en van de persoon die belast is met de leiding en coördinatie van de maatregelen ter bestrijding van een ongeval binnen het bedrijf of inrichting; |
| b. | de naam en functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe noodplan verantwoordelijke autoriteiten; |
| c. | voor voorzienbare omstandigheden of gebeurtenissen die een doorslaggevende rol kunnen spelen bij het ontstaan van een zwaar ongeval, een beschrijving van de te nemen maatregelen ter beheersing van de toestand of de gebeurtenis en ter beperking van de gevolgen daarvan, met inbegrip van een beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en middelen; |
| d. | de maatregelen ter beperking van het risico voor personen binnen het bedrijf of de inrichting, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm; |
| e. | de regelingen om de autoriteit die verantwoordelijk is voor het in werking laten treden van het externe noodplan bij een ongeval snel in te lichten, de inlichtingen die onmiddellijk moeten worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger inlichtingen, wanneer deze beschikbaar komen; |
| f. | de regelingen om de werknemers op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen verwacht worden en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten; |
| g. | de regelingen voor de verlening van steun aan externe bestrijdingsmaatregelen. |
Bijlage III. behorend bij artikel 3.1
Model kennisgeving bouwwerk
-
Aard van het bouwwerk:
-
Volledig adres van de bouwplaats:
Telefoon:
Fax:
-
Namen en adressen van de betrokken partijen
-
Opdrachtgever(s)
Naam:
Adres:
Postcode/plaats:
Contactpersoon:
Telefoon:
Fax:
-
-
Ontwerpende partij(en)
-
Naam:
-
Adres:
-
Postcode/plaats:
-
Contactpersoon:
-
Telefoon:
-
Fax:
-
-
Coördinator(en) in de ontwerpfase
Naam:
Adres:
Postcode/plaats:
Contactpersoon:
Telefoon:
Fax:
-
Uitvoerende partij(en)
Naam:
Adres:
Postcode/plaats:
Contactpersoon:
Telefoon:
Fax:
-
Coördinator(en) in de uitvoeringsfase
Naam:
Adres:
Postcode/plaats:
Contactpersoon:
Telefoon:
Fax:
-
-
Vermoedelijke aanvangsdatum van de bouwwerkzaamheden:
-
Vermoedelijke bouwtijd:
-
Vermoedelijke maximum aantal werknemers dat gelijktijdig op de bouwplaats aanwezig zal zijn:
-
Vermoedelijk aantal werkgevers en zelfstandigen op de bouwplaats:
-
Namen van reeds geselecteerde ondernemingen:
-
Datum van kennisgeving:
-
Handtekening opdrachtgever:
Bijlage IV. behorend bij artikel 3.9, onderdeel b
De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel b, betreft voor zover van toepassing:
| a. | een locatiekaart waarop de inter- en intrafieldpijpleidingen alsmede de onder water afgewerkte boorgaten zijn aangeduid; |
| b. | algemene tekeningen van ligging en plattegrond van het mijnbouwwerk op het land, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a, of de opbouw en configuratie van de mijnbouwinstallatie, bedoel in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen b, c en d; |
| c. | voor- en zijaanzichten van het mijnbouwwerk; |
| d. | een stroomdiagram dat het gehele behandelingsproces van delfstoffen omvat met een massabalans; |
| e. | tekeningen van pijpen, instrumentatie voor de processystemen en de ondersteunende systemen (deze tekeningen worden alleen op verzoek van een toezichthouder opgestuurd); |
| f. | tekeningen van gevarenzones; |
| g. | oorzaak- en gevolgtekeningen die behoren bij de alarm- en insluitsystemen; |
| h. | tekeningen van de aanleg en situering van brand- en gasdetectiesystemen; |
| i. | tekeningen van brandbeschermende voorzieningen; |
| j. | tekeningen van reddingsmiddelen en ontsnappingsroutes; |
| k. | Heating Ventilation Air Conditioning (HVAC)-tekeningen; |
| l. | een diagram van alle oproep-, alarmerings- en communicatiesystemen; |
| m. | tekeningen van de indeling van het oproep- en alarmsysteem; |
| n. | een beschrijving van het elektrisch systeem aan de hand van een één-lijndiagram waarop de noodsystemen zijn aangegeven; |
| p. | de locatie en capaciteit van opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen; |
| q. | de locatie van opslagplaatsen voor chemische stoffen, en |
| r. | de locatie van opslagplaatsen voor ontplofbare stoffen. |
Bijlage V. behorend bij artikel 3.9, onderdeel c
De informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, betreft:
-
een plattegrond van het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, en, voor zover nodig, een situatieschets van elk van de op het mijnbouwwerk aanwezige installaties, verblijven of overige lokalen, waarop zijn aangegeven:
-
de plaatsen en ruimten waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen zomede de plaatsen en ruimten, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, met de naaste omgeving daarvan;
-
de plaatsen, waar gas of vloeistof, eventueel ter verbranding, wordt afgevoerd;
-
de plaatsen waar handbediende en automatische brandmeldinstallaties met bijbehorende alarmsignalen zijn geïnstalleerd; de soort signalering dient te worden vermeld;
-
de plaatsen, waar brandblusinstallaties of grote blusmiddelen zijn opgesteld, met vermelding van type, soort (handbediend of automatisch) en capaciteit van elk der installaties en middelen;
-
het globale aantal en de soort handbrandblusapparaten per ruimte; de plaatsen, waar pompen voor de bluswatervoorziening zijn opgesteld, de capaciteit van deze pompen, de plaatsen waar hydranten en brandslangen aanwezig zijn en brandslangen aan de bluswaterleiding kunnen worden aangesloten;
-
indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a: de aanwezigheid van vijvers en sloten, indien bluswater zonodig aan het oppervlaktewater zal worden onttrokken;
-
-
de organisatie van de brandbestrijdingsdienst;
-
de wijze van brandmelding en van alarmering;
-
de regeling van de hulpverlening bij brand of ontploffing;
-
gegevens betreffende ademhalingsbeschermingsmiddelen voor de met het bestrijden van brand belaste personen.
-
Indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a moet op de plattegrond, bedoeld in het eerste lid, onder a, bovendien zijn aangegeven de plaats, waar zich een brandweerkazerne bevindt, en moet het plan gegevens bevatten betreffende het aantal en soort van de grote mobiele brandbluseenheden in die kazerne.
Bijlage VI. behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i
Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot het mijnbouwwerk op het land, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of iedere vast opgestelde mijnbouwinstallatie, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b betreft ten aanzien van:
-
het voorontwerprapport:
-
het identificeren en evalueren van gevaren en de daarmee samenhangende risico's van de verschillende overwogen ontwerpopties;
-
van het gekozen ontwerp:
- het vaststellen van beheersmaatregelen die risico's uitsluiten of verminderen;
- het evalueren van risicoverminderende systemen;
- het vaststellen van noodzakelijke beheerssystemen, en
- het evalueren van voorlopige berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies.
-
-
het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik:
- het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het voorontwerprapport;
- het vaststellen van de soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
- het aantonen dat de opgeslagen hoeveelheid koolwaterstoffen geminimaliseerd is;
- het evalueren van definitieve berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies;
- het aantonen van de doeltreffendheid van de geïnstalleerde systemen;
- het aantonen dat het risico van brand, hittestraling, ontploffing en het vrijkomen van giftige gassen of dampen geminimaliseerd is;
- het aantonen dat de veiligheidssystemen doeltreffend beschermd zijn;
- het aantonen dat de algemene preventie principes in het ontwerp zijn meegenomen;
- het aantonen dat de kans op binnentreden van rook of gas in de accommodatieruimten geminimaliseerd is;
- het aantonen dat de kwaliteit van de in te ademen lucht in de accommodatieruimten is gewaarborgd;
- het aantonen dat de evacuatie-, ontsnappings-, en reddingssystemen doeltreffend zijn;
- het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van procedures en beheersmaatregelen gedurende de constructie activiteiten;
- het evalueren van de bestaande systemen van toezicht ten aanzien van de werkzaamheden;
- het evalueren van de procedures voor het in gebruik nemen van het boorwerk of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie.
-
het addendum gebruik:
- het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;
- het nagaan of alle aanbevelingen uit doorlichtingen, inspecties of het onderzoek naar voorvallen, ongevallen en klachten zijn uitgevoerd; en
- het nagaan of alle veranderingen, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de verschillende doorlichtingen en inspecties op schrift zijn vastgelegd.
-
het addendum grote wijzigingen:
- het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het addendum gebruik;
- het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
- het uitvoeren van een risico-analyse van de voorgestelde grote wijzigingen;
- het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van procedures en beheersmaatregelen gedurende de constructie activiteiten; en
- het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen.
-
het addendum verlaten en verwijderen:
- het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
- het uitvoeren van een risico-analyse van de verwijderingsmethoden en -technieken;
- het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen; en
- het aantonen dat de hoeveelheid koolwaterstoffen, toxische stoffen en chemische stoffen geminimaliseerd is.
Bijlage VII. behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i
Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c en iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d betreft ten aanzien van:
-
het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik:
- het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
- het aantonen dat de opgeslagen hoeveelheid koolwaterstoffen geminimaliseerd is;
- het aantonen van de doeltreffendheid van de geïnstalleerde systemen;
- het aantonen dat het risico van brand, hittestraling, ontploffing en het vrijkomen van giftige gassen of dampen geminimaliseerd is;
- het evalueren van definitieve berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies;
- het aantonen dat de veiligheidssystemen doeltreffend beschermd zijn;
- het aantonen dat de algemene preventie principes in het ontwerp zijn meegenomen;
- het aantonen dat de kans op binnentreden van rook of gas in de accommodatieruimten geminimaliseerd is;
- het aantonen dat de kwaliteit van de in te ademen lucht in de accommodatieruimten is gewaarborgd;
- het aantonen dat de evacuatie-, ontsnappings-, en reddingssystemen doeltreffend zijn;
- het evalueren van de bestaande systemen van toezicht ten aanzien van de werkzaamheden;
- het evalueren van de procedures voor het in gebruik nemen en het verwijderen van de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c of andere verplaatsbare mijnbouwinstallatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d;
-
het addendum gebruik:
- het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;
- het nagaan of alle aanbevelingen uit doorlichtingen, inspecties of het onderzoek naar voorvallen, ongevallen en klachten zijn uitgevoerd; en
- het nagaan of alle veranderingen, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de verschillende doorlichtingen en inspecties op schrift zijn vastgelegd.
-
het addendum grote wijzigingen:
- het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het addendum gebruik;
- het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;
- het uitvoeren van een risico-analyse van de voorgestelde grote wijzigingen;
- het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van de procedure en de beheersmaatregelen gedurende de constructieactiviteiten; en
- het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen.
Bijlage VIII. behorend bij artikel 3.14
De informatie met betrekking tot het noodplan, bedoeld in artikel 3.14, betreft:
-
een beschrijving van de organisatiestructuur van de werkgever en de en verantwoordelijke personen in geval van nood alsmede een overzicht van hun taken en bevoegdheden;
-
een beschrijving van de organisatie van de personen belast met het gebruik van en het geoefend zijn in het gebruik van evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen alsmede de personen belast met speciale taken bij het evacueren en redden van personen op een mijnbouwinstallatie;
-
de wijze van alarmering;
-
de regeling van de hulpverlening;
-
het aantal, soort en type evacuatie-, ontsnappings-, en reddingsmiddelen, alsmede de persoonlijke reddingsmiddelen die op de mijnbouwinstallatie in gebruik zijn;
-
de criteria voor de capaciteit van bijstandschepen en helikopters, inclusief de reactietijd daarvan;
-
het aantal personen, dat ervaren is in het gebruik van het materieel, bedoeld in onderdeel e en f van deze bijlage;
-
een schematische overzichtstekening waarop de evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen op de mijnbouwinstallatie zijn aangegeven;
-
het soort en de frequentie van de te houden oefeningen;
-
de te nemen maatregelen ter verzekering van de veiligheid en gezondheid van met reddingswerk belaste personen, met name met het oog op de aan het verrichten van reddingswerk in een atmosfeer, waarin verstikkende of giftige gassen aanwezig zijn, of in een met radioactieve stoffen besmette atmosfeer verbonden gevaren.
Bijlage IX. behorend bij artikel 4.1, onder t
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 10
Toestand van de ladingzone
| - | De gehele ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur. |
| - | De ladingtanks zijn gesloten. |
Ligplaats
Niet aan de werf of het reparatiebedrijf.
Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Werk met vuur tenminste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 11
Toestand van de ladingzone
| - | De gehele ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur. |
| - | De ladingtanks zijn gesloten en verzegeld. |
Ligplaats
Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Echter alleen naar een veilige ligplaats (= een ligplaats waar binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is of naar redelijke verwachting kan ontstaan).
Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1
Toestand van de ladingzone
| - | Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur. |
| - | Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur |
| - | Een gedeelte van de ladingzone is aangemerkt als zijnde veilig voor mensen en veilig voor vuur. |
In het laatste geval is de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 een voorloper van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2.
Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.
Ligplaats
Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.
Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.
-
Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2
Toestand van de ladingzone
| - | Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur. |
| - | Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur |
| - | Een gedeelte van de ladingzone is zowel veilig voor mensen als veilig voor vuur. |
De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien gebleken is dat de ruimten waarin met vuur moet worden gewerkt veilig voor mensen en veilig voor vuur zijn gebleven, terwijl ook in de toestand van de andere ruimten binnen de ladingzone geen wijziging mag zijn opgetreden.
Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1.
Ligplaats
Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.
Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk boven of buiten de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.
-
Werk met vuur in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.
-
Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1
Toestand van de ladingzone
| - | De gehele ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur. |
Aangezien echter de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 de voorloper is van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 zal men er voor zorg moeten dragen dat de gehele ladingzone veilig voor vuur is. De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.
Ligplaats
Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in de gehele ladingzone.
-
Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2
Toestand van de ladingzone
| - | De gehele ladingzone is veilig voor mensen en veilig voor vuur. |
Deze vastgestelde toestand is ongewijzigd gebleven na de uitreiking van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1. Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1.
Ligplaats
Het schip mag overal ligplaats nemen
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in de gehele ladingzone.
-
Werk met vuur in, boven en buiten de gehele ladingzone echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 20
Toestand van de ladingzone
| - | De ladingzone is geheel of gedeeltelijk veilig voor mensen en veilig voor vuur. |
Ligplaats
Het schip mag overal ligplaats nemen
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in gehele, of in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.
-
Werk met vuur in besloten ruimten buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Werk met vuur boven en buiten de gehele ladingzone.
-
Werk met vuur in de gehele, of in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 31
Toestand van de ladingzone
| - | De gehele ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur. |
Ligplaats
Het schip mag overal ligplaats nemen
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in de gehele ladingzone.
-
Werk met vuur buiten of boven de ladingzone echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 32
Toestand van de ladingzone
| - | Een gedeelte van de ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur. |
| - | Het resterende gedeelte van de ladingzone is veilig voor mensen en veilig voor vuur. |
Ligplaats
Het schip mag overal ligplaats nemen.
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in de gehele ladingzone.
-
Werk met vuur buiten of boven de ladingzone, echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Werk met vuur in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring 33
Toestand van de ladingzone
| - | De gehele ladingzone is veilig voor mensen en veilig voor vuur. |
Ligplaats
Het schip mag overal ligplaats nemen.
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Koud werk in de gehele ladingzone.
-
Werk met vuur in, boven of buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30
Toestand van de ladingzone
| - | De K3-ruimten buiten de ladingzone zijn veilig voor vuur. |
De toestand van de ruimten binnen de ladingzone wordt op deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring niet opgenomen.
Toegestane werkzaamheden
-
Koud werk in K3-ruimten buiten de ladingzone.
-
Werk met vuur in K3-ruimten buiten de ladingzone.
De Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 is een zogenaamde “Combinatie Veiligheids- en gezondheidsverklaring”. Dat betekent, dat een Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 nooit alleen afgegeven mag worden. Altijd zal dit moeten gebeuren in combinatie met een Veiligheids- en gezondheidsverklaring, welke de toestand van de ladingzone aangeeft.
Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4
Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring is bedoeld om een Veiligheids- en gezondheidsverklaring welke zijn geldigheid heeft verloren weer geldig te maken
Toestand van de ladingzone
De toestand van de ladingzone is gelijk aan de toestand zoals die vermeld wordt op de Veiligheids- en gezondheidsverklaring die door het uitreiken van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4 zijn geldigheid herkrijgt.
De modellen, bedoeld in deze bijlage, liggen ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Bijlage X. behorend bij de artikelen 4.11, 4.12 en 4.13
Als model meldingsformulier, behorend bij artikel 4.11 en 4.13 wordt vastgesteld Model A.
Dit model betreft reparatiewerkzaamheden aan, op of in tankschepen waarbij werk met vuur boven de ladingzone en/of werk met vuur in een deel van de ladingzone plaatsvindt zonder dat de daartoe voorgeschreven veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt.
Als model meldingsformulier, behorend bij artikel 4.12 en 4.13 wordt vastgesteld Model B.
Dit model betreft afwijking van de voorwaarde op de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 10-11-12/1-12/2 en 13/1 dat binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig mag zijn noch naar redelijke verwachting kan ontstaan.
Reparatiewerkzaamheden aan of op tankschepen waarbij werk met vuur buiten de ladingzone, echter binnen 25 meter van die ladingzone, plaatsvindt zonder dat de daartoe voorgeschreven veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt
De modellen, bedoeld in deze bijlage, liggen ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlage XI. behorend bij artikel 4.17d
1. Werkzaamheden
| A. | Algemeen
| ||||||||||||||
| B. | Specifiek
|
2. Risico’s
| a. | een systematische beschrijving van de risico's van de werkzaamheden inclusief een inschatting van de kans op mogelijke ongevallen veroorzaakt door het afval en de weigeraars die het gevolg zijn van de werkzaamheden. Daarnaast een systematische beschrijving van de effecten van mogelijke ongevallen; |
| b. | bij de beschrijving van de risico's wordt, als het groot vuurwerk betreft, de invloed van weersomstandigheden in acht genomen; |
3. Maatregelen
| A. | Algemeen
| ||||||||
| B. | Specifiek Groot vuurwerk
|
4. Ondertekening
Ondertekening van het werkplan door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht.
Bijlage XII
[Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.]
Bijlage XIII. behorend bij artikel 4.19, eerste lid
Lijst van wettelijke grenswaarden op grond van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit
Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen
CAS-nummer
Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS-nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de ‘Chemical Abstract’ Service is geregistreerd.
TGG
Tijdgewogen gemiddelde. Voor een aantal stoffen is naast de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingduur tot 8 uur per dag tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogste 15 minuten.
C
Ceilingwaarde
Deze aanduiding is toegepast bij stoffen waarvan de grenswaarde een ceilingwaarde of plafondwaarde is. Een dergelijke waarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkomen.
H (Huidopname)
Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.
Respirabel/inhaleerbaar stof
Voor stoffen die ook als deeltjes/aërosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als ‘inhaleerbaar stof’, tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481:1994 ‘Werkplekatmosfeer. Definitie van de deeltjesgrootteverdeling voor het meten van in de lucht zwevende deeltjes’.
Respirabele vezels
Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedteverhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.
De hierna vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20 °C en een druk van 101,3 kPa.
|
ISO-naam van de stof |
CAS-nummer |
TGG 8 uur mg/m3 |
C |
TGG 15 min mg/m3 |
H |
|
Aceetaldehyde |
75-07-0 |
37 |
92 |
||
|
Aceton |
67-64-1 |
1210 |
2420 |
||
|
Acetonitril |
75-05-8 |
34 |
|||
|
Allylalcohol |
107-18-6 |
4,8 |
12,1 |
H |
|
|
2-Aminoethanol |
141-43-5 |
2,5 |
7,6 |
H |
|
|
Ammoniak |
7664-41-7 |
14 |
36 |
||
|
Antimoon en -verbindingen (als Sb) |
7440-36-0 |
0,5 |
|||
|
Barium, oplosbare verbindingen (als Ba) |
7440-39-3 |
0,5 |
|||
|
Broom |
7726-95-6 |
0,2 |
|||
|
Broomwaterstof |
10035-10-6 |
6,7 |
|||
|
2-Butanon |
78-93-3 |
590 |
900 |
H |
|
|
2-Butoxyethanol |
111-76-2 |
100 |
246 |
H |
|
|
2-(2-Butoxyethoxy)ethanol |
112-34-5 |
50 |
100 |
H |
|
|
2-Butoxyethylacetaat |
112-07-2 |
135 |
333 |
H |
|
|
n-Butylacrylaat |
141-32-2 |
11 |
53 |
||
|
tert-Butylchromaat (als CrO3) |
1189-85-1 |
0,1 |
C |
H |
|
|
Carbonylfluoride en PTFE-pyrolyseproducten, als F |
353-50-4 |
1 |
|||
|
Chloor |
7782-50-5 |
1,5 |
|||
|
Chloorbenzeen |
108-90-7 |
23 |
70 |
||
|
Chloordifluormethaan |
75-45-6 |
3600 |
|||
|
Chloorethaan |
75-00-3 |
268 |
|||
|
Chloroform |
67-66-3 |
5 |
25 |
||
|
Chroom (metallisch) |
7440-47-3 |
0,5 |
|||
|
anorganische Chroom(II)verbindingen en anorganische Chroom(III)verbindingen (onoplosbaar) |
0,5 |
1 |
|||
|
Chroom(III)verbindingen (als Cr), wateroplosbaar |
0,06 |
||||
|
Cumeen |
98-82-8 |
100 |
250 |
H |
|
|
Cyanamide |
420-04-2 |
0,2 |
H |
||
|
Cyaniden, incl. cyaanwaterstof (als CN) |
74-90-8 |
1 |
10 |
H |
|
|
Cyclohexaan |
110-82-7 |
700 |
1400 |
||
|
Cyclohexanon |
108-94-1 |
50 |
H |
||
|
Dichlooracetyleen |
7572-29-4 |
0,4 |
C |
||
|
1,2-Dichloorbenzeen |
95-50-1 |
122 |
300 |
H |
|
|
1,4-Dichloorbenzeen |
106-46-7 |
150 |
300 |
||
|
1,1-Dichloorethaan |
75-34-3 |
400 |
800 |
||
|
Diethylamine |
109-89-7 |
15 |
30 |
||
|
Diethylether |
60-29-7 |
308 |
616 |
||
|
Difosforpentaoxide |
1314-56-3 |
1 |
5 |
||
|
Difosforpentasulfide |
1314-80-3 |
1 |
|||
|
N,N,-Dimethylaceetamide |
127-19-5 |
36 |
72 |
H |
|
|
Dimethylamine |
124-40-3 |
1,8 |
|||
|
Dimethylether |
115-10-6 |
950 |
1500 |
||
|
Dipropyleenglycolmethylether |
34590-94-8 |
300 |
|||
|
Ethaan-1,2-diol - damp - druppels |
107-21-1 |
52 10 |
104 |
H |
|
|
Ethylamine |
75-04-7 |
9 |
|||
|
Ethylbenzeen |
100-41-4 |
215 |
430 |
H |
|
|
Fenol |
108-95-2 |
8 |
H |
||
|
2-Fenylpropeen |
98-83-9 |
20 |
|||
|
Fluor |
7782-41-4 |
0,5 |
|||
|
Fluoriden, anorganisch en oplosbaar (als F) |
2 |
||||
|
Fluorwaterstof (als F) |
7664-39-3 |
1 |
|||
|
Formaldehyde |
50-00-0 |
0,15 |
0,5 |
||
|
Fosfine |
7803-51-2 |
0,14 |
0,28 |
||
|
Fosforpentachloride |
10026-13-8 |
1 |
|||
|
Fosforzuur |
7664-38-2 |
1 |
2 |
||
|
Fosgeen |
75-44-5 |
0,08 |
0,4 |
||
|
n-Heptaan |
142-82-5 |
1200 |
1600 |
||
|
2-Heptanon |
110-43-0 |
233 |
|||
|
3-Heptanon |
106-35-4 |
163 |
|||
|
n-Hexaan |
110-54-3 |
72 |
144 |
||
|
1,6-Hexanolactam - damp - stof |
105-60-2 |
20 1 |
|||
|
Isopentaan |
78-78-4 |
1800 |
|||
|
Kobalt (stof en rook) (als Co) |
7440-48-4 |
0,02 |
|||
|
Kobalthydrocarbonyl (als Co) |
16842-03-8 |
0,1 |
|||
|
Kooldioxide |
124-38-9 |
9000 |
|||
|
Koolmonoxide |
630-08-0 |
29 |
|||
|
Koper en anorganische koperverbindingen (inhaleerbaar) |
7440-50-8 |
0,1 |
|||
|
Lasrook |
1 |
||||
|
Litiumhydride |
7580-67-8 |
0,025 |
|||
|
Lood, zie artikel 4.19a Arbeidsomstandighedenregeling |
|||||
|
Mesithyleen (trimethylbenzenen) |
100 |
200 |
|||
|
Methanol |
67-56-1 |
260 |
520 |
H |
|
|
2-(Methoxyethoxy)ethanol |
111-77-3 |
45 |
H |
||
|
1-Methoxy-2-propanol |
107-98-2 |
375 |
563 |
H |
|
|
1-Methoxy-2-propylacetaat |
108-65-6 |
550 |
|||
|
1-Methylbutylacetaat |
620-11-1 |
530 |
|||
|
2-Methylbutylacetaat |
625-16-1 |
530 |
|||
|
5-Methylheptaan-3-on |
541-85-5 |
133 |
|||
|
5-Methylhexaan-2-on |
110-12-3 |
233 |
|||
|
4-Methyl-2-pentanon |
108-10-1 |
104 |
208 |
||
|
Mierenzuur |
64-18-6 |
5 |
|||
|
Morfoline |
110-91-8 |
36 |
72 |
H |
|
|
Naftaleen |
91-20-3 |
50 |
80 |
||
|
Natriumazide |
26628-22-8 |
0,1 |
0,3 |
H |
|
|
Neopentaan |
463-82-1 |
1800 |
|||
|
Nicotine |
54-11-5 |
0,5 |
H |
||
|
Nitrobenzeen |
98-95-3 |
1 |
H |
||
|
Olienevel (minerale olie) |
5 |
||||
|
Oxaalzuur |
144-62-7 |
1 |
|||
|
Ozon |
10028-15-6 |
0,12 (TGG 1 uur) |
|||
|
n-Pentaan |
109-66-0 |
1800 |
|||
|
n-Pentylacetaat |
628-63-7 |
530 |
|||
|
iso-Pentylacetaat |
123-92-2 |
530 |
|||
|
tert-Pentylacetaat |
625-16-1 |
530 |
|||
|
Perfluorisobutyleen |
382-21-8 |
0,082 |
C |
||
|
Piperazine |
110-85-0 |
0,1 |
0,3 |
||
|
Platina, metallisch |
7440-06-4 |
1 |
|||
|
Propionzuur |
79-09-4 |
31 |
62 |
||
|
Pyrethrum |
8003-34-7 |
1 |
|||
|
Pyridine |
110-86-1 |
0,9 |
|||
|
Resorcinol |
108-46-3 |
10 |
|||
|
Salpeterzuur |
7697-37-2 |
1,3 |
|||
|
Seleenhexafluoride (als Se) |
7783-79-1 |
0,2 |
|||
|
Seleenwaterstof (als Se) |
7783-07-5 |
0,1 |
|||
|
Stibine |
7803-52-3 |
0,5 |
|||
|
Stikstofdioxide |
10102-44-0 |
0,4 |
1 |
||
|
Stikstofmonoxide |
10102-43-9 |
0,25 |
|||
|
Talk (respirabel) |
14807-96-6 |
0,25 |
|||
|
Tetraethyldithiopyrofosfaat |
3689-24-5 |
0,1 |
H |
||
|
Tetrahydrofuraan |
109-99-9 |
300 |
600 |
H |
|
|
Tolueen |
108-88-3 |
150 |
384 |
||
|
1,2,4-Trichloorbenzeen |
120-82-1 |
7,55 |
37,8 |
H |
|
|
1,1,1-Trichloorethaan |
71-55-6 |
555 |
1110 |
||
|
Triethylamine |
121-44-8 |
4,2 |
12,6 |
H |
|
|
1,2,3-Trimethylbenzeen |
526-73-8 |
100 |
200 |
||
|
1,2,4-Trimethylbenzeen |
95-63-6 |
100 |
200 |
||
|
Vanadiumoxiden (als V) |
0,01 |
0,03 |
|||
|
Xyleen, o-, m-, p-isomeren |
1330-20-7 |
210 |
442 |
H |
|
|
Zilver, metallisch |
7440-22-4 |
0,1 |
|||
|
Zilver, oplosbare verbindingen (als Ag) |
0,01 |
||||
|
Zoutzuur |
7647-01-0 |
8 |
15 |
||
|
Zwaveldioxide |
7446-09-5 |
0,7 |
|||
|
Zwavelwaterstof |
7783-06-4 |
2,3 |
B. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen
|
ISO-naam van de stof |
CAS nummer |
TGG 8 uur mg/m3 |
TGG 15 min mg/m3 |
H |
Acrylamide | 79-06-1 | 0,16 | H | |
|
Aflatoxines |
0,0051 |
|||
|
Arseenpentoxide (als As) |
1303-28-2 |
0,025 |
0,05 |
|
|
Arseentrioxide (als As) |
1327-53-3 |
0,025 |
0,05 |
|
|
Arseenzuur (als As) |
7778-39-4 |
0,025 |
0,05 |
|
|
in water oplosbare zouten van arseenzuur (als As) |
0,025 |
0,05 |
||
|
in water onoplosbare zouten van arseenzuur (als As) |
0,05 |
0,1 |
||
|
Asbest, zie artikel 4.46 Arbobesluit |
||||
|
Azathioprine |
446-86-6 |
0,005 |
||
Aziridine | 151-56-4 | 0,0009 | ||
|
Bariumchromaat (als Cr) |
10294-40-3 |
0,025 |
||
|
Benzeen |
71-43-2 |
3,25 |
H |
|
|
Benzine2 |
240 |
480 |
||
|
1,3-Butadieen |
106-99-0 |
46,2 |
||
|
Cadmiumchloride (als Cd) |
10108-64-2 |
0,005 |
||
|
Cadmiumoxide (rook) (als Cd) |
1306-19-0 |
0,005 |
||
|
Cadmiumsulfaat (als Cd) |
10124-36-4 |
0,005 |
||
|
Calciumchromaat (als Cr) |
13765-19-0 |
0,01 |
||
|
Carbadox |
6804-07-5 |
0,003 |
||
|
4-Chloor-o-fenyleendiamine |
95-83-0 |
0,2 |
||
|
Chroom(III)chromaat (als Cr) |
24613-89-6 |
0,01 |
||
|
Chroom(VI)-oplosbare verbindingen |
0,025 |
0,05 |
H |
|
|
Chroomtrioxide (als Cr) |
1333-82-0 |
0,025 |
0,05 |
|
|
Cisplatin |
15663-27-1 |
0,00005 |
||
|
Dacarbazine |
4342-03-4 |
0,0009 |
||
|
1,2-Dibroomethaan |
106-93-4 |
0,002 |
||
|
1,2-Dichloorethaan |
107-06-2 |
7 |
||
|
2,2'-Dichloor-4,4'- Methyleendianiline |
101-14-4 |
0,02 |
H |
|
|
Epichloorhydrine |
106-89-8 |
1,9 |
||
|
1,2-Epoxypropaan |
75-56-9 |
6 |
||
|
Ethyleenoxide |
75-21-8 |
0,84 |
||
|
Hardhoutstof3 |
2 |
|||
|
Hexachloorbenzeen |
118-74-1 |
0,03 |
||
|
Keramische vezels |
0,54 |
|||
|
Loodchromaat (als Cr) |
7758-97-6 |
0,025 |
||
|
2-Methylaziridine |
75-55-8 |
0,65 |
||
|
4,4'-Methyleendianiline |
101-77-9 |
0,2 |
H |
|
|
Metronidazol |
443-48-1 |
0,00066 |
||
|
2-Nitropropaan |
79-46-9 |
0,036 |
||
|
N-Nitrosodimethylamine |
62-75-9 |
0,0002 |
||
|
Procarbazine hydrochloride |
366-70-1 |
0,002 |
||
|
Silicium(di)oxide: |
||||
|
– kwarts |
14808-60-7 |
0,0757 |
||
|
– cristoballiet |
14464-46-1 |
0,0758 |
||
|
– tridymiet |
15468-32-3 |
0,0759 |
||
|
Strontiumchromaat (als Cr) |
7789-06-2 |
0,01 |
||
|
1,2,3-Trichloorpropaan |
96-18-4 |
0,108 |
H |
|
Urethaan | 51-79-6 | 0,002 | ||
|
Vinylbromide |
593-60-2 |
0,012 |
||
|
Vinylchloridemonomeer |
75-01-4 |
7,77 |
||
|
Zinkchromaat (als Cr) |
13530-65-9 |
0,01 |
Bijlage XIV. behorende bij artikel 4.32a, derde lid, onderdeel a
Lijst met verklarende begrippen bij beslisschema
|
Belastende situatie in de gebruiksfase |
Belastingen die een belangrijke toename in de corrosie veroorzaken en/of die hogere eisen stellen aan de prestaties van het verfsysteem nadat het is aangebracht |
|
Beschermingsmaatregel |
Maatregelen ter bescherming van de gezondheid |
|
Bijzondere belastende omstandigheden |
Situaties in de gebruikersfase die gelijktijdig een verhoogde kans op corrosie veroorzaken door bij voorbeeld gelijktijdig mechanische en chemische belasting |
|
C1–C5 |
Corrosiesnelheden gekoppeld aan belastingen met voorbeelden: |
|
C1 Verwarmde gebouwen met een schone atmosfeer b.v. kantoren, winkels, scholen, hotels, woningen. |
|
|
C2 Onverwarmde gebouwen waar condensatie kan optreden b.v. depots, sporthallen. |
|
|
C3 Productiehallen met een hoge vochtigheid en enige luchtvervuiling b.v. Voedselverwerkende fabrieken, wasserijen, brouwerijen zuivelindustrie |
|
|
C4 Productiehallen of gebouwen met een permanente belasting of hoge condensatie b.v. chemische fabrieken, zwembaden |
|
|
C5 Gebouwen met bijna permanente condensatie of een hoge vervuiling |
|
|
Dauwpunt |
De temperatuur waaronder het vocht in de lucht zal condenseren op het oppervlak |
|
Derivaten |
Afgeleide producten van minerale oliën of combinaties van producten waarin minerale oliën aanwezig zijn |
|
Droge ruimte |
Een ruimte waarin de relatie luchtvochtigheid en temperatuur van dien aard is dat van een normale geaccepteerde leefomgeving kan worden gesproken, waarin verblijfomstandigheden voor langere duur zijn geaccepteerd |
|
Enige luchtvervuiling |
Een vervuiling welke incidenteel dan wel permanent wordt gekenmerkt door een chemische verontreiniging welke invloed kan uitoefenen op de kwaliteit van het beschermende verfsysteem |
|
Hoge luchtvervuiling |
Een vervuiling welke bijna permanent aanwezig is welke gezien de aanwezige chemische stoffen invloed hebben op het verfsysteem en direct negatieve invloed hebben, in corrosieve zin, op een metalen ondergrond |
|
NEN 12944 ( NPR 7452) |
Norm die de bescherming van metalen door middel van verfsystemen behandelt. In deze norm vertegenwoordigen de aanduidingen C1 t/m C5 corrosiebelastingscategorieën. Aan deze categorie-indeling zijn nu ook vervangings- en beheersmaatregelen gekoppeld. |
|
Onderdompeling langer dan 5 minuten per 24 uur |
Directe blootstelling aan een vloeistof, welke plaats vindt langer dan 5 minuten en die zoor zijn samenstelling directe deformatie van het beschermende verfsysteem veroorzaakt, dan wel omdat de vloeistof door het verfsysteem heen dringt en dan corrosie van de onderliggende metalen ondergrond veroorzaakt |
|
Schone atmosfeer |
Een atmosfeer welke zich kenmerkt door zeer weinig of geen verontreiniging en welke gezien wordt als een normale situatie onder normale leefomstandigheden |
|
VOS |
Vluchtige organische stof. Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.62a wordt hieronder verstaan: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij 293,15 K (20°C) een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa, dan wel een overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden. Blootstelling aan VOS kan schadelijk zijn voor de gezondheid. VOS moeten zoveel mogelijk worden vervangen. In gevallen waarin vervanging onmogelijk is, moeten beschermingsmaatregelen worden genomen. |
Bijlage XV. behorend bij artikel 4.32f, tweede lid, onder a en vierde lid
|
Groepen |
VOS 1 [10] in het gebruiks-/spuitklare mengsel |
|
Spuitenreinigers |
850 gr/liter |
|
Oppervlaktereinigers |
200 gr/liter |
|
Washprimers |
780 gr/liter |
|
Primer surfacer, |
540 gr/liter |
|
1 of 2 component |
|
|
Sealer |
540 gr/liter |
|
1-laags aflaksysteem |
420 gr/liter |
|
en chassiscoating |
|
|
2-laagsaflaksysteem bestaande uit: |
420 gr/liter 2 [11] |
|
basiskleurlak en blanke lak |
|
|
Speciale producten 3 [12] |
840 gr/liter |
|
Overige producten 4 [13] |
150 gr/liter |
Bijlage XVI. , behorend bij de artikelen 6.5, tweede lid, en 6.6
A. Eindtermen certificaat duikarbeid, certificaat duikmedische begeleiding, certificaat duikploegleider en certificaat duikerarts
Bij de duikopleiding voor de categorie duikarbeid waartoe de cursist wordt opgeleid worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:
Duikarbeid categorie A als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 1° (SCUBA):
| – | elementaire natuurkunde, fysiologie, en kennis van duikerziekten en de daaraan verbonden EHBO-procedures; | ||||
| – | werking en onderhoud van, en duiken met diverse SCUBA-apparatuur volgens het navolgende schema:
| ||||
| – | decompressiemethoden; | ||||
| – | theorie met betrekking tot onderwatertechniek en -veiligheid; | ||||
| – | bijzondere gevaren onder water en veiligheidsprocedures; | ||||
| – | zeemanschap bestaande uit: nautische theorie en elementaire meteorologie; | ||||
| – | onderwatercommunicatie en -navigatie; | ||||
| – | schiemanswerk en tuigage (rigging); | ||||
| – | inspectie en rapportage; | ||||
| – | zoek- en werkmethoden; | ||||
| – | gebruik van de hefballon (lifting); | ||||
| – | relevante wet- en regelgeving. |
Duikarbeid categorie B als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 2° (SSE):
| – | De vaardigheden genoemd bij categorie A, uitgebreid met voor het gebruik van ademgas voorziening van de oppervlakte relevante theorie alsmede werking en onderhoud van, en duiken met diverse duikapparatuur met ademgas voorziening van de oppervlakte (SSE), zodanig dat de duikminuten van categorie A en B te zamen ten minste de volgende tijd bedragen:
| ||||||
| – | decompressiemethoden, inclusief werking en bediening van de decompressietank; | ||||||
| – | meer uitgebreide kennis van schiemanswerk en tuigage (rigging); | ||||||
| – | werken met de videocamera; | ||||||
| – | theorie en gebruik van mechanisch, hydraulisch en elektrisch onderwatergereedschap; | ||||||
| – | duiken uit de natte duikklok en daarbij optreden als duiker en bellman met de daarbij behorende noodprocedures; | ||||||
| – | theorie met betrekking tot dynamische positioneringssystemen; | ||||||
| – | theorie en gebruik van het heetwaterpak; | ||||||
| – | relevante regelgeving. |
Duikarbeid categorie C als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 3° (droge duikklok):
Voor de opleiding van deze categorie duikarbeid geldt als minimale vooropleidingseis ten minste één jaar in het bezit zijn van een duikcertificaat categorie B alsmede ten minste 50 uren duikarbeid hebben verricht van deze categorie.
Daarnaast worden de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:
| – | natuurkunde, fysiologie en kennis van duikerziekten met de daaraan verbonden EHBO-procedures voor mengselgasduiken; |
| – | theorie met betrekking tot decompressietank (gassystemen, gasbewaking, brandbestrijding, sanitaire systemen, communicatie en noodprocedures); |
| – | het bedienen van een decompressietank en het uitvoeren van alle hiervoor noodzakelijke procedures; |
| – | werken als lid van de oppervlakte- en de duikploeg bij zowel bounce- als verzadigingsduiken; |
| – | het uitvoeren als duiker en bellman van procedures voor in- en uitsluizen (lock-out) en vervoer onder druk (transport under pressure (TUP)) volgens het vereiste programma; |
| – | het uitvoeren van ten minste drie bounceduiken met de duikklok tot respectievelijk 55, 75 en 100 meter; |
| – | het uitvoeren van ten minste één saturatieduik; |
| – | theorie met betrekking tot de duikklok (gassystemen, scrubbers, verwarming, communicatie en het ballasten); |
| – | het bedienen van de droge duikklok inclusief het uitvoeren van de noodzakelijke controles en noodprocedures; |
| – | theorie met betrekking tot gasterugwinningssystemen en overlevingsapparatuur; |
| – | relevante regelgeving. |
Duikarbeid categorie D als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 4° (duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden):
Duikers in de categorie Duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden verrichten lichte duikwerkzaamheden in de bassins in het kader van het onderhoud hiervan, alsmede het observeren en assisteren bij simulaties van ongevallen, het verzorgen van dieren en bewaking, onderzoek en instandhouding van kunstmatige ecosystemen. Hiervoor geldt dat:
| – | de maximaal bereikbare diepte van het bassin 9 meter is; |
| – | er ten minste 4 meter zicht is onder water; |
| – | te allen tijde vrije opstijging mogelijk is; |
| – | de stroomsnelheid minder dan 0,5 meter per seconde is; |
| – | gebruik wordt gemaakt van perslucht en geen gasmengsels. |
Bij de duikopleiding voor de categorie duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden worden de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:
| – | elementaire natuurkunde, fysiologie, en kennis van duikerziekten en de daaraan verbonden EHBO-procedures conform de Opleiding Diver First Aid; |
| – | werking en onderhoud van, en duiken met diverse SCUBA-apparatuur afgestemd op het duiken tot een diepte van 9 meter in aquaria, zwembaden en dergelijke met tenminste 600 minuten inwatertijd; |
| – | decompressierichtlijnen; |
| – | theorie met betrekking tot onderwatertechniek en -veiligheid; |
| – | bijzondere gevaren onder water en veiligheidsprocedures gerelateerd aan het werken met gevaarlijke dieren of begeleiden van mensen bij gesimuleerde ongevallen; |
| – | lijnseinen en visuele seinen; |
| – | schiemanswerk: ten minste drie knopen; |
| – | relevante werkmethoden; |
| – | relevante wet- en regelgeving. |
B. Eindtermen ten aanzien van de afgifte van een certificaat duikmedische begeleiding met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht
Bij de opleiding voor de categorie van duikmedische begeleiding waartoe de cursist wordt opgeleid, worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:
EHBO duikarbeid, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 1°:
| – | EHBO en cardiopulmonaire resuscitatie; |
| – | specifieke medische risico’s met betrekking tot het duiken; |
| – | natuurkundige aspecten; |
| – | anatomie en fysiologie; |
| – | pathologie en duikerziekten; |
| – | diagnostiek; |
| – | gebruik zuurstofkoffer; |
| – | preventie; |
| – | benodigde minimum praktijkervaring. |
MAD A, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 2°:
| – | EHBO en cardiopulmonaire resuscitatie; |
| – | specifieke medische risico’s met betrekking tot het duiken; |
| – | natuurkundige aspecten; |
| – | anatomie en fysiologie; |
| – | pathologie en duikerziekten; |
| – | diagnostiek; |
| – | neurologisch onderzoek; |
| – | behandeling (decompressieziekten en longembolie); |
| – | gebruik zuurstofkoffer; |
| – | preventie; |
| – | benodigde minimum praktijkervaring. |
Voor de opleiding tot dit certificaat geldt als eis een EHBO-diploma met cardiopulmonaire resuscitatie aantekening.
MAD B, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 3°:
| – | uitgebreid lichamelijk onderzoek; |
| – | subcutaan, intramusculair en intraveneus injecteren; |
| – | hechten van wonden; |
| – | uitvoering thoraxpunctie; |
| – | inbrenging blaascatheter; |
| – | inbrenging intraveneus infuus en uitvoering infuusbeleid; |
| – | kunstmatig mechanisch beademen; |
| – | intuberen; |
| – | inbrenging maagsonde; |
| – | rectale ontluchting; |
| – | benodigde minimum praktijkervaring. |
Voor de opleiding tot dit certificaat geldt als eis een geldig certificaat MAD A
C. Eindtermen ten aanzien van de afgifte van een certificaat duikploegleider
Bij de opleiding voor de categorie van duikploegleider waartoe de cursist wordt opgeleid , worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:
Duikploegleider, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 1°
| 1. | Wetgeving
| ||||||||||
| 2. | Natuurkunde
| ||||||||||
| 3. | Duikmedische kennis/vaardigheden
| ||||||||||
| 4. | Operationele zaken
| ||||||||||
| 5. | Leidinggeven, waaronder leidinggeven in crisissituaties. |
Vooropleidingseisen duikploegleidersopleiding
| 1. | minimumleeftijd: 24 jaar; |
| 2. | certificaat duikarbeid met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht of equivalent; |
| 3. | MAD-A-certificaat of equivalent; |
| 4. | minimaal 2 jaar ervaring als ademgasduiker en tenminste 100 werkduiken; |
| 5. | in de 2 jaar voorafgaand aan de cursus tenminste 30 werkduiken hebben gemaakt, of aan tenminste 30 werkduiken leiding hebben gegeven, of een combinatie van beide. |
Duikploegleider bij de brandweer, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 2°
De leerdoelstellingen zijn gelijk aan die voor de duikploegleider, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 1
Vooropleidingseisen duikploegleidersopleiding bij de brandweer
| 1. | minimumleeftijd: 24 jaar; | ||||||
| 2. | in het bezit zijn van het rijksdiploma brandweerduiker; | ||||||
| 3. | minimaal twee jaar ervaring als brandweerduiker en ten minste 20 oefenduiken met een totale onderwatertijd van ten minste 600 minuten; | ||||||
| 4. | in de twee jaar voorafgaand aan de opleiding:
|
Duikploegleider bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 3° (duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden)
De volgende leerdoelstellingen worden onderscheiden en onderwezen:
| 1. | Wetgeving – Relevante arbeidsomstandighedenregelgeving (waaronder de hoofdstukken 3, afdeling 2 Aanvullende voorschriften bouwplaats en 6, afdeling 5 Werken onder overdruk van het Arbeidsomstandighedenbesluit); | ||||||||||
| 2. | Duikmedische kennis/vaardigheden
| ||||||||||
| 3. | Operationele zaken
| ||||||||||
| 4. | Leidinggeven, waaronder leidinggeven in crisissituaties. |
Vooropleidingseisen duikploegleidersopleiding duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden
| 1. | minimumleeftijd: 21 jaar; |
| 2. | een certificaat duikarbeid met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht of equivalent; |
| 3. | een certificaat Diver First Aid of equivalent; |
| 4. | minimaal 1 jaar ervaring met duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden en tenminste 30 werkduiken. |
D. Eindtermen ten aanzien van de afgifte van certificaten duikerarts met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht
Deze eindtermen zijn samengesteld in overeenstemming met ‘Training standards for Diving and Hyperbaric medicine’ van de ‘Joint Medical Subcommittee’ van de ‘European Diving Technology Committee’ (EDTC).
1. Categorieën certificaten:
| I. | certificaat duikerarts A |
| II. | certificaat duikerarts B |
ad I. Certificaat dat vereist is voor het arbeidsgezondheidskundig onderzoeken van personen die worden belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid, van het besluit.
ad II. Certificaat dat vereist is voor het arbeidsgezondheidskundig onderzoeken van personen die worden belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.14a, eerste lid, van het besluit en op grond waarvan ook de keuringen, bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid, van het besluit mogen worden uitgevoerd.
2. Eindtermen per categorie
|
I |
II |
||
|
1 |
Fysiologie en Pathologie |
* |
* |
|
Hyperbare fysica – gaswetten en gevolgen op de anatomie |
B |
C |
|
|
Duikmedische fysiologie – functionele anatomie – longfunctie – gehoor- en evenwicht – warmteregulatie. |
B |
C |
|
|
Hyperbare pathofysiologie – duikreflex – blackout mechanisme inclusief apneu – psychologie – arbeid en uithoudingsvermogen onder water – decompressie theorie en ontstaan van bellen |
B |
C |
|
|
Hyperbare pathologie – acute aandoeningen (barotraumata,decompressieziekte) – chronische aandoeningen (lange termijn effecten) |
B |
C |
|
|
Hyperbare zuurstof en behandelingstabellen |
- |
C |
|
|
Zuurstofintoxicatie |
A |
C |
|
|
Inerte-gaseffecten (narcose, HPNS) |
A |
C |
|
|
Medicamenten onder druk |
B |
C |
|
|
Overige pathologie (hypothermie, verdrinking, ongevallen onder water) |
A |
C |
|
|
Dodelijke duikongevallen |
A |
C |
|
|
2 |
Duiktechnologie en veiligheid |
||
|
Kennis van operationele duikprocedures |
A |
B |
|
|
Kennis van duikapparatuur |
A |
C |
|
|
Kennis van duiktabellen |
A |
C |
|
|
Wetgeving en standaards |
B |
C |
|
|
Veiligheidsplanning en monitoring |
A |
C |
|
|
3 |
Duikmedische geschiktheid |
||
|
Medische criteria en contra-indicaties voor duikmedische geschiktheid |
C |
C |
|
|
Diagnostisch onderzoek van de duiker |
C |
C |
|
|
Wetgeving en standaards van de duikmedische keuring nationaal en internationaal |
C |
C |
|
|
4 |
Duikongevallen |
||
|
Duikongevallen en -incidenten |
A |
C |
|
|
Behandeling van duikongevallen |
A |
C |
|
|
Revalidatie en vervolg na een duikongeval |
B |
C |
|
|
5 |
Overig |
||
|
Duikmedisch onderzoek nationaal en internationaal |
- |
C |
|
|
6 |
Praktische training |
||
|
Duikmedische geschiktheid voor werken onder overdruk |
- |
+ |
|
|
Praktische ervaring in de eerste hulp bij duikongevallen ter plaatse |
- |
+ |
|
|
Praktische ervaring in de behandeling van duikongevallen |
- |
+ |
|
|
Introductie en demonstratie professioneel duiken |
+ |
+ |
|
|
Demonstratie behandeling duikongeval in compressiefaciliteit |
+ |
+ |
De duur van de cursus is minimaal voor:
|
I |
25 lesuren + 3 praktijk uren |
|
II |
60 lesuren + praktijkstage |
3. Kwaliteitscontrole
Ter vernieuwing van het certificaat zijn nodig:
| I | minimaal tien keuringen per jaar en deelname aan minimaal een herhalingscursus per twee jaar; |
| II | continue ervaring op duikmedisch gebied en deelname aan en/of participatie in een cursus of congres. |
Bijlage XVII. behorend bij artikel 6.7
Met betrekking tot het arbeidsgezondheidskundig onderzoek van personen die duikarbeid, caissonarbeid, of overige arbeid onder overdruk verrichten:
Een persoon die wordt belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk:
| - | moet onbelemmerd zijn werkzaamheden onder overdruk kunnen uitvoeren, onder fysiek zware omstandigheden kunnen zwemmen/lopen, communiceren en de verantwoordelijkheid psychisch aankunnen; |
| - | mag zichzelf of een ander lid van het team niet in gevaar brengen door een medische aandoening bij werkzaamheden onder overdruk zoals bewustzijnsverlies, oriëntatieverlies of paniekaanval; |
| - | mag geen aandoening hebben die ten gevolge van arbeid onder overdruk kan verergeren; |
| - | mag geen aandoening hebben die aanleiding kan geven tot het ontstaan van een duikerziekte zoals decompressieziekte of barotrauma. |
De keuring voor aanvang van de arbeid onder overdruk dient door een duikerarts met het certificaat duikerarts B uitgevoerd te worden in een voldoende toegerust centrum om alle aspecten te kunnen onderzoeken. Periodieke keuringen kunnen ook door artsen met het certificaat duikerarts A worden uitgevoerd. Na een doorgemaakte duikerziekte - zoals decompressieziekte, luchtembolie of aandoening genoemd als absolute contra-indicatie dient het medisch onderzoek plaats te vinden door een duikerarts met het certificaat duikerarts B.
Ten minste dienen de volgende aspecten onderzocht te worden:
|
|
CI |
Onderzoek/Biometrie |
|
|
|
|
|
|
|
1 |
Infectieziekten |
|
|
|
|
- indien |
R |
|
|
|
onbehandeld |
|
|
|
2 |
Endocriene organen |
|
|
|
|
- diabetes mellitus |
A |
|
|
3 |
Psychische aandoeningen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Psychosyndromen en psychotische |
A |
|
|
|
toestandsbeelden |
|
|
|
|
- claustrofobie |
A |
|
|
4 |
Zenuwstelsel |
|
* baseline |
|
|
- episoden van bewustzijnsverlies, convulsies, |
|
neurologische status |
|
|
gezichtsverlies, verlies motoriek |
|
* visus |
|
|
en/of oriëntatie |
A |
|
|
|
- duizeligheid |
A |
|
|
|
- epilepsie |
A |
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
5 |
Tractus circulatorius |
|
* ergometrie |
|
|
- septumdefecten |
A |
|
|
|
- angina pectoris |
A |
|
|
|
- decompensatio |
A |
|
|
|
cordis |
|
|
|
|
- myocard infarct |
A |
|
|
|
- arrythmiën |
R |
|
|
|
- hypertensie |
R |
|
|
6 |
Tractus respiratorius |
|
* 1ste keuring : X-thorax |
|
|
- luchtembolie |
A |
* longfunctieonderzoek |
|
|
- CARA |
A |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
7 |
Tractus digestivus |
|
|
|
|
- hiatus herniae/abdominale hernia |
R |
|
|
|
- acute en/of chronische hepatitis of - |
A |
|
|
|
pancreatitis |
|
|
|
|
- haemorrhoiden |
R |
|
|
8 |
Tractus urogenitalis |
|
* urineonderzoek |
|
|
- aandoeningen met abnormale |
A |
|
|
|
nierfunctie |
|
|
|
9 |
Keel-Neus-Oor |
|
* toonaudiogram |
|
|
- chronische otitis media |
A |
|
|
|
- middenoor plastieken |
A |
|
|
|
- M. Ménière |
A |
|
|
|
- mastoiditis |
A |
|
|
|
- gebitstoestand (losse elementen) |
R |
|
|
10 |
Haematologie |
|
* volledig |
|
|
- thallassaemia major |
A |
bloedbeeld incl. Hb, |
|
|
|
|
Ht en leucocyten |
|
|
|
|
* glucose |
|
|
|
|
* sikkelcel |
|
|
|
|
uitsluiten op indicatie |
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
11 |
Overige aandoeningen |
|
|
|
|
- maligniteit |
R |
|
CI (contraindicatie): A = absoluut, R = relatief (meestal tot correctie)
Bijlage XVIII. behorend bij artikel 8.10
1. Verbodsborden
Intrinsieke kenmerken:
| - | rond; |
| - | zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn. De rode kleur beslaat ten minste 35% van het oppervlak van het bord. |
2. Waarschuwingsborden
Intrinsieke kenmerken:
| - | driehoekig; |
| - | zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord. |
3. Gebodsborden
Intrinsieke kenmerken:
| - | rond; |
| - | wit pictogram op blauwe achtergrond. De blauwe kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord |
4. Reddingsborden
Intrinsieke kenmerken:
| - | rechthoekig of vierkant; |
| - | wit pictogram op groene achtergrond. De groene kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord. |
5. Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal
Intrinsieke kenmerken:
| - | rechthoekig of vierkant; |
| - | wit pictogram op rode achtergrond. De rode kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord. |
Bijlage XIX. behorend bij artikel 8.26
Hand en armseinen
|
A. Algemene Gebaren |
||
|
Betekenis |
Beschrijving |
Illustratie |
|
BEGIN Pas op! Begin van commando |
Beide armen zijn horizontaal gestrekt met de handpalmen naar boven |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
STOP Onderbreking Einde van de beweging |
De rechterhand is opgeheven en de rechterhandpalm naar voren gehouden |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
EINDE Einde van de werkzaamheden |
Beide handen zijn ter hoogte van de borst samengevoegd |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
B. Verticale bewegingen |
||
|
Betekenis |
Beschrijving |
Illustratie |
|
HIJSEN |
Met de opgeheven rechterarm en naar voren gebrachte rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
VIEREN |
Met de naar beneden gerichte rechterarm en naar binnen gehouden rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
VERTICALE AFSTAND |
De afstand wordt met de handen aangegeven |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
C. Horizontale bewegingen |
||
|
Betekenis |
Beschrijving |
Illustratie |
|
VOORUIT |
Beide armen worden gebogen, palmen worden naar binnen gehouden en met de voorarmen worden trage bewegingen naar het lichaam toe gemaakt |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
ACHTERUIT |
Beide armen worden gebogen, beide handpalmen worden naar buiten gehouden, met de voorarmen worden trage beweging van het lichaam af gemaakt |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
NAAR RECHTS ten opzichte van de signaalgever |
Met de ongeveer horizontaal gestrekte rechterarm en de naar beneden gehouden rechterhandpalm worden trage, richting aanwijzende bewegingen gemaakt |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
NAAR LINKS ten opzichte van de signaalgever |
Met de ongeveer horizontaal gestrekte linkerarm en de naar beneden gehouden linkerhandpalm worden trage richtingaanwijzende bewegingen gemaakt |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
HORIZONTALE AFSTAND |
De afstand wordt met de handen aangegeven |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
D. Gevaar |
||
|
Betekenis |
Beschrijving |
Illustratie |
|
GEVAAR |
Beide handen opgeheven, handpalmen naar voren |
[ Illustratie Verwijderd ]
|
|
SNELLE BEWEGING |
De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de beweging worden zeer snel uitgevoerd |
|
|
TRAGE BEWEGING |
De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de bewegingen worden zeer langzaam uitgevoerd |
|
Voetnoten:
| 1 | µg/m3 |
| 2 | Als brandstof voor verbrandingsmotoren. Dit mengsel wordt als kankerverwekkend ingedeeld indien het benzeengehalte groter is dan 0,1%. |
| 3 | Definitie van hardhout volgens de International Agency for Research on Cancer (IARC) van hout op basis van botanische karakteristiek: hout van bedektzadigen = hardhout. |
| 4 | Respirabele vezels per cm3 lucht, TGG 8 uur. |
| 5 | µg/m3 |
| 6 | Per 1 maart 2008 is de grenswaarde 0,00012 mg/m3 |
| 7 | Voor respirabel stof. |
| 8 | Voor respirabel stof |
| 9 | Voor respirabel stof |
| 1 [10] |
Het VOS-gehalte is bepaald conform de methodiek ASTM – D 3960-96 voor gebruiksklare mengsels. |
| 2 [11] |
Het gemiddelde wordt bepaald door het VOSgehalte per laag te hanteren in de formule (a. L1 + b.L2)/ ( a + b) Dit gemiddelde is gelijk aan of minder dan 420 gram/liter spuitklaar product. Hierbij is L1 het VOS-gehalte van de basiskleurlaag en L2 het VOS-gehalte van de blanke lak, waarbij a en b staan voor de aangemaakte hoeveelheid in gram van resp. L1 en L2. De hoeveelheden hebben betrekking op spuitklare producten en géén van de lagen mag méér VOS bevatten dan 480 gr/liter. |
| 3 [12] |
Speciale producten zijn bedoeld voor speciale behandelingen (zoals bijvoorbeeld motorfietskleuren en speciale designkleuren waar inkten voor worden gebruikt die niet met een gewone basecoat gemaakt kunnen worden) en speciale toepassingen (bijvoorbeeld moeilijk hechtende ondergronden). Deze groep producten betreft ook additieven die worden toegevoegd aan bestaande producten om speciale effecten te realiseren zoals ruwheid, mattering, etc. Dit betekent dat producten waar deze specifieke additieven aan zijn toegevoegd het maximum gehalte aan VOS/liter van dat product kunnen overschrijden. Speciale reinigers (siliconen, lakverwijdering) zijn toegevoegd omdat zij niet onder de aangegeven spuitreinigers en oppervlaktereinigers vallen. De groep speciale producten bevat elastificeermiddelen, (ver)harders, versnellers/activeerders, vertragers, matteringsmiddelen, structuurmiddelen, effectmiddelen, antisiliconen, basisverf en inkt ten behoeve van speciale kleuren (design), matte lak, hechtprimer voor speciale kunststof- of metaalondergronden (waar geen gewone (wash)primer gebruikt kan worden), spuitbussen, uitspuitverdunning, kunststofreiniger, siliconenverwijderaar en lakverwijderaar. |
| 4 [13] |
4 Overige producten zijn: polijst- en poetsmiddelen, vulmiddelen, kitten, lijmen en plamuren. |
| (1) [14] |
Bij wijze van uitzondering mag de achtergrond van dit bord oranje zijn, als de kleur gerechtvaardigd is omdat er een soortgelijk bord bestaat voor het wegverkeer. |




