CAO Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN
EN WERKGELEGENHEID
BESLUIT VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN
WERKGELEGENHEID VAN 22 JUNI 2005 TOT WIJZIGING VAN
HET BESLUIT TOT VERBINDENDVERKLARING VAN
BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE
ARBEIDSOVEREENKOMST BEDRIJFSTAKEIGEN REGELINGEN
VOOR HET BOUWBEDRIJF
UAW Nr. 10334
Bijvoegsel Stcrt. d.d. 27-06-2005, nr. 121
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van Het Technisch Bureau Bouwnijverheid namens
partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende
tot algemeen verbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze
collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij(en) te ener zijde:
Bouwend Nederland, de Nederlandse Vereniging van Bouwondernemers
(NVB), de Vereniging van Waterbouwers in Bagger-, Kust-en Oeverwerken
(VBKO), de Ondernemersbond Bestratingsbedrijven (OBN), de
Aannemers Vereniging Metselwerken (AVM), de Vereniging Nederlandse
Voegbedrijven (VNV), de Bond van Aannemers van Tegelwerken
in Nederland (Bovatin), Het Hellende Dak (HHD), de Nederlandse Vereniging
van Kitverwerkende Bedrijven (NVK), het Verbond Ondernemers
Gespecialiseerde Aanneming (VOGA), de Vereniging van Steiger-,
Hoogwerk-en Betonbekistingbedrijven (VSB);
Partij(en) te anderer zijde:
FNV Bouw, de Hout-en Bouwbond CNV en de Vakvereniging Het
Zwarte Corps.
Naar aanleiding van dit verzoek zijn schriftelijke bedenkingen ingediend
door de Nederlandse Bond van Bemiddelings-en Uitzendondernemingen
(NBBU), mede namens de LBV als partijen bij de NBBU-CAO;
Deze bedenkingen kunnen als volgt worden samengevat:
Leden van de NBBU vallen reeds onder de werkingssfeer van de NBBU
CAO. Door het algemeen verbindend verklaren van artikel 2 lid 1 onder
b van de onderhavige CAO, kunnen werknemers die ter beschikking
worden gesteld aan een werkgever door een uitzendbureau dat voor
meer dan 50% van de loonsom uitzendt naar een werkgever in het bouwbedrijf
onder het onderhavig besluit tot algemeen verbindendverklaring
vallen, hetgeen volgens bedenkinghebbende een overlap van werkingssferen
oplevert. Bedenkinghebbende verzoekt derhalve om niet over te
gaan tot het algemeen verbindend verklaren van de daarvoor in aanmerking
komende CAO-bepalingen;
Overwegende ten aanzien van de bedenkingen,
In het huidige besluit is – alhoewel voor de duidelijkheid de complete
CAO-tekst ter visie is gelegd – verzocht om tussentijdse wijziging van
CAO-bepalingen. De werkingssfeer welke reeds algemeen verbindend is
verklaard tot en met 31 december 2005 maakt echter geen deel uit van
deze gewijzigde bepalingen, hetgeen ook uit het AVV-verzoek valt af te
leiden. De bedenkingen tegen de werkingssfeer missen daarom doel.
Overwegende ten overvloede,
Van een mogelijke overlap van werkingssferen zoals bedoeld in het
Toetsingskader AVV kan in het onderhavige geval geen sprake zijn
omdat geen sprake is van twee conflicterende AVV-besluiten.
Overwegende ten slotte,
Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat de bedenkingen
van de NBBU van dien aard zijn, dat zij algemeen verbindendverklaring
van de onderhavige CAO-bepalingen niet in de weg staan:
Dat het – alhoewel het om een tussentijdse wijziging van het AVVbesluit
gaat – in verband met de duidelijkheid, leesbaarheid en overzichtelijkheid
gewenst is de complete tekst van de algemeen verbindend verklaarde
CAO-bepalingen te publiceren.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend
en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Dictum I
Het besluit tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van de
collectieve arbeidsovereenkomst1) wordt met inachtneming van dicta II
en III als volgt gewijzigd:
1) Stcrt. 01-03-2004, nr. 41.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
A
De onder dictum II opgenomen bepalingen worden in haar geheel als
volgt gewijzigd:
HOOFDSTUK 1
DEFINITIES EN WERKINGSSFEER
Artikel 1
Definities
1. Onder ,,deze collectieve arbeidsovereenkomst’’ (nader ook genoemd
,,deze CAO’’) wordt verstaan de overeenkomst met de daarbij behorende
bijlagen en reglementen.
2. Onder ,,partijen’’ worden verstaan werkgevers-en werknemersorganisaties
die deze CAO hebben ondertekend.
3. Onder ,,werkgever’’ wordt verstaan elke natuurlijke of rechtspersoon
die in Nederland arbeid doet verrichten als bedoeld in artikel 2, alsmede
samenwerkingsverbanden, scholings-en werkervaringsverbanden
en ondernemingen in de zin van artikel 2 lid 5.
4. Onder ,,samenwerkingsverband’’ wordt verstaan een door werkgevers
opgerichte, regionaal werkende rechtspersoon welke voldoet
aan de voorwaarden zoals vastgesteld door Bouwradius (voorheen
SVB) of de Stichting SBW (SBW) en die ten doel heeft:
– met leerling/werknemers een praktijk-en arbeidsovereenkomst te
sluiten en daarbij als leerbedrijf overeenkomstig de Wet Educatie
en Beroepsonderwijs (WEB) op te treden, dan wel
– met personen een arbeidsovereenkomst te sluiten en daarmee de
mogelijkheid te bieden een beroepsopleiding te volgen conform
de richtlijnen van de WEB; het samenwerkingsverband treedt
daarbij op als leerbedrijf.
5. Onder ,,werknemer’’ wordt verstaan hij/zij die bij een werkgever als
bedoeld onder lid 3 van dit artikel in Nederland werkzaam is:
a. ingevolge een arbeidsovereenkomst;
b. ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk, tenzij hij/
zij zelf ondernemer is;
c. als hulp van de aannemer van werk onder b. bedoeld.
Niet als ,,werknemer’’ worden beschouwd:
d. uitvoerders, en zij die in hoofdzaak toezichthoudende of administratieve
functies vervullen;
e. tekenaars, constructeurs en andere technici, onder wie organisatorische
en arbeidstechnische medewerkers;
f. vertegenwoordigers, handelsreizigers en acquisiteurs;
g. schoonmakers en kantinepersoneel en andere personen die een
verzorgende functie (geen eigenlijke bedrijfsarbeid) uitoefenen;
h. degenen, die voor ondernemingen, die bedrijfsklare projecten
afleveren, andere arbeid verrichten dan arbeid bij de uitvoering,
de verbouwing of het onderhoud van bouwwerken;
i. coördinatoren in dienst van samenwerkingsverbanden;
j. wakers en portiers en degenen die soortgelijke arbeid verrichten;
k. vakantiewerkers en deelnemers aan de beroepspraktijkvorming
van de beroepsopleidende leerweg (voorheen practicanten).
Overstap werknemers UTA-CAO naar Bouw-CAO
De werkgever kan, indien in zijn bedrijf minder dan 5 werknemers
werkzaam zijn die tot de UTA-CAO behoren en indien deze werknemers
daar allen mee instemmen, deze werknemers eenmalig, met
behoud van functie en salarisschaal, onder de Bouw-CAO brengen.
6. Onder ,,jeugdige werknemer’’ wordt verstaan een werknemer bene-
den de leeftijd van 22 jaar.
7. a. Onder ,,vakvolwassen werknemer’’ wordt verstaan een werknemer
van 22 jaar of ouder.
b. Met ,,gehuwde werknemer’’ wordt gelijkgesteld de (on)gehuwde
werknemer die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert
met een andere (on)gehuwde en dit door middel van een notarieel
vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie
en/of door middel van een beschikking van de
belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt.
c. Met ,,echtgeno(o)t(e)’’ wordt gelijkgesteld de ongehuwde partner
waarmee een werknemer in de zin van deze CAO een gezamenlijke
huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgestelde
samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie en/of
door middel van een beschikking van de belastinginspecteur aan
de werkgever bekend heeft gemaakt.
d. Met ,,huwelijk’’ wordt gelijkgesteld het geregistreerde partnerschap.
8. a. Onder ,,werkplaatspersoneel’’ wordt verstaan:
de werknemers die uitsluitend werkzaam zijn in een werkplaats
welke op een vaste plaats – doch niet op of nabij een werkobject
– gevestigd dient te zijn en zodanig moet zijn ingericht dat de
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
werkzaamheden ook bij vorst en andere ongunstige weersomstandigheden
voortgang kunnen vinden.
b. Onder werknemers ,,Industriële Bouw’’ worden verstaan: de
werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen, welke overwegend
met gebruikmaking van grote fabrieksmatig vervaardigde
elementen van beton, steen of kunststof bouwwerken tot stand
brengen.
c. Onder werknemers ,,Zwarte Corps’’ worden verstaan: de werknemers
die als machinist de in de functielijst onder nummers 34
en 95 genoemde functies vervullen.
d. Onder werknemers ,,Heibedrijf’’ worden verstaan:
de werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen welke zich
bezighouden met het in de grond storten of indrijven respectievelijk
uittrekken van palen en damwanden en/of het uitvoeren
van drainerings-, grondverdichtings-en grondinjecteringswerken.
e. Onder werknemers ,,Kust-en Oeverwerken’’ worden verstaan:
de werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen welke zich
bezighouden met het aanleggen en onderhouden van dijken,
strandhoofden en dergelijke.
f. Onder werknemers ,,Grondborings-en Buizenleggersbedrijf’’
worden verstaan:
de werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen welke zich
bezighouden met de uitvoering van werkzaamheden op het gebied
van grondboringen, pompputten, sonderingen, bronbemalingen,
regeninstallaties, het leggen van buisleidingen en het maken
van zinkers en doorpersingen.
g. Onder werknemers ,,steigerbouw’’ worden verstaan: de werknemers
die in dienst zijn bij ondernemingen welke zich bezighouden
met het transporteren, monteren/construeren en demonteren
van steigerelementen.
9. a. Onder het ,,geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken’’
wordt verstaan:
het geheel of gedeeltelijk uitvoeren met alle daartoe dienstige
materialen en werkwijzen van werken op het gebied van de Burgerlijke
en Utiliteitsbouw, Grond-, Water-, Spoor-en Wegenbouw,
het Straatmakersbedrijf, het Heibedrijf, de Kust-en Oeverwerken
en het Grondborings-en Buizenleggersbedrijf, alsmede
werken die naar hun aard tot het bouwbedrijf moeten worden
gerekend.
b. Onder ,,bouwwerken’’ zoals hiervoor bedoeld, worden verstaan
respectievelijk daarmee gelijkgesteld: woningen, gebruiks-of
bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige
aard, ovenbouw en schoorsteenbouw, voor zover geen onderdeel
van isolatiewerkzaamheden, alle dakbedekkingen niet zijnde bitumineuze
of van aluminium, kunststof, zink, lood of koper, egalisatie
van terreinen, bouwrijp maken, funderingen, steigerbouw,
grondwerken anders dan van agrarische aard alsmede cultuurtechnische
werkzaamheden die geen direct verband houden met
de uitoefening van het agrarisch bedrijf, danwel het hoveniersbedrijf,
riolerings-en kabelnetten, grondborings-, bronbemalings-,
sondeer-en buizenlegwerken, zinkers, doorpersingen en
regeninstallaties, kust-en oeverwerken, hei-en funderingswerkzaamheden,
spoorwerken, waterbouwkundige kunstwerken,
bouwkundige voorzieningen voor land-, water-en luchtverkeer,
sloopwerken, wegenbouw en bestratingswerkzaamheden.
c. Elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding
van de bouw worden mede tot het uitvoeren gerekend,
indien zij worden verricht door de onderneming die het bouwwerk
op de bouwplaats tot stand brengt.
10. Onder ,,productie voor derden’’ wordt mede verstaan: dienstverlening
aan derden;
voorts ook het bouwen voor eigen rekening met het doel het gebouwde
aan derden te verkopen, of te verhuren, of op andere wijze
ter beschikking te stellen. Het bouwen van woningen enzovoorts
voor eigen personeelsleden wordt als bouwen in eigen beheer (artikel
2 lid 3) aangemerkt.
11. Met ondernemingen die bouwwerken uitvoeren, worden gelijkgesteld:
verenigingen ten algemene nutte, voor zover zij civieltechnische
werken uitvoeren.
13. Onder ,,voorman’’ wordt verstaan:
de werknemer die leiding geeft aan tenminste 5 werknemers.
14. Onder ,,infrastructurele werken’’ wordt verstaan:
wegen, spoorwegen en riolerings-en kabelnetten.
17. Onder ,,SFB’’ wordt verstaan:
de relevante werkmaatschappij(en) van de SFB Groep.
26. Onder ,,uitzendbureau’’ wordt verstaan:
de werkgever als bedoeld in artikel 7 : 690 BW.
27. Onder ,,uitzendwerknemer’’ wordt verstaan:
de werknemer als bedoeld in artikel 7 : 690 BW.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
28. Onder ,,vakantiewaarde’’ wordt verstaan:
het ten gunste van een werknemer bij het Vakantiefonds in diens
tegoed geboekte geldbedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging
van het voor die werknemer geldende vakantiewaardepercentage
met het loon.
Artikel 1a
Buitenlandse werknemers
Artikel 1b
Werken in het buitenland
In afwijking van artikel 1 lid 5 kan de CAO op basis van vrijwilligheid
van toepassing blijven gedurende de periode dat werkzaamheden van tijdelijke
aard in het buitenland plaatsvinden. Voorwaarde is dat de Nederlandse
sociale verzekeringswetten van toepassing zijn gebleven. Met uitzondering
van de bepalingen van het Risicofonds blijven alle overige
CAO-bepalingen van kracht.
Artikel 1c
Werken in België
In afwijking van artikel 1 lid 5 zijn de bepalingen van deze CAO van
toepassing op in Nederland gevestigde werknemers die in dienst van een
Nederlandse werkgever tijdelijk in België werken. Voor zover een algemeen
verbindend verklaarde CAO of wet van toepassing is in België,
geldt deze hierbij als minimum. Nederlandse werknemers die in België
werkzaam zijn ontvangen een toeslag van 9% boven het laagste garantieloon.
De werkzaamheden worden als tijdelijk beschouwd zolang de
Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is.
Artikel 1d
Werken in Duitsland
In afwijking van artikel 1 lid 5 zijn de bepalingen van deze CAO voor
zover het betreft het Vakantiefonds, van toepassing op in Nederland
gevestigde werknemers die in dienst van een Nederlandse werkgever tijdelijk
in Duitsland werken. De werkzaamheden worden als tijdelijk
beschouwd zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van
toepassing is.
Artikel 1e
Werken in Frankrijk
In afwijking van artikel 1 lid 5 zijn de bepalingen van deze CAO voor
zover het betreft het Vakantiefonds, van toepassing op in Nederland
gevestigde werknemers die in dienst van een Nederlandse werkgever tijdelijk
in Frankrijk werken. De werkzaamheden worden als tijdelijk
beschouwd zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van
toepassing is.
Artikel 2
Werkingssfeer
1. Bouwbedrijven
De bepalingen van deze CAO zijn – met inachtneming van de definities
genoemd in artikel 1 en van de beperkingen omschreven in lid 4 van dit
artikel – van toepassing op:
A. alle werknemers, die in dienst zijn bij ondernemingen, waarvan het
bedrijf is gericht op productie voor derden op het gebied van:
a. het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken;
b. het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan bouwwerken
en het herstellen, bekleden, conserveren en verfraaien
van deuren;
c. het uitvoeren op bouwplaatsen van onderdelen van bouwwerken
(respectievelijk verbouwingen of onderhoudswerk); het elders
vervaardigen van deze onderdelen wordt hiermee gelijkgesteld,
indien de onderneming, die de onderdelen vervaardigt, tevens
zorgdraagt voor de verwerking daarvan in het bouwwerk;
d. het verlenen van diensten op bouwplaatsen;
e. het tot stand brengen van bedrijfsklare projecten indien de totstandkoming
daarvan mede uitvoering van een of meer bouwwerken
omvat;
f. het slopen van bouwwerken;
g. het verrichten van grondwerken in relatie tot het uitvoeren van
bouwwerkzaamheden voor zover betrekking hebbend op grondverzetwerkzaamheden
ten behoeve van de in dit artikel onder lid
1 sub a. tot en met f. en h. genoemde werkzaamheden;
h. het verhuren van machines met bedienend personeel voor het
verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van werken als
onder a. tot en met g. genoemd;
i. asfaltproductie;
j. het aanbrengen van wegmarkeringen;
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
k. betonreparatie van constructieve aard en betoninjectering;
l. het afgraven van verontreinigde grond;
m. droge zandwinning;
n. het inspecteren, renoveren en reinigen van riolen, met uitzondering
van huis-en bedrijfsrioleringen (loodgieterswerkzaamheden);
o. het opbouwen en/of plaatsen van verplaatsbare verblijfsruimten
(units bedoeld voor tijdelijke behuizing), voorzover het plaatsen
gemeten naar de loonsom niet slechts een uitvloeisel is van de
fabricage van deze verblijfsruimten;
p. het verrichten van civieltechnische werkzaamheden;
q. asbestverwijdering aan of op bouwwerken, met uitzondering van
asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen,
herstellen, bekleden afwerken en/of onderhouden van
isolerend materialen.
B. a. alle uitzendwerknemers die ter beschikking worden gesteld aan
een werkgever door een uitzendbureau dat voor meer dan 50%
van de loonsom uitzendt naar werkgevers als bedoeld in artikel
1 lid 3, met uitzondering van uitzendbureaus die op 1 januari
2002 lid zijn van de ABU of voldoen aan de volgende cumulatieve
vereisten:
– De bedrijfsactiviteiten van de uitzendonderneming bestaan
uitsluitend uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten
als bedoeld in artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek, én
– De arbeidskrachten (uitzendkrachten) van die werkgever zijn
voor tenminste 25% van de loonsom, of althans van het in de
desbetreffende CAO gehanteerde relevante kwantitatieve criterium
(zoals arbeidsuren), betrokken bij werkzaamheden uitgeoefend
in enige andere tak van bedrijf dan in de werkingssfeer
van die andere CAO omschreven, én
– De werkgever zendt voor tenminste 15% van het totale premieplichtig
loon op jaarbasis uit op basis van uitzendovereenkomsten
met uitzendbeding als bedoeld in artikel
7:691 lid 2 Burgerlijk Wetboek, zoals nader gedefinieerd in
artikel 1, lid 1 en 2, en artikel 2 van het Besluit Indeling
Uitzendbedrijven van het LISV d.d. 6 oktober 1999, gepubliceerd
in de Staatscourant nummer 49 van 9 maart 2000.
Zodra dit besluit in werking treedt, geldt alsdan dat de
uitzendonderneming aan dit criterium heeft voldaan indien en
voorzover dit door de uitvoeringsinstelling dan wel het LISV
is vastgesteld, én
– De uitzendonderneming is geen onderdeel van een concern
dat rechtstreeks of door algemeen verbindend verklaring gebonden
is aan de desbetreffende andere CAO, én
– De uitzendonderneming is geen paritair afgesproken arbeidspool.
b. alle werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen die voor
meer dan 50% van de loonsom personeel ter beschikking stellen
aan ondernemingen als bedoeld in artikel 1 lid 3.
2. Samengestelde ondernemingen
Indien een onderneming, naast het bouwbedrijf als bedoeld in lid 1,
tevens een ander bedrijf (andere productie voor derden) uitoefent, geldt
voor de toepasselijkheid van deze CAO het volgende.
a. Indien elk bedrijf in een afzonderlijke afdeling wordt uitgeoefend, is
deze CAO van toepassing ten aanzien van alle werknemers in de
afdeling bouwbedrijf.
b. Indien in een afzonderlijke afdeling zowel het bouwbedrijf als een
ander bedrijf wordt uitgeoefend en de productie van het bouwbedrijf
overweegt, geldt deze CAO voor alle werknemers van deze afdeling.
c. Indien er geen afzonderlijke afdelingen zijn en de productie van het
bouwbedrijf overweegt, geldt deze CAO voor alle werknemers van
de onderneming.
Afzonderlijke afdelingen worden aanwezig geacht indien iedere bedrijfsuitoefening
feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. De overwegende
productie wordt bepaald door vergelijking van de in elke productie
verloonde bedragen.
3. Bouwen in eigen beheer
De bepalingen van deze CAO vinden voorts toepassing ten aanzien van:
a. werkgevers, die bouwwerken of verbouwingen in eigen beheer doen
uitvoeren met het doel het gebouwde voor zichzelf of voor de eigen
onderneming in gebruik te nemen, dan wel ter beschikking van personeelsleden
te stellen;
b. werkgevers, die verbouwingen en onderhoudswerken in eigen beheer
doen uitvoeren aan gebouwen, die zij in eigendom bezitten of in
beheer hebben.
In de hier bedoelde gevallen is deze CAO van toepassing ten aanzien
van de werknemers, die bij de uitvoering, de verbouwing of het onderhoud
van bouwwerken arbeid verrichten, met uitzondering van degenen
waarop een andere collectieve arbeidsovereenkomst of loonregeling van
toepassing is.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
4. Ondernemingen (nevenbedrijven werkzaam op bouwplaatsen)
waarop deze overeenkomst niet van toepassing is
A. Niet als bouwbedrijf in de zin van lid 1 van dit artikel worden
beschouwd ondernemingen waarvan het bedrijf is gericht op productie
(respectievelijk dienstverlening) voor derden op het gebied van:
1. baggerwerken;
2. betonmortel en betonmorteltransport;
3. betonwaren;
4. bitumineuze en kunststof dakbedekkingen;
5. natuursteen;
6. parketvloeren;
7. schilderen en afwerken;
8. steen, houtgraniet en kunststeen;
9. stukadoors-, terazzowerken en vloerenbedrijven
10. staalskeletbouw en het uitvoeren van werken (bruggen enzovoorts)
geheel of nagenoeg geheel in staal;
11. fabrieksmatig timmerwerk;
12. interieurbetimmeringen;
13. loodgieters-en fittersbedrijf;
14. centrale verwarmingsinstallaties;
15. het maken van elektrotechnische verbindingen tussen kabels van
kabelnetten;
16. het verhuren van mobiele kranen.
B. Ten aanzien van ondernemingen met een afzonderlijke ondernemings-
CAO geldt de CAO slechts indien en voor zover het betreft de toe-
passing van lid 3 (bouwen in eigen beheer).
Artikel 5
Plaatselijk overleg en bemiddeling
3. Indien door één of meer werkgevers dan wel door één of meer werknemers
de bepalingen van deze CAO niet in acht worden genomen,
tengevolge waarvan tussen één of meer werkgevers en één of meer
werknemers een geschil ontstaat of dreigt te ontstaan zullen de plaatselijke
besturen dan wel de regionale of indien aanwezig de plaatselijke
commissies door hun/haar bemiddeling een minnelijke oplossing
van het geschil of dreigend geschil tussen de betrokken
werkgever(s) en werknemer(s) bevorderen.
HOOFDSTUK 2
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 6
Sociale Fondsen en premieverplichtingen
1. Naast de bepalingen van de in deze CAO opgenomen:
– Statuten en het Vakantiereglement van de Stichting Vakantiefonds
voor het Bouwbedrijf, hierna ook te noemen het Vakantiefonds;
– Statuten en reglementen van de stichting Risicofonds voor het
Bouwbedrijf, hierna ook te noemen het Risicofonds;
– Statuten en het Financieringsreglement van de stichting
Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor het Bouwbedrijf, hierna
ook te noemen het O&O-fonds;
– Statuten en de reglementen van de stichting Aanvullingsfonds
Bouwbedrijf, hierna ook te noemen het Aanvullingsfonds;
– Statuten en het Reglement van de Stichting Scholingsfonds voor
het Bouwbedrijf, hierna ook te noemen het Scholingsfonds;
binden ook de nadere uitvoeringsvoorschriften van organisatorische
aard, welke door de besturen van genoemde stichtingen worden
gegeven binnen het kader en de doelstellingen van hun statuten en
reglementen, werkgevers en werknemers alsof die bepalingen in
deze Cao waren opgenomen.
2. Krachtens de bepalingen van de in lid 1 genoemde reglementen is de
werkgever gehouden voor iedere dag waarop de werknemer in zijn
dienst betaalde arbeid verricht jegens hem gehouden tot het storten
van de bijdragen en premies onder nader door partijen voor te schrijven
voorwaarden. Deze verplichtingen gelden ook indien over een
dag waarop niet of slechts gedeeltelijk is gewerkt loon en/of uitkering
vorstverlet is betaald. Deze verplichtingen rusten niet op de
werkgever over zaterdagen en zondagen, tenzij de op zaterdag en
zondag verrichte arbeid betrekking heeft werkzaamheden op buiten
de volgende grenzen vallende uren waarbij de normale arbeidsduur
niet wordt overschreden. De arbeid wordt – behoudens Kust-en
Oeverwerk verricht tussen 07.00 uur en 18.00 uur. Voor Kust-en
Oeverwerken valt de arbeidstijd tussen 06.00 uur en 18.00 uur. Bij
ploegendienst, tijwerk of bij vernieuwing of reparatie en onderhoud
van infrastructurele werken kan hiervan worden afgeweken.
Tot de normale arbeidsduur worden eveneens gerekend de vrije uren,
wanneer de werknemer gebruik maakt van de overwerkregeling tijdens
verschoven werktijden GWW.
3. a. In het geval, dat een werknemer wegens (gedeeltelijke) arbeids
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
ongeschiktheid in de zin van de AAW/WAO minder dan het aantal
uren genoemd in artikel 15 lid 2 werkt, is de werkgever ten
aanzien van deze werknemer aan de in lid 1 genoemde fondsen
bijdragen en premies verschuldigd waarvan de hoogte dient te
zijn afgestemd op het vast overeengekomen uurloon. Ingeval een
prestatiebevorderend systeem zoals bedoeld in artikel 21 lid 2
van toepassing is, dient het vastovereengekomen loon te worden
vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie gedurende de
betalingsperiode.
b. In het geval, dat een werknemer wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid
in de zin van de AAW/WAO wel het aantal uren
genoemd in artikel 15 lid 2 werkt, maar als gevolg van een handicap
tegen een lager uurloon, dient ten behoeve van de bijdrage
en premieverplichtingen dat uurloon te worden verhoogd tot het
uurloon dat overeenkomt met hetgeen de werknemer in hetzelfde
beroep zou hebben verdiend bij volledige arbeidsgeschiktheid.
Voorts dient het aantal gewerkte uren te worden verlaagd naar de
mate van arbeidsgeschiktheid.
Bij samenloop van premievrije pensioenopbouw uit hoofde van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW/WAO en pensioenopbouw
uit hoofde van werkzaamheden als hier bedoeld is de werkgever
geen hogere bijdrage-en premieverplichtingen verschuldigd
dan als in dit artikellid omschreven.
4. a. Geen premie aan het Risicofonds is verschuldigd voor:
– werknemers in de industriële bouw, voor zover niet mede
werkzaam op de bouwplaatsen;
– werkplaatspersoneel als bedoeld in artikel 1 lid 8;
– werknemers in de grondboorbedrijven, die belast zijn met de
uitvoering van sondeerwerkzaamheden;
– werknemers, die belast zijn met de uitvoering van wegmarkeringswerkzaamheden
(zie de nummers 14, 57 en 82 van de
functielijst opgenomen in Aanhangsel D);
– directeuren van vennootschappen/rechtspersonen, ook al verrichten
zij werkzaamheden die door werknemers vallende
onder deze CAO doorgaans worden verricht.
b. Geen bijdrage aan het Vakantiefonds is verschuldigd voor directeuren
van vennootschappen/ rechtspersonen, ook al verrichten
zij werkzaamheden die door werknemers vallend onder deze
CAO doorgaans worden verricht.
Artikel 7
Bijdrage en premiebetalingen
1. a. De werkgever betaalt hetgeen hij ten aanzien van een bij hem in
dienst zijnde werknemer is verschuldigd aan de in artikel 6 lid 1
genoemde fondsen, aan het SFB, het uitvoeringsorgaan van bedoelde
fondsen.
b. De werkgever dient per loonbetalingstijdvak, doch tenminste 1
maal per maand, de uit lid 1a voortvloeiende door hem verschuldigde
bijdragen en premies aan het SFB te betalen, onder gelijktijdige
verstrekking van alle gegevens, benodigd voor rechtenbijboeking
van de individuele werknemer. Deze betaling en
verstrekking van gegevens dient binnen 14 dagen na afloop van
elk hiervoor bedoelde loonbetalingstijdvak te geschieden.
c. De uit lid 1.a voortvloeiende verschuldigde premies en bijdragen
dienen te worden vastgesteld aan de hand van een door het SFB
aan de werkgever te verstrekken overzicht.
2. a. Het SFB verstrekt aan de werknemer minimaal 6 maal per jaar
een overzicht van de door zijn werkgever op zijn naam betaalde
bijdragen en premies, alsmede van het totaal van zijn tegoed bij
het Vakantiefonds en de door hem in het betreffende rechtjaar
opgebouwde rechten bij het Pensioenfonds. Een extra overzicht
zal worden toegezonden indien er, in verband met terugkoppeling
vorstverletgegevens in een winter, tussen de verzending van de
reguliere overzichten een te grote tijdspanne ligt.
b. Indien door de werkgever geen bijdragen en premies als bedoeld
in lid 1b van dit artikel voor een bij hem in dienst zijnde werknemer
worden gestort, ontvangt de betreffende werknemer, indien
sprake is van 10 weken of meer achterstand, daarvan melding.
3. Het bestuur van het Vakantiefonds stelt nadere voorschriften vast
over de wijze waarop de werknemer over zijn tegoed kan beschikken
en stelt de werknemer daarvan schriftelijk op de hoogte.
Indien sprake is van een situatie als gesteld onder lid 2.b. kan een
werknemer onder door het bestuur van het Vakantiefonds vastgestelde
voorwaarden alsdan een beroep doen op een garantieregeling
zoals opgenomen in aanhangsel C met dien verstande dat onder die
regeling per dienstverband per rechtjaar maximaal over 8 weken kan
worden uitgekeerd.
Artikel 8
Invordering en sanctionering
1. a. Indien de werkgever zijn bijdrage-en premieverplichtingen je
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
gens de in artikel 6 lid 1 genoemde fondsen niet nakomt, hebben
deze fondsen een zelfstandig recht op invordering jegens de
werkgever.
b. Indien een werkgever niet voldoet aan zijn verplichtingen jegens
de werknemer met betrekking tot de voorgeschreven vakantiewaarde
aan het Vakantiefonds, kan uitsluitend desbetreffende
werknemer, diens gemachtigde of de vakorganisatie, waarvan de
werknemer lid is, de werkgever na voorafgaande sommatie, in
rechte nakoming vorderen van de verplichting onmiddellijk de
verschuldigde vakantiewaarde aan het Vakantiefonds te voldoen.
2. Achterstand in het nakomen door de werkgever ten aanzien van de
in dit artikel neergelegde verplichtingen kan voor de werknemer een
dringende reden opleveren, als bedoeld in artikel 7: 679 BW, tot
onmiddellijke beëindiging van de dienstbetrekking.
3. De besturen van de in artikel 6 lid 1 genoemde fondsen hebben, in
onderlinge afstemming, in de aldaar genoemde reglementen voorschriften
opgenomen tot het treffen van sancties in geval door een
werkgever geen premies en bijdragen als bedoeld in lid 1 en 2 van
dit artikel voor een bij hem in dienst zijnde werknemer worden
gestort.
HOOFDSTUK 3
STATUTEN EN REGLEMENTEN BEDRIJFSTAKEIGEN
REGELINGEN
STATUTEN VAKANTIEFONDS
Artikel 1
Naam en zetel
1. De stichting draagt de naam ,,Stichting Vakantiefonds voor het
Bouwbedrijf’’.
2. De stichting is gevestigd te Hoofddorp.
3. De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
Artikel 2
Definities
In deze statuten wordt verstaan onder:
a. Vakantiefonds: de in artikel 1 genoemde stichting, waarin wordt
deelgenomen door de werkgevers en de werknemers op wie deze
CAO van toepassing is.
b. Deze CAO: de CAO Bedrijfstakeigen regelingen voor het Bouwbedrijf.
c. Werkgever: de werkgever in de zin van deze CAO.
d. Werknemer: de werknemer in de zin van deze CAO.
e. Bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 5 van de statuten.
f. Reglement: een reglement als bedoeld in artikel 8 van de statuten.
g. CAO-Regelingen: SFB CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam.
Artikel 3
Doel
Het Vakantiefonds heeft ten doel: in overeenstemming met de desbetreffende
bepalingen in de statuten en overeenkomstig bij reglement vastgestelde
bepalingen, aan werknemers die onder deze CAO vallen vergoeding
te verschaffen wegens loonderving bij vakantiedagen en algemeen
erkende feestdagen en daarmee bij deze CAO gelijkgestelde dagen,
vakantietoeslag alsmede:
– aanvullende uitkeringen te verstrekken aan werknemers die als gevolg
van het volgen van een omscholings-of herscholingscursus, of
het afleggen van een examen voor een dergelijke cursus, vakantiewaarden
derven;
– vergoeding te verstrekken aan werkgevers ingeval zij loonkosten
maken wegens de doorbetalingsverplichting van extra verlofdagen
waarop werknemers van 55 jaar en ouder recht hebben, zoals geregeld
in artikel 9 van het reglement van de Stichting Vakantiefonds
voor het Bouwbedrijf, onderdeel van deze CAO
– Bij bedrijfssluiting als gevolg van vakantie de jeugdige werknemer
met een leer-/arbeidsovereenkomst of praktijken arbeidsovereenkomst
die na het verlaten van een school niet kan beschikken over
voldoende vakantiewaarde een loondervingsuitkering te verschaffen,
indien de werknemer tenminste 5 weken heeft gewerkt direct voorafgaande
aan de bedrijfssluiting.
Artikel 4
Middelen
1. Ter uitvoering van het doel worden de door partijen bij deze CAO
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
vast te stellen bedragen voor de opbouw van vakantiewaarden al dan
niet verhoogd met een opslag voor administratiekosten door de
werkgever aan het Vakantiefonds betaald.
2. Indien in enig boekjaar de opbrengst van de in het vorige lid
bedoelde middelen groter is dan het totaal van de uitgaven van het
Vakantiefonds dan wordt het overschot ten gunste van het volgende
boekjaar gebracht.
3. Indien in enig boekjaar de opbrengst van de in het eerste lid van dit
artikel bedoelde middelen kleiner is dan het totaal van de uitgaven
van het Vakantiefonds dan wordt het nadelig verschil ten laste van
het volgende boekjaar gebracht.
4. Bij de jaarlijkse vaststelling van de in het eerste lid bedoelde bedragen
bestemd voor de opbouw van de vakantiewaarden wordt rekening
gehouden met het saldo van het Vakantiefonds zoals dat blijkt
uit de laatstelijk vastgestelde balans.
5. De geldmiddelen van het Vakantiefonds bestaan uit:
a. Het stichtingskapitaal.
b. De bijdragen die ter uitvoering van het doel van het fonds jaarlijks
door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als
nader bij reglement(en) is bepaald.
c. Renten.
d. Eventuele overheidssubsidies.
e. Geldleningen.
f. Eventuele andere baten.
6. De werkgever is ten aanzien van zijn werknemer over elke dag,
waarover loon wordt ontvangen, een bijdrage aan het fonds verschuldigd
zoals nader is aangegeven in het reglement.
Artikel 5
Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien leden, te weten vijf
werkgeversleden en vijf werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door de vereniging AVBB.
Drie werknemersleden worden benoemd door de vereniging FNV
Bouw en twee werknemersleden door de Houten Bouwbond CNV.
3. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
Het bestuur benoemt uit zijn midden twee secretarissen: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
4. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar
als voorzitter en als tweede voorzitter op.
Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert
als secretaris de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.
5. Voor de verdeling van de bestuurszetels voor de werknemersorganisaties
geldt een kiesdeler.
De kiesdeler wordt bepaald door het aantal actieve leden van de
werknemersorganisatie(s) die betrokken zijn bij het fonds, te delen
door 7. Na normale afronding volgt hieruit het aantal bestuursleden
per organisatie. Als werknemersorganisaties worden beschouwd partijen
betrokken bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van de
bouwnijverheid.
De stand per 1 juli van enig jaar is bepalend voor de zetelverdeling
in het daaropvolgende jaar.
Na schriftelijk verzoek van tenminste één van de werknemersorganisaties
stelt het bestuur de kiesdeler opnieuw vast.
Het totaal aantal werknemerszetels is 5.
6. De werkgeversbestuursleden worden benoemd voor een periode van
drie jaar en zijn herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van
aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden
afgeweken.
7. Aftredende werknemersbestuursleden komen voor herbenoeming in
aanmerking. Voor werkgeversbestuursleden geldt bovenstaande.
8. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
9. De organisatie die een bestuurslid benoemt, kan te allen tijde die
benoeming intrekken en in plaats daarvan een ander tot bestuurslid
benoemen.
Artikel 6
Bestuursvergaderingen
1. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele
bijlagen door het Technisch Bureau Bouwnijverheid te Hoofddorp
voor de vergadering aan de leden toegezonden. Stukken en
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
voorstellen die zijn ingekomen nadat de agenda is verzonden, kunnen
alleen in behandeling worden genomen, indien hiertoe met volstrekte
meerderheid van stemmen besloten wordt.
2. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen
waarin geen twijfel mogelijk is, door de voorzitter en de secretaris
voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de
eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden
voorgedragen.
3. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden
genomen, als niet tenminste zes bestuursleden aanwezig zijn, waarvan
tenminste twee werkgeversleden en tenminste twee werknemersleden.
4. Indien in een vergadering van het bestuur meer werkgeversleden
aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen
de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel
stemmen uit als de andere groep leden.
5. Over zaken wordt bij voorkeur mondeling en over personen schriftelijk
gestemd.
6. Alle besluiten worden, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel
14 van deze statuten, genomen met een volstrekte meerderheid van
stemmen.
7. Indien de stemmen staken wordt de beslissing tot de volgende vergadering
uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen
staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen zo het een stemming
over zaken betreft en zal, indien het een stemming over personen
betreft, het lot beslissen.
8. Een gewone meerderheid binnen de werkgevers-of werknemersgeleding
bepaalt het standpunt van die geleding.
9. Leden van het bestuur van het Technisch Bureau Bouwnijverheid
zijn gerechtigd bij bestuursvergaderingen aanwezig te zijn.
Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens
de bestuursvergaderingen.
Artikel 7
Bestuursbevoegdheden en vertegenwoordiging
1. Het bestuur is belast met het besturen van de zaken van de stichting,
het beheer van haar vermogen, alsmede het innen van de gelden en
het doen van uitkeringen. Het bestuur is bevoegd, met inachtneming
van het in deze statuten bepaalde, tot alle rechtshandelingen met
name ook tot het sluiten van die overeenkomsten, waarvoor het regelend
recht een beperking kent.
2. Het bestuur beslist in alle zaken waarin de beslissing niet is opgedragen
of gedelegeerd aan andere organen van de stichting.
3. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het
bestuur alsmede door de fungerend voorzitter en fungerend secretaris
gezamenlijk.
Artikel 8
Reglementen
1. Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer
uitvoeringsreglementen en een huishoudelijk reglement vaststellen.
2. De reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn
met deze statuten.
Artikel 9
Mandaat
1. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden mandateren
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid dan wel aan CAO-
Regelingen en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn
midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies
toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te
stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q CAO-Regelingen.
De gemandateerde bevoegdheden worden door de commissies dan
wel het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q. CAO-Regelingen uitgeoefend
onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
2. Het administratief en geldelijk beheer wordt onder verantwoordelijkheid
van het bestuur uitgevoerd.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 10
Secretariaat
Het bestuur laat zich bij het uitvoeren van haar taak terzijde staan door
het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
Artikel 11
Besteding van middelen
De geldswaarde van de opgebouwde vakantiewaarden wordt – al dan
niet onder inhouding van een bij reglement vast te stellen bijdrage voor
administratiekosten – aan de werknemer uitbetaald. De beleggingen zullen
door het bestuur op een zodanige wijze geschieden, dat
a. Een redelijke spreiding naar aard en risico van de bezittingen en interesses
wordt verkregen
b. Een optimaal rendement wordt verkregen
c. Geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen
Artikel 12
Begroting
1. Uiterlijk in de maand januari worden de begrotingen van inkomsten
en van uitgaven voor het lopende boekjaar vastgesteld.
2. De begroting is ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3
van de statuten omschreven bestedingsdoelen.
3. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van
de bestuursleden benoemende organisaties, als bedoeld in artikel 5
lid 2.
4. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar
voor alle bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers.
Artikel 13
Jaarverslag, rekening en verantwoording
1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Het bestuur van de stichting stelt jaarlijks een verslag op, dat een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen
van de stichting aan het einde van het boekjaar en van de ontwikkeling
daarvan gedurende het boekjaar, en dat is gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 3 van de statuten omschreven bestedingsdoelen;
via dit verslag legt het bestuur rekenschap van het
gevoerde beleid af aan de bestuursleden benoemende organisaties als
bedoeld in artikel 5 lid 2.
3. Dit verslag moet zijn gecontroleerd door een externe door het bestuur
te benoemen registeraccountant of accountant-administratieconsulent
met certificerende bevoegdheid.
4. Dit verslag wordt, voorzien van de goedkeurende verklaring van de
registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid, ter inzage van de bij de stichting betrokken
werkgevers en werknemers neergelegd:
a. Ten kantore van het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
b. Op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
5. Het verslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan de
werkgevers-en werknemersorganisaties en op aanvraag aan de bij de
stichting betrokken werkgevers en werknemers.
6. Het verslag en de goedkeurende accountantsverklaring worden binnen
zes maanden na het verstrijken van het boekjaar in drievoud
gezonden naar het Centraal Kantoor van de Arbeidsinspectie. Uit
deze stukken moet blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3
omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
Artikel 14
Statutenwijziging
1. Het bestuur is bevoegd tot wijziging van de statuten.
2. Tot wijziging van de statuten kan door het bestuur worden besloten
in een speciaal daartoe uitgeschreven vergadering.
3. Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts genomen worden,
wanneer tenminste twee/derde gedeelte van het aantal
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
werkgeversbestuursleden, en tenminste twee/derde gedeelte van het
aantal werknemersbestuursleden zich voor die statutenwijziging verklaren.
Een besluit tot vaststelling of wijziging van de statuten wordt eerst
van kracht nadat de bestuursleden benoemende organisaties als bedoeld
in artikel 5 lid 2 hiervan op de hoogte zijn gebracht en hieraan
hun goedkeuring hebben verleend. In verband met de voortgang
van het proces wordt het uitblijven van een reactie binnen 6 maanden
beschouwd als een instemmende reactie.
4. De wijziging van de statuten moet bij notariële akte tot stand komen.
5. De reglementen, alsmede de in deze statuten en in de reglementen
aangebrachte wijzigingen, treden niet in werking alvorens een volledig
exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen
daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is
neergelegd ter Griffie van het Kantongerecht binnen welks ressort de
stichting is gevestigd.
Artikel 15
Ontbinding en liquidatie
1. Zowel het AVBB als FNV Bouw met de Hout-en Bouwbond CNV
gezamenlijk, kunnen de stichting ontbinden door in een aangetekend
schrijven aan het bestuur mede te delen dat zij hun medewerking in
de stichting beëindigen. Nadat twee jaar sinds bedoelde kennisgeving
is verstreken, is de stichting van rechtswege ontbonden.
2. Het bestuur is dan belast met de liquidatie en geeft een bestemming
aan het batig saldo van de stichting.
Artikel 16
Slotbepaling
In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de
stichting is voorzien beslist het bestuur.
REGLEMENT VAKANTIEFONDS
DEEL I
BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het Vakantiefonds:
de Stichting Vakantiefonds voor het Bouwbedrijf, gevestigd te Hoofddorp;
2. de statuten:
de statuten van het Vakantiefonds;
3. het bestuur:
het bestuur van het Vakantiefonds;
4. de CAO:
deze CAO;
5. de werkgever:
de werkgever op wie de bepalingen van de CAO van toepassing zijn;
6. de werknemer:
de werknemer op wie de bepalingen van de CAO van toepassing
zijn. Als werknemer wordt tevens beschouwd degene die op basis
van een overeenkomst met een uitzendbureau werkzaamheden verricht
als bedoeld in de CAO voor het Bouwbedrijf en voor wie
krachtens de bepalingen van die CAO het uitzendbureau gehouden is
bijdragen te betalen aan het Vakantiefonds.
7. verlofdagen:
de in de CAO bedoelde vakantiedagen, feestdagen en daarmee gelijkgestelde
dagen.
8. het rechtjaar:
de periode die begint met ingang van de zeventiende week van het
kalenderjaar en eindigt aan het einde van de zestiende week van het
daaropvolgende kalenderjaar;
9. het loon:
het vast overeengekomen loon als omschreven in de CAO, vermeerderd
met de resultaten van een prestatiebevorderend systeem voortvloeiend
uit de CAO, indien dat voor de werknemer van toepassing
is.
10. het vakantiewaardepercentage:
het vastgestelde percentage voor de opbouw van de loonderving tijdens
de verlofdagen en de vakantietoeslag (in de CAO aangeduid als
,,uniform percentage’’);
11. de vakantiewaarde:
het ten gunste van een werknemer bij het Vakantiefonds in diens
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
tegoed geboekte geldbedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging
van het voor die werknemer geldende vakantiewaardepercentage
met het loon;
12. het vakantiebijdragepercentage:
het percentage van het loon dat de werkgever periodiek aan het
Vakantiefonds dient af te dragen;
13. het kortingspercentage:
het verschil tussen het vakantiewaardepercentage en het vakantiebijdragepercentage;
14. de loonkosten:
het loon, alsmede de werkgeversbijdrage sociale verzekeringswetten,
de overhevelingstoeslag en de premies en bijdragen ingevolge de
CAO.
DEEL II
INNEN EN UITBETALEN VAN DE VAKANTIEWAARDEN
Artikel 2
De aan het Vakantiefonds verschuldigde bijdragen
1. Het vakantiewaardepercentage, het vakantiebijdragepercentage en
het kortingspercentage worden jaarlijks door het bestuur vastgesteld
na goedkeuring door partijen bij de toepasselijke CAO.
2. In het kalenderjaar 2005 bedraagt het vakantiebijdragepercentage
voor werkgevers vallende onder de CAO 24,22.
3. Het vakantiebijdragepercentage is door de werkgever verschuldigd
over het loon.
Artikel 3
Wijze van betalen
1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient binnen veertien
dagen na afloop van het loonbetalingstijdvak of na een periode van
vier weken te hebben plaatsgevonden.
2. Indien deze betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is de werkgever
in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
Artikel 4
De vakantiewaarden
De vakantiewaarden zijn bestemd ter financiering van de verlofdagen en
van de vakantietoeslag.
Artikel 5
Uitbetalen vakantiewaarden
1. Het dagbedrag dat de werknemer ter gelegenheid van de verlofdagen
uit zijn tegoed kan opnemen wordt jaarlijks door het bestuur vastgesteld.
2. Voor een verlofdag wordt slechts tot uitbetaling overgegaan indien
een schriftelijke verklaring van de werkgever wordt overlegd waaruit
blijkt dat deze met het opnemen van de verlofdag akkoord gaat
en mits het tegoed van de werknemer toereikend is.
3. Verzoeken tot uitbetaling van dagbedragen dienen door de werknemer
op een door het bestuur aan te geven wijze en plaats te worden
ingediend.
4. De niet eerder uitbetaalde vakantiewaarden worden vóór de jaarlijkse
zomervakantie giraal aan de werknemer uitbetaald.
Artikel 6
Beschikken over het tegoed
1. Vóór het tijdstip waarop uitbetaling van vakantiewaarden mogelijk
is, is de aanspraak van de werknemer op zijn tegoed onvervreemdbaar
en niet vatbaar voor verpanding of belening.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is uitbetaling van
vakantiewaarden mogelijk:
– op het moment dat de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd
bereikt, tenzij de werknemer in dienstbetrekking blijft werken;
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
– indien de werknemer gebruik maakt van een regeling voor vervroegde
uittreding (vut);
– indien de werknemer emigreert;
– indien de werknemer overlijdt;
– indien aan de werknemer een uitkering wordt toegekend krachtens
de Wet op de Arbeidsongeschiktsheidsverzekering naar een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 procent;
– indien de werknemer definitief vertrekt uit de bedrijfstak bouwnijverheid.
Artikel 7
Verjaring uitbetalingstermijn
De vakantiewaarden zullen door het Vakantiefonds aan de werknemers
worden uitbetaald tot maximaal vijf jaar na afloop van het rechtjaar. Na
afloop van voormelde termijn zal uitbetaling niet meer geschieden.
DEEL III
UITKERINGEN AAN WERKNEMERS BIJ CURSUS
Artikel 8
Aanvullende uitkeringen
1. Werknemers die als gevolg van het volgen van een omscholings-of
herscholingscursus aan een centrum voor vakopleiding van volwassenen
of het afleggen van een examen aan een centrum voor vakopleiding
van volwassenen, gedurende de loop van een rechtjaar
vakantiewaarden derven, hebben recht op een uitkering van het
Vakantiefonds.
2. De werknemer dient in het jaar direct voorafgaande aan de onderbreking
van zijn werkzaamheden wegens scholing of het afleggen
van een examen ten minste 65 dagen als werknemer te hebben
gewerkt.
3. Het dienstverband mag tijdens de vakantieperiode niet verbroken
zijn.
4. De hoogte van deze uitkering wordt door het bestuur bepaald.
5. De hoogte van de aanvullende uitkeringen kan ten aanzien van elk
van de hiervoor genoemde groepen van werknemers verschillend
zijn.
DEEL IV
DECLARATIEREGELING EXTRA VERLOFDAGEN
Artikel 9
Extra verlofdagen oudere werknemers
1. Oudere werknemers hebben recht op extra verlofdagen met behoud
van loondoorbetaling door de werkgever.
2. a. De 10 extra verlofdagen voor werknemers van 55 jaar en de 13
extra verlofdagen voor werknemers vanaf 60 jaar, zullen door de
werkgever worden betaald.
De werkgever zal aan de werknemer het vast overeengekomen
loon betalen. Ingeval een prestatiebevorderend systeem van toe-
passing is, dient het vastovereengekomen loon nog te worden
verhoogd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige
dagen gedurende de betalingsperiode waarin de extra vrije dag
valt. Indien de extra vrije dagen de gehele betalingsperiode omvatten,
dient het vastovereengekomen loon te worden verhoogd
met de gemiddelde prestatiepremie over de voorgaande betalingsperiode.
De werkgever is eveneens verplicht te voldoen aan de
bijdrage-en premieverplichtingen jegens de werknemer aan de in
artikel 6 lid 1 genoemde fondsen.
b. De loonkosten verbonden aan de opneming van de extra verlofdagen
als genoemd in lid 2a worden aan de werkgever vergoed
door het Vakantiefonds. Daartoe dient een declaratieformulier
van het Vakantiefonds te worden ondertekend, zowel door de
werkgever als door de betrokken werknemer.
c. Een extra verlofdag als genoemd in lid 2.a. kan worden opgenomen
indien daarvoor voldoende rechten zijn opgebouwd. Voor
werknemers die recht hebben op 10 extra verlofdagen is dit het
geval na 22 dagen waarover vakantierechten worden opgebouwd;
voor werknemers die recht hebben op 13 verlofdagen is dit het
geval na 17 dagen waarover vakantierechten worden opgebouwd.
Slechts indien een extra verlofdag daadwerkelijk wordt opgenomen
zal het Vakantiefonds tot uitbetaling overgaan; in afwijking
hiervan betaalt het Vakantiefonds een opgebouwde extra verlofdag
wel uit voor een werknemer wiens dienstverband tijdens
de arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
3. De berekening van de loonderving tijdens vakantie-, feest-en snipperdagen
en de vakantietoeslag wordt gebaseerd op het vast overeengekomen
loon en voor zover hiervan sprake is, vermeerderd met de
resultaten van: een prestatiebevorderend systeem; de toeslag verschoven
uren tijwerk en de toeslag verschoven arbeidstijden GWW.
4. Per betalingsperiode zal de opbouw van deze loonderving tijdens
vakantie-, feest-en snipperdagen en deze vakantietoeslag van de
werknemer geschieden door middel van een uniform door partijen
vast te stellen percentage over het vast overeengekomen loon.Voor
de door partijen vastgestelde uniforme percentages wordt verwezen
naar bijlage 1.
5. Bij bedrijfssluiting als gevolg van vakantie heeft de jeugdige werknemer
met een leer-/arbeidsovereenkomst of praktijk-en arbeidsovereenkomst
die na het verlaten van een school niet kan beschikken
over voldoende vakantiewaarde recht op een loondervingsuitkering
van het Vakantiefonds indien de werknemer tenminste 5 weken heeft
gewerkt direct voorafgaande aan de bedrijfssluiting.
6. Het tegoed aan vakantiewaarden wordt verminderd indien de werknemer
over een of meer feestdagen een uitkering krachtens de WW
heeft ontvangen. Deze vermindering is gelijk aan het nettobedrag dat
aan WW-uitkering over deze feestdagen werd uitbetaald. De vermindering
vindt plaats ten aanzien van de werknemer op wie laatstelijk,
voor het intreden van zijn werkloosheid, deze CAO van toepassing
was.
7. De werkgever dient deze loonkosten uiterlijk binnen zes maanden na
het opnemen van de extra verlofdag bij het Vakantiefonds te declareren.
Na deze termijn ontvangen aanvragen worden niet vergoed.
De over enig rechtjaar opgebouwde extra verlofdagen dienen uiterlijk
op de laatste dag van het kalenderjaar waarin dat rechtjaar eindigt
te zijn opgenomen. Nadien opgenomen dagen komen niet voor
vergoeding door het Vakantiefonds in aanmerking.
8. De werknemer wiens dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid
wordt beëindigd heeft recht op uitbetaling van het loon over de opgebouwde
maar niet opgenomen extra verlofdagen. Laatstbedoelde
werknemer dient daartoe binnen zes maanden na beëindiging van het
dienstverband een verzoek in te dienen bij zijn werkgever. Het inge
volge de eerste volzin aan de werknemer uitbetaalde loon kan de
werkgever bij het Vakantiefonds declareren.
DEEL V
DECLARATIEREGELING SCHOOLVERLATERS
Artikel 10
Loondervingsuitkering schoolverlaters
1. Bij bedrijfssluiting als gevolg van vakantie heeft de jeugdige werknemer
met een leer-/arbeidsovereenkomst of praktijk-en arbeidsovereenkomst
die na het verlaten van een school niet kan beschikken
over voldoende vakantiewaarde recht op een loondervingsuitkering
van het Vakantiefonds indien de werknemer tenminste 5 weken heeft
gewerkt direct voorafgaande aan de bedrijfssluiting.
2. Aan de werkgever worden de loonkosten over deze dagen vergoed.
3. De werkgever dient deze loonkosten uiterlijk binnen zes maanden na
de bedrijfssluiting bij het Vakantiefonds te declareren.
DEEL VI
VERREKENING EN SANCTIES
Artikel 11
Verrekening
Als de werkgever ten tijde van de vaststelling van vergoedingen ingevolge
de artikelen 9 en 10 van het reglement door het Vakantiefonds een
opeisbare schuld aan het fonds heeft wordt deze schuld met de te betalen
bedragen verrekend.
Artikel 12
Sanctie bij onjuiste declaratie
1. Indien de werkgever desverlangd de juistheid van een door het
Vakantiefonds betaalbaar gestelde declaratiestaat niet aantoont, dient
hij het betrokken bedrag aan het Vakantiefonds terug te betalen.
2. Het bestuur kan bovendien beslissen dat de werkgever een boete aan
het Vakantiefonds verschuldigd is.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
3. In geval van opzet en grove schuld van de werkgever geldt bij een
eerste overtreding een boete van 25% van het betrokken bedrag, bij
een tweede overtreding een boete van 50% van het in het betrokken
bedrag en bij een derde en volgende overtreding een boete van 100%
van het betrokken bedrag.
4. Bij elke ernstige of omvangrijke fraude van de werkgever geldt een
boete van 100% van het betrokken bedrag.
5. Het bestuur kan de vordering verhogen met de wettelijke rente vanaf
het tijdstip van betaling van dat bedrag aan de werkgever.
DEEL VII
VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN
Artikel 13
Verstrekken van inlichtingen
De werkgever en werknemer zijn verplicht aan het bestuur of een schriftelijk
door hem gemachtigd persoon alle opgaven en inlichtingen te verstrekken
die van hen worden verlangd ten behoeve van de uitvoering van
de taak van het Vakantiefonds. De werkgever is desverlangd gehouden
inzage van zijn boeken, bescheiden of andere stukken te geven, voor
zover die betrekking hebben op de arbeid en het loon van de werknemer.
Artikel 14
Controle declaraties
De werkgever is gehouden om op verzoek van het bestuur de juistheid
van de ingediende declaratiestaat aan te tonen, bijvoorbeeld door over-
legging van administratieve bescheiden.
DEEL VIII
BUITENLAND
Artikel 15
Werken in het buitenland
1. Bij arbeid buiten Nederland, waarop de Nederlandse sociale verzekeringswetten
van toepassing zijn, terwijl de bepalingen van de CAO
en loonregelingen van toepassing zouden zijn geweest, indien overeenkomstige
werkzaamheden in Nederland verricht zouden zijn, kunnen
de werkgever en de werknemer overeenkomen dat vakantiewaarden
worden opgebouwd met inachtneming van de bepalingen
van dit reglement.
2. Voor de bepaling van het loon waarover vakantiewaarden worden
opgebouwd wordt uitgegaan van het loon dat de werknemer zou verdienen
indien hij gelijksoortige arbeid in Nederland verricht.
DEEL IX
SLOTBEPALINGEN
Artikel 16
Hardheidsclausule
Het bestuur is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen
tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich bij
de toepassing van dit reglement voordoen.
Artikel 17
Slotbepalingen
Teneinde een efficiënte werking van het Vakantiefonds te verzekeren,
kunnen door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden, in overeenstemming
met de bepalingen der statuten en van dit reglement, mits
deze voorschriften niet in strijd komen met één of meer bepalingen van
de CAO.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
STATUTEN RISICOFONDS
Artikel 1
Naam en zetel
1. De stichting draagt de naam ,,Stichting Risicofonds voor het Bouwbedrijf’’.
2. De stichting is gevestigd te Hoofddorp.
3. De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
Artikel 2
Definities
In deze statuten wordt verstaan onder:
a. Risicofonds: de in artikel 1 genoemde stichting, waarin wordt deelgenomen
door de werkgevers en de werknemers op wie deze CAO
van toepassing is.
b. deze CAO: de CAO Bedrijfstakeigen regelingen voor het Bouwbedrijf.
c. werkgever: de werkgever in de zin van deze CAO;
d. werknemer: de werknemer in de zin van deze CAO;
e. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 5 van de statuten.
f. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 8 van de statuten.
g. CAO-Regelingen: SFB CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam
Artikel 3
Doel
Het Risicofonds heeft ten doel:
a. in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in de CAO
en/of loonregelingen en volgens het (de) in artikel 8 lid 1 genoemde
reglement(en), loonderving bij verzuim wegens vorst of de directe
gevolgen daarvan in de bouwnijverheid in Nederland te bestrijden;
b. geldelijke steun te verlenen ten behoeve van activiteiten gericht op:
1. het doen ontwikkelen, bestuderen en propageren van middelen
ter bestrijding van verlet wegens vorst of de directe gevolgen
daarvan;
2. het treffen van maatregelen om in de genoemde omstandigheden
het personeel te doen doorwerken.
Om voor deze geldelijke steun in aanmerking te komen dienen aanvragers
een projectplan en begroting, gespecificeerd volgens de onder artikel
3 lid b gespecificeerde bestedingsdoelen, vooraf ter goedkeuring in
te dienen bij het bestuur van de stichting. Binnen vier maanden na het
verstrijken van het boekjaar dienen ontvangers van een aldus verkregen
bijdrage een financieel jaarverslag bij het bestuur van de stichting in te
leveren, voorzien van een goedkeurende verklaring van een registeraccountant
of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid,
waaruit blijkt dat de uitgaven conform de in artikel 3 lid b
genoemde bestedingsdoelen zijn gedaan. Dit verslag en de accountantsverklaring,
beide ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3 lid
b genoemde bestedingsdoelen, maken een geïntegreerd onderdeel uit van
het (financieel) jaarverslag van het fonds.
Artikel 4
Middelen
1. De geldmiddelen van het Risicofonds bestaan uit:
a. Het stichtingskapitaal.
b. De bijdragen die ter uitvoering van het doel van het fonds jaarlijks
door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als
nader bij reglement(en) is bepaald.
c. Renten.
d. Eventuele overheidssubsidies.
e. Geldleningen.
f. Eventuele andere baten.
2. De werkgever is ten aanzien van zijn werknemer over elke dag,
waarover loon wordt ontvangen, een bijdrage aan het fonds verschuldigd
zoals nader is aangegeven in het reglement.
Artikel 5
Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien leden, te weten vijf
werkgeversleden en vijf werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door de vereniging AVBB.
Drie werknemersleden worden benoemd door de vereniging FNV
Bouw en twee werknemersleden door de Houten Bouwbond CNV.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
3. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
Het bestuur benoemt uit zijn midden twee secretarissen: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
4. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar
als voorzitter en als tweede voorzitter op.
Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert
als secretaris de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.
5. Voor de verdeling van de bestuurszetels voor de werknemersorganisaties
geldt een kiesdeler.
De kiesdeler wordt bepaald door het aantal actieve leden van de
werknemersorganisatie(s) die betrokken zijn bij het fonds, te delen
door 7. Na normale afronding volgt hieruit het aantal bestuursleden
per organisatie. Als werknemersorganisaties worden beschouwd partijen
betrokken bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van de
bouwnijverheid.
De stand per 1 juli van enig jaar is bepalend voor de zetelverdeling
in het daaropvolgende jaar.
Na schriftelijk verzoek van tenminste één van de werknemersorganisaties
stelt het bestuur de kiesdeler opnieuw vast.
Het totaal aantal werknemerszetels is 5.
6. De werkgeversbestuursleden worden benoemd voor een periode van
drie jaar en zijn herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van
aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden
afgeweken.
7. Aftredende werknemersbestuursleden komen voor herbenoeming in
aanmerking. Voor werkgeversbestuursleden geldt bovenstaande.
8. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
9. De organisatie die een bestuurslid benoemt, kan te allen tijde die
benoeming intrekken en in plaats daarvan een ander tot bestuurslid
benoemen.
Artikel 6
Bestuursvergaderingen
1. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele
bijlagen door het Technisch Bureau Bouwnijverheid te Hoofddorp
voor de vergadering aan de leden toegezonden. Stukken en
voorstellen die zijn ingekomen nadat de agenda is verzonden, kunnen
alleen in behandeling worden genomen, indien hiertoe met volstrekte
meerderheid van stemmen besloten wordt.
2. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen
waarin geen twijfel mogelijk is, door de voorzitter en de secretaris
voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de
eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden
voorgedragen.
3. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden
genomen, als niet tenminste zes bestuursleden aanwezig zijn, waarvan
tenminste twee werkgeversleden en tenminste twee werknemersleden.
4. Indien in een vergadering van het bestuur meer werkgeversleden
aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen
de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel
stemmen uit als de andere groep leden.
5. Over zaken wordt bij voorkeur mondeling en over personen schriftelijk
gestemd.
6. Alle besluiten worden, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel
14 van deze statuten, genomen met een volstrekte meerderheid van
stemmen.
7. Indien de stemmen staken wordt de beslissing tot de volgende vergadering
uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen
staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen zo het een stemming
over zaken betreft en zal, indien het een stemming over personen
betreft, het lot beslissen.
8. Een gewone meerderheid binnen de werkgevers-of werknemersgeleding
bepaalt het standpunt van die geleding.
9. Leden van het bestuur van het Technisch Bureau Bouwnijverheid
zijn gerechtigd bij bestuursvergaderingen aanwezig te zijn.
Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens
de bestuursvergaderingen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 7
Bestuursbevoegdheden en vertegenwoordiging
1. Het bestuur is belast met het besturen van de zaken van de stichting,
het beheer van haar vermogen, alsmede het innen van de gelden en
het doen van uitkeringen. Het bestuur is bevoegd, met inachtneming
van het in deze statuten bepaalde, tot alle rechtshandelingen met
name ook tot het sluiten van die overeenkomsten, waarvoor het regelend
recht een beperking kent.
2. Het bestuur beslist in alle zaken waarin de beslissing niet is opgedragen
of gedelegeerd aan andere organen van de stichting.
3. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het
bestuur alsmede door de fungerend voorzitter en fungerend secretaris
gezamenlijk.
Artikel 8
Reglementen
1. Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer
uitvoeringsreglementen en een huishoudelijk reglement vaststellen.
2. De reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn
met deze statuten.
Artikel 9
Mandaat
1. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden mandateren
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid dan wel aan CAO-
Regelingen en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn
midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies
toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te
stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q CAO-Regelingen.
De gemandateerde bevoegdheden worden door de commissies dan
wel het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q. CAO-Regelingen uitgeoefend
onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
2. Het administratief en geldelijk beheer wordt onder verantwoordelijkheid
van het bestuur uitgevoerd.
Artikel 10
Secretariaat
Het bestuur laat zich bij het uitvoeren van haar taak terzijde staan door
het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
Artikel 11
Besteding van middelen
De middelen worden op een door het bestuur vast te stellen wijze
besteed aan de genoemde doelen van het fonds. De beleggingen zullen
door het bestuur op een zodanige wijze geschieden, dat
d. Een redelijke spreiding naar aard en risico van de bezittingen en
interesses wordt verkregen
e. Een optimaal rendement wordt verkregen
f. Geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen
Artikel 12
Begroting
1. Uiterlijk in de maand januari worden de begrotingen van inkomsten
en van uitgaven voor het lopende boekjaar vastgesteld.
2. De begroting is ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3
van de statuten omschreven bestedingsdoelen.
3. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van
de bestuursleden benoemende organisaties, als bedoeld in artikel 5
lid 2.
4. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar
voor alle bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers.
Artikel 13
Jaarverslag, rekening en verantwoording
1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Het bestuur van de stichting stelt jaarlijks een verslag op, dat een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het ver
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
mogen van de stichting aan het einde van het boekjaar en van de ontwikkeling
daarvan gedurende het boekjaar, alsmede is gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 3 van de statuten omschreven
bestedingsdoelen; via dit verslag legt het bestuur rekenschap van het
gevoerde beleid af aan de bestuursleden benoemende organisaties als
bedoeld in artikel 5 lid 2.
3. Dit verslag moet zijn gecontroleerd door een externe door het bestuur
te benoemen registeraccountant of accountant-administratieconsulent
met certificerende bevoegdheid, uit welke stukken moet
blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3 van de statuten
omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
4. Dit verslag wordt, voorzien van de goedkeurende verklaring van de
registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid, ter inzage van de bij de stichting betrokken
werkgevers en werknemers neergelegd,:
a. Ten kantore van het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
b. Op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
5. Het verslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan de
werkgevers-en werknemersorganisaties en op aanvraag aan de bij de
stichting betrokken werkgevers en werknemers.
6. Het verslag en de goedkeurende accountantsverklaring worden binnen
zes maanden na het verstrijken van het boekjaar in drievoud
gezonden naar het Centraal Kantoor van de Arbeidsinspectie. Uit
deze stukken moet blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3
omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
Artikel 14
Statutenwijziging
1. Het bestuur is bevoegd tot wijziging van de statuten.
2. Tot wijziging van de statuten kan door het bestuur worden besloten
in een speciaal daartoe uitgeschreven vergadering.
3. Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts genomen worden,
wanneer tenminste twee/derde gedeelte van het aantal
werkgeversbestuursleden, en tenminste twee/derde gedeelte van het
aantal werknemersbestuursleden zich voor die statutenwijziging verklaren.
Een besluit tot vaststelling of wijziging van de statuten wordt eerst
van kracht nadat de bestuursleden benoemende organisaties als bedoeld
in artikel 5 lid 2 hiervan op de hoogte zijn gebracht en hieraan
hun goedkeuring hebben verleend. In verband met de voortgang
van het proces wordt het uitblijven van een reactie binnen 6 maanden
beschouwd als een instemmende reactie.
4. De wijziging van de statuten moet bij notariële akte tot stand komen.
5. De reglementen, alsmede de in deze statuten en in de reglementen
aangebrachte wijzigingen, treden niet in werking alvorens een volledig
exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen
daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is
neergelegd ter Griffie van het Kantongerecht binnen welks ressort de
stichting is gevestigd.
Artikel 15
Ontbinding en liquidatie
1. Zowel Het AVBB als FNV Bouw met de Hout-en Bouwbond CNV
gezamenlijk, kunnen de stichting ontbinden door in een aangetekend
schrijven aan het bestuur mede te delen dat zij hun medewerking in
de stichting beëindigen. Nadat twee jaar sinds bedoelde kennisgeving
is verstreken, is de stichting van rechtswege ontbonden.
2. Het bestuur is dan belast met de liquidatie en geeft een bestemming
aan het batig saldo van de stichting.
Artikel 16
Slotbepaling
In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de
stichting is voorzien beslist het bestuur.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
REGLEMENT RISICOFONDS
DEEL I
BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het Risicofonds:
de Stichting Risicofonds voor het Bouwbedrijf, gevestigd te Hoofddorp;
2. de statuten:
de statuten van het Risicofonds;
3. het bestuur:
het bestuur van het Risicofonds;
4. de CAO:
deze CAO;
5. de werkgever:
de werkgever op wie de bepalingen van de CAO van toepassing zijn;
6. de werknemer:
de werknemer op wie de bepalingen van de CAO van toepassing
zijn;
7. de administrateur:
SFB CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam;
8. het rechtjaar:
de periode die begint met ingang van de zeventiende week van het
kalenderjaar en eindigt aan het einde van de zestiende week van het
daarop volgende kalenderjaar;
9. de bijdrage:
de door de werkgever aan het Risicofonds over het loon verschuldigde
betaling;
10. het loon:
het vast overeengekomen loon als omschreven in de CAO;
11. vorst:
de weersomstandigheid waarbij de door het KNMI gemeten luchttemperatuur,
in een door het bestuur bepaald weergebied, op een dag:
– om 7.00 uur –3,5° Celsius of lager is;
– om 7.00 uur en om 10.00 daaropvolgend –0,5° Celsius of lager
is;
– of om 10.00 –1,5° Celsius of lager is.
Met vorst wordt gelijkgesteld de situatie waarbij op het werk:
– een niet met eenvoudige middelen te verwijderen sneeuwdek
aanwezig is, dan wel
– zich directe gevolgen van vorst ten aanzien van materialen, materieel
of de bodemgesteldheid ter plaatse van het werk voordoen.
12. de declaratieperiode:
de periode die aanvangt op de eerste maandag van november en eindigt
op de laatste vrijdag in maart daaropvolgend;
13. de eigen risicoperiode:
de periode die aanvangt op de eerste maandag van november en eindigt
nadat voor de werknemer, bij dezelfde werkgever, 0-24-of 72
uren tijdens vorst zijn verstreken waarop hij krachtens de dienstbetrekking,
met een maximaal aantal arbeidsuren van acht per dag,
arbeid pleegt te verrichten.
De eigen risicoperiode geldt per declaratieperiode.
Met verrichten van arbeid wordt in dit verband gelijkgesteld het volgen
van scholingsdagen, en ten aanzien van werknemers die werken
volgens de voorwaarden van het zogeheten Jaarmodel in de GWW-
sector het opnemen van extra verlofdagen als bedoeld in het Jaarmodel,
voorzover deze dagen niet vallen in de collectieve wintersluitingsperiode
als bedoeld in de CAO.
14. vorstgevoelige werkzaamheden:
– voegen;
– straatwerk;
– het leggen van kabels en kunststof buizen en het aanleggen van
drainage; het injecteren van spankabelkanalen;
– het uitvoeren van zand-cementstabilisaties bij de aanleg van
wegen;
– het aanbrengen van dek-en slijtlagen bij asfaltwerk;
– het aanbrengen van verfmarkeringen op wegoppervlakken;
– gevelreiniging met hogedrukspuit en gritstralen;
– het zetten en/of herzetten van stenen bij het verrichten van
glooiingswerkzaamheden;
– werkzaamheden aan spoor-en tramwegen;
– het steken-, planten-en verplanten van helmgras, bomen, heesters
enzovoort;
– het rietdekken (oud werk);
– het leidekken op daken met een helling van meer dan 45°;
– het aanbrengen van kunststof dakbedekkingen;
– het met handkracht uitvoeren van oppervlakte-grondwerk;
– het aanbrengen van kunststofleidingen waarbij lijm-of lasverbindingen
worden toegepast;
– het repareren van gescheurde betonconstructies (door injectie)
met epoxyharsen;
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
– het repareren en verwerken van oppervlakken met kunstharsen en
kunstharsmortel
– bitumineuze en kunststof dakbedekkingswerkzaamheden, voor
zover deze bestaan uit het aanbrengen van flexibele dakbedekkingen.
DEEL IA
DE KEUZEMOGELIJKHEDEN DECLARATIE
VOORWAARDEN
Artikel 1a
Eigen risico periode (ERP)
a. De werkgever dient voorafgaand aan de declaratieperiode op een
door het bestuur aangegeven wijze mee te delen of hij een eigen
risico wenst anders dan nul uren.
b. Indien de werkgever de werknemers laat doorwerken tijdens de
eigen risico dagen, dan is de werkgever verplicht de werknemers
onder goede en veilige arbeidsomstandigheden te laten werken.
c. Het bestuur van het Risicofonds ziet toe op de naleving van dit
artikellid. Het bestuur is gerechtigd een werkgever de mogelijkheid
van eigen risico te ontnemen, indien deze het risico op de werknemers
afwentelt dan wel het sub b. van dit artikel niet naleeft. De
hogere premie behorende bij een eigen risico van 0 dagen is vanaf
dat moment verschuldigd.
d. Indien het SFB een overtreding constateert van de verplichte maatregelen
wordt dit onder de aandacht van partijen gebracht.
e. De bewijslast van het geen genoemd in de leden b, c en d van dit
artikel berust bij de werkgever.
Artikel 1b
Vorstgevoelige werkzaamheden
De werkgever dient voorafgaand aan de declaratieperiode op een door
het bestuur aangegeven wijze mee te delen of hij de vorstgevoelige
werkzaamheden onder de declaratieregeling wenst onder te brengen.
Artikel 1c
Herroepen keuze
Een keuze als bedoeld in de artikelen 1a en/of 1b geldt voor de gehele
declaratieperiode en voor alle werknemers die in dienst zijn bij de werkgever.
Een keuze kan na aanvang van de declaratieperiode niet meer herroepen
worden door de werkgever.
DEEL II
DE VERSCHULDIGDE BIJDRAGE
Artikel 2
De aan het Risicofonds verschuldigde bijdrage
1. Het bijdragepercentage wordt jaarlijks door het bestuur vastgesteld
en ter goedkeuring voorgelegd aan partijen bij de CAO.
2. Het bijdragepercentage kan tijdens door het bestuur te bepalen perioden
van een kalenderjaar verschillend van hoogte zijn.
3. Het bestuur kan voor de werkgever die vorstgevoelige werkzaamheden
onder de declaratieregeling heeft ondergebracht een opslag op de
bijdrage vaststellen.
4. Het bestuur kan voor de werkgever die gekozen heeft voor een eigen
risicoperiode van meer dan nul uren een korting op de bijdrage vaststellen.
5. De werkgever is gehouden tot het betalen van de bijdrage aan het
Risicofonds volgens de voorwaarden van de CAO.
6. De bijdrage is door de werkgever verschuldigd over het loon.
7. De bijdrage is in december terstond en ineens opeisbaar.
8. De bijdragen zijn als volgt vastgesteld.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
soort dekking bijdrage in % van bijdrage in % van
1-1-2005 t/m 1-1-2005 t/m 31-12-2005
31-12-2005 zonder met dekking van vorstdekking
van vorst-gevoelige werkzaamhegevoelige
werkzaamhe-den, op basis van vier
den dagen vorstgevoelig
72 uur eigen risico 1,5 4,1
24 uur eigen risico 5,4 8,0
0 uur eigen risico 7,4 10,0
NB: in de periode 1 januari 2005 t/m 24 april 2005 en 7 november 2005 t/m 31
december 2005 geldt een premie die 0,5% lager ligt dan de in de tabel vermelde
premie. In de periode 25 april 2005 t/m 6 november 2005 geldt een premie die
0,5% hoger ligt dan de in de tabel vermelde premie.
Artikel 2a
Bijdragerestitutie
1. Indien de omvang van de vermogensreserve van het Risicofonds
naar de opvatting van het bestuur daartoe aanleiding geeft is het
bestuur bevoegd te besluiten over te gaan tot bijdragerestitutie aan
de deelnemende werkgevers.
2. Een besluit tot bijdragerestitutie behoeft de goedkeuring van de organisaties
van werkgevers en werknemers die partij zijn bij de CAO.
Artikel 3
Vorderingstermijnen
1. De vaststelling van de hoogte van de bijdrage alsmede de betaling
van de verschuldigde bijdrage dienen binnen de in de CAO genoemde
termijnen te hebben plaatsgevonden.
2. Indien vaststelling van de hoogte van de bijdrage niet tijdig heeft
kunnen plaatsvinden door toedoen van de werkgever en/of de werkgever
te laat de bijdragen heeft betaald is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de bijdragen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente
Artikel 4
Invorderingskosten
Als een werkgever niet tijdig de verschuldigde bijdrage heeft betaald
zullen buitengerechtelijke incassokosten worden gevorderd. Deze
incassokosten worden gesteld op maximaal € 340,33 per vordering.
Deze incassokosten worden naar evenredigheid van de hoogte van de te
vorderen bedragen toebedeeld aan de vorderingen van eventueel overige
CAO-fondsen.
DEEL III
DE AANSPRAKEN
Artikel 5
Aanspraken werkgever tijdens vorstverlet
1. De werkgever heeft, indien en voor zover de financiële positie van
het Risicofonds dit toelaat en met inachtneming van het overigens in
dit reglement bepaalde, tegenover het Risicofonds aanspraak op een
vergoeding ter (gedeeltelijke) compensatie van de door hem aan zijn
werknemer verstrekte uitkering. De hoogte van de in het eerste lid
bedoelde vergoeding aan de werkgever is gelijk aan het gemiddelde
van het bij de administrateur laatst bekende loon (waaronder begrepen
loonsverhogingen krachtens de CAO) van zijn werknemer. Dit
gemiddelde wordt berekend over een periode van acht weken voorafgaand
aan de periode waarover vorstverlet wordt gedeclareerd.
2. Als over de laatstbekende loonperiode van acht weken, als bedoeld
in het tweede lid van dit artikel, minder dan acht weken loon is genoten,
dan is de vergoeding gelijk aan het gemiddelde over die kortere
periode.
3. De werkgever ontvangt tevens een vergoeding voor de bedragen, die
door hem verschuldigd zijn ter zake van premies en bijdragen ingevolge
de sociale verzekeringswetten en ingevolge de CAO alsmede
ter zake van de toeslag als bedoeld in artikel 1 van de Wet Overhevelingstoeslag
Opslagpremies, over de in het eerste lid bedoelde
betaling.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
4. Het bestuur is bevoegd de kosten van de premie-en bijdrageverplichtingen
ingevolge de sociale verzekeringswetten en de CAO,
te begroten en bindend vast te stellen op een percentage van het in
dit artikel bedoelde, door het Risicofonds uit te betalen bedrag.
5. De werkgever kan zijn in dit artikel bedoelde aanspraken slechts dan
geldend maken, indien deze berusten op een arbeidsovereenkomst
die ten tijde van het intreden van de vorst reeds was aangegaan.
6. Bij de vaststelling van het totaal aantal per week voor declaratie in
aanmerking komende uren wordt een gedeelte van een uur naar
beneden op een kwartier afgerond.
Artikel 6
Eigen risico werkgever tijdens vorstverlet
Gedurende de eigen risicoperiode heeft de werkgever tegenover het
Risicofonds geen aanspraak op vergoeding ter (gedeeltelijke) compensatie
van het door hem aan zijn werknemer wegens vorstverlet doorbetaalde
loon. De eigen risicoperiode wordt per individuele werknemer
geregistreerd.
DEEL IV
VERREKENING
Artikel 7
Uitbetaling vergoedingen Risicofonds
Ingeval de werkgever ten tijde van de vaststelling van de vergoedingen
door het Risicofonds een opeisbare schuld aan het fonds heeft, wordt
deze schuld met openstaande vorderingen van het fonds verrekend.
DEEL V
TEMPERATUURNORMEN
Artikel 8
Temperatuurnormen
1. De werkgever heeft over dagen waarop wegens vorst geen werkzaamheden
verricht worden eerst aanspraak op vergoeding van zijn
declaratie door het Risicofonds indien voldaan is aan de in de volgende
leden gestelde voorwaarden.
2. In het door het bestuur vastgestelde rayon, waarin het werk is gelegen,
moet zijn voldaan aan de voor vorst geldende temperatuurnormen.
Hiervoor is de door het KNMI-station in het betreffende
rayon gemeten temperatuur bepalend.
3. In afwijking van het in het vorige lid bepaalde kan het bestuur vorstgevoelige
werkzaamheden aanwijzen, waarvoor bovengenoemde
temperatuurnormen niet gesteld worden.
4. De vaststelling of wegens vorst geen werkzaamheden verricht had-
den kunnen worden, geschiedt door of namens het bestuur op basis
van door de administrateur op te maken vorstbetalingsadviezen.
DEEL VI
VERPLICHTE MAATREGELEN
Artikel 9
Verplichte vorstverlet beperkende maatregelen
Om voor vergoeding van een declaratie door het Risicofonds in aanmerking
te komen dient de werkgever in ieder geval de volgende maatregelen
ter voorkoming van vorstverlet te hebben getroffen:
1. het in begaanbare staat houden van rijwegen en looppaden op en om
het bouwterrein;
2. het vorstvrij aanleggen van bouwwaterleidingen en het aftappen
daarvan, zodra dit noodzakelijk is als ook het vroegtijdig vorstvrij
isoleren van de aftappunten;
3. het beschermen van materieel ter handhaving van de bedrijfsvaardigheid;
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
4. het met doeltreffende middelen beschermen van bouwmaterialen die
verwerkt moeten worden;
5. het zoveel mogelijk te werk stellen van de werknemers op die plaatsen
waar de minste hinder wordt ondervonden van de ongunstige
weersomstandigheden en in het algemeen het treffen van zodanige
maatregelen, dat werknemers zo min mogelijk door ongunstige
weersomstandigheden in hun werk worden belemmerd.
Het bestuur kan ter zake aanvullende voorwaarden stellen. Geen aanspraak
tegenover het Risicofonds heeft de werkgever die niet heeft kunnen
laten werken door kennelijk uitvoeringstechnische nalatigheid.
Artikel 9a
Aanvullende vorstverlet beperkende maatregelen
De werkgever is gedurende de eigen risico periode verplicht om de volgende
maatregelen te treffen als de werkgever de werknemer tijdens
perioden van vorst laat doorwerken:
1. Het voorbewerken van daartoe geëigende materialen en constructies
of hulpconstructies in afgesloten en verwarmde ruimten.
2. Het bij vorst-en/of sneeuwverwachting preventief beschermen van
werkonderdelen waarop of waaraan moet worden gewerkt.
3. Het plaatsen van afschermingen tegen wind bij uitvoering van werkzaamheden.
4. Het dichtmaken met glas of andere materialen van afbouwwerken
opdat afbouwwerkzaamheden tochtvrij kunnen worden uitgevoerd.
5. Het verwarmen van bouwwerken of onderdelen van bouwwerken die
definitief glas-en waterdicht zijn.
6. Het in gebruik nemen van de definitieve centrale verwarmingsinstallatie
zodra deze bedrijfsklaar is.
7. Het bij vorst en/of vorstverwachting zo doelmatig mogelijk beschermen
tegen bevriezing van de plaats waar moet worden gegraven.
8. Het laten dragen van doelmatige winterkleding door de werknemers
die in de open lucht moeten werken.
Voor bedrijven die werkzaamheden verrichten in de grond-, weg-en
waterbouw en waar geen sprake is van een vaste bouwplaatsopstelling
zijn de punten 1 tot en met 6 niet van toepassing.
Artikel 10
Verplichte vorstmaatregelen bij onderaanneming
Ingeval een werkgever in gebreke is gebleven de verplichte vorstmaatregelen
te treffen en dientengevolge op een werkobject wegens
vorst geen arbeid kan worden verricht door werknemers in dienst van
een andere werkgever, heeft die andere werkgever slechts dan aanspraken
jegens het Risicofonds,
1. indien die andere werkgever niet mede verantwoordelijk is voor het
achterwege blijven van de maatregelen en hij de eerstbedoelde werkgever
tijdig schriftelijk heeft gemaand om de maatregelen te treffen.
2. Indien het Risicofonds, in een situatie als in het eerste lid omschreven,
de aanspraken van de daar bedoelde andere werkgever heeft
voldaan, is het Risicofonds bevoegd het betrokken bedrag terug te
vorderen van de werkgever, die in gebreke is gebleven de vereiste
maatregelen te treffen.
DEEL VII
MELDING VORSTVERLET
Artikel 11
Melding vorstverlet
De werkgever dient tijdens de declaratieperiode op de dag, waarop hij
wegens vorst de werkzaam-heden heeft gestaakt of waarvoor hij uren als
bedoeld in de eigen risico periode wil laten registreren, daarvan mededeling
te doen aan het Risicofonds op de door het bestuur aangegeven
wijze. Deze mededeling behoort voor elk werk afzonderlijk te worden
gedaan.
Indien geen tijdige mededeling is gedaan als bedoeld in dit artikel vervalt
in beginsel de aanspraak van de werkgever tegenover het Risicofonds
over de dagen voorafgaande aan die mededeling.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
DEEL VIII
DE DECLARATIESTAAT
Artikel 12
Declaratiestaat
De werkgever kan zijn aanspraak tegenover het Risicofonds slechts geldend
maken door middel van een door of vanwege het Risicofonds ter
beschikking gestelde of goedgekeurde declaratiestaat of andere gegevensdrager.
Artikel 13
Indiening declaratiestaat
1. Om voor volledige vergoeding van de declaratie in aanmerking te
komen dient de werkgever de declaratiestaat binnen zes weken na
het einde van de week waarop de staat betrekking heeft op een door
het bestuur aangewezen adres in te dienen.
2. Indien de declaratiestaat niet is ingediend binnen zes weken wordt
op het bij tijdige inlevering verschuldigde bedrag een korting toegepast
overeenkomstig de navolgende regels:
– indien de declaratiestaat wordt ingediend in de 7e tot en met de
8e week na het einde van de week waarop deze betrekking heeft,
wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 90%;
– indien de declaratiestaat wordt ingediend in de 9e tot en met de
13e week na het einde van de week waarop deze betrekking
heeft, wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 75%;
– indien de declaratiestaat wordt ingediend in de 14e tot en met de
26e week na het einde van de week waarop deze betrekking
heeft, wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 50%.
3. Indien de declaratiestaat wordt ingediend later dan de 26e week na
het einde van de week waarop deze betrekking heeft, vervalt de aanspraak.
DEEL IX
VERGOEDING AAN WERKGEVER
Artikel 14
Uitbetaling vergoeding aan werkgever
1. Het Risicofonds zal binnen één week na ontvangst van een volledig
ingevulde en ondertekende declaratiestaat de vergoeding aan de
werkgever uitbetalen.
2. Indien het bestuur aanleiding ziet om aan de uitbetaling van de
declaratie een onderzoek naar de juistheid daarvan te doen voorafgaan
vindt de uitbetaling eerst plaats zodra en voor zo ver uit het
onderzoek is gebleken, dat de declaratie als juist kan worden erkend.
Het Risicofonds stelt de werkgever in kennis van het instellen van
een onderzoek.
DEEL X
SANCTIEBEPALINGEN
Artikel 15
Terugvordering
1. In situaties waarin de werkgever de juistheid van de door hem ingediende
en door het Risicofonds betaalbaargestelde declaraties niet
aantoont, vordert het bestuur het betaalbaargestelde bedrag terug.
2. Het bestuur is bevoegd in de in het eerste lid bedoelde situaties het
teruggevorderde bedrag te verhogen met een bedrag ter hoogte van
25% van het betaalbaargestelde bedrag.
3. Tevens is het bestuur bevoegd de wettelijke rente te vorderen vanaf
het tijdstip van betaling van het aan de werkgever betaalbaar gestelde
bedrag.
Artikel 16
Sanctie bij onjuiste declaratie
1. In geval vast komt te staan dat een declaratie opzettelijk of wegens
grove schuld van de werkgever onjuist is opgemaakt, geldt bij een
eerste overtreding een boete van 25% van het ten onrechte gedeclareerde
bedrag.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
2. Bij een tweede overtreding geldt een boete van 50% van het in het
eerste lid bedoelde bedrag en bij een derde en volgende overtreding
een boete van 100% van het in het eerste lid bedoelde bedrag.
3. Bij ernstige en omvangrijke fraude van de werkgever geldt bij een
eerste overtreding en bij volgende overtredingen een boete van 100%
van het betrokken bedrag.
4. Tevens kan het bestuur van de werkgever ter zake van het in het eerste
lid bedoelde bedrag de wettelijke rente vorderen vanaf het tijdstip
van betaling van dat bedrag aan de werkgever.
Artikel 16a
Sanctie bij niet treffen van de aanvullende vorstverletperkende
maatregelen
Indien gebleken is dat de werkgever de voorschriften als bedoeld in artikel
9a niet of onvoldoende naleeft of nageleefd heeft is het bestuur
bevoegd:
– de reeds geregistreerde uren eigen risico periode geheel of gedeeltelijk
niet van toepassing te verklaren of;
– de verdere opbouw van uren eigen risico te staken of;
– de werkgever te verbieden een eigen risico periode te kiezen die
groter is dan nul uren.
DEEL XI
RESTITUTIEREGELING
Artikel 17
Restitutieklassen
1. Met in achtneming van het in de volgende leden bepaalde heeft de
werkgever, die heeft voldaan aan zijn jegens het Risicofonds bestaande
betalingsverplichting, aanspraak op restitutie van een gedeelte
van de aan het Risicofonds betaalde bijdrage over het direct
daaraan voorafgaande rechtjaar.
2. Indien gedurende drie opeenvolgende declaratieperioden, inclusief
de laatst verstreken declaratieperiode, niet is deelgenomen aan de
declaratieregeling bedraagt de restitutie 80% van de aan het Risicofonds
betaalde bijdrage over het voorgaande rechtjaar.
3. De werkgever die over de laatstverstreken declaratieperiode voor het
eerst onder de werkingssfeer van het Risicofonds valt komt voor
80% restitutie in aanmerking indien over deze declaratieperiode niet
aan de declaratieregeling is deelgenomen.
4. Onder deelnemen aan de declaratieregeling wordt in dit verband verstaan
het inzenden van de mededeling als bedoeld in artikel 11 dat
zich op een werk vorst heeft voorgedaan en/of het inzenden van een
declaratiestaat.
Artikel 18
Berekening hoogte restitutie
1. Voor de berekening van de hoogte van de restitutie wordt verstaan
onder ,,de aan het Risicofonds betaalde bijdrage’’: het totaalbedrag
van de over het betrokken rechtjaar door de werkgever aan dit fonds
tijdig betaalde bijdragen.
2. Indien echter het aantal betaalde bijdragen in het vierde en eerste
kalenderkwartaal, vallende in het rechtjaar, lager is geweest dan het
aantal afgedragen bijdragen over het tweede en derde kalenderkwartaal,
wordt de in het vierde en eerste kwartaal betaalde bijdrage
verdubbeld en als grondslag voor de restitutie gehanteerd.
3. Het aan de werkgever toekomende restitutiebedrag wordt door het
Risicofonds, eventueel na verrekening met openstaande schulden aan
het Risicofonds, binnen 6 maanden na afloop van het rechtjaar uitgekeerd.
DEEL XII
VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN
Artikel 19
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
een schriftelijk door hem gemachtigd persoon inzage te verlenen in
alle bescheiden, die direct of indirect betrekking hebben op de beta-
ling van de bijdrage, de loonbetaling en/of de declaraties, en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen, die ten behoeve van de uitvoering
van het bepaalde in de statuten en in dit reglement worden
gevraagd.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten of in dit
reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan men het vertrouwelijke
karakter moet begrijpen is daarover tegenover derden tot
geheimhouding verplicht.
DEEL XIII
HARDHEIDSCLAUSULE
Artikel 20
Het bestuur is bevoegd tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende
aard die zich bij de toepassing van dit reglement voordoen.
DEEL XIV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 21
Nadere voorschriften
Teneinde een efficiënte werking van het Risicofonds te verzekeren, kunnen
door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden in overeenstemming
met de bepalingen van de statuten en van dit reglement, mits
deze voorschriften niet in strijd komen met de bepalingen van de CAO.
Artikel 23
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als reglement Risicofonds Bouwbedrijf.
STATUTEN STICHTING OPLEIDINGS-EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET BOUWBEDRIJF
Vastgesteld op 9 oktober 1967 en laatst gewijzigd op 31 maart 2005
DEEL I
ALGEMEEN
Artikel 1
Naam en zetel
1. De stichting draagt de naam ,,Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds
voor het Bouwbedrijf’’.
2. De stichting is gevestigd te Hoofddorp.
3. De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
Artikel 2
Definities
In deze statuten wordt verstaan onder:
a. O&O-fonds: de in artikel 1 genoemde stichting, waarin wordt deelgenomen
door de werkgevers en de werknemers op wie deze CAO
van toepassing is.
b. Deze CAO: de CAO Bedrijfstakeigen regelingen voor het Bouwbedrijf.
c. Werkgever: de werkgever in de zin van deze CAO.
d. Werknemer: de werknemer in de zin van deze CAO.
e. Bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 5 van de statuten.
f. Reglement: een reglement als bedoeld in artikel 8 van de statuten.
g. CAO-Regelingen: SFB CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam.
Artikel 3
Doel
Het fonds heeft ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de
bedrijfstak de volgende deelfondsen met doelstelling:
A’ Fonds: fonds ter bevordering van de financiering van de verletkosten
en de organisatiekosten van directe opleiders verbonden aan
de beroepsopleiding.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
A Fonds: fonds ter bevordering van de financiering van de organisatie
van de beroepsopleiding en uitstroombevordering en daarop
gericht onderzoek.
B Fonds: fonds voor het financieren en subsidiëren van activiteiten
gericht op het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen tussen
werkgevers en werknemers en het in sociaal opzicht optimaal
functioneren van de bedrijfstak bouw.
C Fonds: fonds voor de bevordering en bescherming van de gezondheid.
D Fonds: fonds ter bevordering van kwalitatief goede opvang voor kinderen
van werknemers.
E Fonds: fonds voor financiering van de kosten die de werkgever maakt
in verband met loondoorbetaling bij palliatief-en/of rouwverlof.
Er kan slechts een beroep worden gedaan op gelden uit het fonds onder
voorwaarde dat de te financieren of subsidiëren verenigingen, instellingen
en personen vooraf een begroting indienen betreffende de besteding
van de door hen aangevraagde gelden.
Voorts zal jaarlijks binnen vier maanden na het verstrijken van het boekjaar
aan het bestuur van de stichting verantwoording omtrent de besteding
van de ontvangen middelen moeten worden afgelegd. Deze verantwoording
dient te zijn voorzien van een goedkeurende verklaring door
een erkend registeraccountant of accountant-administratieconsulent met
certificerende bevoegdheid.
Zowel de begroting als de verantwoording dient te zijn ingericht en te
zijn gespecificeerd volgens de hierboven omschreven bestedingsdoelen.
De verantwoording en accountantsverklaring dienen bovendien een geïntegreerd
onderdeel uit te maken van het (financieel) jaarverslag van het
fonds.
De bestedingsdoelen en de voorwaarden waaronder gelden kunnen worden
aangevraagd en verkregen worden nader uitgewerkt in het huishoudelijk
reglement.
Artikel 4
Middelen
1. De geldmiddelen van het O&O-fonds bestaan uit:
a. Het stichtingskapitaal.
b. De bijdragen die ter uitvoering van het doel van het fonds jaar
lijks door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als
nader bij reglement(en) is bepaald.
c. Renten.
d. Eventuele overheidssubsidies.
e. Geldleningen.
f. Eventuele andere baten.
2. De werkgever is ten aanzien van zijn werknemer over elke dag,
waarover loon wordt ontvangen, een bijdrage aan het fonds verschuldigd
zoals nader is aangegeven in het reglement.
Artikel 5
Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien leden, te weten vijf
werkgeversleden en vijf werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door de vereniging AVBB.
Drie werknemersleden worden benoemd door de vereniging FNV
Bouw en twee werknemersleden door de Houten Bouwbond CNV.
3. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
Het bestuur benoemt uit zijn midden twee secretarissen: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
4. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar
als voorzitter en als tweede voorzitter op.
Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert
als secretaris de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.
5. Voor de verdeling van de bestuurszetels voor de werknemersorganisaties
geldt een kiesdeler.
De kiesdeler wordt bepaald door het aantal actieve leden van de
werknemersorganisatie(s) die betrokken zijn bij het fonds, te delen
door 7. Na normale afronding volgt hieruit het aantal bestuursleden
per organisatie. Als werknemersorganisaties worden beschouwd partijen
betrokken bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van de
bouwnijverheid.
De stand per 1 juli van enig jaar is bepalend voor de zetelverdeling
in het daaropvolgende jaar.
Na schriftelijk verzoek van tenminste één van de werknemersorganisaties
stelt het bestuur de kiesdeler opnieuw vast.
Het totaal aantal werknemerszetels is 5.
6. De werkgeversbestuursleden worden benoemd voor een periode van
drie jaar en zijn herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden
afgeweken.
7. Aftredende werknemersbestuursleden komen voor herbenoeming in
aanmerking. Voor werkgeversbestuursleden geldt bovenstaande.
8. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
9. De organisatie die een bestuurslid benoemt, kan te allen tijde die
benoeming intrekken en in plaats daarvan een ander tot bestuurslid
benoemen.
Artikel 6
Bestuursvergaderingen
1. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele
bijlagen door het Technisch Bureau Bouwnijverheid te Hoofddorp
voor de vergadering aan de leden toegezonden. Stukken en
voorstellen die zijn ingekomen nadat de agenda is verzonden, kunnen
alleen in behandeling worden genomen, indien hiertoe met volstrekte
meerderheid van stemmen besloten wordt.
2. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen
waarin geen twijfel mogelijk is, door de voorzitter en de secretaris
voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de
eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden
voorgedragen.
3. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden
genomen, als niet tenminste zes bestuursleden aanwezig zijn, waarvan
tenminste twee werkgeversleden en tenminste twee werknemersleden.
4. Indien in een vergadering van het bestuur meer werkgeversleden
aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen
de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel
stemmen uit als de andere groep leden.
5. Over zaken wordt bij voorkeur mondeling en over personen schriftelijk
gestemd.
6. Alle besluiten worden, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel
14 van deze statuten, genomen met een volstrekte meerderheid van
stemmen.
7. Indien de stemmen staken wordt de beslissing tot de volgende vergadering
uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen
staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen zo het een stemming
over zaken betreft en zal, indien het een stemming over personen
betreft, het lot beslissen.
8. Een gewone meerderheid binnen de werkgevers-of werknemersgeleding
bepaalt het standpunt van die geleding.
9. Leden van het bestuur van het Technisch Bureau Bouwnijverheid
zijn gerechtigd bij bestuursvergaderingen aanwezig te zijn.
Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens
de bestuursvergaderingen.
Artikel 7
Bestuursbevoegdheden en vertegenwoordiging
1. Het bestuur is belast met het besturen van de zaken van de stichting,
het beheer van haar vermogen, alsmede het innen van de gelden en
het doen van uitkeringen. Het bestuur is bevoegd, met inachtneming
van het in deze statuten bepaalde, tot alle rechtshandelingen met
name ook tot het sluiten van die overeenkomsten, waarvoor het regelend
recht een beperking kent.
2. Het bestuur beslist in alle zaken waarin de beslissing niet is opgedragen
of gedelegeerd aan andere organen van de stichting.
3. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het
bestuur alsmede door de fungerend voorzitter en fungerend secretaris
gezamenlijk.
Artikel 8
Reglementen
1. Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer
uitvoeringsreglementen en een huishoudelijk reglement vaststellen.
2. De reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn
met deze statuten.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 9
Mandaat
1. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden mandateren
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid dan wel aan CAO-
Regelingen en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn
midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies
toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te
stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q CAO-Regelingen.
De gemandateerde bevoegdheden worden door de commissies dan
wel het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q. CAO-Regelingen uitgeoefend
onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
2. Het administratief en geldelijk beheer wordt onder verantwoordelijkheid
van het bestuur uitgevoerd.
Artikel 10
Secretariaat
Het bestuur laat zich bij het uitvoeren van haar taak terzijde staan door
het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
Artikel 11
Besteding van middelen
De middelen worden op een door het bestuur vast te stellen wijze
besteed aan de genoemde doelen van het fonds. De beleggingen zullen
door het bestuur op een zodanige wijze geschieden, dat:
g. Een redelijke spreiding naar aard en risico van de bezittingen en interesses
wordt verkregen
h. Een optimaal rendement wordt verkregen
i. Geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.
Artikel 12
Begroting
1. Uiterlijk in de maand januari worden de begrotingen van inkomsten
en van uitgaven voor het lopende boekjaar vastgesteld.
2. De begroting is ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3
van de statuten omschreven bestedingsdoelen.
3. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van
de bestuursleden benoemende organisaties, als bedoeld in artikel 5
lid 2.
4. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar
voor alle bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers.
Artikel 13
Jaarverslag, rekening en verantwoording
1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Het bestuur van de stichting stelt jaarlijks een verslag op, dat een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen
van de stichting aan het einde van het boekjaar en van de ontwikkeling
daarvan gedurende het boekjaar, alsmede is gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 3 van de statuten omschreven bestedingsdoelen;
via dit verslag legt het bestuur rekenschap van het
gevoerde beleid af aan de bestuursleden benoemende organisaties als
bedoeld in artikel 5 lid 2.
3. Dit verslag moet zijn gecontroleerd door een externe door het bestuur
te benoemen registeraccountant of accountant-administratieconsulent
met certificerende bevoegdheid.
4. Dit verslag wordt, voorzien van de goedkeurende verklaring van de
registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid, ter inzage van de bij de stichting betrokken
werkgevers en werknemers neergelegd,:
a. Ten kantore van het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
b. Op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
5. Het verslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan de
werkgevers-en werknemersorganisaties en op aanvraag aan de bij de
stichting betrokken werkgevers en werknemers.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
6. Het verslag en de goedkeurende accountantsverklaring worden binnen
zes maanden na het verstrijken van het boekjaar in drievoud
gezonden naar het Centraal Kantoor van de Arbeidsinspectie. Uit
deze stukken moet blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3
omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
Artikel 14
Statutenwijziging
1. Het bestuur is bevoegd tot wijziging van de statuten.
2. Tot wijziging van de statuten kan door het bestuur worden besloten
in een speciaal daartoe uitgeschreven vergadering.
3. Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts genomen worden,
wanneer tenminste twee/derde gedeelte van het aantal
werkgeversbestuursleden, en tenminste twee/derde gedeelte van het
aantal werknemersbestuursleden zich voor die statutenwijziging verklaren.
Een besluit tot vaststelling of wijziging van de statuten wordt eerst
van kracht nadat de bestuursleden benoemende organisaties als bedoeld
in artikel 5 lid 2 hiervan op de hoogte zijn gebracht en hieraan
hun goedkeuring hebben verleend. In verband met de voortgang
van het proces wordt het uitblijven van een reactie binnen 6 maanden
beschouwd als een instemmende reactie.
4. De wijziging van de statuten moet bij notariële akte tot stand komen.
5. De reglementen, alsmede de in deze statuten en in de reglementen
aangebrachte wijzigingen, treden niet in werking alvorens een volledig
exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen
daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is
neergelegd ter Griffie van het Kantongerecht binnen welks ressort de
stichting is gevestigd.
Artikel 15
Ontbinding en liquidatie
1. Zowel het AVBB als FNV Bouw met de Hout-en Bouwbond CNV
gezamenlijk, kunnen de stichting ontbinden door in een aangetekend
schrijven aan het bestuur mede te delen dat zij hun medewerking in
de stichting beëindigen. Nadat twee jaar sinds bedoelde kennisgeving
is verstreken, is de stichting van rechtswege ontbonden.
2. Het bestuur is dan belast met de liquidatie en geeft een bestemming
aan het batig saldo van de stichting.
Artikel 16
Slotbepaling
In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de
stichting is voorzien beslist het bestuur.
HUISHOUDELIJK REGLEMENT
ingevolge artikel 3 van de Statuten van de Stichting Opleidings-en
Ontwikkelingsfonds voor het Bouwbedrijf
Artikel 1
Te financieren en subsidiëren activiteiten
De in artikel 3 van de statuten genoemde deelfondsen worden aangewend
voor:
A’. fonds ter financiering van verletkosten verbonden aan de beroepsop
leiding en de financiering van bijscholingsactiviteiten: de bestrijding
van verletkosten van in opleiding zijnde werknemers, onder meer
door het zo nodig verstrekken van vergoedingen aan werkgevers bij
wie bedoelde werknemers in dienst zijn.
A. fonds ter bevordering van de financiering van de organisatie van de
beroepsopleiding: de financiering dan wel subsidiëring van:
1. projecten verband houdend met de vakopleiding van werknemers
in het bouwbedrijf;
2. het verrichten van onderzoekingen naar de verwachte behoefte in
de toekomst aan werknemers met bepaalde scholing in de onderscheiden
categorieën in het bouwbedrijf en het aan de hand daarvan
bepalen van de gewenste aard en omvang van de opleidingen;
3. het onderzoek naar de invloed van de technische ontwikkeling op
de opleidingen en de verwerking van de gevonden gegevens in
bestaande danwel nieuwe opleidingen;
4. het onderzoek naar nieuwe werkmethoden, technieken en de
kwaliteit van de arbeid bevorderende middelen gericht op de verwerking
van de gevonden gegevens in bestaande dan wel nieuwe
vakopleidingen en vakgerichte cursussen voor werkgevers en
werknemers in de bedrijfstak;
5. het bevorderen van de resultaten van de onderzoekingen als
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
bedoeld onder 4 door publicaties, vergaderingen en bijeenkomsten;
6. het bevorderen van schriftelijke en mondelinge voorlichting ten
doel hebbende dat nieuwe leerlingen ten behoeve van het bouwbedrijf
kunnen worden aangetrokken en dat zo veel mogelijk
categorieën van in het bouwbedrijf werkzame ondernemers en
werknemers deelnemen aan de voor hen geschikte opleidingen,
bijscholingen, cursussen, bijeenkomsten en andere middelen die
een zo groot mogelijke deelneming aan de hierboven genoemde
opleidingen, bijscholingen, cursussen en bijeenkomsten kunnen
bevorderen.
B. fonds voor het financieren en subsidiëren van activiteiten gericht op
het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen tussen werkgevers en
werknemers en het in sociaal opzicht optimaal functioneren van de
bedrijfstak bouw.
Deze activiteiten bestaan uit:
1. het coördineren, voorbereiden en ondersteunen van het geformaliseerde
overleg – met uitzondering van het feitelijke CAOoverleg
– tussen sociale partners ten behoeve van alle werkgevers
en werknemers binnen de bedrijfstak Bouw;
2. het geven van voorlichting en informatie aan alle werkgevers en
werknemers binnen de bedrijfstak Bouw over de rechtsgevolgen
die voortvloeien uit de collectieve arbeidsovereenkomsten voor
de bedrijfstak Bouw en/of andere wettelijke voorschriften die op
het terrein van de arbeidsvoorwaarden liggen;
3. een eenduidige uitleg en toepassing van de bepalingen van de
collectieve arbeidsovereenkomsten voor de bedrijfstak Bouw en
het voorkomen van geschillen over de uitleg en toepassing van
de collectieve arbeidsovereenkomsten voor de bedrijfstak Bouw;
4. het opzetten en/of uitvoeren van projecten ten behoeve van een
juiste toepassing van de arbeidsvoorwaarden door werkgevers;
5. het bevorderen van een goede toepassing van en afstemming op
de wet-en regelgeving op sociaal-economisch terrein binnen de
bedrijfstak Bouw;
6. het geven van voorlichting en algemeen toegankelijke informatie
aangaande de arbeidsvoorwaarden binnen de bedrijfstak Bouw,
alsmede onderzoek naar deze voorwaarden c.q. wijzigingen van
de voorwaarden;
7. het verzorgen van algemene informatie en publiciteit aan werknemers,
werkgevers en direct belanghebbenden aangaande de
vraag en het aanbod van arbeid, de arbeidsvoorwaarden, de
arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid en de opleidingsmogelijkheden
binnen de bedrijfstak Bouw;
8. de productie en uitgifte van brochures, periodieken en kennisdragers
ten behoeve van alle werknemers en werkgevers binnen
de bedrijfstak Bouw in het belang van de arbeidsverhoudingen
binnen de bedrijfstak Bouw.
9. het stimuleren van projecten of onderzoeksactiviteiten op het
gebied van opleiding van werknemers in het kader van hun inzetbaarheid,
arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en de arbeidsmarkt
gericht op het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen
binnen de bedrijfstak Bouw;
10. het stimuleren van ontwikkelingen in bedrijven binnen de bedrijfstak
Bouw op het terrein van arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden,
arbeidsomstandigheden en opleiding van werknemers in het
kader van hun inzetbaarheid;
11. het stimuleren van ontwikkelingen gericht op het bevorderen van
de medezeggenschap, participatie, personeelsvertegenwoordigingen
en ondernemingsraden als vormen van overleg op
ondernemingsniveau tussen werknemers en werkgevers binnen
de bedrijfstak Bouw;
12. het (deels) bekostigen van verlof van werknemers voor het bijwonen
van congressen en vakgroepbestuursvergaderingen van
hun vakorganisaties;
13. het (doen) waarborgen, bevorderen, ontwikkelen en verzorgen
van bij-, her-, na-en omscholing van werkgevers en werknemers
die in de bedrijfstak werkzaam zijn, alsmede het voorlichten hierover,
om op deze wijze de vakbekwaamheid van werkgevers en
werknemers in de bedrijfstak te bewerkstelligen respectievelijk te
verhogen;
14. het verbeteren van het imago van de bedrijfstak en van het
beroep van de werknemer door:
• het geven van voorlichting en/of publicitaire acties aan (potentieel)
nieuwe werknemers en werkgevers ter bevordering
van instroom en/of toetreding in de bedrijfstak Bouw;
• projecten gericht op het promoten van bedrijfstakberoepen
binnen en buiten de bedrijfstak;
• het ontwikkelen en/of implementeren van beleid specifiek ten
behoeve van projecten gericht op de integriteit van werkgevers
en werknemers in de bedrijfstak Bouw;
15. het ontwikkelen en/of implementeren van beleid specifiek ten
behoeve van projecten die gericht zijn op:
• optimale werkgelegenheid in de bedrijfstak Bouw;
• bevordering van arbeidsomstandigheden, arbeidsmarkt, arbeidsuur,
arbeids-en rusttijden, meerkeuze in arbeidsvoorwaarden,
beloning, arbeid en zorg;
16. ontwikkelen en/of implementeren van beleid ten behoeve van
projecten gericht op werkgelegenheid voor arbeidsgehandicapten,
mensen zonder werk of met werkloosheid bedreigde werknemers
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
door middel van het aanbieden van een (vak) opleiding ter vervulling
van vacatures binnen de bedrijfstak Bouw;
17. het (doen) verrichten van en informeren over onderzoek op de
hierboven genoemde terreinen met het oog op het ontwikkelen
van beleid;
18. de inzet van adviseurs, die het bestuur ondersteunen bij zijn activiteiten
en die tevens voorlichting en informatie met name op het
gebied van scholing, vorming, opleiding, arbeidsomstandigheden,
sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid aan ondernemingen
binnen de bedrijfstak Bouw kunnen verstrekken;
19. het ondersteunen van werknemers en werkgevers bij persoonlijke
problemen ten einde te bevorderen dat er een kwalitatief goede
inzet van arbeid in de bedrijfstak Bouw mogelijk is;
20. het uitvoeren van werkzaamheden verbonden aan het bestuurlijke,
financiële en administratieve beheer van de deelfondsen
van het O&O-fonds.
C. fonds voor de bevordering en bescherming van de gezondheid: de
financiering danwel subsidiëring van:
1. onderzoekingen en projecten het terrein van arbeidsomstandigheden,
veiligheid en gezondheid in de bedrijfstak bouw en het
(doen) publiceren van de resultaten daarvan;
2. het innen van de premie voor een collectieve verzekering ,,Voorziening
bij ongeval’’ ten behoeve van alle werknemers in de
bedrijfstak, volgens nader in het reglement Voorziening bij ongeval
gestelde regels en verzekeringsvoorwaarden.
D. fonds ter bevordering van kwalitatief goede opvang voor kinderen
van werknemers: de subsidiëring van kosten van kinderopvang in
kinderdagverblijven en gastouderopvang, volgens nader in het reglement
Kinderopvang gestelde regels;
E. fonds voor financiering van de kosten die de werkgever maakt in verband
met loondoorbetaling bij palliatiefen/of rouwverlof: het subsidiëren
van de daarmee verband houdende kosten, volgens nader in
het reglement Verlof bij stervensbegeleiding en rouw gestelde regels.
Artikel 2
Voorwaarden rond subsidieaanvragen
1. Om een beroep te kunnen doen op gelden uit een van de onder artikel
1 genoemde deelfondsen dient vóór 1 november, voorafgaande
aan het kalenderjaar, een aanvraag en begroting bij het fonds te wor
den ingediend die gespecificeerd zijn volgens de in artikel 1 omschreven
bestedingsdoelen.
2. De aanvraag moet bovendien de volgende gegevens bevatten:
– omschrijving doelstelling van de activiteiten, alsmede de te volgen
werkwijze;
– aanvangsdatum en geschatte tijdsduur;
– uitvoerende personen c.q. instelling;
– geraamde kosten, gespecificeerd in:
a. voorbereidende kosten;
b. tarieven, mandagen, uren e.d.;
c. werkzaamheden derden;
d. raming beschikbaarheid geldbehoefte.
3. Voortgangsrapportage bij toewijzing:
Per kwartaal dient informatie te worden verstrekt, waaruit per activiteit
moet blijken:
a. totaal verwerkt bedrag tot moment van rapportage;
b. het nog beschikbare bedrag;
c. de nog te verwachten uitgaven;
d. percentage gereed;
e. de eventueel te verwachten afwijkingen;
f. de gerealiseerde activiteiten en de geprogrammeerde activiteiten
in de tijd gezien.
4. Binnen 4 maanden na het verstrijken van het boekjaar dient een door
een registeraccountant of administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid goedgekeurde rapportage bij het bestuur van de stichting
te worden aangeleverd, welke is gespecificeerd volgens de in
artikel 1 omschreven bestedingsdoelen. De rapportage en accountantsverklaring
dienen een integraal onderdeel uit te maken van het
financieel jaarverslag van het fonds.
Artikel 3
Betalingen aan subsidiënten
Teneinde te voorkomen, dat er bij de subsidiënten overtollige liquide
middelen aanwezig zijn, zullen betalingen aan subsidiënten uitsluitend
plaatsvinden op grond van de werkelijk te verrichten uitgaven door de
subsidiënten. Hiertoe zal de wijze van betaling, alsmede het betalingsschema,
in overleg worden vastgesteld door het O&O-fonds en de
betreffende subsidiënt.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 4
Toets doelmatigheid
Het O&O-bestuur heeft tot taak de doelmatigheid van de uitgaven van
de subsidiënten te bezien en te toetsen of die uitgaven rechtmatig zijn
ontleend aan de begrotingen. Deze toets vindt onder meer plaats aan de
hand van de door het O&O-bestuur vastgestelde Leidraad Administratieve
Voorwaarden.
Artikel 5
Onvoorziene uitgaven
Ten laste van een daarvoor in de begroting op te nemen post voor
onvoorziene uitgaven kan het O&O-bestuur in de loop van een kalenderjaar
subsidies toekennen aan verenigingen en instellingen ten behoeve
van activiteiten waarmee een opleidings-en of ander bedrijfstakbelang
wordt gediend. De post onvoorziene uitgaven bedraagt ten hoogste
één procent van het begrotingstotaal.
FINANCIERINGSREGLEMENT
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. de stichting: de Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor
het Bouwbedrijf;
2. de statuten: de Statuten van de stichting voornoemd;
3. de werkgever: de werkgever op wie de bepalingen van de CAO van
toepassing zijn.
4. de werknemer: de werknemer op wie de bepalingen van de CAO van
toepassing zijn; als werknemer wordt tevens beschouwd degene die
op basis van een overeenkomst met een uitzendbureau werkzaamheden
verricht als bedoeld in de CAO voor het Bouwbedrijf en voor
wie krachtens de bepalingen van die CAO het uitzendbureau gehouden
is bijdragen te betalen aan de stichting.
5. CAO-Regelingen: de besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen
BV, gevestigd te Amsterdam.
Artikel 2
Bijdrageverplichting
1. De werkgever is een bijdrage verschuldigd voor de financiering van
de in de Statuten omschreven doelstelling. Deze bijdrage is verschuldigd
aan CAO-Regelingen. De bijdrage wordt vastgesteld in de vorm
van een percentage van het door de werkgever aan zijn werknemers,
vallende onder een CAO die de werkgever verplicht tot bijdragen
aan de stichting, uitbetaalde loon. Als loon wordt aangemerkt het
loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
2. De bijdrage is verschuldigd over maximaal anderhalf maal het maximum
premieloon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
3. De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijdrage, alsmede de verdeling
over de fondsen als genoemd in artikel 15, lid 2 van de Statuten,
wordt – onder goedkeuring van het AVBB, FNV Bouw en de Houten
Bouwbond CNV – jaarlijks door het bestuur van de stichting vastgesteld.
4. De bijdragen en de verdeling over de fondsen zijn als volgt
vastgesteld:
Fonds 1-1-2005 tot en met 31-12-2005
B-personeel
A’-fonds 0,9896%
A-fonds 0,7862%
B-fonds 0,2986%
C-fonds 0,2345%
D-fonds 0%
E-fonds 0,0004%
totalen 2,3093%
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 3
Invordering
De invordering van de in artikel 2 bedoelde bijdrage is opgedragen aan
CAO-Regelingen.
De werkgever wordt ten aanzien van de bijdrageverplichting gekweten
door betaling van het verschuldigde bedrag aan CAO-Regelingen.
De bijdrage wordt in december terstond ineens opeisbaar.
Artikel 4
Betaaltermijnen
1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient per loonbetalingstijdvak,
maar tenminste eenmaal per maand plaats te vinden.
2. Indien de betaling niet binnen veertien dagen na afloop van elke hiervoor
bedoelde periode heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.
6. CAO-Regelingen is bevoegd tot uitvoering van het bepaalde in de
leden 3 en 5.
REGLEMENT VOORZIENING BIJ ONGEVAL
Artikel 1
Voorziening bij ongeval
1. De werkgever is verplicht voor de werknemers een verzekering af te
sluiten, die een uitkering garandeert ingeval van blijvend lichamelijk
letsel of dood ten gevolge van een ongeval, de werknemer, in of buiten
dienstverband, overkomen.
2. De in lid 1 genoemde verzekering dient in te houden een recht van
de werknemer op een bruto uitkering van:
€ 15.882,31 ingeval van overlijden;
€ 31.764,62 ingeval van algehele blijvende invaliditeit.
Een en ander volgens algemene en bijzondere voorwaarden als opgenomen
in artikel 2.
3. De werkgever dient ter voldoening aan de in lid 1 genoemde verplichting
deel te nemen aan de door het O&O-fonds afgesloten collectieve
verzekering.
4. De werkgever is een bijdrage verschuldigd ter voldoening van de
premie en de kosten voor de in lid 3 genoemde verzekering. Deze
premiebijdrage is voor het jaar 2005 vastgesteld op 0,062% van de
loonsom, te heffen als onderdeel van de totale premie O&O-fonds.
5. Alvorens een geschil tussen Verzekerde en Assuradeuren conform
het bepaalde in artikel 6 van de Algemene Voorwaarden van de
Ongevallenverzekering wordt voorgelegd aan een rechter, arbiter of
bindend adviseur, kan het geschil omtrent een uitkering na een ongeval
worden voorgelegd aan een door werkgevers-en werknemersorganisaties
ingestelde paritaire Begeleidingscommissie Collectieve
Ongevallenverzekering. Deze begeleidingscommissie zal in het geschil
bemiddelen teneinde te komen tot een redelijk vergelijk tussen
verzekerde en verzekeraar.
Het secretariaat van de Begeleidingscommissie Collectieve Ongevallenverzekering
is gevestigd bij het Technisch Bureau Bouwnijverheid, Post-
bus 717, 2130 AS te Hoofddorp.
Artikel 2
Algemene en bijzondere voorwaarden
1. Definities
In deze verzekering wordt verstaan onder
1. ongeval
een plotselinge, ongewilde, van buiten komende inwerking van
geweld op het lichaam die plaatsvindt gedurende de verzekerde
periode en die rechtstreeks, objectief geneeskundig vast te stellen
lichamelijk letsel veroorzaakt met blijvende invaliditeit of de
dood als gevolg;
Onder ongeval wordt tevens verstaan:
• complicaties of verergeringen in de toestand van de verzekerde
na een ongeval, optredende als rechtstreeks gevolg van
eerste hulpverlening of van een medisch noodzakelijke behandeling
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
• zonnesteek, zonnebrand, bevriezing, verdrinking, verstikking,
blikseminslag of andere elektrische ontlading, hitteberoerte
en etsing door bijtende stoffen;
• uitputting, verhongering en/of verdorsting ontstaan als gevolg
van overstroming, insneeuwing, invriezing, noodlanding,
schipbreuk of enige andere onvrijwillige afzondering van de
buitenwereld;
• besmetting door ziektekiemen en elke vorm van nietbacteriële
vergiftiging
• allergische reacties na contact met enige vaste, vloeibare of
gasvormige allergene stof mits de gevolgen zich binnen 1 jaar
na het ongeval manifesteren;
• verrekking, verstuiking, ontwrichting, scheuring van spieren
en weefsels (ook indien ontstaan door een plotselinge krachtsinspanning);
• huidletsel aan handen en voeten in korte tijd ontstaan door
wrijving met harde voorwerpen;
• miltvuur, koepokken, mond-en klauwzeer, trichophytie (ringvuur),
ziekte van Bang en sarcoptesschurft.
• het ontstaan van wondinfectie en de daaruit voortvloeiende
gevolgen en bloedvergiftiging door een gedekt ongeval.
• lichamelijke functiebeperkingen als gevolg van een
acceleratie/deceleratie trauma in de cervicale wervelkolom
(Whiplash)
Ongevallen ten gevolge van bestaande ziekten, lichamelijke of
geestelijke gebreken en afwijkingen zijn meeverzekerd.
De ongevallendekking is van kracht in de gehele wereld gedurende
24 uur per dag. De dekking vangt aan op de dag dat het
dienstverband aanvangt te 0.00 uur. De dekking eindigt op de 28e
dag (te 24.00 uur) na de dag waarop het dienstverband een einde
neemt. Eén en ander uiteraard mits het ongeval plaatsvindt binnen
de verzekeringstermijn van de verzekering.
2. blijvende invaliditeit
onherstelbaar geheel of gedeeltelijk verlies, dan wel objectiveerbaar
verlies van gebruiksvermogen van enig deel of orgaan van
het lichaam van verzekerde;
3. verzekeraar
degene die het verzekerde risico draagt of zij, die gezamenlijk het
verzekerde risico dragen, ieder voor het door of namens hen getekende
aandeel. Verzekeraars verbinden zich ten aanzien van
schaderegeling in geval van co-assurantie de bovenstaande verzekeraar
van deze verzekering te allen tijde in alles te volgen;
4. verzekerde
a. Alle werknemers op wie de CAO voor het Bouwbedrijf of de
CAO voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel
in de bouwbedrijven van toepassing is
Een en ander voor zover deze werknemers werkzaam zijn in
een dienstverband dat gebaseerd is op een werkweek van tenminste
10 werkuren.
b. Stagiairs waarop de Stageregeling van de Bouw van toepassing
is. Het AVBB stelt ieder jaar deze stageregeling vast.
Deze stagiairs kunnen geen rechten ontlenen aan de 28 dagen
uitloopregeling zoals vermeld in artikel 1.1 van de polisvoorwaarden,
de dekking eindigt te 24.00 uur op de dag dat het
tijdelijke dienstverband een einde neemt.
5. begunstigde
Degene aan wie de uitkering geschiedt. In geval van blijvende
invaliditeit geschiedt de uitkering aan de verzekerde. In geval
van overlijden geschiedt de uitkering aan:
• de echtgeno(o)t(e) indien verzekerde op het moment van
overlijden gehuwd is;
• de partner, zoals vermeld in het notarieel samenlevingscontract,
resp. ingevolge ,,geregistreerd partnerschap’’, waarmee
verzekerde op het moment van overlijden ongehuwd
samenwoont;
Bij ontstentenis van de echtgeno(o)t(e) c.q. partner geschiedt de
uitkering aan de erfgenamen.
In afwijking daarvan kan de verzekerde een ander als begunstigde
aanwijzen, in welk geval de aldus aangewezene geldt als
begunstigde vanaf het moment dat de verzekeraar de mededeling
van die aanwijzing heeft ontvangen.
De Staat der Nederlanden kan nimmer als begunstigde optreden.
2. Omvang van de dekking
1. Bij overlijden
1. Bij overlijden van de verzekerde als rechtstreeks gevolg van
een ongeval, keert de verzekeraar het in de verzekering vermelde
verzekerde bedrag uit.
2. Heeft de verzekeraar ter zake van hetzelfde ongeval reeds uitkering
verleend wegens blijvende invaliditeit, dan wordt
laatstgenoemde uitkering in mindering gebracht op de uitkering
bij overlijden.
Is de reeds verleende uitkering wegens blijvende invaliditeit
echter hoger dan de uitkering bij overlijden, dan vordert de
verzekeraar het verschil niet terug.
3. Indien een verzekerde ten gevolge van een ongeval tijdens
een verblijf buiten Nederland komt te overlijden, vergoedt de
verzekeraar, in aanvulling op het voor overlijden verzekerde
bedrag, de kosten van repatriëring van het stoffelijk overschot
tot ten hoogste € 11.344,50. Deze vergoeding wordt uitslui
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
tend verleend ingeval van gemaakte kosten van repatriëring
en op de secundaire basis zoals omschreven in 2.3 van dit
artikel.
4. Ingeval een verzekerde gedurende een periode van langer dan
6 maanden wordt vermist en de verzekeraar geen bewijzen
blijkt te kunnen leveren dat zich iets anders heeft voorgedaan
dan een ongeval wordt het voor overlijden verzekerde bedrag
uitgekeerd. Mocht op enig moment blijken dat de verzekerde
toch nog in leven is kan de verzekeraar de uitkering terugvorderen.
2. Bij blijvende invaliditeit
1. vaststelling van invaliditeit
In geval van blijvende invaliditeit als rechtsreeks gevolg van
een ongeval wordt, afhankelijk van de mate van invaliditeit,
het verzekerde bedrag of een gedeelte daarvan uitgekeerd met
inachtneming van de hierna genoemde percentages:
a. bij volledig verlies of onbruikbaarheid van:
arm of hand 75%
been of voet 70%
duim 25%
wijsvinger 20%
ring-of middelvinger 12%
pink 10%
grote teen 10%
enige andere teen 5%
het gezichtsvermogen op één oog 60%
het gehoor op één oor 30%
het gehoor op beide oren 65%
een nier 20%
de milt 10%
een long 30%
het smaakvermogen 10%
het reukvermogen 10%
het spraakvermogen 50%
het volledige natuurlijke gebit (*), waarbij geen prothetisch
herstel mogelijk is 10%
* Onder het volledige natuurlijk gebit wordt verstaan:
een natuurlijk gebit, incl. niet uitneembare gebitsprothesen,
dat bestaat uit 28 tot 32 elementen
b. bij algehele ongeneeslijke verlamming 100%
c. bij algeheel verlies dan wel ongeneeslijke stoornis der
geestvermogens mits deze rechtstreeks voortvloeit uit bij
het ongeval ontstaan en geneeskundig vast te stellen hersenletsel
100%
d. whiplash (zoals omschreven in 2.2.7) 5%
2. In alle gevallen die niet in de 2.2.1 a t/m d zijn vermeld,
wordt de mate van invaliditeit vastgesteld door een door de
verzekeraar daartoe aangewezen deskundige volgens objectieve
maatstaven en wel:
• zoveel mogelijk overeenkomstig de laatste uitgave van de
,,Guides to the Evaluation of Permanent Impairment’’ van
the American Medical Association (A.M.A.), alsmede de
richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie
en de Nederlandse Orthopaedische Vereniging. Bij
onderlinge verschillen zal worden uitgegaan van de hoogst
aanbevolen mate van blijvende invaliditeit; en
• op basis van de werkzaamheden, die voor de krachten en
bekwaamheden van verzekerde zijn berekend en die met
het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in
redelijkheid van hem verwacht kunnen worden.
Indien volgens beide criteria de mate van blijvende invaliditeit
is bepaald zal de verzekeraar de hoogste van de twee
bepaalde percentages blijvende invaliditeit aanbieden.
3. Bij gedeeltelijk verlies of verlies van gebruiksvermogen van
enig lichaamsdeel of orgaan wordt een evenredig percentage
uitgekeerd. Bij verlies of verlies van gebruiksvermogen van
meer vingers van eenzelfde hand wordt nooit meer uitgekeerd
dan voor verlies of verlies van gebruiksvermogen van de
gehele hand. Bij verlies of verlies van gebruiksvermogen van
meer lichaamsdelen of organen wordt nooit meer uitgekeerd
dan de voor algehele invaliditeit verzekerde som. Bij gedeeltelijk
verlies van minder dan 50% van het volledige natuurlijke
gebit wordt geen uitkering verleend.
4. De mate van invaliditeit zal worden vastgesteld op basis van
het verlies of verlies van gebruiksvermogen zonder rekening
te houden met uitwendig geplaatste kunst-en hulpmiddelen.
Indien inwendig kunst-of hulpmiddelen zijn geplaatst, wordt
met het daardoor verkregen geringere verlies of verlies van
gebruiksvermogen wel rekening gehouden.
5. kosten tandheelkundige behandeling
In aanvulling op de uitkering bij blijvende invaliditeit worden
de gemaakte kosten van tandheelkundige behandeling die als
gevolg van een ongeval noodzakelijk is, tot een maximum
van € 2.268,90 per ongeval, vergoed.
Onder de kosten van tandheelkundige behandeling worden
verstaan de kosten van vervanging of reparatie van een na
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
tuurlijk gebitselement en van de aanschaffing, vervanging of
reparatie van een prothese.
Deze dekking geschiedt echter op secundaire basis zoals
omschreven in 2.3.
6. plastische chirurgie
In aanvulling op de uitkering bij blijvende invaliditeit worden
de gemaakte kosten van plastische chirurgie om een als gevolg
van een ongeval ontstane misvorming, mismaking of
ontsiering te behandelen, tot ten hoogste 10% van het verzekerd
bedrag bij blijvende invaliditeit met een maximum van
€ 4.537,80 per ongeval vergoed, mits:
• naar het oordeel van een door de verzekeraar daartoe aangewezen
plastisch chirurg een redelijke kans op verbetering
of herstel bestaat;
• de behandeling plaatsvindt binnen twee jaar na het ongeval
Onder de kosten van plastische chirurgie worden verstaan de
kosten verband houdende met de operatie of poliklinische
behandeling, de kosten van voorgeschreven medicamenten en
verbandmiddelen, alsmede de kosten van verpleging in het
ziekenhuis.
Deze dekking geschiedt echter op secundaire basis zoals
omschreven in 2.3.
7. whiplash
Ten aanzien van een acceleratie/deceleratietrauma van de cervicale
wervelkolom, waarbij sprake is van klachten evenwel
zonder objectief vast te stellen afwijkingen en waarbij verder
wordt voldaan aan de criteria van het post-whiplash syndroom,
zoals opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor
Neurologie, wordt bepaald dat hiervoor maximaal 5% van het
verzekerde bedrag voor blijvende invaliditeit wordt uitgekeerd.
Aanwijzingen voor afwijkingen welke met hulponderzoek,
zoals neuropsychologisch testen of vestibulair onderzoek
zijn verkregen, geven geen recht op een uitkering
boven dit maximum van 5%.
Indien sprake is van enig objectief geneeskundig vast te stellen
letsel zoals bijv. bewegingsbeperking van de halswervelkolom,
pijnklachten, neurologische/neuropsychologische
uitvalverschijnselen, vestibulaire afwijkingen, en/of andere
aantoonbare klachten zal de mate van invaliditeit worden
vastgesteld zoals is omschreven in 2.2.1 en 2.2.2.
8. reeds bestaande invaliditeit
Bij verlies of verlies van gebruiksvermogen van een lichaamsdeel
of orgaan dat reeds vóór het ongeval was beschadigd of
gedeeltelijk zijn/haar functie had verloren, zal bij de vaststelling
van de uitkering rekening worden gehouden met het verschil
tussen de toestand vóór en na het ongeval.
Echter indien sprake is van volledig verlies of algehele onbruikbaarheid
van het gezichtsvermogen op een gezond oog
indien ten tijde van het ongeval het gezichtsvermogen op het
andere oog reeds volledig was verloren of algeheel onbruikbaar
was geworden zal toch volledige blindheid in de zin van
de verzekering worden aangenomen. Indien terzake van het
bestaande gemis aan gezichtsvermogen reeds uitkering krachtens
deze verzekering is gedaan blijft hetgeen is bepaald in
de eerste alinea van dit artikel onverminderd van kracht.
9. vergoedingstermijn
Zolang de mate van invaliditeit niet definitief is vast te stellen
heeft de verzekeraar het recht de vaststelling van de uitkering
uit te stellen tot ten hoogste twee jaar na het ongeval.
In dat geval vergoedt de verzekeraar zodra een termijn van
zes maanden na het ongeval is verstreken een rente van 6%
per jaar over het uiteindelijk uit te keren bedrag. In het geval
dat de melding van het ongeval meer dan 3 maanden na het
ongeval heeft plaatsgevonden, worden de zes maanden berekend
vanaf het moment van melding van het ongeval bij de
verzekeraar.
In het in de eerste alinea van dit artikellid bedoelde geval
wordt de mate van invaliditeit twee jaar na het ongeval vastgesteld
aan de hand van de toestand waarin de verzekerde op
dat moment verkeert.
Indien de verzekerde binnen twee jaar na het ongeval overlijdt
– doch niet als gevolg van het bedoelde ongeval of van
een ander geval waarvoor door de verzekeraar uitkering zal
worden verleend – en de uitkering wegens blijvende invaliditeit
nog niet is vastgesteld, zal de uitkering worden verleend
naar de mate van invaliditeit, geconstateerd bij het laatste
geneeskundig onderzoek dat in opdracht van de verzekeraar
werd ingesteld.
3. Secundaire dekking
Waar in deze verzekeringsvoorwaarden wordt gesproken over
secundaire dekking geeft de onderhavige verzekering geen recht
op vergoeding van schade die onder enige verzekering is gedekt,
of gedekt zou zijn indien de onderhavige verzekering niet bestond.
Indien de regeling onder deze verzekering moeilijkheden
oplevert, of indien verzekerde om enige reden onder de onderhavige
verzekering wenst te reclameren, zal de verzekeraar het
schadebedrag op basis van een renteloze lening aan de verzekerde
of begunstigde voorschieten. Het terugbetalen van deze
lening zal afhangen van en slechts geschieden tot het bedrag dat
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
op deze elders lopende verzekering kan worden verhaald. De verzekerde
of begunstigde zal uiteraard alle medewerking bij dit
verhaal verlenen, waaronder het cederen van de rechten op deze
elders lopende verzekering.
3. Beperking van de dekking
1. uitsluitingen
Geen recht op uitkering bestaat ter zake van:
1. opzet
ongevallen opzettelijk veroorzaakt door de verzekerde of bij
de verzekering belanghebbenden;
2. gevaarlijke sporten
• ongevallen bij deelneming anders dan als amateur aan
sporten waarbij de verzekerde zijn leven of lichaam nodeloos
in gevaar heeft gebracht;
• ongevallen bij wedstrijden met motorrijtuigen waarbij het
snelheidselement overweegt.
Hieronder vallen in elke geval niet betrouwbaarheids-,
puzzel-, oriëntatie-, en dergelijke ritten mits deze binnen
Nederland worden gehouden en niet langer dan 24 uur duren
(incl.voorbereiding of training).
3. misdrijven
ongevallen die plaatsvinden bij het door verzekerde opzettelijk
plegen van of deelnemen aan een misdrijf (verkeersmisdrijven
uitgezonderd) of pogingen daartoe
4. atoomkernreacties
ongevallen veroorzaakt door, optredende bij of voortvloeiende
uit atoomkernreacties, onverschillig hoe de reactie is ontstaan.
Onder atoomkernreacties wordt verstaan iedere kernreactie
waarbij energie vrijkomt zoals kernfusie, kernsplijting,
kunstmatige en natuurlijke radioactiviteit.
De in de eerste alinea van dit artikel omschreven uitsluiting
geldt echter niet met betrekking tot radioactieve nucliden die
zich buiten een kerninstallatie bevinden en gebruikt worden
of bestemd zijn voor industriële, commerciële, landbouwkundige,
medische, wetenschappelijke, onderwijskundige of
beveiligingsdoeleinden, mits hiervoor door de overheid een
vergunning (voorzover vereist) is afgegeven.
Onder een kerninstallatie wordt verstaan een kerninstallatie in
de zin van de Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen (Staatsblad
1979-225).
5. molest
ongevallen veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict,
burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en
muiterij. De hier genoemde vormen van molest, alsmede de
definities daarvan, vormen een onderdeel van de tekst, die
door het Verbond van Verzekeraars op 2 november 1981 ter
griffie van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage is
gedeponeerd.
In afwijking van het bepaalde in de eerste alinea van dit artikel
zal wel uitkering worden verleend indien deze ongevallen
niet zijn veroorzaakt door of in verband staan met deelname
– anders dan ter bescherming van eigen leven of dat van lotgenoten
– aan één der genoemde acties, dan wel het zich –
door handeling of uitlating – blootstellen aan enige strafmaatregel.
Eveneens in afwijking van het bepaalde in de eerste alinea
van dit artikel zal gedurende 10 dagen nog dekking worden
verleend indien verzekerde tijdens een verblijf in het buitenland
door één der genoemde acties werd verrast.
4. Verplichtingen bij een ongeval
1. ongeval met letsel
1. aanmelding
In geval van een ongeval waaruit voor de verzekerde blijvende
invaliditeit zou kunnen ontstaan, is de verzekerde verplicht
binnen 3 maanden nadat de gevolgen van een ongeval
zich openbaren aan de verzekeraar kennis te geven van alle
bijzonderheden met betrekking tot het ongeval en de gevolgen
daarvan, en met name het ongevalsformulier volledig en
waarheidsgetrouw in te vullen, en alle verder gevraagde inlichtingen
dienaangaande volledig en waarheidsgetrouw te
verstrekken.
Het recht op uitkering vervalt in ieder geval indien kennisgeving
van een ongeval meer dan 5 jaar na de datum van het
ongeval plaatsvindt.
2. meewerken aan herstel
Verzekerde is verplicht:
• zich direct onder geneeskundige behandeling te stellen en
daaronder te blijven, indien dit redelijkerwijs is geboden;
• zich herstelbevorderend te gedragen en tenminste de voorschriften
van de behandelend arts op te volgen.
• verzekeraar op de hoogte te houden van het verloop van
het herstel.
3. onderzoek door een geneeskundige
Verzekerde is verplicht zich desgevraagd op kosten van de
verzekeraar te laten onderzoeken door een door de verzekeraar
in Nederland aan te wijzen arts of zich voor onderzoek
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
te laten opnemen in een door de verzekeraar in Nederland aan
te wijzen ziekenhuis of andere medische inrichting.
De gemaakte reiskosten zullen worden vergoed op kosten van
openbaar vervoer in de 2e klasse, danwel op basis van de
kilometervergoeding zoals deze jaarlijks door de Belastingdienst
wordt vastgesteld voor onbelaste vergoeding. Indien de
verzekerde in het buitenland verblijft zal worden uitgegaan
van een vergoeding op basis van een dagkaart openbaar vervoer
in de 2e klasse binnen Nederland. De kosten van arbeidsverzuim,
ongeacht door wie geleden, worden nimmer
vergoed.
2. ongeval met dodelijke afloop
1. aanmelding
In geval van een ongeval, waarbij de verzekerde overlijdt,
zijn de begunstigden verplicht daarvan tenminste 48 uur voor
de begrafenis of crematie aangifte te doen bij de verzekeraar
en onverwijld alle bijzonderheden, waarover zij de beschikking
hebben of krijgen mede te delen. Indien melding plaatsvindt
meer dan 48 uur na het ongeval dienen de begunstigden
ten genoegen van de verzekeraar aan te tonen dat hen redelijkerwijs
inzake de verlate aangifte geen verwijt kan worden
gemaakt.
2. vaststelling doodsoorzaak
De begunstigden zijn verplicht toestemming te verlenen tot
en medewerking te verlenen aan een onderzoek tot vaststelling
van de doodsoorzaak.
3. niet-nakomen verplichtingen
1. verval van recht op uitkering
Indien de in dit artikel 4 omschreven verplichtingen niet of
niet tijdig zijn nagekomen en daardoor de belangen van verzekeraar
zijn geschaad is verzekerde jegens verzekeraar aansprakelijk
voor de schade die zij daardoor lijdt.
2. opzet tot misleiding
Elk recht op uitkering vervalt indien verzekerde of een belanghebbende
in verband met een ongeval opzettelijk onjuiste
informatie verstrekt.
5. Mededelingen
Alle mededelingen door de verzekeringnemer, verzekerde of een
begunstigde aan de verzekeraar, alsmede alle mededelingen door de
verzekeraar aan verzekeringnemer, verzekerde of een begunstigde
kunnen rechtsgeldig worden gedaan aan de makelaars AON Consul
ting Nederland te Rotterdam of Baneke/Gräffner te Amsterdam.
Adres: AON Consulting Nederland Meeùs/Baneke
Postbus 518 Postbus 74094
3000 AM Rotterdam 1070 BB Amsterdam
Telefoon: 010 – 448 89 11 Telefoon: 020 – 301 86 86
6. Geschillen
Geschillen voortvloeiende uit deze verzekering zullen worden voorgelegd
aan de bevoegde rechter in Nederland, tenzij tussen partijen
wordt overeengekomen op andere wijze tot overeenstemming te
geraken.
Op verzoek van de verzekerde worden geschillen die betrekking hebben
op de vaststelling van de mate van invaliditeit voorgelegd aan
een arbiter of bindend adviseur. Deze zal in onderling overleg worden
benoemd. De hieraan verbonden kosten zullen worden gedragen
door de verzekeraar. Als geen overeenstemming wordt bereikt zal de
arbiter of bindend adviseur worden benoemd door de president van
de in de eerste alinea van dit artikel genoemde rechter.
7. Wet persoonsregistratie
De bij aanvraag en verlenging van deze verzekering, alsmede bij
afwikkeling van ongevallen te overleggen en eventueel nog nader te
overleggen gegevens kunnen worden opgenomen in de door de
bovenstaande verzekeraar gevoerde persoonsregistratie. Op deze registratie
is een privacyreglement van toepassing. Aanmelding van
deze registratie bij de Registratiekamer is gedaan. Een afschrift van
het formulier van aanmelding ligt voor ieder ter inzage ten kantore
van de bovenstaande verzekeraar.
8. Klachtenbehandeling
Deze verzekering is tot stand gekomen door bemiddeling van de
makelaars AON Consulting en Meeùs/Baneke. Bij eventuele klachten
over de afwikkeling is het primair haar taak te bemiddelen bij het
tot stand komen van een correcte wijze van klachtenbehandeling.
Overigens zijn zowel door verzekeraar als door makelaars onafhankelijke
klachteninstituten opgericht. De makelaars zullen verzekerden
of begunstigden op eerste verzoek informeren over namen,
werkwijzen en adressen van de betreffende organisaties.
REGLEMENT COLLECTIEVE KINDEROPVANGREGELING
CAO VOOR HET BOUWBEDRIJF EN CAO VOOR HET UTAPERSONEEL IN DE BOUWBEDRIJVEN
Inleiding
Partijen bij de CAO voor het Bouwbedrijf en de CAO voor het Uitvoerend,
Technisch en Administratief personeel in de bouwbedrijven zijn
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
een collectieve kinderopvangregeling overeengekomen welke per 1 juli
2001 van kracht is geworden. Deze regeling is in essentie opgenomen in
artikel 25a van de CAO voor het Bouwbedrijf en artikel 35a van de
CAO voor het UTA-personeel.
Bij de inwerkingtreding van de Wet Kinderopvang per 1 januari 2005 is
de regeling aangepast aan deze wetgeving.
Ten behoeve van de kinderopvangregeling is een fonds in het leven
geroepen waaruit de kinderopvang wordt gefinancierd.
De stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor het Bouwbedrijf
(O&O-fonds) verzorgt bij de uitvoering van de regeling de collecterende
functie en besteedt namens partijen de uitvoering van de regeling uit aan
Kintent. Kintent is een landelijk werkende organisatie voor bedrijfsgerichte
kinderopvang. Naast Kintent heeft ook SFB CAO-Regelingen
in het administratieve proces van de uitvoering een taak van CAOpartijen
opgedragen gekregen.
CAO-partijen hebben een commissie kinderopvang ingesteld welke be-
last is met de uitvoering van de kinderopvangregeling. De commissie
kinderopvang bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van
werkgevers-en werknemerszijde. Werknemers die onder de werkingssfeer
van de CAO vallen kunnen voor de regeling in aanmerking komen.
De regeling heeft betrekking op kinderen van 0 tot 4 jaar. Teneinde voor
uitvoering hiervan nadere regels te stellen, is onderstaand reglement
opgesteld.
Artikel 1
Begripsbepalingen
– CAO:
de CAO voor het Bouwbedrijf en/of de CAO voor het UTA-personeel
in de bouwbedrijven
– commissie:
de door CAO-partijen ingestelde commissie kinderopvang, die de
regeling kinderopvang uitvoert, bestaande uit een gelijk aantal vertegenwoordigers
van werknemers-en van werkgeverszijde.
– Regeling Kinderopvang:
de in de CAO vastgestelde regeling, waarvan dit reglement een
nadere uitwerking is.
– Fonds:
de stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor het Bouwbedrijf
(O&O-fonds), het fonds waaruit de kosten voor kinderopvang
worden gefinancierd.
– Kintent:
de door de commissie aangewezen uitvoerder van de regeling kinderopvang.
– werkgever:
de werkgever op wie de CAO van toepassing is, alsmede de werkgever
die als zodanig door de commissie wordt aangemerkt.
– werknemer:
de werknemer op wie de CAO van toepassing is, alsmede de werknemer
die als zodanig door de commissie wordt aangemerkt.
– kind:
een kind tot 4 jaar, dat op hetzelfde adres als de werknemer woont
en door de werknemer duurzaam als eigen kind wordt verzorgd en
opgevoed. Desgevraagd dient de werknemer een verklaring uit het
bevolkingsregister te overleggen waaruit blijkt dat werknemer en
kind op hetzelfde adres woonachtig zijn.
– bijdrageplichtig loon:
de geldende premiegrondslag als bedoeld in artikel 2, lid 2 van het
financieringsreglement van het O&O-fonds (1,5 x SV-loon).
– partner:
de met de werknemer gehuwde of samenwonende verzorger van het
kind.
– kindplaats:
gehele of gedeeltelijke opvangplaats in een geregistreerd kinderdagverblijf
of bij een gastouderbureau
– kindercentrum: het centrum dat een kindplaats aanbiedt.
Artikel 2
Werkgeversbijdrage
De werkgever is aan het fonds een bijdrage verschuldigd.
De grondslag en de hoogte van de bijdrage, alsmede de betaaltermijnen
zijn vastgesteld in het financieringsreglement van het O&O-fonds.
Artikel 3
Uitvoering
De commissie delegeert de uitvoering van de regeling kinderopvang aan
Kintent. Kintent voert op eigen naam de administratie van de
kinderopvangregeling overeenkomstig de CAO. Kintent is bevoegd
rechtsmaatregelen te nemen wanneer blijkt dat een werknemer ten onrechte
een werkgeversbijdrage in de kosten kinderopvang heeft ontvangen.
Kintent is over al haar activiteiten in het kader van de uitvoering
van de regeling kinderopvang verantwoording verschuldigd aan de commissie.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 4
Aanvraagprocedure
De werknemer kan rechtstreeks bij Kintent informatie inwinnen over de
Regeling Kinderopvang. Indien de werknemer in aanmerking wenst te
komen voor een bijdrage in de kosten kinderopvang, stuurt Kintent hiertoe
een aanvraagformulier voor kinderopvang, twee werkgeversverklaringen
(voor werknemer en partner), alsmede informatie over de hoogte
van de werkgeversbijdrage en de te volgen procedure.
Artikel 5
Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor een bijdrage in de kosten kinderopvang
gelden de volgende voorwaarden:
1. De werknemer dient per kind een aanvraag in bij Kintent door mid-
del van het aanvraagformulier voor kinderopvang en twee werkgeversverklaringen
(werknemer en partner).
2. De ouder sluit zelf de overeenkomst kinderopvang af met een geregistreerd
kindcentrum of gastouderbureau. De ouder voldoet zelf de
factuur en vraagt ook zelf de overheidsbijdrage aan bij de Belastingdienst.
Met een kopie van de factuur en het declaratieformulier van
Kintent kan de werkgeversbijdrage uit het fonds worden aangevraagd.
3. De bijdrage in de kosten van kinderopvang start op zijn vroegst
nadat de formulieren, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, door Kin-
tent zijn ontvangen.
Artikel 6
Toekenning van bijdrage uit fonds
1. Uit de middelen van het fonds kan door Kintent een bijdrage in de
kosten kinderopvang worden toegekend aan werknemers die het aanvraagformulier
voor kinderopvang en de werkgeversverklaringen
hebben ingediend bij Kintent.
2. De bijdrage bedraagt 1/6 deel van de opvangkosten, rekening houdend
met het fiscale uurtarief (voor 2005: € 5,68). Is de gemiddelde
uurprijs hoger dan het fiscale uurtarief, dan komt dit meerdere niet
voor vergoeding uit het fonds in aanmerking.
3. Kintent beziet aan de hand van de ingestuurde formulieren en zo
nodig door middel van aanvullende informatie of aan de voorwaarden
voor toekenning van een bijdrage is voldaan.
4. Ingeval de werknemer in deeltijd werkzaam is, mag het aantal
opvangdagen niet meer bedragen dan het aantal dagen dat de werknemer
bij de werkgever werkt.
4. Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst van de aanvraagformulieren
behandeld. Aanvragen worden niet met terugwerkende
kracht in behandeling genomen, tenzij de commissie anders beslist.
5. Kintent honoreert de aanvraag, indien aan alle voorwaarden is voldaan
en nadat Kintent heeft vastgesteld dat voldoende middelen in
het fonds aanwezig zijn om deze kosten te dekken. Indien er niet voldoende
middelen aanwezig zijn om een aanvraag te kunnen honoreren,
stelt Kintent de commissie onverwijld op de hoogte van het
gebrek aan fondsmiddelen. In overleg met de commissie kan een
wachtlijst door Kintent worden aangelegd op volgorde van binnenkomst.
De commissie kan regels stellen omtrent het verlenen van
voorrang ingeval van een wachtlijst.
6. Na honorering van de aanvraag ontvangt de werknemer een
toestemmingsbrief, dat de facturen mogen worden gedeclareerd. De
ouder ontvangt de benodigde declaratieformulieren van Kintent.
7. Kintent keert de bijdrage van het fonds uit aan de ouder.
8. Kintent is te allen tijde bevoegd om nadere inlichtingen van de werknemer
of de werkgever te vragen, indien naar de mening van Kin-
tent de overlegde stukken te weinig duidelijkheid verschaffen voor
toewijzing van een bijdrage in de kosten.
9. Voor flexibele en speciale vormen van opvang kunnen bijzondere
regels worden gesteld.
Artikel 7
Einde gefinancierde kindplaats
1. De bijdrage in de kosten van een kindplaats uit het fonds eindigt
door de opzegging van de kindplaats door de werknemer. De werknemer
is verplicht in alle gevallen de opzegging van een kindplaats
schriftelijk bij Kintent te melden.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 eindigt de bijdrage uit het fonds
op de eerste van de maand nadat het kind de 4-jarige leeftijd heeft
bereikt.
3. Indien het dienstverband van de werknemer wordt beëindigd en deze
daardoor niet meer onder de werkingssfeer van de CAO voor het
Bouwbedrijf of de CAO voor het UTA-personeel in de bouwbedrijven
valt, eindigt het recht van de werknemer op een bijdrage uit het
fonds. Dit recht eindigt voorts als de functie van de werknemer wijzigt
in een functie die niet meer onder de werkingssfeer van de desbetreffende
CAO’s valt.
4. De werknemer is verplicht, indien een situatie zoals beschreven in
lid 3 van dit artikel zich voordoet, dit onverwijld schriftelijk bij Kin-
tent te melden. De bijdrage uit het fonds vervalt dan.
5. Indien de werknemer het gebruik van een kindplaats niet of niet tijdig
opzegt en daardoor ten onrechte een bijdrage uit het fonds verkrijgt
of heeft verkregen, zal Kintent deze onterecht verkregen bijdrage
terugvorderen bij de werknemer.
6. De bijdrage uit het fonds wordt door Kintent beëindigd indien de
werknemer in gebreke blijft.
7. Indien de werknemer te veel of ten onrechte een bijdrage in de kosten
kinderopvang heeft genoten doordat deze heeft gehandeld in
strijd met de voorwaarden van dit reglement dan zal Kintent deze
bijdrage terugvorderen. De bijdrage kan worden verhoogd met de
wettelijke rente.
Artikel 9
Bezwarenregeling
Alle bezwaren betreffende de toepassing en uitvoering van de regeling
kinderopvang dienen schriftelijk kenbaar gemaakt te worden aan Kin-
tent. Kintent neemt binnen een redelijke termijn een besluit over de
gegrondheid van het bezwaar. Indien daartoe aanleiding bestaat kan Kin-
tent een nieuw besluit nemen. Op verzoek van de werknemer zal Kin-
tent een bezwaar voorleggen aan de commissie. Kintent informeert de
werknemer over het door de commissie genomen besluit op het bezwaar.
Artikel 10
Bevoegdheden commissie
1. De commissie is te allen tijde bevoegd om nadere informatie bij de
werkgever in te winnen.
2. In alle zaken betreffende de regeling kinderopvang, waarin dit reglement
niet voorziet en in die gevallen waarin de toepassing van dit
reglement leidt tot uitkomsten die door een van de betrokkenen in
strijd wordt geacht met de bedoeling van deze regeling, beslist de
commissie.
Artikel 11
Geheimhouding
De commissie en Kintent zijn tot geheimhouding verplicht van de door
de werknemer verstrekte gegevens inzake de regeling kinderopvang.
REGLEMENT VERLOF BIJ STERVENSBEGELEIDING EN
ROUW (BOUW-CAO)
Artikel 1
Begripsbepalingen
a. werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 1 van deze CAO.
b. werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 1 van deze CAO.
c. loon: het vast overeengekomen loon per betalingsperiode als bedoeld
in de cao, vermeerderd met de daarbij behorende vakantiewaarde.
Indien een prestatiebevorderend systeem zoals bedoeld in de cao van
toepassing is, dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd
met de gemiddelde prestatiepremie gedurende de betalingsperiode.
d. O&O-fonds: Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor het
Bouwbedrijf.
e. SFB: SFB CAO-Regelingen B.V.
Artikel 2
Betaald verlof
1. Iedere werknemer heeft met inachtneming van de in artikel 3 ge
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
noemde voorwaarden gedurende 10 dagen recht op betaald verlof ten
behoeve van de stervensbegeleiding van een persoon in de terminale
fase als hieronder bedoeld:
a. de echtgeno(ot(e) of de persoon waarmee een werknemer een
gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel
vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie
en/of door middel van een beschikking van de
belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt.
b. een bloed-of aanverwant in de eerste of tweede graad (in de zin
van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) of een kind dan wel de
ouders van de persoon waarmee een werknemer een gezamenlijke
huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgelegde
samenlevingsovereenkomst en/of door middel van een
beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend
heeft gemaakt.
c. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en
door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed
op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de
Wet op de jeugdhulpverlening.
2. Geen recht op betaald verlof als genoemd in lid 1 van dit artikel
bestaat indien de onder a, b of c bedoelde persoon binnen twaalf
maanden vanaf de eerste dag van stervensbegeleiding opnieuw begeleiding
bij sterven behoeft.
3. Iedere werknemer heeft met inachtneming van hetgeen is bepaald in
artikel 3 gedurende 10 dagen recht op betaald rouwverlof in verband
met de verwerking van het overlijden van een persoon als bedoeld
in lid 1 a t/m c.
4. Indien sprake is van deeltijdarbeid bestaat naar rato van de arbeidsduur
recht op verlof voor stervensbegeleiding en op rouwverlof.
Artikel 3
Algemene Voorwaarden
1. Het voor declaratie in aanmerking komende verlof ten behoeve van
stervensbegeleiding dient te zijn opgenomen gedurende een aaneengesloten
periode van maximaal 10 dagen, gelegen voor de datum van
overlijden.
2. Het voor declaratie in aanmerking komende rouwverlof dient te zijn
opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 10
dagen gelegen direct na het overlijden.
3. De werkgever kan de verletkosten over de dagen dat de werknemer
niet heeft gewerkt in verband met de stervensbegeleiding en/of het
rouwverlof achteraf declareren bij het SFB.
4. De werknemer is verplicht medewerking te verlenen aan de
declaratieprocedure van de verletkosten door de werkgever.
5. De werkgever en werknemer zijn verplicht aan het SFB desgevraagd
inzicht te verlenen in gegevens die direct of indirect betrekking hebben
op de door het O&O-fonds te verstrekken vergoeding.
Artikel 4
Procedure
1. Na aanvang van het verlof ten behoeve van stervensbegeleiding c.q.
rouw vraagt de werkgever aan het SFB om toezending van een
declaratieformulier voor verlof bij stervensbegeleiding en rouw.
2. Binnen drie maanden na het verstrijken van de periode van rouw
zendt de werkgever aan het SFB toe het volledig ingevulde en door
zowel de werkgever als de werknemer ondertekende declaratieformulier,
inclusief de in lid 3 van dit artikel genoemde bijlagen.
3. Het declaratieformulier dient vergezeld te gaan van een overlijdensakte
van de betreffende persoon.
4. De kosten van de in lid 3 van dit artikel genoemde bijlagen komen
voor rekening van de werknemer.
5. Door ondertekening van het formulier geeft de werknemer het SFB
een machtiging af om vermelde gegevens te controleren bij de
gemeentelijke basisadministratie.
6. Het SFB neemt aanvragen slechts in behandeling als is voldaan aan
hetgeen is gesteld in lid 3 van dit artikel.
Artikel 5
Hoogte van de vergoeding
De vergoeding is gelijk aan het het loon, alsmede de over dat loon op
grond van de bepalingen in de CAO door de werkgever verschuldigde
premies en bijdragen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 6
Samenloop
1. Per gebeurtenis waarbij meerdere personen als bedoeld in artikel 2,
lid 1 van dit reglement vrijwel gelijktijdig komen te overlijden, worden
door het O&O-fonds aan de werkgever de verletkosten vergoed
van niet meer dan 10 dagen verlof ten behoeve stervensbegeleiding
alsmede 10 dagen rouwverlof.
2. Indien gebruik wordt gemaakt van een aaneengesloten periode van
verlof ten behoeve van stervensbegeleiding en rouw van maximaal
20 dagen, dan komen de uit artikel 33 van de CAO voor het Bouwbedrijf
voortvloeiende verlofaanspraken te vervallen.
3. In geval het stervensbegeleidings-en/of rouwverlof samenvalt met
een vakantieperiode van de werknemer, behoudt de werknemer het
recht om op een later (in overleg met zijn werkgever te bepalen)
moment alsnog – al dan niet aaneengesloten – de vakantiedagen op
te nemen in dezelfde hoeveelheid als het aantal opgenomen dagen
voor het rouw-of palliatief verlof.
REGLEMENT VERLOF BIJ STERVENSBEGELEIDING EN
ROUW (UTA BOUW)
Artikel 1
Begripsbepalingen
a. werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 1 van deze CAO.
b. werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 1 van deze CAO.
c. salaris: het tussen werknemer en werkgever overeengekomen vaste
bruto bedrag per periode, dat de werknemer als loon voor zijn werkzaamheden
in de door hem uitgeoefende functie ontvangt van de
werkgever.
d. O&O-fonds: Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor het
Bouwbedrijf.
e. SFB: SFB CAO-Regelingen B.V.
Artikel 2
Betaald verlof
1. Iedere werknemer heeft met inachtneming van de in artikel 3 genoemde
voorwaarden gedurende 10 dagen recht op betaald verlof ten
behoeve van de stervensbegeleiding van een persoon in de terminale
fase als hieronder bedoeld:
a. de echtgeno(ot(e) of de persoon waarmee een werknemer een
gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel
vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie
en/of door middel van een beschikking van de
belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt.
b. een bloed-of aanverwant in de eerste of tweede graad (in de zin
van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) of een kind dan wel de
ouders van de persoon waarmee een werknemer een gezamenlijke
huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgelegde
samenlevingsovereenkomst en/of door middel van een
beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend
heeft gemaakt.
c. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en
door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed
op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de
Wet op de jeugdhulpverlening.
2. Geen recht op betaald verlof als genoemd in lid 1 van dit artikel
bestaat indien de onder a, b of c bedoelde persoon binnen twaalf
maanden vanaf de eerste dag van stervensbegeleiding opnieuw begeleiding
bij sterven behoeft.
3. Iedere werknemer heeft met inachtneming van hetgeen is bepaald in
artikel 3 gedurende 10 dagen recht op betaald rouwverlof in verband
met de verwerking van het overlijden van een persoon als bedoeld
in lid 1 a t/m c.
4. Indien sprake is van deeltijdarbeid bestaat naar rato van de arbeidsduur
recht op verlof voor stervensbegeleiding en op rouwverlof.
Artikel 3
Algemene Voorwaarden
1. Het voor declaratie in aanmerking komende verlof ten behoeve van
stervensbegeleiding dient te zijn opgenomen gedurende een aaneengesloten
periode van maximaal 10 dagen, gelegen voor de datum van
overlijden.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
2. Het voor declaratie in aanmerking komende rouwverlof dient te zijn
opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 10
dagen gelegen direct na het overlijden.
3. De werkgever kan de verletkosten over de dagen dat de werknemer
niet heeft gewerkt in verband met de stervensbegeleiding en/of het
rouwverlof achteraf declareren bij het SFB.
4. De werknemer is verplicht medewerking te verlenen aan de
declaratieprocedure van de verletkosten door de werkgever.
5. De werkgever en werknemer zijn verplicht aan het SFB desgevraagd
inzicht te verlenen in gegevens die direct of indirect betrekking hebben
op de door het O&O-fonds te verstrekken vergoeding.
Artikel 4
Procedure
1. Na aanvang van het verlof ten behoeve van stervensbegeleiding c.q.
rouw vraagt de werkgever aan het SFB om toezending van een
declaratieformulier voor verlof bij stervensbegeleiding en rouw.
2. Binnen drie maanden na het verstrijken van de periode van stervensbegeleiding
c.q. de periode van rouw zendt de werkgever aan het
SFB toe het volledig ingevulde en door zowel de werkgever als de
werknemer ondertekende declaratieformulier, inclusief de in lid 3
van dit artikel genoemde bijlagen.
3. Het declaratieformulier dient vergezeld te gaan van een overlijdensakte
van de betreffende persoon.
4. De kosten van de in lid 3 van dit artikel genoemde bijlagen komen
voor rekening van de werknemer.
5. Door ondertekening van het formulier geeft de werknemer het SFB
een machtiging af om vermelde gegevens te controleren bij de
Gemeentelijke Basis Administratie.
6. Het SFB neemt aanvragen slechts in behandeling als is voldaan aan
hetgeen is gesteld in lid 3 van dit artikel.
Artikel 5
Hoogte van de vergoeding
De vergoeding is gelijk aan het doorbetaalde salaris, alsmede de over dat
salaris op grond van de bepalingen in de cao door de werkgever verschuldigde
premies, bijdragen en de verschuldigde vakantietoeslag.
Artikel 6
Samenloop
1. Per gebeurtenis waarbij meerdere personen als bedoeld in artikel 2,
lid 1 van dit reglement vrijwel gelijktijdig komen te overlijden, worden
door het O&O-fonds aan de werkgever de verletkosten vergoed
van niet meer dan 10 dagen verlof ten behoeve stervensbegeleiding
alsmede 10 dagen rouwverlof.
2. Indien gebruik wordt gemaakt van een aaneengesloten periode van
verlof ten behoeve van stervensbegeleiding en rouw van maximaal
20 dagen, dan komen de uit artikel 33 van de CAO voor het Bouwbedrijf
voortvloeiende verlofaanspraken te vervallen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
STATUTEN VAN DE STICHTING UITTREDEN BOUWBEDRIJF
VOORWAARDEN VERVROEGDE UITTREDING BOUWBEDRIJF
BIJDRAGEREGLEMENT VAN DE STICHTING UITTREDEN
BOUWBEDRIJF
STICHTING SCHOLINGSFONDS VOOR HET BOUWBEDRIJF
Statuten van de Stichting Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf
Artikel 1
Naam en zetel
De stichting draagt de naam ,,Stichting Scholingsfonds voor het Bouw-
bedrijf’’.
De stichting is gevestigd te Hoofddorp.
De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
Artikel 2
Definities
In deze statuten wordt verstaan onder:
1. Scholingsfonds: de in artikel 1 genoemde stichting, waarin wordt
deelgenomen door de werkgevers en de werknemers op wie deze
CAO van toepassing is.
2. Deze CAO: de CAO Bedrijfstakeigen regelingen voor het Bouwbedrijf.
3. Werkgever: de werkgever in de zin van deze CAO.
4. Werknemer: de werknemer in de zin van deze CAO.
5. Bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 5 van de statuten.
6. Reglement: een reglement als bedoeld in artikel 8 van de statuten.
7. CAO-Regelingen: SFB CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam
Artikel 3
Doel
Het fonds stelt zich ten doel om scholingsactiviteiten ten behoeve van
werknemers te ontplooien teneinde een goede werking van de arbeidsmarkt
in de sector te bewerkstelligen en de employability van werknemers
in de sector te verbeteren.
Het fonds stelt zich voorts ten doel om in aansluiting op artikel 35B van
de CAO voor het Bouwbedrijf, en overeenkomstig bij reglement vastgestelde
bepalingen, loonkosten wegens deze scholingsdagen in de bouwnijverheid
in Nederland te vergoeden.
Het fonds stelt zich ten slotte ten doel het financieren of subsidiëren van
werkgelegenheidsprojecten voor mensen zonder werk of werknemers die
met werkloosheid worden bedreigd en het verstrekken van algemene
voorlichting ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de
bedrijfstak omtrent de activiteiten van het Scholingsfonds.
Er kan slechts een beroep worden gedaan op gelden uit het fonds onder
voorwaarde dat de te financieren of subsidiëren instellingen en personen
vooraf een begroting indienen betreffende de besteding van de door hen
aangevraagde gelden.
Voorts zal jaarlijks binnen vier maanden na het verstrijken van het boekjaar
aan het bestuur van de stichting verantwoording omtrent de besteding
van de ontvangen middelen moeten worden afgelegd. Deze verantwoording
dient te zijn voorzien van een goedkeurende verklaring door
een erkend registeraccountant of accountant-administratieconsulent met
certificerende bevoegdheid.
Zowel de begroting als de verantwoording dient te zijn ingericht en te
zijn gespecificeerd volgens de hierboven omschreven bestedingsdoelen.
De verantwoording en accountantsverklaring dienen bovendien een geïntegreerd
onderdeel uit te maken van het (financieel) jaarverslag van het
fonds.
Artikel 4
Middelen
1. De geldmiddelen van het Scholingsfonds bestaan uit:
a. Het stichtingskapitaal.
b. De bijdragen die ter uitvoering van het doel van het fonds jaarlijks
door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als
nader bij reglement(en) is bepaald.
c. Renten.
d. Eventuele overheidssubsidies.
e. Geldleningen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
f. Eventuele andere baten.
2. De werkgever is ten aanzien van zijn werknemer over elke dag,
waarover loon wordt ontvangen, een bijdrage aan het fonds verschuldigd
zoals nader is aangegeven in het reglement.
Artikel 5
Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien leden, te weten vijf
werkgeversleden en vijf werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door de vereniging AVBB.
Drie werknemersleden worden benoemd door de vereniging FNV
Bouw en twee werknemersleden door de Houten Bouwbond CNV.
3. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
Het bestuur benoemt uit zijn midden twee secretarissen: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
4. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar
als voorzitter en als tweede voorzitter op.
Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert
als secretaris de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.
5. Voor de verdeling van de bestuurszetels voor de werknemersorganisaties
geldt een kiesdeler.
De kiesdeler wordt bepaald door het aantal actieve leden van de
werknemersorganisatie(s) die betrokken zijn bij het fonds, te delen
door 7. Na normale afronding volgt hieruit het aantal bestuursleden
per organisatie. Als werknemersorganisaties worden beschouwd partijen
betrokken bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van de
bouwnijverheid.
De stand per 1 juli van enig jaar is bepalend voor de zetelverdeling
in het daaropvolgende jaar.
Na schriftelijk verzoek van tenminste één van de werknemersorganisaties
stelt het bestuur de kiesdeler opnieuw vast.
Het totaal aantal werknemerszetels is 5.
6. De werkgeversbestuursleden worden benoemd voor een periode van
drie jaar en zijn herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van
aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden
afgeweken.
7. Aftredende werknemersbestuursleden komen voor herbenoeming in
aanmerking. Voor werkgeversbestuursleden geldt bovenstaande.
8. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
9. De organisatie die een bestuurslid benoemt, kan te allen tijde die
benoeming intrekken en in plaats daarvan een ander tot bestuurslid
benoemen.
Artikel 6
Bestuursvergaderingen
1. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele
bijlagen door het Technisch Bureau Bouwnijverheid te Hoofddorp
voor de vergadering aan de leden toegezonden. Stukken en
voorstellen die zijn ingekomen nadat de agenda is verzonden, kunnen
alleen in behandeling worden genomen, indien hiertoe met volstrekte
meerderheid van stemmen besloten wordt.
2. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen
waarin geen twijfel mogelijk is, door de voorzitter en de secretaris
voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de
eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden
voorgedragen.
3. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden
genomen, als niet tenminste zes bestuursleden aanwezig zijn, waarvan
tenminste twee werkgeversleden en tenminste twee werknemersleden.
4. Indien in een vergadering van het bestuur meer werkgeversleden
aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen
de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel
stemmen uit als de andere groep leden.
5. Over zaken wordt bij voorkeur mondeling en over personen schriftelijk
gestemd.
6. Alle besluiten worden, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel
14 van deze statuten, genomen met een volstrekte meerderheid van
stemmen.
7. Indien de stemmen staken wordt de beslissing tot de volgende ver
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
gadering uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen
staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen zo het een stemming
over zaken betreft en zal, indien het een stemming over personen
betreft, het lot beslissen.
8. Een gewone meerderheid binnen de werkgevers-of werknemersgeleding
bepaalt het standpunt van die geleding.
9. Leden van het bestuur van het Technisch Bureau Bouwnijverheid
zijn gerechtigd bij bestuursvergaderingen aanwezig te zijn.
Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens
de bestuursvergaderingen.
Artikel 7
Bestuursbevoegdheden en vertegenwoordiging
1. Het bestuur is belast met het besturen van de zaken van de stichting,
het beheer van haar vermogen, alsmede het innen van de gelden en
het doen van uitkeringen. Het bestuur is bevoegd, met inachtneming
van het in deze statuten bepaalde, tot alle rechtshandelingen met
name ook tot het sluiten van die overeenkomsten, waarvoor het regelend
recht een beperking kent.
2. Het bestuur beslist in alle zaken waarin de beslissing niet is opgedragen
of gedelegeerd aan andere organen van de stichting.
3. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het
bestuur alsmede door de fungerend voorzitter en fungerend secretaris
gezamenlijk.
Artikel 8
Reglementen
1. Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer
uitvoeringsreglementen en een huishoudelijk reglement vaststellen.
2. De reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn
met deze statuten.
Artikel 9
Mandaat
1. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden mandateren
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid dan wel aan CAO-
Regelingen en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn
midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies
toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te
stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q CAO-Regelingen.
De gemandateerde bevoegdheden worden door de commissies dan
wel het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q. CAO-Regelingen uitgeoefend
onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
2. Het administratief en geldelijk beheer wordt onder verantwoordelijkheid
van het bestuur uitgevoerd.
Artikel 10
Secretariaat
Het bestuur laat zich bij het uitvoeren van haar taak terzijde staan door
het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
Artikel 11
Besteding van middelen
De middelen worden op een door het bestuur vast te stellen wijze
besteed aan de genoemde doelen van het fonds. De beleggingen zullen
door het bestuur op een zodanige wijze geschieden, dat
j. Een redelijke spreiding naar aard en risico van de bezittingen en interesses
wordt verkregen
k. Een optimaal rendement wordt verkregen
l. Geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen
Artikel 12
Begroting
1. Uiterlijk in de maand januari worden de begrotingen van inkomsten
en van uitgaven voor het lopende boekjaar vastgesteld.
2. De begroting is ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3
van de statuten omschreven bestedingsdoelen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
3. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van
de bestuursleden benoemende organisaties, als bedoeld in artikel 5
lid 2.
4. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar
voor alle bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers.
Artikel 13
Jaarverslag, rekening en verantwoording
1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Het bestuur van de stichting stelt jaarlijks een verslag op, dat een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen
van de stichting aan het einde van het boekjaar en van de ontwikkeling
daarvan gedurende het boekjaar, alsmede is gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 3 van de statuten omschreven
bestedingsdoelen; via dit verslag legt het bestuur rekenschap van het
gevoerde beleid af aan de bestuursleden benoemende organisaties als
bedoeld in artikel 5 lid 2.
3. Dit verslag moet zijn gecontroleerd door een externe door het bestuur
te benoemen registeraccountant of accountant-administratieconsulent
met certificerende bevoegdheid.
4. Dit verslag wordt, voorzien van de goedkeurende verklaring van de
registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid, ter inzage van de bij de stichting betrokken
werkgevers en werknemers neergelegd,:
a. Ten kantore van het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
b. Op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
5. Het verslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan de
werkgevers-en werknemersorganisaties en op aanvraag aan de bij de
stichting betrokken werkgevers en werknemers.
6. Het verslag en de goedkeurende accountantsverklaring worden binnen
zes maanden na het verstrijken van het boekjaar in drievoud
gezonden naar het Centraal Kantoor van de Arbeidsinspectie. Uit
deze stukken moet blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3
omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
Artikel 14
Statutenwijziging
1. Het bestuur is bevoegd tot wijziging van de statuten.
2. Tot wijziging van de statuten kan door het bestuur worden besloten
in een speciaal daartoe uitgeschreven vergadering.
3. Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts genomen worden,
wanneer tenminste twee/derde gedeelte van het aantal
werkgeversbestuursleden, en tenminste twee/derde gedeelte van het
aantal werknemersbestuursleden zich voor die statutenwijziging verklaren.
Een besluit tot vaststelling of wijziging van de statuten wordt eerst
van kracht nadat de bestuursleden benoemende organisaties als bedoeld
in artikel 5 lid 2 hiervan op de hoogte zijn gebracht en hieraan
hun goedkeuring hebben verleend. In verband met de voortgang
van het proces wordt het uitblijven van een reactie binnen 6 maanden
beschouwd als een instemmende reactie.
4. De wijziging van de statuten moet bij notariële akte tot stand komen.
5. De reglementen, alsmede de in deze statuten en in de reglementen
aangebrachte wijzigingen, treden niet in werking alvorens een volledig
exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen
daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is
neergelegd ter Griffie van het Kantongerecht binnen welks ressort de
stichting is gevestigd.
Artikel 15
Ontbinding en liquidatie
1. Zowel het AVBB als FNV Bouw met de Hout-en Bouwbond CNV
gezamenlijk, kunnen de stichting ontbinden door in een aangetekend
schrijven aan het bestuur mede te delen dat zij hun medewerking in
de stichting beëindigen. Nadat twee jaar sinds bedoelde kennisgeving
is verstreken, is de stichting van rechtswege ontbonden.
2. Het bestuur is dan belast met de liquidatie en geeft een bestemming
aan het batig saldo van de stichting.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 16
Slotbepaling
In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de
stichting is voorzien beslist het bestuur.
REGLEMENT SCHOLINGSDAGEN BEDOELD IN ARTIKEL 3
EN 8 VAN DE STATUTEN VAN DE STICHTING SCHOLINGSFONDS VOOR HET BOUWBEDRIJF
Vastgesteld door het bestuur op 25 mei 1988
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het fonds: de Stichting Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf.
2. cao: CAO voor het Bouwbedrijf.
3. werkgever: de werkgever op wie de bepalingen van de cao van toe-
passing zijn.
4. werknemer: de werknemer op wie de bepalingen van de cao van toe-
passing zijn. Als werknemer wordt tevens beschouwd degene die op
basis van een overeenkomst met een uitzendbureau werkzaamheden
verricht als bedoeld in de cao en voor wie krachtens de bepalingen
van die cao het uitzendbureau gehouden is bijdragen te betalen aan
het fonds.
5. bestuur: het bestuur van het fonds.
6. het loon: het vast overeengekomen loon per betalingsperiode als
bedoeld in artikel 1, twaalfde lid, onder b van de cao, vermeerderd
met de daarbij behorende vakantiewaarde. Indien een prestatiebevorderend
systeem zoals bedoeld in artikel 21, tweede van de cao
van toepassing is, dient het vast overeengekomen loon te worden
vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie gedurende de
betalingsperiode.
7. verletkosten: het loon, alsmede de over dat loon op grond van de
bepalingen in de cao door de werkgever verschuldigde premies en
bijdragen.
8. sfb: SFB CAO-Regelingen B.V. te Amsterdam.
Artikel 2
De aan het fonds verschuldigde bijdrage
1. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting op. Deze begroting wordt
aan belanghebbenden op hun verzoek ter inzage beschikbaar gesteld.
2. De werkgever is aan het fonds een bijdrage verschuldigd als nader
aangegeven in de leden 3 en 4. De bijdrage wordt berekend op basis
van het premieloon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.
3. De bijdrage zoals bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld door
de organisaties van werkgevers en werknemers die partij zijn bij de
cao. Deze organisaties kunnen het bijdragepercentage wijzigen.
4. De in het tweede lid van dit artikel bedoelde bijdrage is door het
SFB, dat daartoe door het fonds gemachtigd is, terstond en ineens
opeisbaar op 31 december van het betreffende kalenderjaar.
5. De bijdrage bedraagt in het kalenderjaar 2005 0,6% (zijnde 0,8%,
met een directe premiekorting van 0,2%).
Artikel 3
Wijze van betalen
1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient binnen veertien
dagen na afloop van het loonbetalingstijdvak of na een periode van
vier weken te hebben plaatsgevonden.
2. Indien deze betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden, is de werkgever
in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd forfaitaire invorderingskosten bij de werkgever
in rekening te brengen.
Artikel 4
Bijdragerestitutie
1. Als de omvang van de vermogensreserve van het fonds naar de
opvatting van het bestuur daartoe aanleiding geeft, is het bestuur
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
bevoegd te besluiten over te gaan tot bijdragerestitutie aan de deelnemende
werkgevers.
2. Een besluit tot bijdragerestitutie behoeft de goedkeuring van de organisaties
van werkgevers en werknemers die partij zijn bij de cao.
Artikel 5
Vergoeding van verlet-en reiskosten
De werkgever heeft tegenover het fonds aanspraak op een vergoeding
van een vast bedrag per dag voor de verlet-en reiskosten verbonden aan
een door werknemer gevolgde cursus die
– verband houdt met zijn huidige of toekomstige beroep bij een werkgever
vallende onder de werkingssfeer van de cao;
– door het bestuur is goedgekeurd;
– gevolgd is bij een door het fonds erkend opleidingsinstituut en
– voldoet aan de overige voorwaarden die het bestuur van het fonds
heeft vastgesteld.
Artikel 6
Vergoeding van cursuskosten
Het fonds verstrekt aan de werkgever een vergoeding van een vast
bedrag per dag voor cursuskosten volgens de bepalingen in de cao,
indien de cursus voldoet aan de in artikel 5 genoemde voorwaarden. Het
bestuur stelt jaarlijks de vaste vergoedingsbedragen voor de cursussen
vast.
Artikel 7
Subsidies in het kader van een voorschakeltraject
Artikel 8
Verrekening
Als de werkgever ten tijde van de vaststelling van de vergoedingen door
het fonds ingevolge artikel 5 een opeisbare schuld aan het fonds heeft,
wordt deze schuld met het te betalen bedrag verrekend.
Artikel 9
Scholingsdagen tijdens ziekte, vorstverlet of werkloosheid
1. Als de werkgever een scholingsbeleid heeft zoals voorgeschreven in
artikel 35b van de cao, verstrekt het Scholingsfonds de vergoedingen
genoemd in de artikelen 5 en 6 ook als een werknemer tijdens ziekte
deelneemt aan een cursus.
2. Als een werknemer deelneemt aan een cursus op een dag dat hij
anders wegens vorst niet gewerkt zou hebben, verstrekt het Scholingsfonds
de vergoedingen genoemd in de artikelen 5 en 6 onder de
voorwaarde dat de scholingsdagen al voor het intreden van vorst
gepland waren.
3. Als een werknemer tijdens werkloosheid deelneemt aan een cursus,
verstrekt het Scholingsfonds de volgende vergoedingen onder de
voorwaarden dat werknemer tijdens de dienstbetrekking is aangemeld
voor de cursus en de cursus gevolgd wordt binnen vier maanden
na het beëindigen van de dienstbetrekking:
– aan werkgever de vergoeding genoemd in artikel 6 èn
– aan werknemer een vergoeding voor reiskosten van een vast
bedrag per dag en een aanvulling op zijn uitkering op grond van
de Werkloosheidswet plus aanvulling vanuit het Aanvullingsfonds
WW, tot in totaal 100 procent van het dagloon WW.
Bedoeld bedrag wordt na verkregen goedkeuring van partijen,
jaarlijks door het bestuur vastgesteld.
Artikel 10
Vergoedingen
1. Het fonds stelt op basis van deelnamelijsten van het desbetreffende
opleidingsinstituut voor de werkgever een specificatie van aan hem
te betalen vergoedingen op.
2. Gelijktijdig met de toezending van de specificatie aan de werkgever
wordt overgegaan tot betaling van het bedrag dat op de specificatie
staat.
Artikel 11
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene, die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd, inzage te verlenen van alle bescheiden, en
voorts alle overige inlichtingen te verschaffen, die ten behoeve van
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit
reglement worden gevraagd.
2. Degene aan wie bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van
het fonds of in dit reglement enig bedrijfsgegeven (waarvan hij het
vertrouwelijk karakter moet begrijpen) ter kennis komt, is dienaangaande
jegens derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 12
Garantie
Het bestuur kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanspraken
van de werknemer als diens werkgever ten opzichte van hem de verplichting
niet nakomt om het loon te verstrekken over opgenomen
scholingsdagen, als bedoeld in artikel 35b, eerste lid van de cao.
Artikel 13
Voorschriften
Teneinde een efficiënte werking van het fonds te verzekeren, kunnen
door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden in overeenstemming
met de bepalingen van de statuten en van dit reglement, mits deze
voorschriften niet in strijd komen met een of meer bepalingen van de
cao. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist het
bestuur.
Artikel 15
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als Scholingsfondsreglement.
STATUTEN VAN DE STICHTING AANVULLINGSFONDS
BOUWBEDRIJF
Artikel 1
Naam en zetel
De stichting draagt de naam: ,,Stichting Aanvullingsfonds Bouwbe-
drijf’’.
De stichting is gevestigd te Hoofddorp.
De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
Artikel 2
Definities
In deze statuten wordt verstaan onder:
1. Aanvullingsfonds: de in artikel 1 genoemde stichting, waarin wordt
deelgenomen door de werkgevers en de werknemers op wie deze
CAO van toepassing is.
2. Deze CAO: de CAO Bedrijfstakeigen regelingen voor het Bouwbedrijf.
3. Werkgever: de werkgever in de zin van deze CAO.
4. Werknemer: de werknemer in de zin van deze CAO of het uitzendbureau
dat een werknemer op basis van een overeenkomst werkzaamheden
laat verrichten als bedoeld in de CAO voor het Bouwbedrijf
en dat krachtens de bepalingen van die CAO gehouden is
bijdragen te betalen aan het fonds. Als werknemer wordt niet beschouwd:
uitvoerders, zij die in hoofdzaak toezichthoudende of administratieve
functies vervullen, tekenaars, constructeurs en andere
technici, onder wie organisatorische en arbeidstechnische medewerkers.
5. Bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 5 van de statuten.
6. Reglement: een reglement als bedoeld in artikel 8 van de statuten.
7. CAO-Regelingen: SFB CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam.
8. WW: de Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566).
9. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1966,
84).
10. REA: de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Stb. 1998,
290).
11. ZW: de Ziektewet (Stb. 1913, 204).
12. Pensioenpremie: de betaling ter voortzetting van de pensioenopbouw
conform het daaromtrent bepaalde bij of krachtens de laatstelijk op
de werknemer van toepassing zijnde CAO.
13. Invaliditeitspensioenpremie: de betaling voor de voortzetting van de
aanvullende verzekering op de uitkering op grond van de Arbeidson
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
geschiktheidsverzekering conform het daarover bepaalde bij of krachtens
de laatstelijk op de werknemer van toepassing zijnde CAO.
14. Vakantiegeld: de aanspraak van de werknemer op een betaling ter
bestrijding van loonderving over het aantal hem toekomende vakantiedagen,
snipperdagen, feestdagen en/of de vakantietoeslag.
Artikel 3
Doel
1. Het fonds heeft ten doel aan, of ten behoeve van, werknemers die
een uitkering krachtens de WW, de WAO, de REA of de ZW ontvangen
een aanvulling te verstrekken of een verstrekking te doen, als
door partijen bij de CAO is overeengekomen een dergelijke
aanvulling/verstrekking via het fonds te regelen.
2. Het fonds heeft verder ten doel de financiering van uitkeringen aan
gewezen arbeidsongeschikte werknemers die het werk gedurende
een periode van ten minste een jaar volledig hebben hervat, indien
zulks is overeengekomen in de CAO.
3. De nadere voorwaarden waaronder de in het eerste, tweede en derde
lid genoemde aanvullingen, verstrekkingen en uitkeringen worden
toegekend, zijn bij reglement vastgesteld.
Artikel 4
Middelen
1. De geldmiddelen van het Aanvullingsfonds bestaan uit:
a. Het stichtingskapitaal.
b. De bijdragen die ter uitvoering van het doel van het fonds jaarlijks
door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als
nader bij reglement(en) is bepaald.
c. Renten.
d. Eventuele overheidssubsidies.
e. Geldleningen.
f. Eventuele andere baten.
2. De werkgever is ten aanzien van zijn werknemer over elke dag,
waarover loon wordt ontvangen, een bijdrage aan het fonds verschuldigd
zoals nader is aangegeven in het reglement.
Artikel 5
Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien leden, te weten vijf
werkgeversleden en vijf werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door de vereniging AVBB.
Drie werknemersleden worden benoemd door de vereniging FNV
Bouw en twee werknemersleden door de Houten Bouwbond CNV.
3. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
Het bestuur benoemt uit zijn midden twee secretarissen: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
4. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar
als voorzitter en als tweede voorzitter op.
Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert
als secretaris de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.
5. Voor de verdeling van de bestuurszetels voor de werknemersorganisaties
geldt een kiesdeler.
De kiesdeler wordt bepaald door het aantal actieve leden van de
werknemersorganisatie(s) die betrokken zijn bij het fonds, te delen
door 7. Na normale afronding volgt hieruit het aantal bestuursleden
per organisatie. Als werknemersorganisaties worden beschouwd partijen
betrokken bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van de
bouwnijverheid.
De stand per 1 juli van enig jaar is bepalend voor de zetelverdeling
in het daaropvolgende jaar.
Na schriftelijk verzoek van tenminste één van de werknemersorganisaties
stelt het bestuur de kiesdeler opnieuw vast.
Het totaal aantal werknemerszetels is 5.
6. De werkgeversbestuursleden worden benoemd voor een periode van
drie jaar en zijn herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van
aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden
afgeweken.
7. Aftredende werknemersbestuursleden komen voor herbenoeming in
aanmerking. Voor werkgeversbestuursleden geldt bovenstaande.
8. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
9. De organisatie die een bestuurslid benoemt, kan te allen tijde die
benoeming intrekken en in plaats daarvan een ander tot bestuurslid
benoemen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 6
Bestuursvergaderingen
1. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele
bijlagen door het Technisch Bureau Bouwnijverheid te Hoofddorp
voor de vergadering aan de leden toegezonden. Stukken en
voorstellen die zijn ingekomen nadat de agenda is verzonden, kunnen
alleen in behandeling worden genomen, indien hiertoe met volstrekte
meerderheid van stemmen besloten wordt.
2. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen
waarin geen twijfel mogelijk is, door de voorzitter en de secretaris
voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de
eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden
voorgedragen.
3. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden
genomen, als niet tenminste zes bestuursleden aanwezig zijn, waarvan
tenminste twee werkgeversleden en tenminste twee werknemersleden.
4. Indien in een vergadering van het bestuur meer werkgeversleden
aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen
de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel
stemmen uit als de andere groep leden.
5. Over zaken wordt bij voorkeur mondeling en over personen schriftelijk
gestemd.
6. Alle besluiten worden, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel
14 van deze statuten, genomen met een volstrekte meerderheid van
stemmen.
7. Indien de stemmen staken wordt de beslissing tot de volgende vergadering
uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen
staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen zo het een stemming
over zaken betreft en zal, indien het een stemming over personen
betreft, het lot beslissen.
8. Een gewone meerderheid binnen de werkgevers-of werknemersgeleding
bepaalt het standpunt van die geleding.
9. Leden van het bestuur van het Technisch Bureau Bouwnijverheid
zijn gerechtigd bij bestuursvergaderingen aanwezig te zijn.
Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens
de bestuursvergaderingen.
Artikel 7
Bestuursbevoegdheden en vertegenwoordiging
1. Het bestuur is belast met het besturen van de zaken van de stichting,
het beheer van haar vermogen, alsmede het innen van de gelden en
het doen van uitkeringen. Het bestuur is bevoegd, met inachtneming
van het in deze statuten bepaalde, tot alle rechtshandelingen met
name ook tot het sluiten van die overeenkomsten, waarvoor het regelend
recht een beperking kent.
2. Het bestuur beslist in alle zaken waarin de beslissing niet is opgedragen
of gedelegeerd aan andere organen van de stichting.
3. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het
bestuur alsmede door de fungerend voorzitter en fungerend secretaris
gezamenlijk.
Artikel 8
Reglementen
1. Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer
uitvoeringsreglementen en een huishoudelijk reglement vaststellen.
2. De reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn
met deze statuten.
Artikel 9
Mandaat
1. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden mandateren
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid dan wel aan CAO-
Regelingen en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn
midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies
toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te
stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen
aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q CAO-Regelingen.
De gemandateerde bevoegdheden worden door de commissies dan
wel het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q. CAO-Regelingen uitgeoefend
onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
2. Het administratief en geldelijk beheer wordt onder verantwoordelijkheid
van het bestuur uitgevoerd.
Artikel 10
Secretariaat
Het bestuur laat zich bij het uitvoeren van haar taak terzijde staan door
het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
Artikel 11
Besteding van middelen
De middelen worden op een door het bestuur vast te stellen wijze
besteed aan de genoemde doelen van het fonds. De beleggingen zullen
door het bestuur op een zodanige wijze geschieden, dat
m. Een redelijke spreiding naar aard en risico van de bezittingen en interesses
wordt verkregen;
n. Een optimaal rendement wordt verkregen;
o. Geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.
Artikel 12
Begroting
1. Uiterlijk in de maand januari worden de begrotingen van inkomsten
en van uitgaven voor het lopende boekjaar vastgesteld.
2. De begroting is ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3
van de statuten omschreven bestedingsdoelen.
3. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van
de bestuursleden benoemende organisaties, als bedoeld in artikel 5
lid 2.
4. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar
voor alle bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers.
Artikel 13
Jaarverslag, rekening en verantwoording
1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Het bestuur van de stichting stelt jaarlijks een verslag op, dat een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen
van de stichting aan het einde van het boekjaar en van de ontwikkeling
daarvan gedurende het boekjaar, alsmede is gespecificeerd
overeenkomstig de in artikel 3 van de statuten omschreven
bestedingsdoelen; via dit verslag legt het bestuur rekenschap van het
gevoerde beleid af aan de bestuursleden benoemende organisaties als
bedoeld in artikel 5 lid 2.
3. Dit verslag moet zijn gecontroleerd door een externe door het bestuur
te benoemen registeraccountant of accountant-administratieconsulent
met certificerende bevoegdheid.
4. Dit verslag wordt, voorzien van de goedkeurende verklaring van de
registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid, ter inzage van de bij de stichting betrokken
werkgevers en werknemers neergelegd,:
a. Ten kantore van het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
b. Op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
5. Het verslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan de
werkgevers-en werknemersorganisaties en op aanvraag aan de bij de
stichting betrokken werkgevers en werknemers.
6. Het verslag en de goedkeurende accountantsverklaring worden binnen
zes maanden na het verstrijken van het boekjaar in drievoud
gezonden naar het Centraal Kantoor van de Arbeidsinspectie. Uit
deze stukken moet blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3
omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
Artikel 14
Statutenwijziging
1. Het bestuur is bevoegd tot wijziging van de statuten.
2. Tot wijziging van de statuten kan door het bestuur worden besloten
in een speciaal daartoe uitgeschreven vergadering.
3. Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts genomen worden,
wanneer tenminste twee/derde gedeelte van het aantal
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
werkgeversbestuursleden, en tenminste twee/derde gedeelte van het
aantal werknemersbestuursleden zich voor die statutenwijziging verklaren.
Een besluit tot vaststelling of wijziging van de statuten wordt eerst
van kracht nadat de bestuursleden benoemende organisaties als bedoeld
in artikel 5 lid 2 hiervan op de hoogte zijn gebracht en hieraan
hun goedkeuring hebben verleend. In verband met de voortgang
van het proces wordt het uitblijven van een reactie binnen 6 maanden
beschouwd als een instemmende reactie.
4. De wijziging van de statuten moet bij notariële akte tot stand komen.
5. De reglementen, alsmede de in deze statuten en in de reglementen
aangebrachte wijzigingen, treden niet in werking alvorens een volledig
exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen
daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is
neergelegd ter Griffie van het Kantongerecht binnen welks ressort de
stichting is gevestigd.
Artikel 15
Ontbinding en liquidatie
1. Zowel het AVBB als FNV Bouw met de Hout-en Bouwbond CNV
gezamenlijk, kunnen de stichting ontbinden door in een aangetekend
schrijven aan het bestuur mede te delen dat zij hun medewerking in
de stichting beëindigen. Nadat twee jaar sinds bedoelde kennisgeving
is verstreken, is de stichting van rechtswege ontbonden.
2. Het bestuur is dan belast met de liquidatie en geeft een bestemming
aan het batig saldo van de stichting.
Artikel 16
Slotbepaling
In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de
stichting is voorzien beslist het bestuur.
AANVULLINGSREGLEMENT VERSTREKKING WWAANVULLINGEN (AR-WW BOUW)
REGLEMENT VAN DE STICHTING AANVULLINGSFONDS
BOUWBEDRIJF
DEEL I
ALGEMEEN
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het fonds: de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf;
2. de statuten: de statuten van het fonds;
3. het bestuur: het bestuur van het fonds;
4. CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst;
5. CAO Bouwbedrijf: CAO voor het Bouwbedrijf;
6. CAO Uta bouwbedrijven: CAO voor het uitvoerend, technisch en
administratief personeel in de bouwbedrijven;
7. het premieloon: het loonbedrag per werknemer per kalenderjaar
waarover krachtens de WW premie wordt geheven, alsmede het
bedrag dat op grond van artikel 9, lid 4 CSV buiten aanmerking
wordt gelaten bij de berekening van het loon waarnaar de premie op
grond van de WW wordt geheven;
8. de werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 2 van de statuten;
9. de werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 2 van de statu-
ten en degene die laatstelijk voordat er krachtens artikel 17, 18 of
52b WW voor hem een recht op uitkering ontstond, werknemer was
in de zin van artikel 2 van de statuten;
10. de werknemer ingedeeld in fase 1
a. de werknemer die bij de WW-intake ingedeeld is in fase 1, of
b. de werknemer die ingedeeld is in een andere fase en gedurende
5 jaar ononderbroken in de bedrijfstak heeft gewerkt. Perioden
van ziekte of arbeidsongeschiktheid in deze 5 jaar worden gelijkgesteld
met werken.
11. loongerelateerde uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIa van
de WW;
12. kortdurende uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIb van de
WW;
13. vakantietoeslag: de vakantiebijslag als bedoeld in artikel 33 van de
WW en de vakantie-uitkering als bedoeld in artikel 10 van de TW;
14. vakantiefonds: de Stichting Vakantiefonds voor de Bouwnijverheid;
15. pensioenpremie: de betaling voor de voortzetting van de pensioen
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
opbouw conform het daarover bepaalde bij of krachtens de laatstelijk
op de werknemer van toepassing zijnde CAO;
16. invaliditeitspensioenpremie: de betaling voor de voortzetting van de
aanvullende verzekering op de uitkering op grond van de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering conform het daarover bepaalde
bij of krachtens de laatstelijk op de werknemer van toepassing zijnde
CAO;
17. de WW: de Werkloosheidswet;
18. het U.R.: het Uitkeringsreglement WW 1997, zoals vastgesteld door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
19. REA: de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
20. de TW: de Toeslagenwet;
DEEL II
FINANCIERING
Artikel 2
Bijdrage
1. De werkgever is aan het fonds jaarlijks een bijdrage verschuldigd.
2. De hoogte van de bijdrage wordt, na overleg met partijen bij de desbetreffende
CAO, jaarlijks door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt
in een percentage van het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage
voor enig kalenderjaar houdt het bestuur rekening met het
overschot of het tekort volgens de balans over het voorafgaande
kalenderjaar.
3. Voor het jaar 2005 zijn de volgende bijdragen vastgesteld:
a. voor de CAO voor het Bouwbedrijf 0,7254%, waarvan 0,4644%
voor rekening komt van de werknemer en 0,2610% voor rekening
komt van de werkgever.
b. voor de UTA-CAO: 0,0653%, waarvan 0,0653% voor rekening
komt van de werknemer en 0,0% voor rekening komt van de
werkgever.
4. Het bijdragepercentage wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.
5. De werknemersbijdrage, die de helft bedraagt van de door de werkgever
verschuldigde bijdrage, wordt door de werkgever bij iedere
loonbetaling ingehouden op het loon van de werknemer.
Artikel 3
Loonopgave
De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdragen. Als de werkgever in
gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken wordt de heffingsgrondslag
ambtshalve vastgesteld.
Artikel 4
Heffing bijdrage
1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak
of na iedere periode van vier weken.
2. De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te
vinden na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.
3. Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is
verschuldigd wordt het verschil nagevorderd. Teveel geheven bijdrage
wordt aan de werkgever terugbetaald.
4. De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle
op de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de
werkgever inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie
die voor deze controle nodig worden geacht.
Artikel 5
Invordering bijdrage
Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdrage te betalen
zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.
Artikel 6
Rentebepaling
1. Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot
niet binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
2. Als de betaling van de in artikel 4, tweede lid bedoelde bijdrage niet
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de verzamelnota
heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. De in het vorige lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de
wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.
DEEL III
RECHTEN
Artikel 7
Werkingssfeer
Een werknemer of werknemer ingedeeld in fase 1 die zijn uitkering WW
ontvangt van een andere uitvoeringsinstelling dan de SFB Uitvoeringsorganisatie
N.V. te Amsterdam, heeft, met inachtneming van het bepaalde
in de volgende artikelen, recht op een aanvulling als:
a. in de desbetreffende CAO geformaliseerd is dat de aanvullingsregeling
ook van toepassing is op bedoelde werknemers of werknemers
ingedeeld in fase 1, èn
b. de extra kosten die verbonden zijn aan de bijdrageheffing en de
uitkeringsverzorging voor bedoelde werknemers of werknemers ingedeeld
in fase 1 voor rekening komen van werkgevers en werknemers
op wie de desbetreffende CAO van toepassing is, èn
c. een deel van de desbetreffende werkgevers is ingedeeld bij één van
de sectoren in de bouwnijverheid, èn
d. in de CAO een bijdrageplicht voor de werkgevers van bedoelde
werknemers is opgenomen, èn
e. in de CAO een meldings-en informatieplicht voor genoemde werknemers
of werknemers ingedeeld in fase 1 is opgenomen.
Artikel 8
Aanvulling op het aan een werknemer ingedeeld in fase 1 te
betalen deel van de loongerelateerde WW-uitkering
1. Een werknemer ingedeeld in fase 1 die over een dag in de eerste 8
weken van de periode als bedoeld in artikel 42 van de WW op grond
van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op beta-
ling van een uitkering, heeft over die dag jegens het fonds recht op
betaling van een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens
de WW aan hem te betalen bedrag.
2. Als voor het verstrijken van de termijn van 8 weken als bedoeld in
het eerste lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt
beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW, wordt die termijn van 8
weken verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de
herleving van het recht op uitkering WW. Als een uitkering als
bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald
wegens een omstandigheid als genoemd in artikel 19, tweede
lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor de vaststelling van de
aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
3. De hoogte van de aanvullende betaling is gelijk aan 10/70ste deel
van het aan werknemer ingedeeld in fase 1 over de desbetreffende
dag krachtens de WW uit te betalen bedrag.
4. Onder ,,het krachtens de WW aan werknemer ingedeeld in fase 1 uit
te betalen bedrag’’ wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan:
Het krachtens artikel 33, eerste lid en de artikelen 34 tot en met 41
van de WW te betalen bedrag verminderd met:
a. Een krachtens artikel 33, derde en vierde lid als vakantietoeslag
te reserveren en uit te betalen bedrag,
b. Een krachtens artikel 14 van het U.R. niet aan werknemer maar
aan een Vakantiefonds uit te betalen deel van de uitkering krachtens
de WW,
c. Een krachtens artikel 15 van het U.R. niet aan werknemer maar
aan een Pensioenfonds, dan wel pensioenverzekeraar uit te betalen
deel van de uitkering krachtens de WW,
d. Een krachtens artikel 16 van het U.R. niet aan de werknemer
maar aan de desbetreffende pensioenverzekeraar uit te betalen
deel van de uitkering WW.
5. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening
van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toe-
slag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 9
Aanvulling op het aan een werknemer ingedeeld in fase 1 te
betalen deel van de kortdurende WW-uitkering
1. Een werknemer ingedeeld in fase 1 die onmiddellijk voorafgaand
aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16
WW in verbinding met artikel 52a WW, en die over een dag in de
eerste 8 weken van de periode als bedoeld in artikel 52g WW op
grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op
betaling van een uitkering, heeft, als hij zich daarvoor meldt, over
die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag ter aanvulling
van het over die dag krachtens de WW aan hem te betalen
bedrag, tenzij hij als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel
heeft van deze aanvulling.
2. De melding die in het eerste lid van dit artikel wordt genoemd, dient
binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag
plaats te vinden.
3. Als voor het verstrijken van de termijn van 8 weken als bedoeld in
het eerste lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt
beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW, wordt die termijn van 8
weken verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de
herleving van het recht op uitkering WW.
Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a,
WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid als genoemd
in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor
de vaststelling van de aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen
van die uitkering.
4. De hoogte van de aanvullende betaling is gelijk aan 10/70ste deel
van het aan de werknemer ingedeeld in fase 1 over de desbetreffende
dag krachtens de WW uit te betalen bedrag.
5. Onder ,,het krachtens de WW aan de werknemer ingedeeld in fase 1
uit te betalen bedrag’’ wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan:
Het krachtens artikel 33, eerste lid en de artikelen 34 tot en
met 41 van de WW te betalen bedrag, verminderd met een krachtens
artikel 33, derde en vierde lid als vakantietoeslag te reserveren en uit
te betalen bedrag.
6. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening
van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toe-
slag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
Artikel 10
Aanvulling op het bij werkloosheid ten gevolge van buitengewone
natuurlijke omstandigheden aan werknemer te betalen deel van de
WW-uitkering
1. Een werknemer of werknemer ingedeeld in fase 1 die over een dag
of een deel van die dag in de eerste 8 weken van de periode als
bedoeld in artikel 18, eerste lid van de WW op grond van de verplichte
verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een
uitkering, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van
een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens de WW aan
hem te betalen bedrag.
2. Als de werknemer of de werknemer ingedeeld in fase 1 uit het eerste
lid voorafgaand aan zijn werkloosheid werknemer was in de zin
van de CAO Bouwbedrijf en werkloos is ten gevolge van vorst, heeft
hij naast de in het eerste lid bedoelde aanvullende betaling, recht op
een aanvullende betaling tot 100% van het loon bij werken.
3. Op het in het eerste lid bepaalde is artikel 9, derde, vierde en vijfde
lid van overeenkomstige toepassing.
4. Op het in het derde lid bepaalde is artikel 9, vierde en vijfde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Aanvulling op het als vakantietoeslag te betalen deel van de
WW-uitkering
1. Een werknemer die over een dag gelegen in de eerste 6 maanden van
de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW op grond van de verplichte
verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een
vakantietoeslag, heeft over die dag jegens het fonds recht op beta-
ling van een bedrag ter aanvulling van de hem te betalen vakantietoeslag.
2. Een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van
zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding
met artikel 52a WW, werknemer was in de zin van de CAO Uta
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
bouwbedrijven en die over een dag gelegen binnen de uitkeringsduur
als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering
krachtens de WW recht heeft op betaling van een vakantietoeslag,
heeft, als hij zich daarvoor meldt, over die dag jegens het fonds
recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van de hem te betalen
vakantietoeslag.
3. De melding die in het tweede lid van dit artikel wordt genoemd,
dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag
plaats te vinden.
4. De hoogte van de aanvullende vakantietoeslag is gelijk aan 30/70ste
deel van de hem over de desbetreffende dag krachtens de WW uit te
betalen vakantietoeslag, verminderd met de hem eventueel over die
dag krachtens de TW uit te betalen vakantietoeslag.
5. Als voor het verstrijken van een termijn als bedoeld in het eerste,
tweede of derde lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel
wordt beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld
in artikel 19, eerste lid, onderdeel a WW, wordt die termijn verlengd
met de periode gelegen tussen de eindiging en de herleving van het
recht op uitkering WW.
6. Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a,
WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid als genoemd
in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor
de vaststelling van de aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen
van die uitkering.
7. De aanvullende vakantietoeslag wordt gelijktijdig met de te betalen
vakantietoeslag uitbetaald aan de persoon waaraan de krachtens de
WW te betalen vakantietoeslag wordt uitbetaald.
8. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening
van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toe-
slag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
Artikel 12
Aanvulling op het als vakantiewaarde te betalen deel van de
loongerelateerde WW-uitkering
1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel
18, eerste lid dan wel over een dag gelegen in de eerste 6 maanden
van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW op grond van de
verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van
een deel van zijn uitkering aan een vakantiefonds, heeft over die dag
jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan dat vakantiefonds,
ter aanvulling van het krachtens de WW te betalen bedrag.
2. De werknemer bedoeld in het eerste lid heeft jegens het fonds geen
recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds als op hem
onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van
arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW, de CAO Bouwbedrijf van
toepassing was en hij over een dag als bedoeld in het eerste lid recht
heeft op een toeslag op grond van de TW.
3. De hoogte van deze aanvullende betaling is gelijk aan 30/70ste deel
van het over de desbetreffende dag krachtens de WW ten gunste van
de werknemer aan het vakantiefonds te betalen bedrag, verminderd
met de hem eventueel over die dag krachtens de TW uit te betalen
vakantietoeslag.
4. De aanvullende betaling wordt gelijktijdig met het krachtens de WW
te betalen bedrag uitbetaald aan het vakantiefonds waaraan dat be-
drag wordt uitbetaald.
5. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening
van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toe-
slag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
Artikel 13
Betaling aan een vakantiefonds tijdens de kortdurende uitkering
1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel
52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW
recht heeft op betaling van die uitkering en op wie onmiddellijk
voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld
in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf
van toepassing was, en voor wie de werkgever op grond van
de CAO betalingen aan een vakantiefonds verrichtte, heeft over die
dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan dat
vakantiefonds.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
2. Een werknemer op wie onmiddellijk voorafgaand aan het intreden
van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in
verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf van toepassing
was, heeft over een dag als bedoeld in het eerste lid jegens het
fonds geen recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds
als hij over die dag recht heeft op een toeslag op grond van de TW.
3. Een werknemer op wie onmiddellijk voorafgaand aan het intreden
van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in
verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf van toepassing
was, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient
binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag
plaats te vinden.
4. Een werknemer heeft jegens het fonds geen recht op de in het eerste
lid bedoelde betaling van een bedrag aan het vakantiefonds als tegelijkertijd
recht bestaat op één of meer uitkeringen op grond van
hoofdstuk IIa van de WW en één of meer uitkeringen op grond van
hoofdstuk IIb van de WW.
5. De hoogte van de betaling aan het vakantiefonds is gelijk aan 100/
70ste deel van het bedrag dat over de desbetreffende dag krachtens
de WW ten gunste van de werknemer aan het vakantiefonds betaald
zou zijn, als hij recht gehad zou hebben op een loongerelateerde uitkering.
6. Op de betaling bedoeld in het vierde lid worden in mindering
gebracht de aan de werknemer over de betreffende dag krachtens de
WW en de TW uit te betalen vakantietoeslag.
7. De betaling aan het vakantiefonds wordt gedaan op het moment dat
het krachtens de WW te betalen bedrag aan het vakantiefonds zou
zijn betaald als werknemer recht gehad zou hebben op een loongerelateerde
uit kering.
Artikel 14
Aanvulling op het als pensioenpremie te betalen deel van de
loongerelateerde WW-uitkering
1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel
18, eerste lid dan wel over een dag gelegen in de eerste 6 maanden
van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW, op grond van
de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op uitkering,
heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag
aan een pensioenverzekeraar, eventueel ter aanvulling van het krachtens
de WW aan een pensioenverzekeraar te betalen bedrag.
2. De hoogte van deze aanvullende betaling is gelijk aan de som van:
a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW
ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen
bedrag en
b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de
pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan
van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend,
als dit werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zou
zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel 9, eerste
lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
niet zouden zijn toegepast. De teller van de breuk wordt
gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite
aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de
breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van
het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als
dagloon zou zijn berekend, indien artikel 9, eerste lid en artikel
9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet
zouden zijn toegepast.
3. Als het dagloon waarnaar de uitkering krachtens de WW waarbij de
aanvulling wordt verstrekt is vastgesteld met toepassing van artikel
11, derde, vierde of vijfde lid van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS
Bouwnijverheid, is de hoogte van deze aanvullende betaling voor
zover nodig in afwijking van het vermelde in het tweede lid gelijk
aan de som van:
a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW
ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen
bedrag en
b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de
pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan
van het recht op WW-uitkering als secundair dagloon zou
zijn berekend, als dit werkgeversdeel van de pensioenpremie
loon zou zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel
9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast. De teller van de
breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die
dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer
van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van
70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het primaire recht
op WW-uitkering als primair dagloon zou zijn berekend, als artikel
9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
4. Als het dagloon, waarnaar een werkloosheidsuitkering is berekend
krachtens het bepaalde in artikel 14, eerste en tweede lid van de
Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid is
afgeleid van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
bedraagt deze aanvullende betaling in afwijking van het
vermelde in het tweede lid en derde lid, het bedrag aan pensioenpremie
welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht
op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend als het werknemersen
het werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zouden zijn voor
de berekening van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast,
vermenigvuldigd met een breuk. De teller van de breuk wordt gevormd
door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan
werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de breuk
wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag
dat bij het ontstaan van het recht op WWuitkering als dagloon zou
zijn berekend, als artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.
5. Een werknemer heeft geen recht op de in het eerste lid van dit artikel
bedoelde betaling vanuit het fonds, als tijdens werkloosheid
sprake is van een recht op pensioenopbouw via het Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering.
6. De aanvullende pensioenpremiebetaling wordt gelijktijdig met het
krachtens de WW te betalen bedrag uitbetaald aan de pensioenverzekeraar
waaraan dat bedrag wordt uitbetaald.
Artikel 15
Betaling aan een pensioenverzekeraar tijdens de kort-durende
uitkering
1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel
52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW
recht heeft op betaling van die uitkering en op wie onmiddellijk
voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld
in artikel 16 WW in verbinding met 52a WW, de CAO Bouwbedrijf
of de CAO Uta bouwbedrijven van toepassing was, heeft over die
dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan een
pensioenverzekeraar.
2. Een werknemer op wie onmiddellijk voorafgaande aan het intreden
van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in
verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf of de CAO
Uta bouwbedrijven van toepassing was, dient zich voor de aanvulling
te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken
vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.
3. De hoogte van de betaling aan de pensioenverzekeraar is gelijk aan
de hoogte van de betaling die zou zijn vastgesteld als de werknemer
bedoeld in het eerste lid recht zou hebben gehad op een loongerelateerde
uitkering en artikel 18 op hem van toepassing zou zijn
geweest, vermeerderd met het deel dat krachtens de WW aan de
pensioenverzekeraar zou zijn betaald.
4. De betaling aan de pensioenverzekeraar wordt gedaan op het moment
dat het krachtens de WW te betalen bedrag aan de pensioenverzekeraar
zou zijn betaald als artikel 18 van toepassing zou zijn.
Artikel 16
Betaling van invaliditeitspensioenpremie
1. De werknemer op wie vóór de na 25 januari 1993 ingetreden werkloosheid
de CAO Bouwbedrijf van toepassing is geweest en voor wie
over een dag gelegen in het eerste jaar van aaneengesloten werkloosheid,
te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid, een deel van
de uitkering WW als werknemersaandeel in de invaliditeitspensioenpremie
betaald wordt aan de desbetreffende pensioenverzekeraar
heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag
aan de desbetreffende pensioenverzekeraar, ter aanvulling van het
deel van de uitkering WW dat als werknemersaandeel in de
invaliditeitspensioenpremie betaald wordt.
2. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde aanvullende betaling
wordt berekend overeenkomstig de berekening van het werkgeversaandeel
in de invaliditeitspensioenpremie volgens de CAO Bouwbedrijf,
waarbij onder premieloon SV wordt verstaan de uitkering WW
waarnaar premie ingevolge de WW wordt geheven.
3. De aanvullende betaling wordt gelijktijdig met het deel van de uitkering
WW dat als werknemersaandeel in de invaliditeitspensioenpremie
betaald wordt, uitbetaald aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.
4. Als in het jaar als bedoeld in het eerste lid recht ontstaat op vervolguitkering
WW wegens het bereiken van de maximum uitkeringsduur
als bedoeld in artikel 42 WW, heeft de werknemer gedurende het restant
van het jaar als bedoeld in het eerste lid over iedere dag dat recht
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
bestaat op betaling van vervolguitkering WW, gebaseerd op het voor
de werknemer geldende minimumloon, jegens het fonds recht op
betaling van een bedrag aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.
5. Een werknemer op wie laatstelijk voor het ontstaan van het recht op
kortdurende uitkering WW de CAO Bouwbedrijf van toepassing
was, heeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 52g WW over
iedere dag dat recht bestaat op betaling van kortdurende uitkering
jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan de desbetreffende
pensioenverzekeraar.
6. De hoogte van de in het vierde en vijfde lid bedoelde betaling is
gelijk aan de som van het werknemersaandeel en het werkgeversaandeel
in de invaliditeitspensioenpremie. Het werknemersaandeel
en het werkgeversaandeel in de invaliditeitspensioenpremie worden
berekend overeenkomstig de berekening van het werknemersaandeel
en het werkgeversaandeel in de invaliditeitspensioenpremie volgens
de CAO Bouwbedrijf waarbij onder premieloon SV wordt verstaan
de uitkering WW waarnaar premie ingevolge de WW wordt geheven
en onder premieloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
de uitkering WW waarnaar premie ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt geheven.
Artikel 17
Aanvullingen op reïntegratie-uitkeringen op grond van de Wet
REA
De artikelen 9 tot en met 11, 13 en 15 tot en met 20 zijn van overeenkomstige
toepassing voor een werknemer of ABB-er die op grond van
de Wet REA recht heeft op een reïntegratieuitkering.
DEEL IV
OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 18
Betaling van de uitkering via de werkgever
1. Het bestuur kan toestaan dat de betaling van de aanvulling als
bedoeld in artikel 14 van dit reglement door tussenkomst van de
werkgever plaatsvindt.
2. De werkgever aan wie het bestuur heeft toegestaan dat de betaling
van de uitkering door zijn tussenkomst geschiedt, is verplicht, ten
genoegen van het bestuur, een overeenkomstig de daaraan door het
bestuur gestelde eisen ingerichte administratie aan te houden van de
perioden gedurende welke de werknemer op grond van de omstandigheden
als bedoeld in artikel 18 WW niet heeft gewerkt.
3. Als de werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming
is verleend, de in het tweede lid omschreven verplichtingen niet of
niet volledig nakomt, kan het bestuur besluiten om de betalingen die
de werkgever als voorschot op de aanvulling aan de werknemer of
werknemers heeft gedaan, geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.
4. Als en voorzover zodanige betalingen naar het oordeel van het
bestuur ten onrechte zijn vergoed omdat de werkgever niet of niet
volledig heeft voldaan aan de in het tweede lid van dit artikel
bedoelde verplichtingen, kan het bestuur besluiten om deze vergoeding
geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. De werkgever is dan
verplicht binnen een door het bestuur vast te stellen termijn aan deze
vordering te voldoen.
5. Het bestuur kan naast en boven het in het derde en vierde lid
bepaalde beslissen dat, ingeval de werk-gever de juistheid van de
ingediende declaratiestaat niet aantoont, deze een boete aan het fonds
verschuldigd is. De boeten die door het bestuur kunnen worden
opgelegd, zijn:
bij opzet en grove schuld van de werkgever geldt bij een eerste verzuim
een boete van 25% van het betrokken bedrag; bij een tweede
verzuim 50% van het betrokken bedrag en bij een derde en volgende
verzuim 100% van het betrokken bedrag, en bij ernstige en omvangrijke
fraude van de werkgever geldt bij een eerste verzuim en bij volgende
verzuimen een boete van 100% van het betrokken bedrag.
Artikel 19
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de
uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit
reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan
hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover
derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 20
Voorschriften
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming
zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit
reglement.
Artikel 21
Analoge toepassing van WW-bepalingen
1. Het bepaalde in de artikelen 30, 32, 33, 38, 39 en 40 van de WW is
van overeenkomstige toepassing op de bepalingen van dit reglement.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voorzover in dit reglement
uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 22
Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 23
Bijzondere gevallen
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Artikel 24
Intern beroep
1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een
beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met
het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis
gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit
reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en
vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Artikel 25
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement verstrekking
WW-aanvullingen Bouwbedrijf (AR-WW Bouw).
REGLEMENT VERSTREKKING EINDEJAARSUITKERING
WAO BOUWBEDRIJF (REJU-WAO BOUWBEDRIJF)
Reglement van de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf
DEEL I
ALGEMEEN
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het fonds: de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf;
2. de statuten: de statuten van het fonds;
3. het bestuur: het bestuur van het fonds;
4. het premieloon: het loonbedrag per werknemer waarover op grond
van de WW premie wordt geheven, alsmede het bedrag dat op grond
van artikel 9, lid 4 CSV buiten aanmerking wordt gelaten bij de berekening
van het loon waarnaar de premie op grond van de WW wordt
geheven;
5. eindejaarsuitkering: jaarlijkse betaling van een bedrag aan WAO
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
uitkeringsgerechtigden op wie bij werken een CAO in de zin van dit
reglement van toepassing zou zijn geweest;
6. CAO: een collectieve arbeidsovereenkomst als genoemd in artikel 2
van de statuten waarin is opgenomen de betaling door het fonds van
een eindejaarsuitkering;
7. CAO Bouw: de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf;
8. CAO UTA: de collectieve arbeidsovereenkomst voor het uitvoerend,
technisch en administratief personeel in de bouwbedrijven;
9. de werkgever: de werkgever als bedoeld in de CAO;
10. de werknemer:
– degene die werknemer is in de zin van de CAO; of
– degene die direct voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid
werknemer was in de zin van de CAO; of
– degene wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden in een periode
waarin recht bestaat op een Werkloosheidsuitkering en die direct
voorafgaand aan zijn werkloosheid werknemer was in de zin van
de CAO.
11. de WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
12. REA: de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
DEEL II
FINANCIERING
Artikel 2
De bijdrage
1. De werkgever is aan het fonds jaarlijks, dan wel over een volgens de
CAO voorgeschreven periode, een bijdrage verschuldigd.
2. De hoogte van de bijdrage wordt, na overleg met partijen bij de desbetreffende
CAO, door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt in een
percentage van het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage
houdt het bestuur rekening met het overschot of het tekort volgens
de balans met betrekking tot de eindejaarsuitkering van de desbetreffende
CAO over het voorafgaande kalenderjaar.
3. Voor het jaar 2005 zijn de volgende bijdragen vastgesteld:
a. CAO voor het Bouwbedrijf: 0,6008%, waarvan 0,3846% voor
rekening komt van de werknemer en 0,2162% voor rekening van
de werkgever. De uitkering wordt betaald uit de beschikbare
bijdrageopbrengsten. Mocht dit onvoldoende zijn, dan wordt het
tekort eenmalig aangevuld uit de reserve van het Aanvullingsfonds.
b. UTA-CAO: 0,0597%, waarvan 0,0597% voor rekening komt van
de werknemer en 0,0% voor rekening van de werkgever.
Artikel 3
Loonopgave
De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdrage. Als de werkgever in
gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken wordt de heffingsgrondslag
ambtshalve vastgesteld.
Artikel 4
Heffing
1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak
of na iedere periode van vier weken.
2. De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te
vinden na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.
3. Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is
verschuldigd wordt het verschil nagevorderd. Te veel geheven bijdrage
wordt aan de werkgever terugbetaald.
4. De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle
op de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de
werkgever inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie
die voor deze controle nodig worden geacht.
Artikel 5
Invordering
Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdrage te betalen
zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.
Artikel 6
Rentebepaling
1. Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
niet binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
2. Als de betaling van de in artikel 4, tweede lid bedoelde bijdrage niet
binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de verzamelnota
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. De in het vorige lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de
wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.
DEEL III
RECHTEN
Artikel 7
Werkingssfeer
Een werknemer die zijn WAO-uitkering ontvangt van een andere uitvoeringsinstelling
dan de SFB Uitvoeringsorganisatie N.V. te Amsterdam,
heeft, met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen, recht
op een eindejaarsuitkering als:
a. in de desbetreffende CAO geformaliseerd is dat de eindejaarsuitkeringsregeling
ook van toepassing is op bedoelde werknemers,
èn
b. de extra kosten die verbonden zijn aan de bijdrageheffing en de
uitkeringsverzorging voor bedoelde werknemers voor rekening komen
van werkgevers en werknemers op wie de desbetreffende CAO
van toepassing is, èn
c. in de CAO een bijdrageplicht voor de werkgevers van bedoelde
werknemers is opgenomen, èn
d. in de CAO een meldings-en informatieplicht voor bedoelde werknemers
is opgenomen.
Artikel 8
De eindejaarsuitkering
1. Een werknemer als bedoeld in artikel 1, lid 10, tweede en de derde
aandachtsstreepje die op 1 december van het kalenderjaar waarin de
eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld, een WAO-uitkering ontvangt,
heeft recht op een eindejaarsuitkering, tenzij hij is ingedeeld
in één van de twee laagste arbeidsongeschiktheidsklassen en/of artikel
22 WAO van toepassing is.
2. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt bepaald door de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld op
1 december van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar
wordt gesteld. De bedragen per arbeidsongeschiktheidsklasse
voor 2001 zijn als volgt vastgesteld:
Arbeidsongeschiktheidspercentage Bedrag
80-100 € 567,23
65-80 € 453,78
55-65 € 368,70
45-55 € 311,97
35-45 € 255,25
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, geldt voor een werknemer
die bij werken werkzaam was onder de CAO Bouw het volgende.
Als de WAO-uitkering slechts een gedeelte van het desbetreffende
kalenderjaar wordt ontvangen, heeft de werknemer recht op een
evenredig deel van de eindejaarsuitkering. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten
die ingedeeld zijn in de arbeidsongeschiktheidsklasse 3545%
of hoger, ontvangen een eindejaarsuitkering afhankelijk van de
arbeidsongeschiktheidsklasse die in dat jaar op 1 december van toe-
passing was. Als in het desbetreffende jaar een hogere klasse van toe-
passing was, dan heeft de werknemer recht op een eindejaarsuitkering
die afhankelijk is van de laatst van toepassing zijnde hogere klasse.
Indien in het desbetreffende kalenderjaar voorafgaand aan een indeling
op 1 december in één van de twee laagste arbeidsongeschiktheidsklassen
een hogere klasse van toepassing was, heeft werknemer
recht op een eindejaarsuitkering die afhankelijk is van de laatst van
toepassing zijnde hogere klasse en de periode waarover hij op basis
van een hogere klasse een WAO-uitkering ontving.
4. In afwijking van het tweede lid geldt voor de werknemer die bij werken
werkzaam was onder de CAO UTA het volgende. Indien de
werknemer de WAO-uitkering slechts een gedeelte van het jaar heeft
ontvangen en/of de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in de loop
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
van het jaar is gewijzigd, zal hij de uitkering naar rato daarvan ontvangen.
5. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld.
6. Een werknemer die zijn WAO-uitkering ontvangt van een andere
uitvoeringsinstelling dan SFB Uitvoeringsorganisatie en nog niet eerder
een eindejaarsuitkering heeft ontvangen, kan alleen in aanmerking
komen voor de uitkering indien hij zich voor 1 december van
het desbetreffende kalenderjaar meldt bij SFB Uitvoeringsorganisatie.
De werknemer dient alle relevante uitkeringsgegevens aan SFB
Uitvoeringsorganisatie te verstrekken.
DEEL IV
OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 9
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd ten
behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds en in dit reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan
hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover
derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 10
Voorschriften
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeen
stemming zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit
reglement.
Artikel 11
Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd als zij meer dan € 11,34 (bruto plus
overhevelingstoeslag) bedragen.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 12
Bijzondere gevallen
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Artikel 13
Intern beroep
1. Als een werkgever of een werknemer zich niet kan verenigen met
een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden
met het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit
reglement.
2. Aan de werkgever of de werknemer wordt desgevraagd schriftelijk
kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit
reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en
vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Artikel 14
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het ,,Reglement verstrekking
eindejaarsuitkering WAO Bouwbedrijf (Reju-WAO Bouwbedrijf)’’.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
AANVULLINGSREGLEMENT VERSTREKKINGEN AAN
ZIEKE WERKLOZEN (AR-ZW)
Reglement van de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf
DEEL I
ALGEMEEN
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het fonds: de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf;
2. de statuten: de statuten van het fonds;
3. het bestuur: het bestuur van het fonds;
4. CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst;
5. CAO Bouwbedrijf: CAO voor het Bouwbedrijf;
6. CAO UTA bouwbedrijven: CAO voor het uitvoerend, technisch en
administratief personeel in de bouwbedrijven;
7. het premieloon: het loonbedrag per werknemer waarover op grond
van de WW premie wordt geheven, alsmede het bedrag dat op grond
van artikel 9, lid 4 CSV buiten aanmerking wordt gelaten bij de berekening
van het loon waarnaar de premie op grond van de WW wordt
geheven;
8. de werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 2 van de statuten;
9. de werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 2 van de statu-
ten en degene die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in
de zin van de Ziektewet of laatstelijk voordat er krachtens artikel 17,
18 of 52b WW voor hem een recht op uitkering ontstond, werknemer
was in de zin van artikel 2 van de statuten;
10. zieke werkloze: de werknemer die een uitkering krachtens de Ziektewet
ontvangt of uitsluitend op grond van het bepaalde in artikel 29,
tweede lid, onderdeel b of c, ZW over de eerste twee dagen van
ongeschiktheid tot werken geen uitkering ontvangt, en
a. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken
als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in
artikel 7 ZW en wiens ongeschiktheid tot werken is ingetreden
tijdens de periode, bedoeld in artikel 18, eerste lid, dan wel in de
eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42
WW;
b. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken
als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in
artikel 7 ZW en wiens ongeschiktheid tot werken is ingetreden
tijdens de periode, bedoeld in artikel 52g WW;
c. gedurende een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ZW
wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn
arbeid en wiens dienstbetrekking is geëindigd binnen het loon
doorbetalingstijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel 7:629, eerste
lid, Burgerlijk Wetboek.
d. wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn
arbeid op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking is
geëindigd, op grond van het bepaalde in artikel 46 ZW aanspraak
op ziekengeld heeft en op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking
is geëindigd, recht zou hebben gehad op een uitkering
krachtens de WW als hij niet arbeidsongeschikt was geworden.
Onder zieke werkloze wordt niet verstaan de werknemer die recht
heeft op ziekengeld in verband met orgaandonatie, zwangerschap of
bevalling.
11. vakantietoeslag: de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 11 AD-ZW en
de vakantieuitkering, bedoeld in artikel 10 TW;
12. vakantiefonds: de Stichting Vakantiefonds voor de Bouwnijverheid.
13. pensioenpremie: de betaling ter voortzetting van de pensioenopbouw
bij het pensioenfonds waarbij de werknemer was aangesloten, conform
het daarover bepaalde bij of krachtens de laatstelijk op de
werknemer van toepassing zijnde CAO;
14. de WW: de Werkloosheidswet; 15. de ZW: de Ziektewet; 16. de TW:
de Toeslagenwet;
17. de CSV: de Coördinatiewet Sociale Verzekering;
18. de IWS: de Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid;
19. de AD-ZW: de Algemene Dagloonregelen Ziektewet;
DEEL II
FINANCIERING
Artikel 2
Bijdrage
1. De werkgever is aan het fonds jaarlijks een bijdrage verschuldigd,
tenzij in de desbetreffende CAO anders is overeengekomen en naar
genoegen van het bestuur op een andere wijze in de financiering is
voorzien.
2. De hoogte van de bijdrage wordt, na overleg met partijen bij de des
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
betreffende CAO, jaarlijks door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt
in een percentage van het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage
voor enig kalenderjaar houdt het bestuur rekening met het
overschot of het tekort volgens de balans over het voorafgaande
kalenderjaar.
3. Voor het jaar 2005 zijn de volgende bijdragen vastgesteld:
a. voor de CAO voor het Bouwbedrijf: 0,0016%, waarvan 0,0010%
voor rekening komt van de werknemer en 0,0006% voor rekening
van de werkgever.
b. voor de UTA-CAO: 0,0%.
4. Het bijdragepercentage wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.
Artikel 3
Loonopgave
De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdragen. Als de werkgever in
gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken, wordt de heffingsgrondslag
ambtshalve vastgesteld.
Artikel 4
Heffing bijdrage
1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak
of na iedere periode van vier weken.
2. De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te
vinden na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.
3. Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is
verschuldigd, wordt het verschil nagevorderd. Te veel geheven bijdrage
wordt aan de werkgever terugbetaald.
4. De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle
op de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de
werkgever inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie
die voor deze controle nodig worden geacht.
Artikel 5
Invordering bijdrage
Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdragen te betalen,
zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.
Artikel 6
Rentebepaling
1. Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot
niet binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
2. Als de betaling van de in artikel 3, tweede lid bedoelde bijdrage niet
binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de verzamelnota
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. De in het derde lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de
wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.
Artikel 7
Werkingssfeer
Een zieke werkloze die zijn uitkering ZW ontvangt van een andere
uitvoeringsinstelling dan de SFB Uitvoeringsorganisatie N.V. te Amsterdam,
heeft, met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen,
recht op een aanvulling als:
a. in de desbetreffende CAO geformaliseerd is dat de aanvullingsregeling
ook van toepassing is op bedoelde zieke werkloze, èn
b. de extra kosten die verbonden zijn aan de bijdrageheffing en de
uitkeringsverzorging voor bedoelde werknemers voor rekening komen
van werkgevers en werknemers op wie de desbetreffende CAO
van toepassing is, èn
c. in de CAO een bijdrageplicht voor de werkgevers van bedoelde
werknemers is opgenomen, èn
d. in de CAO een meldings-en informatieplicht voor bedoelde zieke
werkloze is opgenomen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Artikel 8
Aanvulling op ZW-uitkering
1. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 1, heeft vanaf
de 16e dag na aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend –
jegens het fonds recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste
van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat
bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.
2. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 2, die onmiddellijk
voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies,
bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam
was onder de CAO Bouwbedrijf of de CAO UTA bouwbedrijven,
heeft, als hij zich daarvoor meldt, vanaf de 16e dag na aanvang
van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte –
zaterdagen en zondagen niet meegerekend – jegens het fonds recht
op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als
ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent
in mindering is gebracht, tenzij hij als gevolg van wettelijke
bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 3, heeft vanaf
de dag met ingang waarvan de dienstbetrekking is geëindigd jegens
het fonds recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het
bedrag dat als ziekengeld wordt of zou worden uitbetaald, nadat op
dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.
4. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 4, heeft vanaf
de 16e dag na aanvang van de arbeidsongeschiktheid tot het verrichten
van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend
– jegens het fonds recht op betaling van een aanvulling van
30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op
dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.
5. Als een zieke werkloze op grond van artikel 38 of 39 van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering recht heeft op herziening van
zijn uitkering op grond van die wet, wordt het bedrag van de aanvulling
bepaald op 100/70ste van het bedrag dat voor herziening als
ziekengeld werd uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslag
component in mindering is gebracht, minus het bedrag waarmee de
WAO-uitkering is verhoogd en minus het resterende ziekengeld.
6. Indien een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j inkomsten
uit arbeid ontvangt, wordt de aanvulling slechts verstrekt tot een
bedrag waardoor het totaalbedrag aan uitkering, inkomen en aanvulling
niet meer bedraagt dan het dagloon.
7. De melding die in het tweede lid van dit artikel wordt genoemd,
dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag
plaats te vinden.
8. De in het eerste tot en met vijfde lid van dit artikel bedoelde aanvulling
wordt gelijktijdig met het te betalen ziekengeld betaalbaar gesteld
aan degene aan wie het ziekengeld betaalbaar wordt of zou
worden gesteld.
Artikel 9
Aanvulling op het als vakantietoeslag te betalen deel van de
ZW-uitkering
1. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 1, 3 of 4, die,
als hij niet werkloos zou zijn, jegens zijn werkgever recht zou hebben
gehad op betaling van vakantietoeslag, heeft over elke dag dat
hij ziekengeld ontvangt jegens het fonds recht op een betaling van
een bedrag van 8% van de aanvulling die op grond van artikel 8
wordt betaald.
2. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 2, die bij werken
van zijn werkgever vakantietoeslag ontving en onmiddellijk
voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, bedoeld in
artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was
onder de CAO Uta bouwbedrijven heeft over elke dag dat hij ziekengeld
ontvangt jegens het fonds recht op een betaling van 8% van
de aanvulling die op grond van artikel 8 wordt betaald.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 2, die onmiddellijk
voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren,
als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW,
werkzaam was onder de CAO UTA bouwbedrijven dient zich voor
de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van
26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.
4. Een zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van het
bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag
geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens het fonds over die dag
recht op betaling van een bedrag van 100/70 van de vakantietoeslag
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
die hij krachtens de ZW zou hebben ontvangen, als hij recht op uitkering
zou hebben gehad.
Artikel 10
De vakantiewaarde
1. Een zieke werkloze die, als hij niet werkloos zou zijn, jegens zijn
werkgever recht zou hebben gehad op een vakantiewaarde, heeft
jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds
over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze
voor wie bij de berekening van zijn dagloon krachtens de ZW
een vakantiewaarde in aanmerking is of zou zijn genomen, slechts
jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds
als hij een machtiging verstrekt om van zijn uitkering krachtens
de ZW aan het vakantiefonds per dag te voldoen zijn uitkering
over de desbetreffende dag, vermenigvuldigd met een breuk.
De teller van die breuk is gelijk aan de vakantiewaarde welke begrepen
is in het bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die
berekening artikel 9, eerste lid, en artikel 9, negende lid, CSV niet
zou zijn toegepast.
De noemer van de breuk is gelijk aan het bedrag dat als dagloon zou
zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid, en artikel 9,
negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 1 of sub 2 heeft
jegens het fonds geen recht op betaling van een bedrag aan het
vakantiefonds als hij onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van
zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW en voor zover
van toepassing in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was
onder de CAO Bouwbedrijf en hij over een dag als bedoeld in het
eerste lid recht heeft op een toeslag op grond van de TW.
4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze
als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 2, alleen recht op een betaling
aan een vakantiefonds als hij onmiddellijk voorafgaand aan het intreden
van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding
met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf.
5. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 2, die onmiddellijk
voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren,
als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW,
werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf dient zich voor de aanvulling
te melden. De melding dient binnen een termijn van 26
weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.
6. Het in het eerste lid bedoelde bedrag bedraagt voor de zieke werkloze
als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 1, het met een breuk te vermenigvuldigen
bedrag van de vakantiewaarde die begrepen is in het
bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering of de dag
met ingang waarvan de dienstbetrekking is geëindigd als WWdagloon
zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid,
en artikel 9, negende lid, CSV niet zou zijn toegepast.
De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte
van de over die dag in feite aan de werknemer toekomende ZWuitkering.
De noemer van die breuk is gelijk aan 70% van het bedrag dat bij
het ontstaan van het recht of op de eerste dag dat de dienstbetrekking
is geëindigd als WW-dagloon zou zijn berekend als bij die berekening
artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden
zijn toegepast.
7. Als het dagloon waarnaar het ziekengeld is berekend, is gebaseerd
op een WW-dagloon dat is vastgesteld met toepassing van artikel 11,
derde, vierde of vijfde lid van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS
Bouwnijverheid, is de teller van de in het tweede en vijfde lid
bedoelde breuk, in afwijking van het in die leden bepaalde, gelijk
aan de vakantiewaarde die begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan
van het secundair recht als secundair dagloon zou zijn berekend
als bij die berekening artikel 9, eerste en artikel 9, negende lid,
CSV niet zouden zijn toegepast.
8. Het in het eerste lid bedoelde bedrag bedraagt voor de zieke werkloze
als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 2, 100/70ste deel van het
bedrag dat over de desbetreffende dag krachtens de WW ten gunste
van werknemer aan het vakantiefonds betaald zou zijn, als hij recht
gehad zou hebben op een loongerelateerde WW-uitkering.
9. Voor de zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid j, sub 3 en 4 is
de in het eerste lid bedoelde betaling gelijk aan het bedrag dat de
laatste werkgever voor de zieke werkloze bij werken aan het vakantiefonds
verschuldigd zou zijn geweest.
10. Op het in het vijfde, zesde, zevende en achtste lid bedoelde bedrag
wordt in mindering gebracht:
a. de betaling aan het vakantiefonds als bepaald in het tweede lid;
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
b. de eventueel op grond van de TW uit te betalen vakantietoeslag.
Als artikel 14 TW is toegepast wordt bij de berekening van de
hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag
zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
11. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het aantal dagen
waarop jegens het fonds recht bestaat op een betaling aan een
vakantiefonds gesteld op 230 opbouwdagen voor de zieke werkloze
op wie bij werken een CAO van toepassing was die ingeval van
ziekte de afdracht aan het vakantiefonds door de werkgever – al dan
niet onder voorwaarden – beperkt tot maximaal het aantal opbouwdagen
per rechtjaar.
12. In afwijking van het bepaalde in het vijfde, zesde en zevende lid
wordt het bedrag van de betaling aan het vakantiefonds ten behoeve
van de zieke werkloze op wie bij werken een CAO van toepassing
was op grond waarvan de hoogte van de afdracht door de werkgever
aan het vakantiefonds na 26 weken wordt verlaagd, na 130 opbouwdagen
aangepast overeenkomstig het bepaalde in de betreffende CAO.
13. De zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van het
bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag
geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens het fonds over die dag
recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds conform het
bepaalde in het achtste lid.
14. De betaling wordt uitbetaald aan het vakantiefonds waaraan de werkgever
zou betalen of het krachtens de WW te betalen bedrag uitbetaald
zou worden.
Artikel 11
De pensioenpremie
1. De zieke werkloze heeft jegens het fonds recht op betaling van pensioenpremie
over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze
als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, alleen recht op een beta-
ling van pensioenpremie als hij onmiddellijk voorafgaand aan het
intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in
verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO
Bouwbedrijf of de CAO Uta bouwbedrijven.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, die onmiddellijk
voorafgaand aan het intreden van zijn verlies aan arbeidsuren,
als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW,
werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf of de CAO Uta bouwbedrijven
dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient
binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag
plaats te vinden.
4. De hoogte van deze betaling is gelijk aan de pensioenpremie die
voor de zieke werkloze bij werken verschuldigd zou zijn geweest aan
het pensioenfonds.
5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze
voor wie bij de berekening van zijn dagloon krachtens de ZW
het werknemersaandeel in de pensioenpremie in aanmerking is of
zou zijn genomen, slechts jegens het fonds recht op betaling van een
bedrag aan het pensioenfonds als hij een machtiging verstrekt om
van zijn uitkering krachtens de ZW aan het pensioenfonds per dag
te voldoen zijn uitkering over de desbetreffende dag, vermenigvuldigd
met een breuk.
De teller van die breuk is gelijk aan het werknemersaandeel in de
pensioenpremie die begrepen is in het bedrag dat als dagloon zou
zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en artikel 9,
negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast.
De noemer van de breuk is gelijk aan het bedrag dat als dagloon zou
zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en artikel 9,
negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast. Deze betaling wordt in
mindering gebracht op de betaling door het fonds.
6. De zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht
heeft op ziekengeld, heeft jegens het fonds over die dag recht op
betaling van een bedrag aan het pensioenfonds dat gelijk is aan het
bedrag dat op grond van het vierde lid aan het pensioenfonds zou
worden voldaan, als betrokkene over die dag ziekengeld zou ontvangen.
7. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het aantal dagen
waarop jegens het fonds recht bestaat op betaling aan een pensioenfonds
gesteld op 230 opbouwdagen voor de zieke werkloze op wie
bij werken een CAO van toepassing was die ingeval van ziekte de
afdracht aan het pensioenfonds door de werkgever – al dan niet
onder voorwaarden – beperkt tot maximaal het aantal opbouwdagen
per rechtjaar.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
8. De pensioenpremiebetaling wordt gedaan aan het pensioenfonds
waaraan de pensioenpremie bij werken zou zijn afgedragen.
Artikel 12
Uitkering over wachtdagen
Een zieke werkloze die op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede
lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld,
heeft jegens het fonds over die dag recht op betaling van 70% van het
bedrag waarop het dagloon krachtens de ZW is of zou zijn vastgesteld.
DEEL V
OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 13
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de
uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit
reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan
hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover
derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 14
Voorschriften
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming
zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit
reglement.
Artikel 15
Analoge toepassing van ZW-bepalingen
1. Het bepaalde in de artikelen 47, 48, 50 en 85 ZW is op het in dit
reglement bepaalde van overeenkomstige toepassing.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voorzover in dit reglement
uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 16
Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 17
Bijzondere gevallen
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen, kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Artikel 18
Intern beroep
1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een
beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met
het verzoek een nieuwe beslissing te nemen in de plaats van een
beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis
gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit
reglement die hem betreft.
Artikel 19
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement Verstrekkingen
aan zieke werklozen (AR-ZW).
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
AANVULLINGSREGLEMENT VERSTREKKING STIMULERINGSUITKERING HERINTREDENDE WAO’ERS
Reglement van de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf
DEEL I
ALGEMEEN
Artikel 1
Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het fonds: de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf;
2. de statuten: de statuten van het fonds;
3. het bestuur: het bestuur van het fonds;
4. het premieloon: het loonbedrag per werknemer per kalenderjaar
waarover krachtens de Werkloosheidswet premie wordt geheven;
5. stimuleringsuitkering: de betaling van een bedrag aan gewezen
WAO-uitkeringsgerechtigden op wie voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid
bij werken een CAO in de zin van dit reglement van
toepassing is geweest;
6. CAO: een collectieve arbeidsovereenkomst als genoemd in artikel 2
van de statuten waarin is opgenomen de betaling door het fonds van
een stimuleringsuitkering;
7. CAO Bouw: de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf;
8. CAO UTA: de collectieve arbeidsovereenkomst voor het uitvoerend,
technisch en administratief personeel in de bouwbedrijven;
9. de werkgever: de werkgever als bedoeld in de CAO;
10. de werknemer:
– degene die werknemer is in de zin van de CAO; of
– degene die direct voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid
werknemer was in de zin van de CAO; of
– degene wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden tijdens het ontvangen
van een WW-uitkering en die direct voorafgaand aan zijn
werkloosheid werknemer was in de zin van de CAO.
11. de WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
12. de WW: de Werkloosheidswet;
DEEL II
FINANCIERING
Artikel 2
De bijdrage
1. De werkgever is aan het fonds jaarlijks, dan wel over een volgens de
CAO voorgeschreven periode, een bijdrage verschuldigd.
2. De hoogte van de bijdrage wordt, na overleg met partijen bij de desbetreffende
CAO, door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt in een
percentage van het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage
houdt het bestuur rekening met het overschot of het tekort volgens
de balans met betrekking tot de stimuleringsuitkering van de desbetreffende
CAO over het voorafgaande kalenderjaar.
3. De hoogte van de bijdrage voor het jaar 2005 is vastgesteld op
0,0022% voor de CAO voor het Bouwbedrijf en 0,0% voor de UTACAO.
Artikel 3
Loonopgave
De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdrage. Als de werkgever in
gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken wordt de heffingsgrondslag
ambtshalve vastgesteld.
Artikel 4
Heffing
1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak
of na iedere periode van vier weken.
2. De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te
vinden na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.
3. Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is
verschuldigd wordt het verschil nagevorderd. Te veel geheven bijdrage
wordt aan de werkgever terugbetaald.
4. De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle
op de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
werkgever inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie
die voor deze controle nodig worden geacht.
Artikel 5
Invordering
Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdrage te betalen
zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.
Artikel 6
Rentebepaling
1. Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot
niet binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
2. Als de betaling van de in artikel 4, tweede lid bedoelde bijdrage niet
binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de verzamelnota
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. De in het vorige lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de
wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.
DEEL III
RECHTEN
Artikel 7
De Stimuleringsuitkering
1. Herintreders die voorheen werkzaam waren als werknemer onder
deze CAO en die recht hadden op een (gedeeltelijke) WAO-uitkering
en het werk gedurende 1 jaar als volledig arbeidsgeschikte werknemer
hebben hervat, ontvangen een eenmalige stimuleringsuitkering
herintreders.
2. Voor de bepaling van de periode van een jaar zoals bedoeld in het
eerste lid worden de volgende perioden waarin niet gewerkt is gelijkgesteld
met gewerkte perioden:
a. perioden waarin een werknemer een WW-uitkering ontvangt op
grond van artikel 18 WW (onwerkbaar weer);
b. perioden waarin een werknemer wegens ziekte niet in staat is zijn
werkzaamheden te verrichten en deze ziekteperioden niet langer
duren dan vier weken.
3. De hoogte van de stimuleringsuitkering is afhankelijk van de
arbeidsongeschiktheidsklasse die van toepassing was voorafgaande
aan volledige afschatting. De bedragen per arbeidsongeschiktheidsklasse
zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Arbeidsongeschiktheidspercentage bedrag
80-100 € 1.134,45
65-80 € 907,56
55-65 € 737,39
45-55 € 623,95
35-45 € 510,50
25-35 € 397,06
15-25 € 283,61
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid geldt dat, indien in de
twaalf maanden voorafgaande aan de volledige afschatting slechts
over een deel van die twaalf maanden recht op uitkering bestond dan
wel meerdere arbeidsongeschiktheidsklassen van toepassing zijn geweest,
recht bestaat op een stimuleringsuitkering naar evenredigheid.
Voor elke maand die een werknemer ingedeeld is geweest in een
arbeidsongeschiktheidsklasse bestaat recht op 1/12e deel van het bij
die klasse behorende bedrag aan stimuleringsuitkering zoals vermeld
in de tabel in lid 3. Indien in een maand meer dan een arbeidsongeschiktheidsklasse
van toepassing is geweest, wordt het aan die
maand toe te rekenen bedrag gebaseerd op de hoogste klasse die in
de betreffende maand van toepassing is geweest.
5. Werknemers die hun WAO-uitkering hebben ontvangen van een
andere uitvoeringsinstelling dan de SFB UOSV en in aanmerking
komen voor de ,,stimuleringsregeling herintreders’’ dienen zich te
melden bij het bestuur van het Aanvullingsfonds, per adres SFB
UOSV, postbus 637, 1000 EE te Amsterdam. Tevens dienen zij aan
de SFB UOSV alle relevante informatie te verstrekken.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
DEEL IV
OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 8
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd ten
behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds en in dit reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan
hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover
derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 9
Voorschriften
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming
zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit
reglement.
Artikel 10
Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd als zij meer dan € 11,34 (bruto plus
overhevelingstoeslag) bedragen.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 11
Bijzondere gevallen
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Artikel 12
Intern beroep
1. Als een werkgever of een werknemer zich niet kan verenigen met
een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden
met het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit
reglement.
2. Aan de werkgever of de werknemer wordt desgevraagd schriftelijk
kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit
reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en
vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Artikel 13
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het ,,Aanvullingsreglement
verstrekking stimuleringsuitkering herintredende WAO’ers’’.
HOOFDSTUK 5
SLOTBEPALING
Artikel 1
Dispensatie
1. Partijen zijn gezamenlijk bevoegd, zo nodig onder het stellen van
nadere voorwaarden, afwijking toe te staan van een of meer bepalingen
van deze CAO.
2. Een dispensatieverzoek wordt alleen in behandeling genomen indien
dit verzoek minimaal 7 dagen voordat de beoogde afwijking van een
CAO-bepaling feitelijk aanvangt, is ingediend.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
3. Van lid 2 kan slechts worden afgeweken als verzoeker aan kan tonen
dat het eerder indienen van een dergelijk verzoek niet mogelijk was.
4. Partijen zullen binnen drie weken na ontvangst van het dispensatieverzoek
een uitspraak aan de indiener kenbaar maken. Een
dispensatieverzoek wordt gehonoreerd indien partijen tot een eensluidend
standpunt zijn gekomen.
5. Een dispensatieverzoek dient te worden gericht aan:
Technisch Bureau Bouwnijverheid
Postbus 717
2130 AS HOOFDDORP
6. Aan branches en sectoren kan door CAO-partijen een afwijking van
een of meerdere bepalingen van deze CAO worden toegestaan indien
over deze afwijking overeenstemming is bereikt met werknemersorganisaties,
partij bij deze CAO.
BIJLAGE 1
Uniforme percentages als bedoeld in artikel 1, sub 10 van het Reglement Vakantiefonds
In het rechtjaar 2004/2005 is het uniforme percentage voor:
a. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 40-urige werkweek:
25,36
b. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 4-daagse werkweek:
26,92
c. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 3-daagse werkweek:
28,61
d. werknemers van 18 tot en met 64 jaar: 23,16
In het rechtjaar 2005/2006 is het uniforme percentage voor:
a. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 40-urige werkweek:
25,36
b. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 4-daagse werkweek:
26,92
c. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 3-daagse werkweek:
28,61
d. werknemers van 18 tot en met 64 jaar: 23,16
AANHANGSEL B
Protocol Vorstverlet
A. De verplichte en aanbevolen maatregelen zoals bedoeld in artikel 9
van het reglement Risicofonds.
De verplichte maatregelen zijn:
1. Het in begaanbare staat houden van rijwegen en looppaden op en
om het bouwterrein.
2. Het vorstvrij aanleggen van bouwwaterleidingen en het aftappen
daarvan zodra dit noodzakelijk is, of het vroegtijdig isoleren van
tappunten.
3. Het beschermen van materieel ter handhaving van de bedrijfsvaardigheid.
4. Het met doeltreffende middelen beschermen van bouwmaterialen
die verwerkt moeten worden.
5. Het zoveel mogelijk te werk stellen van de werknemers op die
plaatsen waar de minste hinder wordt ondervonden van de ongunstige
weersomstandigheden. In het algemeen dienen zodanige
maatregelen getroffen te worden dat de werknemers in hun werk
zo min mogelijk door ongunstige weersomstandigheden belemmerd
worden.
De aanbevolen maatregelen voor burgerlijke en utiliteitsbouw zijn:
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
– Het voorbewerken van daartoe geëigende materialen en constructies,
of hulpconstructies in afgesloten en verwarmde ruimten;
– Het bij vorst-en /of sneeuwverwachting preventief beschermen
van werkonderdelen waarop of waaraan moet worden gewerkt;
– Het plaatsen van afschermingen tegen wind bij uitvoering van
werkzaamheden;
– Het dichtmaken met glas of andere materialen van afbouwwerken,
opdat afbouwwerkzaamheden tochtvrij kunnen worden
uitgevoerd;
– Het verwarmen van bouwwerken of onderdelen van bouwwerken,
die definitief glas-en waterdicht zijn;
– Het in gebruik nemen van de definitieve centrale verwarmingsinstallatie
zodra deze bedrijfsklaar is;
– Het laten dragen van doelmatige winterkleding door de werknemers
die in de open lucht moeten werken.
De aanbevolen maatregelen voor de grond-, water-, en wegenbouw
zijn:
– Het voorbewerken van daartoe geëigende materialen en constructies,
of hulpconstructies in afgesloten verwarmde ruimten;
– Het bij vorst en /of vorstverwachting zo mogelijk preventief
beschermen van werkonderdelen waarop of waaraan moet worden
gewerkt;
– Gedurende de winterperiode zorg dragen voor een vlotte afvoer
van het oppervlaktewater op het werkterrein;
– Het bij vorst en/of vorstverwachting egaliseren van rijsporen die
moeten worden bereden;
– Het bij vorst en/of vorstverwachting zo mogelijk beschermen
tegen bevriezing van de plaats waar moet worden gegraven;
– Het bij vorst en/of vorstverwachting zo mogelijk voorkomen van
bevriezing van sleuven, door een zo kort mogelijk stuk te graven
en door het afdekken van de sleuf;
– De cabines voor machinisten verwarmen;
– De werknemers winterkleding laten dragen.
AANHANGSEL C
Garantieregeling Stichting Vakantiefonds voor het Bouwbedrijf
1. De werknemer, wiens werkgever is toegelaten tot het Rechten Beheer
Systeem (RBS) en die in verband daarmede, buiten zijn schuld,
onvoldoende vakantierechten krijgt bijgeboekt, kan in principe aanspraak
maken op een uitkering uit het Vakantiefonds.
2. Indien er sprake is van de toepasselijkheid van artikel 61 Werkloosheidswet,
bestaat er geen aanspraak op de in lid 1 bedoelde uitkering.
Indien op grond van deze regeling betalingen uit het Vakantiefonds
aan de werknemer zijn gedaan, en indien nadien blijkt dat ten
aanzien van de periode waarover die betalingen gedaan zijn, sprake
is van een situatie als omschreven in artikel 61 van de Werkloosheidswet,
dient deze akkoord te gaan met betaling door de Bedrijfsvereniging
aan het Vakantiefonds.
3. Om in aanmerking te komen voor de in het eerste lid bedoelde uitkering
dient de werknemer een daartoe strekkende aanvraag in te
dienen bij het Vakantiefonds. De uitkering dient te worden aangevraagd
binnen 12 maanden na het tijdstip waarop de werknemer van
het niet door zijn werkgever nakomen van de verplichtingen kennis
heeft kunnen nemen. Een aanvraag die niet binnen vorengenoemde
termijn bij het Vakantiefonds is ingediend, wordt niet in behandeling
genomen.
4. De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt uitsluitend verstrekt,
indien de werknemer ten genoegen van het bestuur van het Vakantiefonds
aantoont:
– het bestaan van de dienstbetrekking waaraan hij zijn aanspraken
ontleent;
– de omvang van zijn aanspraken jegens het fonds uit die dienstbetrekking;
– dat hij zijn werkgever schriftelijk ter nakoming van diens verplichtingen
ter zake heeft aangemaand (aangetekend) en in rechte
heeft aangesproken.
5. Het Vakantiefonds kan een voorschot op de in de voorgaande leden
bedoelde uitkering verstrekken, indien de omstandigheden in bijzonderheid
ter zake van het rechtsgeding voornoemd daartoe aanleiding
geven. Over de hoogte van het voorschot beslist het bestuur.
6. De uitkering bedraagt maximaal de vakantierechten over een periode
van:
– acht weken per rechtjaar en per dienstverband als de verplichtingen
van de werkgever betrekking hebben op het loontijdvak
beginnend bij de aanvang van het dienstverband respectievelijk
bij het begin van de deelname van de werkgever aan RBS;
– zes weken per rechtjaar en per dienstbetrekking in de overige
gevallen.
7. De in de voorgaande leden bedoelde uitkering, dan wel het voorschot
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
daarop, wordt uiterlijk uitbetaald op de laatste dag van het kalenderjaar
volgend op het jaar waarin het desbetreffende rechtjaar eindigt.
8. Geen aanspraak op de in lid 1 bedoelde uitkering heeft de werknemer,
die heeft ingestemd met de niet-nakoming of niet-tijdige nakoming
van de verplichtingen van zijn werkgever met betrekking tot
zijn vakantierechten.
9. Indien een werknemer, hangende een aanvraag om uitkering uit het
Vakantiefonds, alsnog van zijn werkgever voldoening van de hem
toekomende vakantierechten verkrijgt, dient hij zijn aanvraag terstond
in te trekken, terwijl een hem reeds verstrekte uitkering ter
zake, terstond dient te worden gerestitueerd.
10. Ten onrechte betaalde uitkeringen, dan wel verstrekte voorschotten
daarop, worden van de werknemer teruggevorderd, dan wel met hem
verrekend.
AANHANGSEL D
Functielijst
De functielijst is in 1981 tot stand gekomen. De indeling van functies in
de groepen A tot en met E is gebaseerd op functie-eisen met betrekking
tot opleiding, ervaring, veiligheid en gezondheid, belastende fysieke
arbeidsomstandigheden, leiding geven en de mate waarin zelfstandig
beslissingen genomen moeten worden.
Bij het aangaan van een dienstverband dienen werkgever en werknemer
gezamenlijk na te gaan wat de aard van de te verrichten werkzaamheden
zal zijn.
Aan de hand van deze analyse wordt de werknemer ingedeeld in de
juiste functie, en de daarbij behorende functiegroep vastgesteld.
Wanneer een werknemer een functie vervult, welke niet in de functielijst
voorkomt, kan partijen worden verzocht uitspraak te doen inzake de
indeling van deze werknemer.
In afwachting van deze uitspraak wordt de werknemer voorlopig ingedeeld
in de functiegroep, waarin naar het oordeel van de werkgever vergelijkbare
functies zijn opgenomen.
De vermelding van het Romeinse cijfer I, II of III achter de functienaam
heeft betrekking op het niveau van de functie in de desbetreffende
functiefamilie. Tot een functiefamilie behoren functies uit eenzelfde vakgebied.
GROEP A
1. Asfalteerder buisleidingen.
Het aanbrengen van bekledingsmateriaal op buisverbindingen en
armaturen alsmede het repareren van beschadiging aan bestaande
bekledingen volgens de daarvoor geldende voorschriften.
2. Assistent springmeester.
Het onder verantwoordelijkheid en toezicht van de springmeester
verrichten van alle voorkomende springwerkzaamheden. De werknemer
die deze functie vervult moet tenminste 18 jaar zijn en voldoende
op de hoogte zijn van de gevaren die aan het werken met
springstof en ontstekingsmiddelen zijn verbonden.
3. Bakschipper.
Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het
varen op en verankeren van gesleepte bakken en dekschuiten.
4. Bediener van een portaal-of loopkatkraan.
Het door middel van knoppen op een bedieningspaneel bedienen van
een eenvoudige portaal-of loopkatkraan.
5. Bouwvakhelper.
Het verrichten van eenvoudige werkzaamheden in de sectoren
burger-, utiliteits-, grond-, water-, spoor-en wegenbouw, waarvoor
geen speciale kennis is vereist.
Toelichting
Onder de benaming ,,bouwvakhelper’’ zijn de volgende functies welke
in de voorgaande CAO’s afzonderlijk in de functielijst waren opgenomen
bijeengebracht, te weten:
Afkorter
Afplakker
Afplakker asfalteerder
Baggeraar
Bediende algemene
Dienst
Betonafwerker II
Betonboorder/-zager
Betonwerker-opperman
Bouwvakhelper
Bouwvaksjouwer
Corveeër
Elementenstapelaar
Elementenwerker
Grondwerker
Grondwerker-stortarbeider
Handlanger
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Helper
Hulparbeider
Hulparbeider bij de betonmolen
Hulpheier
Hulpkabelwerker
Hulpmolenbaas
Hulpmonteur-systeembouw
Hulpopsluiter
Hulpriool-en drainagewerker
Hulpsteigerbouwer
Hulpstraler
Hulpvlechter
Hulpijzervlechter
Klipsenman
Koppensneller
Laboratoriumbediende
Lierdrijver
Machinehulp
Machineman
Magazijnbediende II
Molenhulp
Olie-cementspuiter
Olieman
Opruimer
Palentransporteur
Schijfschuurder
Sjouwer
Sjouwerman
Smalspoorlegger
Specialist-rachelaar
Specialist-vloerder
Spoorwerker
Steenbikker
Stelleur-aluminiumgevels
Stoker II
Transportarbeider
Transportwerker
Voegwerker
Wegenbouwhelper
Ijzervlechter
Zandpalenwerker
6. Buisleidingenlegger III.
Het onder leiding van de buisleidingenlegger I verrichten van werkzaamheden
verband houdend met het leggen, verbinden en repareren
van ondergrondse buisleidingen.
7. Heier II.
Het behulpzaam zijn bij het opstellen, verplaatsen, bedrijfsklaar houden,
strijken en vervoeren van de stelling alsmede het behulpzaam
zijn bij het verrichten van diverse werkzaamheden bij en onder de
heistelling.
8. Kabelwerker.
Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het leggen en
afdichten van kabels of het aanbrengen van bovengrondse kabels.
9. Leerling machinist hei-installatie of funderingsinstallatie.
Het behulpzaam zijn bij werkzaamheden van de machinist van een
hei-installatie of funderingsinstallatie zoals bijvoorbeeld schroef-en
boorpalenstelling, groutankermachine enzovoorts.
10. Magazijnbediende.
Het beheren van een eenvoudig magazijn op een object of het
behulpzaam zijn van de magazijnmeester met het opbergen en uitgeven
van magazijnartikelen, het verrichten van eenvoudige reparaties
aan gereedschappen.
11. Monteur bronbemalingsinstallaties III.
Het onder leiding van de monteur bronbemalingsinstallaties I installeren
en na gebruik wederom verwijderen van bronbemalingsinstallaties
en het verrichten van hiervoor noodzakelijke bijkomende
werkzaamheden.
12. Sondeerassistent II.
Het assisteren bij het opstellen en bedienen van apparatuur voor het
uitvoeren van technisch bodemonderzoek.
13. Vorkheftruckbestuurder.
Het bedienen van een vorkheftruck en het verrichten van het dagelijks
onderhoud daaraan.
14. Wegmarkeerder III.
Het verrichten van eenvoudige hulpwerkzaamheden, waarvoor geen
speciale kennis vereist is, rond het aanbrengen van alle voorkomende
markeringswerkzaamheden.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
GROEP B
15. Asfaltafwerker.
Het verrichten van alle werkzaamheden bij het lossen, spreiden en
profileren van asfaltspecie bij de aanleg van verhardingen ten behoeve
van wegen, taluds en dijken en de goede afwerking daarvan.
Hiervoor is minimaal drie jaar ervaring vereist.
16. Assistent bankwerker lasser.
Het verrichten van las-en/of bank-en/of smeedwerkzaamheden alsmede
het assisteren bij constructiewerkzaamheden.
17. Bediener van een betonmenginstallatie.
Het mengen van grondstoffen voor de diverse betonsamenstellingen
in de juiste verhoudingen met behulp van eenvoudig te transporteren
betonmenginstallatie en het verrichten van het dagelijks onderhoud
daaraan.
18. Betonwerker II.
Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden bij de fabricage
van betonelementen, het afwerken van betonconstructies inclusief
het aanbrengen van slijtlagen, alsmede het verrichten van technisch
niet ingewikkelde reparaties aan deze constructies en
elementen.
19. Boorassistent.
Het assisteren bij het bedienen van boorinstallaties voor het uitvoeren
van grondboringen en het maken van pompputten dan wel het
bedienen van boorinstallaties voor het uitvoeren van technisch niet
ingewikkelde grondboringen en pompputten.
20. Buisleidingenlegger II.
Het verrichten van werkzaamheden verband houdende met het leggen
en verbinden van hoofd-en dienstleidingen alsmede het verrichten
van reparatie aan al of niet onder druk staande leidingen, een en
ander met uitzondering van autogenisch en elektrisch laswerk.
21. Buizensteller.
Het op juiste hoogte, onderlinge afstand en in de juiste richting stellen
van buizen.
22. Chauffeur III.
In het bezit van wettelijk rijbewijs. Het vervoeren van goederen en
materieel met een auto of vrachtauto waarvan het ledig gewicht, vermeerderd
met het laadvermogen niet meer bedraagt dan 7500 kg.
Werkt mee aan het laden en lossen en is verantwoordelijk voor een
juiste belading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks
onderhoud aan dit voertuig overeenkomstig de bedrijfsinstructies.
23. Dakdekker II.
Het volgens aanwijzingen zelfstandig uitvoeren van de meest voorkomende
dakdekkerswerkzaamheden, ongeacht het soort bedekking.
24. Palenboorder/Funderingswerker II.
Het onder toezicht en conform aanwijzingen uitvoeren van werkzaamheden
welke betrekking hebben op het boren en vullen van
palen en op funderingstechnieken, anders dan heien. Hieronder begrepen
werkzaamheden verband houdende met diepwanden, groutankers,
groutankerpalen, verdichten en schroef-en boorpalen etcetera.
25. Gevelbekleder lasser (aluminiumgevels).
Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met de
maatvoering en het uitrichten van al het aluminiumwerk in gevels en
dergelijke.
26. Grondwerker wegenbouw.
Het verrichten van alle voorkomende grondwerkzaamheden, alsmede
het afwerken van bermen, taluds en aardebanen, waarvoor minimaal
twee jaar ervaring in de sector wegenbouw is vereist.
27. Heier I.
Het verrichten van onderhoud en controle op onderdelen in de top
van de heistelling. Het opstellen van de stelling compleet met hei-of
trilblok, het plaatsen van de heibuis, paal of damwand op de juiste
plaats. Bij geheide in de grond gevormde palen, het vullen van de
heibuis met betonspecie, het afhangen van de wapening en het
gereed maken voor het trekken van de heibuis.
28. Isoleerder.
Het zelfstandig verrichten van isolatiewerkzaamheden aan bestaande
gebouwen door het mechanisch inbrengen van vulstoffen in spouwmuren.
Het onderhouden van de voor deze werkzaamheden benodigde
apparatuur en gereedschappen.
29. Kabellasser II.
Het maken van diverse kabelverbindingen en het waterdicht maken
van deze verbindingen.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
30. Kitter.
Het in het werk aanbrengen van de juiste kitten en primers op diverse
ondergronden.
31. Kozijnmonteur.
Het plaatsen, richten, vastzetten en afdichten van kozijnen in gevelelementen.
32. Kraanbestuurder.
Het zelfstandig verrichten van werkzaamheden verband houdende
met het bedienen van een eenvoudige bouwkraan, waarvoor geen
bewijs van deskundigheid of speciale vakkennis is vereist, alsmede
het verrichten van onderhoudswerkzaamheden.
33. Machinaal houtbewerker bouwplaats.
Het verrichten van eenvoudige houtbewerkingen op de bouwplaats.
34. Machinist eenvoudig bedienbaar materieel.
Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het
bedienen en het dagelijks onderhoud van motorisch aangedreven
en/of voortbewogen eenvoudig bedienbaar materieel, waarvoor door
opleiding en ervaring geen bijzondere vakopleiding vereist is, zoals
eenvoudig bedienbare graafmachines, handtrilwalsen, smalspoorlocomotieven
enzovoorts.
35. Machinist ketelhuis.
Het bedienen en bedrijfsklaar houden van de fabrieksketelhuisinstallatie
en het verrichten van eenvoudige reparaties.
36. Machinist verdichtingen.
Het bedienen en onderhouden van de verdichtingsinstallatie en de
daarbij behorende mobiele hijsinrichting.
37. Malleninstallateur.
Het monteren en demonteren van mallen met daarbij behorende
werkzaamheden.
38. Matroos motordrijver.
Het assisteren bij het varen met sleepboten of andere door motorkracht
voortbewogen schepen, voor zover deze vaartuigen een waterverplaatsing
van meer dan 25 ton hebben; het smeren van motoren,
lieren en pompen en het verrichten van onderhoudswerkzaamheden
aan genoemde vaartuigen zowel aan dek als in de machinekamer
overeenkomstig de bedrijfsinstructies.
39. Mechanisch stamper.
Het op dichtheid stampen van opgevulde sleuven tot op de juiste
hoogte met behulp van een mechanische stamper, alsmede het zelfstandig
verrichten van het dagelijks onderhoud en het uitvoeren van
kleine reparaties aan de stamper.
40. Metselaar II.
Het op aanwijzing van een vakman verrichten van eenvoudig schoon
metselwerk. Het zelfstandig verrichten van vuil metselwerk, voegen
raapwerk.
41. Molenbaas.
Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het installeren
en bedienen van een betonmolen alsmede het dagelijks onderhoud.
42. Monteur bronbemalingsinstallaties II.
Het al dan niet aan de hand van tekeningen zelfstandig installeren
van technisch niet ingewikkelde bronbemalingen.
43. Opperman.
Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het mengen
van grondstoffen voor het verkrijgen van metselspecie in de juiste
verhoudingen met behulp van een eenvoudig te transporteren en te
bedienen metselspeciemenginstallatie en het verrichten van het dagelijks
onderhoud daarvan. Het aanvoeren van metselspecie en stenen
ten behoeve van metselwerkzaamheden op de bouwplaats. Het eventueel
verlenen van handen spandiensten op de bouwplaats.
44. Opperman bestratingen.
Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden verband houdende
met bestratingswerkzaamheden, zoals het grondwerk en het
aanvoeren van stenen, blokken en trottoirbanden.
Voor zover de werknemer prestatietoeslag als bedoeld in artikel 21
lid 1 en lid 2 ontvangt zal deze worden verlaagd met een bedrag respectievelijk
percentage corresponderend met de uit de onderhavige
plaatsing in functiegroep B voortvloeiende verhoging van het
garantieloon. Artikel 21 lid 4 is op deze verhoging van het garantieloon
niet van toepassing.
45. Opperman-steigermaker.
Het maken van normale steigers, het maken van specie en het zorgen
voor de materiaalvoorziening ten behoeve van metselaars.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
46. Schilder II.
Het verrichten van eenvoudige schilderswerkzaamheden en het verlenen
van hulp bij de uitvoering van minder eenvoudige schilderswerkzaamheden
of het ontroesten (bikken en gritstralen), meniën,
gronden en afschilderen van constructies, werktuigen en materieel.
47. Sloper II.
Het onder toezicht van sloper I verrichten van alle voorkomende
sloopwerkzaamheden en het behulpzaam zijn bij het onderhouden
van machines en gereedschappen.
48. Sondeerassistent I.
Het zelfstandig maken van technisch niet ingewikkelde sonderingen
en proefboringen, alsmede het assisteren bij gecompliceerde sonderingen
en proefboringen.
49. Spanmonteur.
Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het
voor-en naspannen van kabels ten behoeve van betonconstructies.
50. Spoorlegger-wisselbouwer II.
Het onder leiding leggen, bouwen, opbreken en onderhouden van
normaalspoor en wissels.
51. Springmeester II.
Het voorbereiden en met behulp van springstoffen uitvoeren van
sloopwerk aan bouwwerken of delen daarvan alsmede het verzorgen
van aanvoer, opslag, gebruik en afvoer van de voor deze springwerken
geëigende materialen en apparatuur. Een en ander met inachtneming
van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. Om
deze functie te mogen vervullen moet de werknemer tenminste 21
jaar oud en in het bezit van het door de Arbeidsinspectie erkende
basisdiploma springmeester zijn.
52. Stelleur II.
Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden bij het aanvoeren,
stellen en monteren van elementen op de bouwplaats en het
assisteren van de stelleur I.
53. Straatmaker II.
Het verrichten van alle voorkomende eenvoudige bestratingswerkzaamheden.
54. Timmerman II.
Het aan de hand van tekeningen en op aanwijzingen van een vakman
maken en stellen van de meest voorkomende bekistingen en verrichten
van technisch niet ingewikkelde stel-en timmerwerkzaamheden.
55. Transportwerker.
Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het
laden, lossen, opslaan en transporteren van elementen en materialen
en de regeling daarvan.
56. Voeger.
Het met handgereedschap of mechanische hulpmiddelen verrichten
van alle voorkomend voegwerk en de daarbij behorende werkzaamheden.
57. Wegmarkeerder II.
Het onder leiding van een wegmarkeerder I met behulp van mechanische
hulpmiddelen aanbrengen van wegmarkeringen zoals verkeersstrepen
en figuraties. Het behulpzaam zijn bij alle noodzakelijke
werkzaamheden, zoals het uitzetten van markeringen, het
plaatsen en in stand houden van wegafzettingen, het aanbrengen van
verkeerspunaises en voorgevormde plakstrepen, het afstrooien met
parels en/of krijt van wegmarkeringen.
58. IJzervlechter II.
Het verrichten van buig-en ijzervlechtwerkzaamheden en het behulpzaam
zijn bij het in het werk brengen van het vlechtwerk.
GROEP C
59. Betonwerker I.
Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende
met het boren, zagen, injecteren dan wel repareren van beton,
alsmede het bedienen en onderhouden van de voor deze werkzaamheden
benodigde machines en gereedschappen.
60. Betonspuiter.
Het zelfstandig hanteren van hogedrukpistool, kruipslang/lans en
dergelijke van een hogedrukinstallatie.
61. Boormeester II.
Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen
en het in samenhang met de doorboorde aardlagen afwerken
hiervan tot pompput.
62. Chauffeur II.
In bezit van wettelijk rijbewijs en bewijs van vakbekwaamheid ingevolge
Rijtijdenbesluit 1977 tenzij daarvoor dispensatie is verleend.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
Heeft minimaal 2 jaar ervaring. Voert normale transporten uit met
behulp van alle soorten vrachtauto’s (inclusief vrachtautocombinaties
en dergelijke). Werkt mee aan het laden, lossen en is verantwoordelijk
voor de belading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks
onderhoud aan de vrachtauto, overeenkomstig de bedrijfsinstructies.
63. Dakdekker I.
Het zelfstandig verrichten van alle bij het dakdekken voorkomende
werkzaamheden en zonodig geven van instructies aan dakdekker II.
64. Elektromonteur II.
Het assisteren bij of onder toezicht verrichten van werkzaamheden
ten behoeve van de aanleg, het onderhoud en het herstel van elektrische
geleidingen, alsmede het opheffen van eenvoudig te lokaliseren
storingen aan elektrische apparatuur.
65. Kabellasser I.
Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden, verband houdende
met het maken van kabelverbindingen, zoals het monteren en
ombouwen van aansluitingen voor hoog-en laagspanning, telefoon
en centrale antenne-inrichtingen. Hiervoor is op basis van opleiding
en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.
66. Lasser buisleidingen.
Het verrichten van alle voorkomende laswerkzaamheden aan buisleidingen,
zowel boven als ondergronds.
67. Machinaal metaalbewerker II.
Het op aanwijzing, zonodig volgens tekening vervaardigen van
machineonderdelen met behulp van metaalbewerkingsmachines (zoals
draaibank, freesmachine, sterkarmschaafbank, radiaalboormachine)
enzovoorts.
68. Machinemonteur II.
Het opheffen van eenvoudig te lokaliseren storingen bij de in het
bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen en het
assisteren en onder toezicht verrichten van reparatie-en revisiewerkzaamheden
daaraan.
69. Machinist kleine hei-installatie of funderingsinstallatie.
Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het
bedienen en dagelijks onderhouden van kleine hei-installaties niet
werkend met een valblok, waarvan de capaciteit niet meer bedraagt
dan 35 kNm (3,50 tonmeter), of het verrichten van alle werkzaamheden
verband houdende met het dagelijks bedienen en onderhouden
van kleine funderingsinstallaties zoals bijvoorbeeld schroef-en boorpalenstelling,
groutankermachine, enzovoorts.
70. Machinist kettingsleuvengraafmachine.
Het op juiste diepte en in de juiste richting machinaal graven van
sleuven voor kabels en buizen, alsmede het zelfstandig verrichten
van dagelijks onderhoud en het uitvoeren van kleine reparaties aan
de sleuvengraver.
71. Monteur steigers II.
Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en
bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen
zelfstandig uitvoeren van een technisch niet ingewikkelde
steigerconstructie, alsmede het onder leiding uitvoeren van alle soorten
steiger-en ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende
hoogte (zie aanhangsel E).
72. Palenboorder/Funderingswerker I.
Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het
boren en vullen van palen en met funderingstechnieken.
73. Remmingwerker.
Het maken, afwerken en repareren van remmingwerken.
74. Rijswerker.
Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden voor het ma-
ken van rijsbeslag en zinkwerken.
75. Sloper I.
Het verrichten van alle voorkomende sloopwerkzaamheden met inbegrip
van het zagen, boren en branden en het onderhouden van de
voor deze werkzaamheden benodigde machines en gereedschappen.
76. Sondeermeester II.
Het zelfstandig maken van sonderingen en de proefboringen en het
vastleggen van de verzamelde gegevens.
77. Spoorlegger-wisselbouwer I.
Het zelfstandig leggen, vernieuwen, opbreken, onderhouden en repareren
van sporen en wissels.
78. Stelleur I.
Het stellen en monteren van elementen op de bouwplaats, het zorgen
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
voor de juiste maatvoering en het geven van aanwijzingen aan assistenten.
79. Stortbaas (natte stort).
Het meewerken aan alle werkzaamheden welke voorkomen op het
natte stort en het houden van toezicht op de werknemers die hem
daarbij assisteren, alsmede het aflezen van de hoogte van het stort
met behulp van een waterpastoestel.
80. Tegelzetter.
Het zelfstandig verrichten van alle bij het tegelzetten voorkomende
werkzaamheden.
81. Vakman GWW.
Het in de sector grond-, water-, spoor-en wegenbouw verrichten van
minder eenvoudige werkzaamheden zoals: aan de hand van tekeningen
of op aanwijzing uitzetten naar richting en hoogte van onder
andere rioleringen, verhardingen en grondwerken; inritsen, afwerken
en bekleden van taluds; leggen van rioolbuizen en het stellen van
duikerelementen; zelfstandig repareren van wegen; op juiste diepte
en afschot brengen van sleufbodems; dichten van sleuven; stellen
van stalen bekistingsrails; snoeien van bomen; bedienen van hulpwerktuigen
en het verrichten van kleine reparaties daaraan.
82. Wegmarkeerder I.
Het zelfstandig – zonodig aan de hand van tekeningen – uitzetten en
met behulp van mechanische hulpmiddelen aanbrengen van wegmarkeringen
zoals verkeersstrepen en figuraties. Het treffen van alle
noodzakelijke verkeersmaatregelen. Het verrichten van onderhoudswerk
en het verhelpen van kleine storingen aan de mechanische
hulpmiddelen. Het geven van leiding aan de bij de werkzaamheden
betrokken werknemers en het bijhouden van de werkadministratie
(productie-opnamen en dergelijke).
GROEP D
83. All-round lasser buisleidingen.
Het zelfstandig verrichten van alle laswerkzaamheden onder strenge
keur aan hogedrukleidingen zowel boven-als ondergronds.
84. Balkman.
Het bedienen van de verwarmde strijkbalk op een asfaltafwerk
machine bij het spreiden, profileren en afwerken van asfalt. Het in
voorkomende gevallen vervangen van de machinist groot materieel.
Voor deze functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere
vakbekwaamheid vereist.
85. Bankwerker/lasser.
Het zelfstandig verrichten – zonodig aan de hand van tekeningen –
van alle voorkomende las-en/of bank-en/of constructiewerkzaamheden.
86. Boormeester I.
Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen,
volgens meerdere gebruikelijke boorsystemen al of niet met
toepassing van boorspoelingen en het in samenhang met de doorboorde
aardlagen afwerken hiervan tot pompput.
87. Boormeester palen.
Het volgens tekening en/of aanwijzing verrichten van alle voorkomende
werkzaamheden, zoals het construeren en aanbrengen van de
verankering en belasting, het opstellen en bedienen van de vijzel(s),
het uitpulsen van de paalkoker, het slaan van de betonnen voet en
het vullen van de paal met betonspecie.
88. Buisleidingenlegger I.
Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende
met leggen, verbinden en repareren van leidingen (uitgezonderd
laswerk), waarbij tevens leiding wordt gegeven aan andere
daarbij betrokken werknemers en de bijbehorende administratie wordt
verricht.
89. Chauffeur I.
In het bezit van wettelijk rijbewijs en bewijs van vakbekwaamheid
ingevolge Rijtijdenbesluit 1977 tenzij daarvoor dispensatie is verleend.
Heeft minimaal 5 jaar ervaring overeenkomend met de functie
van chauffeur. Voert met alle soorten vrachtauto’s (inclusief
vrachtautocombinaties en dergelijke) speciale transporten uit zoals
van groot materieel/materiaal, van verontreinigde grond en andere
vracht, alsmede zonodig normale transporten. Werkt mee aan het
laden en lossen en is verantwoordelijk voor de lading. Heft kleine
storingen op en verricht het dagelijks onderhoud aan de vrachtauto,
overeenkomstig de bedrijfsinstructies.
90. Dakloodgieter
Het zelfstandig verrichten van alle bij het dakdekken voorkomende
loodgieterswerkzaamheden, waaronder het aanbrengen van zinken
daken en goten en HWA-afvoeren.
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
91. Elektromonteur I.
In het bezit van het diploma sterkstroom uitgereikt door VEV. Het
zelfstandig aan de hand van schema’s en/of tekeningen installeren,
onderhouden en repareren van elektrische installaties en apparaten.
92. Machinist Torenkranen.
Het zelfstandig verrichten van werkzaamheden verband houdende
met het bedienen van een bouwkraan, alsmede het opsporen en
opheffen van storingen, het verrichten van onderhoudswerkzaamheden
en eenvoudige reparaties, overeenkomstig de bedrijfsinstructies.
Het wettelijk voorgeschreven bewijs van deskundigheid is vereist.
93. Machinaal metaalbewerker I.
Het zelfstandig, eventueel volgens tekening, vervaardigen van
machine-onderdelen of constructies met behulp van de gebruikelijke
metaalbewerkingsmachines. Zonodig het reviseren/repareren van machines
of repareren van constructies.
94. Machinemonteur I.
Het opsporen en opheffen van alle voorkomende storingen bij de in
het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen alsmede
het verrichten van reparatie-en revisiewerkzaamheden daaraan. Geeft
in voorkomende gevallen leiding aan de werkzaamheden van de
machinemonteur II.
95. Machinist wegenbouw-, grondverzet-, graaf-en spoorwegbouwmachines.
Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende
met het bedienen en dagelijks onderhoud van wegenbouw-,
grondverzet-, graaf-en spoorwegbouwmachines waarvoor op basis
van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid is vereist.
Ook het verrichten van sloop en/of opruimwerkzaamheden met
behulp van deze machines valt hieronder.
96. Machinist mobiele hei-installatie of funderinginstallatie.
Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende
met het bedienen en onderhouden van hei-installaties, niet
werkende met een valblok, of funderingsinstallaties (zoals bijvoorbeeld
schroefpalenen boorpalenstelling, enzovoorts) waarvoor op
basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid
is vereist.
NB: Indien tevens gefungeerd wordt als heibaas, dan is de beloning
conform die van de heibaas.
97. Machinist mobiele kraan.
Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende
met het bedienen en onderhouden van een mobiele kraan.
Hiervoor is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid
vereist. Het lokaliseren van storingen en het verrichten
van kleine reparaties aan de machine zelf, de motor en de
hydraulische pneumatische en elektrische systemen overeenkomstig
de bedrijfsinstructie. Het in alle situaties kunnen beoordelen van de
juiste en veilige opstelling van de kraan. Het rijden met de kraan
over de openbare weg.
98. Menger.
Het zelfstandig verrichten van alle technische en toezichthoudende
werkzaamheden verband houdende met het bedienen van een menginstallatie
van een betoncentrale of asfaltcentrale.
99. Metselaar I.
Het zelfstandig verrichten en repareren van alle soorten metselwerk,
voegwerk en eenvoudig raapwerk; het leggen of herstellen van rioleringen
alsmede herstellen of vernieuwen van tegelvloeren, wanden
of pannendaken.
100. Modelmaker/mallenbouwer.
Het aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle
voorkomende werkzaamheden verbonden aan de nieuw-en verbouw,
onderhoud en reparatie, van mallen respectievelijk maltafels
en/of lijsten ten behoeve van de fabrieksmatige productie van elementen
voor de industriële bouw. De betrokken werknemer is daarbij
verantwoordelijk voor een exacte maatvoering.
101. Monteur bronbemalingsinstallaties I.
Het zelfstandig installeren en boren van alle voorkomende bronbemalingen,
alsmede het leidinggeven aan andere daarbij betrokken
werknemers en het verrichten van administratieve werkzaamheden.
102. Monteur steigers I.
Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en
bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen
zelfstandig maken van alle voorkomende steiger-en
ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende hoogte, alsmede
het leidinggeven aan ten hoogste 3 monteurs steigers II.
103. Ovenbouwer.
Het metselen van of het verrichten van reparaties aan industrieen
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
andere ovens, alsmede het uitmetselen van industrieschoorstenen en
ketelaanlagen.
104. Schilder I.
Het verrichten van alle voorkomende schilderswerkzaamheden,
decoratieschilderen en letterzetten, waarbij eventueel mechanische
hulpmiddelen kunnen worden gebruikt.
105. Schipper.
Het varen met een door motorkracht voortgedreven schip of sleep-
boot met een waterverplaatsing van meer dan 25 ton. Houdt toezicht
op en draagt zorg voor de juiste belading en heeft kennis van
de vaarreglementen.
106. Sondeermeester I.
Het zelfstandig verrichten van technisch bodemonderzoek met behulp
van alle voorkomende apparatuur, alsmede het inmeten en
waterpassen van sondeer-en boorlocaties.
107. Springmeester I.
Het zelfstandig voorbereiden en verrichten van sloopwerk met
behulp van springstoffen aan bouwwerken. Het verzorgen van aanvoer,
opslag, gebruik en afvoer van de hiervoor benodigde materialen
en apparatuur. Dient op de hoogte te zijn van de hiervoor geldende
wettelijke voorschriften en dient deze in acht te nemen. Voor
deze functie is het bezit van het diploma springmeester met aantekening
,,Gebouwen en hoge bouwwerken’’ en ,,onder water’’ vereist
en geldt een minimum leeftijd van 21 jaar.
108. Steenzetter.
Het volgens voorschriften verrichten van alle voorkomende
steenzetterswerkzaamheden.
109. Straatmaker I.
Het zelfstandig verrichten van alle voorkomende bestratingswerkzaamheden.
Voor deze functie is op basis van opleiding en/of
ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.
110. Timmerman I.
Het aan de hand van tekeningen zelfstandig maken en stellen van
alle voorkomende bekistingen en het zelfstandig verrichten van alle
voorkomende stel-en timmerwerkzaamheden zowel in de nieuwbouw,
vernieuwings-, als onderhoudssector.
111. Werkplaatstimmerman.
Het in een timmerwerkplaats aan de hand van tekeningen zelfstandig
verrichten van alle voorkomende werkzaamheden met of zonder
machines.
112. IJzervlechter I.
Het aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle
voorkomende buig-, knip-en vlechtwerkzaamheden, maatvoering
en het maken van buigstaten.
GROEP E
113. Funderingsspecialist.
Medewerker belast met de dagelijkse leiding van werkzaamheden
op het gebied van alle typen funderingen, anders dan heien, hetzij
op een klein object of onderdeel van een groot object. Verantwoordelijk
voor de juiste uitvoering van het werk overeenkomstig aanwijzingen
en/of voorschriften en/of tekeningen of andere gegevens
en voor juist gebruik en dagelijks onderhoud van voor de toe te passen
techniek geëigend materieel. Houdt werkadministratie bij en
onderhoudt werkcontacten met opdrachtgevers en eigen bedrijfsleiding.
114. Heibaas.
Werkt mee en geeft leiding aan een ploeg belast met heiwerk of het
aanbrengen van in de grond gevormde palen. Het opstellen en verplaatsen,
strijken en vervoeren van de stelling. Deze werkzaamheden
kunnen worden uitgevoerd met heistelling met trilblok, mechanische
heiblokinstallatie (met trekhamer of mechanisch trekblok) of
drijvende hei-installaties met een capaciteit boven 500 k p/m.
115. Hoofdboormeester diepboringen.
Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen
naar grote diepte, volgens gebruikelijke boorsystemen en
het afwerken van de doorboorde aardlagen tot pompput. Voor deze
functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid
vereist.
116. Machinemonteur specialist.
Het zelfstandig opsporen en opheffen van alle voorkomende storingen
bij de in het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen,
alsmede het zelfstandig verrichten van reparatie-en revisiewerkzaamheden
daaraan. Eventueel toezicht houden op, of leiding
geven aan werkzaamheden van machinemonteur I en/of machine
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
monteur II. Voor deze functie is het bezit van het diploma ,,machinemonteur
GWSW’’ verplicht.
117. Machinist met diploma.
De in functiegroep D onder de functienummers 92, 95, 96 en 97
genoemde machinisten welke in het bezit zijn van het diploma
machinist SBW (Stichting Beroepsopleidingen Weg-en waterbouw)
respectievelijk het diploma Bouwradius of het diploma Middelbaar
Technische Machinistenschool (SOMA).
AANHANGSEL E
Functie-en loonstructuur Steigerbouw
Onderstaande functieomschrijvingen voor werknemers werkzaam in de
steigerbouw zijn tot stand gekomen in 2000.
GROEP A
1. Hulpsteigerbouwer
Het verrichten van eenvoudige (transport)werkzaamheden ter ondersteuning
van de montage van steigers. Hiervoor is geen speciale kennis
vereist.
GROEP B
2. Monteur steigers III
Het construeren van normale steigers. Om deze functie te mogen vervullen
is het wenselijk dat de werknemer in het bezit is van het Certificaat
A steigerbouw.
GROEP C
3. Monteur steigers II:
Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en
bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen
zelfstandig uitvoeren van een technisch niet ingewikkelde
steigerconstructie, alsmede het onder leiding uitvoeren van alle soorten
steiger-en ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende
hoogte.
Om deze functie te mogen vervullen moet de werknemer tenminste
1 jaar ervaring hebben.
De hulpsteigerbouwer, de opperman-steigermaker en de monteurs
steigers II zijn verantwoordelijk en bevoegd tot:
– veilig werken, gebruik maken van de van toepassing zijnde persoonlijke
beschermingsmiddelen en milieubewust werken;
– werken volgens de procedures en instructies;
– melding van tekortkomingen, gevaren (onveilige situaties), bijnaongevallen
en ongevallen aan de directe leidinggevende;
– actief meewerken aan verbeteringen op alle gebied;
– meewerken aan goed overleg.
GROEP D
4. Monteur steigers I:
Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en
bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen
zelfstandig maken van alle voorkomende steiger-en
ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende hoogte, alsmede
het leidinggeven aan ten hoogste 3 monteurs steigers II. Het leiding
geven dient een structureel karakter te hebben.
Om deze functie te mogen vervullen moet de werknemer in het bezit
zijn van het Certificaat B steigerbouw.
De monteur steigers I is in nauwe samenwerking met de voorman
verantwoordelijk voor en bevoegd tot:
– het in ontvangst nemen van de mondelinge en schriftelijke instructies
van de voorman;
– bespreken van het werk met de ter beschikking gestelde eigen en
ingeleende medewerkers, inclusief de veiligheidsaspecten daarbij;
– het verzorgen van de benodigde materialen en werkinstructies;
– het melden van afwijkingen en tekortkomingen aan de voorman
en de uitvoering van passende corrigerende maatregelen, met
inbegrip van het, in voorkomend geval, informeren van de
veiligheidskundige;
– het, in overleg met de voorman, treffen van preventieve maatregelen
teneinde afwijkingen of tekortkomingen in de toekomst te
voorkomen;
– het, in overleg met de voorman uitvoeren van ontvangst-en eindcontroles
met registratie van resultaten;
– uitvoeren van de eindinspecties, met registratie van de resultaten
en aftekenen door klant;
– het melden van klachten van klanten aan de voorman, alsmede
het verzorgen van een snelle correctie van eventuele tekortkomingen;
– het voeren van de uren-en steigerregistratie;
– actief meewerken aan het uitvoeren van werkoverleg;
Bouwbedrijf
Bedrijfstakeigen Regelingen 2005
Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen
– het ter beschikking stellen van de nodige persoonlijke
beschermingsmiddelen.
GROEP E
5. Voorman:
De voorman is verantwoordelijk voor en bevoegd tot het op de toegewezen
werklocaties ondersteunen van de projectleider in alle voorkomende
zaken. Indien er geen projectleider is aangesteld, dan verricht
hij zelfstandig de taken.
Hij rapporteert aan de projectleider of rechtstreeks aan de operations
manager. De werknemer dient 10 jaar werkervaring te hebben opgedaan
alvorens hij/zij de functie van voorman mag vervullen.
De voorman is in overleg met de projectleider of zelfstandig verantwoordelijk
voor en bevoegd tot:
– het in ontvangst nemen van de projectgevers van toegewezen
steigerwerken, planningen en mondelinge instructies en het controleren
van deze gegevens op volledigheid en ondubbelzinnigheid;
– het zekerstellen dat ter beschikking gestelde, eigen en ingeleende
medewerkers adequaat zijn opgeleid voor hun taak, inclusief de
veiligheidsaspecten daarbij;
– het verzorgen van passende werkinstructies op de werkplek;
– het registreren van afwijkingen en tekortkomingen en de uitvoering
van passende corrigerende maatregelen, met inbegrip van
het, in voorkomend geval, informeren van de veiligheidskundige;
– het treffen van preventieve maatregelen teneinde afwijkingen en
tekortkomingen in de toekomst te voorkomen;
– het uitvoeren van ontvangst-en eindcontroles met registratie van
resultaten;
– het opleveren van het steigerwerk aan de klant na uitvoering van
de eindinspecties, met registratie van de resultaten en aftekenen
door de klant;
– het registreren van klachten van klanten, alsmede het verzorgen
van een snelle correctie van eventuele tekortkomingen;
– uitvoeren van werkoverleg conform de gestelde eisen en frequentie;
– het beheer van de orderadministratie op de werklocatie;
– het voeren van de uren-en steigerregistratie;
– het ter beschikking stellen van de benodigde persoonlijke
beschermingsmiddelen.
Dictum II
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag-
tekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen
terugwerkende kracht.
Dictum III
Dit besluit zal in een bijvoegsel bij de Staatscourant worden geplaatst.
Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
’s-Gravenhage, 22 juni 2005
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
Namens deze,
De directeur Uitvoeringstaken
Arbeidsvoorwaardenwetgeving,
Mr. M. H. M. van der Goes.




