CAO Dakbedekkingsbedrijven
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN
EN WERKGELEGENHEID
BESLUIT VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN
WERKGELEGENHEID VAN 9 MAART 2004 TOT ALGEMEEN
VERBINDENDVERKLARING VAN BEPALINGEN VAN DE
COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VAN DE
BITUMINEUZE EN KUNSTSTOF DAKBEDEKKINGSBEDRIJVEN
UAW Nr.10132
Bijvoegsel Stcrt. d.d. 15-03-2004, nr. 51
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van Partijen bij de CAO voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven namens partijen bij bovengenoemde
collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeen verbindendverklaring
van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij(en) te ener zijde: de Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland;
Partij(en) te anderer zijde: FNV Bouw en Hout-en Bouwbond CNV.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend
en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Dictum I
Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde
collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van
hetgeen in de dicta II, III, IV, V en VI is bepaald:
Artikel 1
Begripsbepalingen
In deze Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) wordt verstaan onder:
a. Bitumineus en Kunststof Dakbedekkingsbedrijf
Elke natuurlijke of rechtspersoon die in Nederland arbeid doet verrichten
in de zin van en verband houdende met het aanbrengen van
dakbedekkingen van bitumen en/of kunststof materialen, met uitzondering
van:
1. de ondernemingen die in hoofdzaak andere activiteiten verrichten
dan de uitvoering van bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingen
en uit dien hoofde onder de werkingssfeer van een
andere ondernemings-dan wel bedrijfstak-Collectieve Arbeidsovereenkomst
vallen (met dien verstande dat het aandeel van de
loonsom voor de uitoefening van bitumineuze en/of kunststof
dakbedekkingen niet overweegt);
2. de ondernemingen of gedeelten van ondernemingen waarin tevens
bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingsmaterialen worden
vervaardigd voor levering aan derden.
b. Werkgever
Iedere werkgever in het bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijf
in de zin van artikel 1, lid a.
c. 1. Werknemer
Iedere werknemer in loondienst van een werkgever, voor zover
zijn functie is opgenomen in bijlage 1 van deze Collectieve
Arbeidsovereenkomst.
2. Onder werknemer in de zin van artikel 38 van deze CAO wordt
tevens verstaan iedere werknemer in loondienst van een werkgever,
die belast is met de navolgende taken:
– het laden en/of lossen van een vrachtwagen en/of het verrichten
van werkzaamheden in magazijn en/of opslagplaats
(expeditie-en magazijnmedewerker);
– het verrichten van diverse werkzaamheden ten behoeve van
het onderhoud van onder andere het materiaal, hetwelk in het
bedrijf van de werkgever dan wel op de bouwplaats wordt
gebruikt (onderhoudsmedewerker).
3. Onder UTA-personeel wordt verstaan iedere werknemer in loondienst
van een werkgever, wiens functie niet is opgenomen in bijlage
I van deze CAO.
d. Garantieweekloon
Het loon, waarop de desbetreffende werknemer recht kan doen gel-
den volgens bijlage II, artikel 1, artikel 5 en artikel 8.
e. Garantie-uurloon
Het voor de desbetreffende werknemer volgens bijlage II, artikel 1,
artikel 5 en artikel 8 vastgestelde garantieweekloon, gedeeld door het
volgens artikel 8 van de CAO genoemde aantal normale werkuren
per week.
f. Individueel overeengekomen uurloon
Het voor de desbetreffende werknemer volgens bijlage II, artikel 3
overeengekomen loon.
g. Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Het fonds dat in de branche voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven belast is met de bevordering van scholing,
opleiding en ontwikkeling, werkgelegenheid, arbeidsomstandighe
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
den, de (gedeeltelijke financiering van) kinderopvang en het doen
uitvoeren van een regeling voor stervensbegeleiding en rouwverlof,
en het verstrekken van aanvullingen op uitkeringen krachtens de
sociale verzekeringswetten.
h. SBD
De Stichting Bedrijfstakregelingen Dakbedekkingsbranche. Deze
Stichting is onder meer belast met de uitvoering van arbeidsomstandighedenbeleid
en arbeidsmarktbeleid.
i. SFB
De relevante werkmaatschappij(en) van de SFB Groep.
2. Partijen verplichten zich over en weer ten aanzien van de werknemers
voor wie deze Collectieve Arbeidsovereenkomst is aangegaan,
generlei actie te zullen voeren of te bevorderen, welke in strijd is met
de in deze Collectieve Arbeidsovereenkomst neergelegde verplichtingen
der werkgevers, werknemersorganisaties en werknemers, dan
wel ten doel heeft in afwijking van het bepaalde in artikel 45 wijziging
in deze Collectieve Arbeidsovereenkomst te brengen.
Artikel 3
Algemene verplichtingen van de werkgever
1. Introductie
De werkgever zal zorgdragen voor een goede introductie van de werknemer
en hem bij de aanvang van het dienstverband laten kennismaken
met collega’s met wie zal worden samengewerkt.
2. Fusie en bedrijfssluiting
a. De werkgever die overweegt:
– een fusie aan te gaan, of
– een bedrijf dan wel een bedrijfsonderdeel te sluiten, zal bij
het nemen van zijn beslissing de sociale consequenties daarvan
betrekken.
b. In verband daarmede zal de werkgever zo spoedig mogelijk,
maar in elk geval voordat definitieve besluiten genomen worden,
met de werknemersorganisaties, de erkende contactpersonen en
de ondernemingsraad in gezamenlijk overleg treden over de voorgenomen
besluiten.
c. Aansluitend hieraan zal de werkgever de overwogen maatregelen
en de daaruit eventueel voor de werknemers of een aantal werknemers
voortvloeiende gevolgen, bespreken met de werknemers
organisaties, de erkende contactpersonen en de ondernemingsraad.
d. Inzake de gevolgen welke voor de werknemers of een aantal
werknemers in verband met de fusie of de bedrijfssluiting zijn te
verwachten, zal de werkgever in overleg met de werknemersorganisaties,
de erkende contactpersonen en de ondernemingsraad,
een sociaal plan opstellen waarin wordt aangegeven met
welke belangen van de werknemers in het bijzonder rekening
dient te worden gehouden en welke voorzieningen in verband
daarmede kunnen worden getroffen.
3. Het is de werkgever niet toegestaan, met inachtneming van objectief
aan de functie verbonden eisen, gelijkwaardige werknemers gelijke
kansen op arbeid en gelijke kansen in de arbeidsorganisatie te onthouden
op grond van factoren als leeftijd, sekse, seksuele geaardheid,
burgerlijke staat, levensof geloofsovertuiging, huidskleur, ras
of etnische afkomst, nationaliteit en politieke keuze.
4. De werkgever zal aan de werknemer die op 31 december van enig
jaar in zijn dienst is, of in dat jaar in zijn dienst is geweest, een jaaropgave
verstrekken inzake brutoloon, belasting-en premieinhoudingen.
Hij zal dit doen uiterlijk vóór 1 maart van het nieuwe jaar.
6. Loonstrook
Bij de loonbetaling zal aan de werknemer een schriftelijke specificatie
worden verstrekt van:
a. brutoloon, verdeeld in individueel overeengekomen loon, overuren,
reisuren en/of reiskostenvergoeding en andere vergoedingen
en/of toeslagen;
b. de inhoudingen van loonheffing en het aandeel van de werknemer
ingevolge de sociale verzekeringswetgeving of deze CAO.
Artikel 3A
Arbeidsongeschikte werknemers
1. Met inachtneming van het bepaalde in de Wet Arbeid Gehandicapte
Werknemers (WAGW) zal de werkgever bij de aanstelling en tewerkstelling
zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gelijke kansen bieden
aan gehandicapten en niet-gehandicapten. De werkgever zal er
naar streven gehandicapte werknemers op passende wijze te werk te
stellen.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 3B
Reïntegratie
De werknemer is gerechtigd om, indien hij binnen drie maanden na zijn
ziekmelding geen gebruik kan maken van daadwerkelijke en noodzakelijke
reïntegratie-activiteiten, zelfstandig een reïntegratiebedrijf van zijn
keuze in te schakelen. De kosten daarvan komen voor rekening van de
werkgever.
Artikel 4
Algemene verplichtingen van de werknemer
1. De werknemer is gehouden de belangen van het bedrijf van de werkgever
als een goed werknemer te behartigen, ook indien geen uitdrukkelijke
opdracht daartoe gegeven is.
2. De werknemer is gehouden alle hem door of namens de werkgever
opgedragen werkzaamheden, voor zover deze redelijkerwijze van
hem kunnen worden verlangd, zo goed mogelijk uit te voeren en
daarbij alle verstrekte aanwijzingen en voorschriften in acht te ne-
men.
3. De werknemer is mede verantwoordelijk voor de orde, de veiligheid
en zedelijkheid in het bedrijf van de werkgever. Hij is gehouden tot
stipte naleving van de desbetreffende aanwijzingen en voorschriften
welke de werkgever zal vaststellen in redelijk overleg met en met
instemming van een representatief deel van de werknemers in zijn
onderneming.
7. De werknemer is gehouden tot geheimhouding ten aanzien van alles
wat hem ten gevolge van de dienstbetrekking bekend wordt, zoals
bijvoorbeeld omtrent de inrichting van het bedrijf, grondstoffen,
bewerking daarvan en de producten.
Deze verplichting geldt ook na beëindiging van de dienstbetrekking.
8. De werknemer is gehouden een individuele arbeidsovereenkomst te
tekenen.
Artikel 5
Het aangaan en beëindigen van de dienstbetrekking
1. Wanneer een proeftijd tussen werkgever en werknemer wordt overeengekomen
dient deze schriftelijk te worden vastgelegd.
Een dergelijke proeftijd mag ten hoogste acht weken bedragen.
2. Onverminderd het hiervoor bepaalde, wordt de dienstbetrekking aangegaan:
a. hetzij voor onbepaalde tijd;
b. hetzij voor een bepaalde tijdsduur;
c. hetzij voor het verrichten van een bepaald karwei;
d. hetzij voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard.
3. In de individuele arbeidsovereenkomst wordt vermeld welke dienstbetrekking
van toepassing is. Indien deze vermelding ontbreekt,
wordt de dienstbetrekking geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan.
4. Indien de werknemer, als bedoeld in lid 2 sub b, c en d langer dan
12 maanden in dienst is geweest, wordt hij geacht voor onbepaalde
tijd in dienst te zijn. Voor de berekening van de duur van het dienstverband
is het bepaalde in artikel 7: 668a BW van toepassing. Voor
werknemers, in dienst van het samenwerkingsverband TECTUM, zal
de arbeidsovereenkomst die van rechtswege zou eindigen, maar door
partijen stilzwijgend wordt voortgezet, voor dezelfde tijd, maar ten
hoogste voor een jaar, onder dezelfde voorwaarden worden voortgezet.
Dit overeenkomstig het bepaalde in 7: artikel 668, lid 1, BW.
5. Behoudens ingeval van ontslag op staande voet wegens een dringende
reden in de zin van de artikelen 7: 678 en 7: 679 BW en
behoudens tijdens of bij het beëindigen van de proeftijd als bedoeld
in lid 1, in welke gevallen de dienstbetrekking wederzijds zonder
opzegging kan worden beëindigd, neemt de dienstbetrekking een
einde:
a. voor de werknemers voor onbepaalde tijd in dienst:
1. door opzegging door de werkgever met een termijn van ten
minste zoveel weken als de dienstbetrekking van de werknemer
gehele jaren geduurd heeft, welke termijn ten hoogste
dertien weken zal bedragen;
2. door opzegging door de werknemer met een termijn van
zoveel weken als de dienstbetrekking van de werknemer tijdvakken
van twee gehele jaren heeft geduurd, welke termijn
ten hoogste zes weken zal bedragen;
met dien verstande dat de termijn van opzegging voor beide partijen
ten minste een week zal bedragen en de opzegging alleen
tegen het einde van een kalenderweek kan geschieden;
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
b. voor werknemers voor een bepaalde tijdsduur in dienst:
op de laatste dag van het tijdvak, genoemd in de individuele
arbeidsovereenkomst dan wel op het tijdstip, bepaald op grond
van artikel 7: 668 BW, eerste lid en tenzij het bepaalde in lid 3
van dit artikel van toepassing is;
c. voor werknemers in dienst voor het verrichten van een bepaald
karwei, bij het beëindigen van het karwei waarvoor de werknemer
is aangenomen, tenzij het bepaalde in lid 3 van dit artikel
van toepassing is;
d. voor werknemers in dienst voor het verrichten van werkzaamheden
van tijdelijke aard:
door opzegging door de werkgever aan de werknemer met een
termijn van één dag, tegen elke dag van de loonweek, tenzij het
bepaalde in lid 3 van dit artikel van toepassing is.
6. Indien een voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking stilzwijgend
is voortgezet, zal de werkgever aan de werknemer één week
voor het tijdstip waarop de aldus voortgezette dienstbetrekking van
rechtswege eindigt hiervan schriftelijk mededeling doen, tenzij het
bepaalde in lid 3 van dit artikel van toepassing is.
7. Het bepaalde in artikel 7: 670 BW, eerste lid sub a (opzeggingsverbod
tijdens arbeidsongeschiktheid) is voor werknemers als bedoeld
in lid 2 sub b, c en d van dit artikel, niet van toepassing.
8. Het bepaalde in artikel 7: 670 BW, derde lid (opzeggingsverbod tijdens
vervulling van militaire verplichtingen) is voor werknemers als
bedoeld in lid 2 sub b, c en d niet van toepassing.
Het in dit lid bepaalde geldt onverminderd het bepaalde in artikel 32
van de Wet op de Noodwachten.
10. Indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op grond van bedrijfseconomische
redenen dan wel vermindering van werk, zal de
werkgever de werknemer een aanbod doen tot hervatting ervan onder
tenminste dezelfde voorwaarden (doch met inbegrip van eventuele in
de tussentijd uit de CAO voortvloeiende wijzigingen) in het geval
zich wederom een vacature voor de door de werknemer uitgeoefende
functie dan wel een daarmee vergelijkbare functie voordoet. De toezegging
daartoe dient de werknemer voorafgaand aan de uitdiensttreding
schriftelijk te worden gedaan.
Artikel 6
Functie-indeling
Iedere vakvolwassen werknemer moet worden ingedeeld in de functiegroep,
waartoe de door hem vervulde functie – blijkens de als bijlage I
van deze CAO opgenomen functielijst – behoort.
Artikel 7
Loonregeling
1. De werkgever zal aan de werknemers van 22 jaar en ouder per volle
werkweek minimaal het garantieweekloon betalen dat voor de
functiegroep, waarin de werknemers zijn ingedeeld, geldt.
De voor de werknemers geldende loonregeling is opgenomen in bijlage
II, welke deel uitmaakt van deze CAO.
2. Voor jeugdige werknemers van 16 tot 22 jaar geldt de loonregeling
als genoemd in bijlage II.
3. a. In afwijking van het in lid 1 en 2 gestelde geldt voor nieuwe
instromers de loonregeling zoals genoemd in bijlage II (inloopschaal).
b. Onder ,,nieuwe instromers’’ worden begrepen:
– werknemers die nog geen werkervaring in deze sector hebben;
– werknemers die via een werkgelegenheidsproject in de sector
instromen.
c. Een werknemer kan gedurende maximaal 1 jaar worden beloond
conform deze inloopschaal.
Artikel 8
Arbeidsduur en arbeidstijden
1. De normale arbeidsduur bedraagt 40 uur per week. De werkweek
loopt van maandag tot en met vrijdag.
2. De normale arbeidstijden liggen van maandag tot en met vrijdag tussen
07.00 en 18.30 uur. De dagelijkse arbeids-en rusttijden worden
door de werkgever, na redelijk overleg met en met instemming van
een representatief deel van de werknemers in zijn onderneming respectievelijk
op het werkobject, vastgesteld.
3. De werkgever die een regeling inzake de arbeidsduur en arbeidstijden
wenst te treffen, welke met inachtneming van de wettelijk vereiste
vergunning afwijkt van het bepaalde in de vorige leden, dient
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
daartoe een aanvraag in te dienen bij de Kleine Commissie bedoeld
in artikel 42 van deze CAO, met vermelding van de gewenste
arbeidsduur en aanvang en beëindiging der arbeidstijden. Hij dient
daarbij aan te tonen dat de aanvraag tot stand is gekomen in overleg
met en met instemming van een representatief deel van de werknemers
in zijn onderneming, respectievelijk op het object, waarop de
aanvraag betrekking heeft.
4. Indien en voor zover in deze CAO niets is bepaald inzake een onderdeel
van de arbeidstijden zijn de normen van de standaardregeling
uit de Arbeidstijdenwet (ATW) van toepassing.
5. Werken in deeltijd zal worden toegestaan, tenzij de werkgever gemotiveerd
aangeeft dat bedrijfsorganisatorische redenen zich hiertegen
verzetten.
Artikel 8A
Roostervrije dagen
1. Roostervrije dagen zijn werkdagen waarop niet gewerkt wordt.
2. a. 1. In de periode van 1 maart 2003 tot en met 28 februari 2004
heeft de werknemer recht op 22 roostervrije dagen. Van deze
22 roostervrije dagen zijn er voor genoemde periode vier collectief
vastgesteld, en wel op de navolgende data: 22, 23, 24
en 29 december 2003.
2. In de periode van 1 maart 2004 tot en met 28 februari 2005
heeft de werknemer recht op 22 roostervrije dagen.
Van deze 22 roostervrije dagen zijn er vier collectief vastgesteld,
en wel op de navolgende data: 29, 30 en 31 december
2004 en 3 januari 2005.
b. De resterende 18 roostervrije dagen uit de periode van 1 maart
2003 tot en met 28 februari 2004 worden als volgt vastgesteld:
– 8 roostervrije dagen worden zodanig opgenomen, dat in ieder
kalenderkwartaal 2 dagen worden ingeroosterd;
– 8 roostervrije dagen kunnen worden aangewend om in de
periode van 1 december tot 1 maart de dagelijkse arbeidsduur
te verkorten met 1,5 uur per dag. Op deze wijze kan de
arbeidsduur van maximaal 43 dagen worden ingekort.
c. De resterende 18 roostervrije dagen uit de periode van 1 maart
2004 tot en met 28 februari 2005 worden als volgt vastgesteld:
– 1 dag op Goede Vrijdag;
– 1 dag aansluitend op Hemelvaartsdag;
– 8 roostervrije dagen worden zodanig opgenomen, dat in ieder
kalenderkwartaal 2 dagen worden ingeroosterd;
– 8 roostervrije dagen kunnen worden aangewend om in de
periode van 1 december tot 1 maart de dagelijkse arbeidsduur
te verkorten met 1,5 uur. Op deze wijze kan de arbeidsduur
van maximaal 43 dagen worden ingekort.
d. Indien de werkgever alle op grond van artikel 8B beschikbare
scholingsdagen voor alle werknemers heeft ingevuld, zal de werknemer
voor omscholing tijdens werktijd als bedoeld in artikel 8E
maximaal vier roostervrije dagen inzetten.
e. Het recht op de collectief vastgestelde roostervrije dagen vervalt
indien de werknemer op deze dagen arbeidsongeschikt is.
3. De werknemer bouwt de in lid 2c genoemde 8 in overleg vast te stellen
dagen op, naar rato van het dienstverband. Bij beëindiging van
het dienstverband heeft de werknemer recht op het opnemen van de
nog openstaande dagen. Indien de werknemer op de ontslagdatum
meer dan twee roostervrije dagen teveel heeft opgenomen kunnen
deze dagen worden verrekend met het nog verschuldigde loon.
4. De werkgever zal aan de werknemer over een roostervrije dag het
individueel overeengekomen loon betalen dat deze zou ontvangen
indien op de genoemde dag wel arbeid zou zijn verricht, exclusief de
vergoeding van reisuren gelegen buiten de normale arbeidsduur en
kostenvergoedingen.
5. De Kleine Commissie genoemd in artikel 42 van deze CAO is
bevoegd in bijzondere gevallen toestemming te verlenen tot het werken
op een collectief vastgestelde roostervrije dag genoemd in lid 2
onder a van dit artikel, onder voorwaarde dat deze dag binnen vier
weken na de desbetreffende dag opgenomen wordt.
Verzoeken dienen uiterlijk vijf werkdagen voor de in lid 1 genoemde
data in bezit te zijn van de Kleine Commissie.
Artikel 8B
Scholing
1. De werkgever is verplicht voor de werknemers in zijn onderneming
een inzichtelijk opleidings-en scholingsbeleid te ontwikkelen. De
werknemer kan recht doen gelden op gemiddeld 2 scholingsdagen
per 12 maanden met behoud van loon, teneinde aldus in de gelegenheid
te zijn tot het volgen van opleidingen die verband houden met
zijn beroep,
Indien het opleidings-en scholingsbeleid van de werkgever niet
voorziet in het recht op scholingsdagen voor de werknemer is deze
gerechtigd zelfstandig een cursus te volgen. De cursuskosten komen
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
voor rekening van de werkgever, indien met de werkgever overleg
gevoerd is over de aard van de cursus.
De werkgever die geen scholingsbeleid en geen scholingsplan heeft
opgesteld en zijn werknemers derhalve niet in staat stelt scholing te
volgen, is verplicht genoemde 2 scholingsdagen om te zetten in 2
roostervrije dagen. Deze dagen dienen door de werknemer te worden
opgenomen in de periode van 1 maart tot 1 november van het jaar,
volgend op dat waarin het recht op bedoelde scholingsdagen is ontstaan.
2. De nadere voorwaarden waarop recht op scholing en vergoeding van
kosten, verbonden aan het volgen van de in lid 1 bedoelde opleidingen,
bestaat zijn opgenomen in het reglement Scholing van de Stichting
Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven, zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO.
3. De werknemer die op of na 1 juli 2003 doch vóór 1 januari 2004 of
op of na 1 juli 2004 doch vóór 1 januari 2005 de Ondernemers-en
Kaderopleiding Dakbedekkingsbranche (OKD) gaat volgen en tijdens
de cursus of binnen drie jaar na het behalen van het diploma
ontslag neemt, zal, mits het nog steeds dezelfde werkgever betreft bij
wie hij ook in dienst was toen hij aan deze opleiding begon, een
evenredig deel van de cursuskosten – naar rato van het verstreken
deel van deze drie jaar – in rekening gebracht krijgen. Dit evenredig
deel bedraagt:
– bij ontslagname tijdens de cursus: de volledige cursuskosten,
voor zover deze niet door het opleidingsinstituut aan de werkgever
worden gerestitueerd;
– in het eerste jaar na afronding van de opleiding: eveneens de volledige
cursuskosten;
– in het tweede jaar na afronding van de opleiding: 2/3 van de
cursuskosten;
– in het derde jaar na afronding van de opleiding: 1/3 van de
cursuskosten.
4. Iedere werkgever is verplicht de bij hem in dienst zijnde werknemers
de cursus ,,Veilig werken op daken’’ te laten volgen. Uitgezonderd
zijn werknemers die de basisberoepsopleiding (primaire vakopleiding)
in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) hebben
gevolgd dan wel volgen.
5. De leerling-werknemer van 16/17 jaar vervult zijn partiële leerplicht
in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL).
Artikel 8C
Begeleidend vakman
De werknemer die optreedt als begeleidend vakman van de minderjarige
dient met behoud van loon voor een gedeelte van zijn normale werktijd
te worden vrijgesteld van productieve arbeid, zulks om de bij bedoelde
begeleiding behorende taken naar behoren te kunnen uitoefenen.
Artikel 8D
Vierdaagse werkweek voor werknemers van 55 jaar of ouder
1. De werknemer van 55 jaar of ouder die 10 jaar in dienst is bij zijn
huidige werkgever heeft het recht om de werkweek aan te passen tot
4 dagen (32 uur) per week. De leden 3, 4, 6, 7 en 8 van dit artikel
zijn van toepassing. De (vroeg-) pensioen-en VUT-rechten dienen
door werkgever en werknemer over het volledige voltijdssalaris te
worden betaald en worden derhalve ook over het voltijdssalaris
opgebouwd.
2. De werknemer van 55 jaar of ouder die nog geen 10 jaar in dienst is
bij zijn huidige werkgever, kan de werkgever verzoeken zijn werkweek
aan te passen tot 4 dagen (32 uur) per week. Indien de werkgever
daarin bewilligt, is het bepaalde in de leden 3 tot en met 8 van
overeenkomstige toepassing.
De (vroeg-) pensioen-en VUT-rechten dienen door werkgever en
werknemer over het volledige voltijdssalaris te worden betaald en
worden derhalve ook over het voltijdssalaris opgebouwd.
3. Om per kalenderjaar te komen tot een 4-daagse werkweek gebruikt
de werknemer van 55 jaar of ouder de feestdagen, zijn verlofdagen,
zijn roostervrije dagen en zijn seniorendagen, met dien verstande dat
15 verlofdagen worden aangewend voor de zomervakantie conform
artikel 22 lid 2. De werknemer als bedoeld in lid 2 is daarnaast
gehouden zijn verplichte snipperdagen en collectieve roostervrije
dagen aan te wenden ten behoeve van een tweeweekse wintersluiting
conform artikel 22 lid 3. De werknemer als bedoeld in lid 2 dient het
resterende aantal benodigde dagen te kopen conform het bepaalde in
lid 5.
4. In onderling overleg tussen de werknemer en de werkgever worden
de verschillende soorten vrije dagen gelijkelijk over het jaar gespreid
en (minimaal 1 maand voorafgaande aan de invoeringsdatum dan
wel aan het volgende kalenderjaar) schriftelijk vastgelegd. In weken
waarin een feest-of collectieve roostervrije dag valt, geldt deze
feest-of collectieve roostervrije dag als de vrije dag van die week.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
De genoemde spreiding vindt zodanig plaats dat de eventueel resterende
vrije dagen verlofdagen zijn als bedoeld in artikel 22.
5. De werknemer als bedoeld in lid 2 dient om tot een 4-daagse werkweek
te komen het resterende aantal dagen te kopen.
Het aantal te ,,kopen’’ dagen voor een werknemer van 55 jaar of
ouder bedraagt 16 per kalenderjaar.
Het aantal te ,,kopen’’ dagen voor een werknemer van 60 jaar of
ouder bedraagt 13 per kalenderjaar.
De waarde van het aantal te ,,kopen’’ dagen wordt ingehouden met
behulp van een aankooppercentage. Voor de loopduur van deze CAO
is dit percentage vastgesteld op 6,62% voor werknemers van 55 t/m
59 jaar en 5,38% voor werknemers van 60 t/m 64 jaar.
Het totale aankoopbedrag per kalenderjaar is gelijk aan het aankooppercentage
vermenigvuldigd met het aantal werkdagen per kalenderjaar
minus de verlof-en feestdagen, vermenigvuldigd met het individueel
overeengekomen loon (per dag). Het aankoopbedrag per
loonbetalingsperiode (aankooppercentage vermenigvuldigd met het
individueel overeengekomen loon) wordt in mindering gebracht op
het brutoloon SV.
6. Bij arbeidsongeschiktheid op een verlofdag, seniorendag of gekochte
vrije dag behoudt de werknemer het recht om deze dag op een ander
moment op te nemen. Het recht op een vervangende roostervrije dag
vervalt bij arbeidsongeschiktheid.
7. De werknemer kan zijn werkgever verzoeken eenmalig de extra vrije
dagen weer in te ruilen voor loon en over te gaan tot een volledige
werkweek van 5 dagen. Artikel 8 lid 5 is van toepassing.
8. Bij beëindiging van het dienstverband wordt, met inachtneming van
het reeds ingehouden aankoopbedrag, berekend op hoeveel extra
vrije dagen de betrokken werknemer nog recht heeft.
Indien blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van
het dienstverband recht heeft op een groter aantal extra vrije dagen
dan feitelijk is opgenomen, zullen deze dagen worden uitbetaald.
Indien blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van
het dienstverband een groter aantal extra vrije dagen heeft opgenomen
dan waarop hij recht heeft, zullen deze dagen worden verrekend.
Artikel 8E
Omscholing
1. De werknemer heeft een zelfstandig en individueel recht op omscholing.
Hij kan een opleiding of cursus kiezen die binnen de bedrijfstak
past, aansluit bij zijn eigen mogelijkheden en past binnen zijn
beeld van een mogelijke loopbaan. Indien de werknemer arbeidsongeschikt
dreigt te worden, is hij verplicht tot omscholing. In dat laatste
geval kan hij ook een opleiding buiten de bedrijfstak volgen. In
beide gevallen is artikel 8A lid 2 sub d. van overeenkomstige toe-
passing. Per 1 januari 2002 vindt de beoordeling van al dan niet dreigende
arbeidsongeschiktheid plaats aan de hand van het voor dit doel
door de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven opgestelde reglement.
2. De nadere voorwaarden waarop recht op scholing en vergoeding van
kosten verbonden aan het volgen van de in lid 1 bedoelde opleidingen
bestaat zijn opgenomen in het reglement Scholing van de Stichting
Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO.
3. De kosten van de door de werknemer gevolgde cursus of opleiding
worden volledig vergoed door de Stichting Sociaal Fonds voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. Voor omscholing
buiten de bedrijfstak is een bedrag van maximaal € 4.600 per
werknemer per jaar beschikbaar. Ingeval van overschrijding van dit
bedrag kan een aanvullende vergoeding worden aangevraagd bij het
Bestuur van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
4. De aanvraag van de werknemer voor een cursus of opleiding als in
dit artikel bedoeld, hetzij binnen of buiten de bedrijfstak, wordt van
een advies voorzien door de werkgever en ingediend bij c.q. getoetst
door het de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven. De besluitvorming over een aanvraag
berust bij dit Sociaal Fonds. Het genomen besluit is onafhankelijk en
niet voor beroep vatbaar. De nadere uitwerking van de regeling zal
plaatsvinden door het Bestuur van genoemd Sociaal Fonds.
*Artikel 9
Spaarloonregeling
De werkgever is verplicht de werknemers de mogelijkheid tot deelname
aan een spaarloonregeling te bieden.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 10
Overwerk
1. Onder overwerk wordt verstaan de door de werkgever opgedragen
arbeid op uren boven de in artikel 8 geregelde, of ingevolge een vergunning
afwijkende dagelijkse arbeidsduur.
2. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de werkgever, is de werknemer
gehouden overwerk te verrichten.
3. Ingeval van overwerk kan de werknemer een keuze maken of hij de
gemaakte overwerkuren in geld gecompenseerd wil hebben, dan wel
of hij omzetting in vrije tijd wenst.
4. Ingeval de werknemer kiest voor compensatie in geld, dan moet voor
overwerkuren het individueel overeengekomen uurloon met de volgende
percentages worden verhoogd:
a. voor het eerste, tweede en derde overuur voorafgaande aan het
begin en aansluitend aan het einde van de dagelijkse arbeidstijd:
25%;
b. voor overige overuren op een normale werkdag vanaf maandag
05.00 uur alsmede voor arbeid op zaterdag tot 21.00 uur: 50%.
c. voor arbeid tussen zaterdag 21.00 uur en maandag 05.00 uur:
100%.
5. Ingeval de werknemer kiest voor omzetting in vrije tijd, zullen de
percentages zoals genoemd in het vorige lid echter dienen te worden
uitbetaald.
6. Als een werknemer van 55 jaar of ouder de wens te kennen geeft om
niet meer over te werken dan wordt hij daarvoor niet meer gevraagd.
7. Structureel overwerk is niet toegestaan, behoudens in bijzondere
gevallen. Hiervoor is toestemming vereist van de Kleine Commissie,
genoemd in artikel 42 van deze CAO.
8. Onder structureel overwerk wordt verstaan: werk dat buiten de nor-
male arbeidsduur zoals genoemd in artikel 8 lid 1 met een vaste frequentie
gedurende meerdere weken plaatsvindt.
Artikel 11
Verschoven arbeid
1. Onder verschoven arbeid wordt verstaan in opdracht van de werkgever
verrichte arbeid op uren buiten de in artikel 8 geregelde, of ingevolge
een vergunning afwijkende arbeidstijden, zonder dat er sprake
is van overwerk.
2. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de werkgever, is de werknemer
gehouden verschoven arbeid te verrichten.
3. Verschoven arbeid wordt extra beloond met een toeslag van 25%
over het individueel overeengekomen uurloon tenzij het nachtarbeid
betreft, in welk geval het bepaalde in artikel 12 van kracht is.
4. Geen vergoeding voor verschoven uren wordt betaald indien de verschuiving
geschiedt op verzoek van het merendeel der betrokken
werknemers.
Artikel 12
Nachtarbeid
1. Onder nachtarbeid wordt verstaan in opdracht van de werkgever verrichte
arbeid op uren tussen 22.00 en 06.00 uur. Arbeid op uren
direct voorafgaande aan het begin van de normale arbeidstijd wordt
extra beloond als overwerk en niet als nachtarbeid.
2. Indien op een bepaald werk alleen ’s nachts kan worden gewerkt, is
de werknemer daartoe gehouden.
3. Nachtarbeid wordt extra beloond met een toeslag van 50% over het
individueel overeengekomen uurloon.
4. Mochten niet zoveel uren gewerkt kunnen worden als op de desbetreffende
dag volgens rooster normaal zou zijn geweest, dan worden
de minder gewerkte uren vergoed met het individueel overeengekomen
uurloon.
Artikel 13
Arbeid op zaterdag, zondag en feestdagen
1. Onder arbeid op zaterdag en zondag wordt verstaan door de werkgever
opgedragen arbeid op zaterdag of zondag van zaterdag 21.00
uur tot maandag 05.00 uur.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Met arbeid op zondag wordt gelijk gesteld arbeid op feestdagen,
bedoeld in artikel 21 lid 1.
2. Bij calamiteiten, ter beoordeling van de werkgever, is de werknemer
gehouden zondagsarbeid te verrichten.
Indien een werknemer principiële bezwaren heeft tegen zondagsarbeid,
kan hij daartoe niet worden verplicht.
3. Arbeid verricht op een christelijke feestdag als genoemd in artikel 21
lid 1 wordt extra beloond met een toeslag van 100% over het individueel
overeengekomen uurloon, terwijl op een ander tijdstip een
gelijk aantal uren vrij met behoud van het individueel overeengekomen
loon zal worden gegeven, tenzij het bedrijfsbelang zich verzet
tegen vrijgeven, in welk geval de toeslag verdubbeld wordt.
4. Arbeid op Koninginnedag wordt extra beloond met een toeslag van
100% over het individueel overeengekomen uurloon of een gelijk
aantal uren vrij met behoud van het individueel overeengekomen
loon.
Artikel 14
Arbeidsomstandigheden
1. De werkgever is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij werkzaamheden
op het dak minimaal twee brandblussers van minimaal 12
kilogram per brandblusser aanwezig zijn.
2. De werkgever dient ervoor zorg te dragen dat op het werk een deugdelijke
EHBO-doos voorhanden is.
3. De beleidsregel arbeidsomstandigheden inzake tillen op bouwplaatsen
– vastgesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
– is van toepassing. Deze beleidsregel is opgenomen als
bijlage VIII bij deze CAO.
4. De werkgever is verplicht de onderstaande persoonlijke beschermingsmiddelen
aan de bij hem in dienst zijnde werknemer te verstrekken:
– oordoppen;
– een gezichtsmasker casu quo stofkap;
– veiligheidsschoenen;
– werkhandschoenen.
5. Op een object dient altijd minimaal één werknemer werkzaam te zijn
die de cursus ,,Veilig en gezond werken op daken’’ heeft gevolgd.
6. Het slopen, bewerken en verwerken van asbest is verboden. Van dit
verbod zijn bedrijven uitgesloten, die voldoen aan de wettelijke eisen
voor asbestsloop, zoals gesteld bij of krachtens het Asbestbesluit
zoals vastgesteld door het Ministerie van VROM.
7. De werkgever is verplicht het door zijn werknemers te gebruiken
klim-en hijsmateriaal jaarlijks te laten keuren.
8. Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, niet of in
onvoldoende mate gebruik maakt van de persoonlijke beschermingsmiddelen
als genoemd in de leden 1, 3 en 4 van dit artikel, kan de
werkgever de betreffende werknemer een sanctie opleggen.
Bij geen gebruikmaking van ter beschikking gestelde persoonlijke
beschermingsmiddelen gelden de volgende sanctiebepalingen:
a. de eerste overtreding zal schriftelijk per aangetekend schrijven
worden meegedeeld aan betrokken werknemer en wordt beschouwd
als een waarschuwing;
b. de tweede overtreding zal schriftelijk per aangetekend schrijven
worden meegedeeld en worden beboet met een bedrag van € 100
in te vorderen via inhouding op het netto salaris van de werknemer
op de uitbetalingsdag volgend op het constateren van de
tweede overtreding;
c. de derde overtreding wordt beschouwd als een dringende reden
in de zin van artikel 7: 678, lid 2 onder h en j BW, waarop ontslag
op staande voet met onmiddellijke ingang wordt gegeven.
9. Indien de werkgever de in de leden 1, 2 en 3 genoemde persoonlijke
beschermingsmiddelen niet heeft verstrekt, is de werknemer niet verplicht
zijn werkzaamheden aan te vangen dan wel heeft hij het recht
bedoelde werkzaamheden te beëindigen na zijn werkgever daarvan
in kennis te hebben gesteld. De werkgever is in dat geval verplicht
het loon door te betalen.
10. De werknemer is niet verplicht zijn werkzaamheden in de buitenlucht
aan te vangen dan wel voort te zetten bij sneeuw of ijzel of
indien sprake is van een glad dak. De werkgever is in die gevallen
verplicht het loon door te betalen, tenzij sprake is van vorst-WW als
gevolg van onwerkbaar weer.
11. De werknemer is niet verplicht zijn werkzaamheden in de buitenlucht
aan te vangen dan wel voort te zetten indien sprake is van een
gevoelstemperatuur van – 6 graden Celsius of lager. De werkgever
is in dat geval verplicht het loon door te betalen, tenzij sprake is van
vorst-WW als gevolg van onwerkbaar weer.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 15
Aansluiting bij een arbodienst
De werkgever is verplicht ten behoeve van de preventiezorg
(gezondheids-en veiligheidszorg) van zijn werknemers een contract te
sluiten met een gecertificeerde arbodienst.
In het contract met deze arbodienst dient de reïntegratieverplichting conform
de vereisten vanuit de Wet Verbetering Poortwachter te zijn opgenomen.
Artikel 16
Verplichtingen in het kader van terugdringing ziekteverzuim
1. a. De werkgever is verplicht een ziekteverzuimregistratiesysteem
bij te houden.
b. De ondernemingsraad, dan wel een vertegenwoordiging van
werknemers, heeft inzage in dit systeem en wordt door de werkgever
gerapporteerd over het ziekteverzuim in de onderneming.
2. De werkgever is verplicht de ziekmelding van een werknemer vóór
12.00 uur per fax of telefoon aan de arbodienst te melden.
3. De bijlage VII, bedrijfsvoorschriften en bijbehorend sanctiereglement
voor werknemers vallend onder de CAO is van toepassing.
Artikel 17
Reisurenvergoeding
1. Indien een werknemer door een werkgever te werk wordt gesteld op
een werkobject dat buiten zijn woonplaats is gelegen, is de werknemer
verplicht voor de reis van de woonplaats naar object vice versa
gebruik te maken van een door de werkgever aan te wijzen vervoermiddel,
mits dit aan de door de wet gestelde eisen voldoet, hetgeen
indien dit vervoermiddel een auto is moet blijken uit een erkend
veiligheidsvignet of een ander bewijs van onderhoud, niet ouder dan
zes maanden.
2. De duur van de reis, welke wordt gemaakt met een:
a. openbaar middel van vervoer;
b. door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel;
c. eigen vervoermiddel; zal door de werkgever aan de werknemer
worden vergoed tegen het voor die werknemer geldende garantieuurloon,
behoudens de eerste 60 minuten per dag. In afwijking
van het in het voorgaande bepaalde zal de gehele duur van de reis
aan de werknemer, die optreedt als bestuurder van een vervoermiddel
als genoemd onder b of c, worden vergoed.
3. Onder ,,duur van de reis’’ bedoeld in lid 2 wordt verstaan het tijdsverloop
tussen het vertrek van het vervoermiddel naar het werk en
de aankomst op het werk, alsmede het tijdsverloop terug van het
werk naar de plaats van vertrek.
De duur van de reis wordt door de werkgever en werknemer in
onderling reëel overleg vastgesteld, zulks met inachtneming van de
af te leggen route.
4. Indien de totale duur van de arbeidstijd, rusttijd en reistijd, gerekend
van het ogenblik van vertrek van een vervoermiddel, als genoemd in
lid 1 tot het ogenblik van terugkomst daarvan per dag meer bedraagt
dan 111/2 uur zal de normale arbeidstijd met het meerdere moeten
worden gekort. Over de rusttijd wordt geen loon uitbetaald.
Artikel 18
Vergoedingen
1. Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, bij het
zich naar en van het werk begeven, gebruik moet maken van een
eigen vervoermiddel en/of daarvan tijdens en ten behoeve van de
werkzaamheden gebruik maakt, zal hem een vervoermiddelenvergoeding
worden betaald.
2. De in lid 1 genoemde vervoermiddelenvergoeding bedraagt per 1 juli
2003:
– voor het gebruik van een fiets per dag: € 0,83;
– voor het gebruik van een bromfiets of snorfiets per dag voor de
eerste 25 kilometer: € 1,05 en voor elke meerdere kilometer
boven 25 kilometer per dag: € 0,06;
– voor het gebruik van een motorfiets, per kilometer: € 0,21;
– voor het gebruik van een auto: € 0,29 per kilometer voor een
werknemer, die alleen naar het werk reist, € 0,30 per kilometer
voor de werknemer, die met één collega naar en van het werk
reist, € 0,33 per kilometer voor de werknemer, die met twee
collega’s naar en van het werk reist en € 0,35 per kilometer voor
de werknemer, die met drie of meer collega’s naar en van het
werk reist.
3. De in lid 2 genoemde vergoedingen zullen ook worden betaald wan
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
neer de werknemer tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden
van deze vervoermiddelen gebruik moet maken.
4. Indien naar het oordeel van de werkgever door de werknemer gebruik
moet worden gemaakt van een openbaar middel van vervoer,
zal het daaruit voortvloeiende bedrag aan reiskosten (tweede of daarmee
gelijk te stellen klasse) voor rekening van de werkgever komen.
5. Het in de leden 2 en 4 bepaalde is van overeenkomstige toepassing
bij een bezoek aan de arbodienst als bedoeld in artikel 24 lid 1l van
deze CAO.
6. De werknemer heeft aanspraak op een vergoeding voor werkkleding
en schoeisel van € 0,95 respectievelijk € 0,51 per dag, tenzij werkkleding
en/of schoeisel door de werkgever aan de werknemer ter
beschikking wordt gesteld.
7. De in dit artikel genoemde onkostenvergoedingen zullen per 1 januari
2004, 1 juli 2004 en 1 januari 2005 worden aangepast met de
percentages van de loonontwikkeling conform deze CAO. Bedoelde
percentages zijn vastgelegd in bijlage II, artikel 5 sub a en b.
Artikel 18A
Kinderopvang
Er bestaat een regeling voor collectieve kinderopvang in de bedrijfstak
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. De voorwaarden
waaronder recht bestaat op deelname aan deze regeling zijn
opgenomen in het reglement Kinderopvang dat deel uitmaakt van de
CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO.
Artikel 19
Logies
Indien het werk zover buiten de plaats, waarvoor de werknemer is aangenomen,
respectievelijk diens woonplaats gelegen is, dat de werknemer
’s avonds niet huiswaarts kan keren, zullen op kosten van de werkgever
behoorlijke voeding en logies worden verstrekt.
Artikel 20
Ziekte in kosthuis
De werknemer, bedoeld in dit artikel, behoudt recht op vrije voeding en
logies, indien hij door ziekte of ongeval arbeidsongeschikt wordt, voor
zolang hij verblijf houdt in de plaats waar hij te werk is gesteld. De
werkgever heeft het recht op zijn kosten zodanige werknemer naar zijn
woonplaats te doen vervoeren, indien dit vervoer medisch verantwoord
wordt geacht. Is evenwel vervoer naar zijn woonplaats medisch noodzakelijk,
dan is de werkgever verplicht de kosten voor zijn rekening te
nemen.
Zolang de werknemer als gevolg van tewerkstelling buiten de woonplaats
wordt verpleegd in een andere plaats dan waar hij woonachtig is,
zal de partner van de betreffende werknemer deze eenmaal per week op
kosten van de werkgever kunnen bezoeken.
Artikel 21
Feestdagen, zaterdagen en zondagen
1. Iedere werknemer heeft recht op verlof tijdens de algemeen erkende
christelijke feestdagen, te weten: de beide Kerstdagen, Tweede Paasdag,
Hemelvaartsdag en Tweede Pinksterdag, alsook over Nieuwjaarsdag
en de dag die als Koninginnedag wordt gevierd.
2. Op feestdagen, zaterdagen en zondagen wordt als regel niet gewerkt.
3. Indien op een feestdag geen arbeid wordt verricht, wordt het voor de
werknemer geldende individueel overeengekomen loon doorbetaald.
4. Een allochtone werknemer heeft recht op het opnemen van een snipperdag
ten behoeve van een voor hem geldende religieuze, nietchristelijke
feest-of gedenkdag. Deze snipperdag dient uiterlijk één
maand van tevoren aan de werkgever kenbaar gemaakt te worden.
Slechts wanneer de bedrijfsomstandigheden hierdoor in ernstige mate
verhinderd worden, kan een dergelijke snipperdag door de werkgever
geweigerd worden.
Artikel 22
Vakantie
1. Vakantierechten
Het vakantiejaar loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende
jaar. Ten aanzien van iedere werknemer is het recht op verlof over
het vakantiejaar 2003/2004 als volgt geregeld:
– werknemers tot en met 54 jaar 25 werkdagen
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
– werknemers geboren vóór 1 januari 1949 34 werkdagen
– werknemers geboren vóór 1 januari 1944 37 werkdagen
Het recht op verlof over het vakantiejaar 2004/2005 is als volgt geregeld:
– werknemers tot en met 54 jaar 25 werkdagen
– werknemers geboren vóór 1 januari 1950 34 werkdagen
– werknemers geboren vóór 1 januari 1945 37 werkdagen
2. Zomervakantie
Vijftien van de beschikbare verlofdagen moeten aaneengesloten worden
opgenomen in een periode welke wordt bepaald na redelijk over-
leg met de werknemer(s).
3. Verplichte snipperdagen
Van de in het vakantiejaar 2003/2004 overblijvende verlofdagen zijn
de navolgende dagen als verplichte snipperdagen aangewezen: 30 en
31 december 2003 en 2 januari 2004.
Van de in het vakantiejaar 2004/2005 overblijvende verlofdagen zijn
de navolgende dagen als verplichte snipperdagen aangewezen: 4, 5,
en 6 januari 2005.
4. Vrije snipperdagen
De nog resterende verlofdagen in enig vakantiejaar kunnen in onderling
overleg tussen werkgever en werknemer, hetzij voorafgaand of
in aansluiting aan de aaneengesloten vakantieperiode, of verspreid
over het vakantiejaar worden opgenomen. De werkgever kan bepalen
dat de werknemer, behoudens in geval van overmacht, de aanvraag
voor vakantieof snipperdagen één week voor de gewenste
datum moet indienen.
5. Over vakantie-en snipperdagen wordt het voor de werknemer geldende
individueel overeengekomen loon doorbetaald.
7. Bij beëindiging van de dienstbetrekking worden de nog niet genoten
vakantierechten in geld uitgekeerd aan de werknemer casu quo op
verlangen van de werknemer overgeboekt naar zijn nieuwe werkgever.
De werkgever is verplicht bij het einde van de dienstbetrekking aan
de werknemer een verklaring uit te reiken, waaruit de duur van de
vakantie en van het verlof met behoud van loon blijkt, welke aan de
werknemer op dat tijdstip nog toekomt.
8. De werknemer, die niet een geheel vakantiejaar in dienst van de
werkgever is, heeft recht op een evenredig deel van de vakantie als
in dit artikel aangegeven, pro rato berekend naar verhouding van de
duur van het dienstverband in het betrokken vakantiejaar; gedeelten
van vakantiedagen worden daarbij te zijnen gunste op halve dan wel
hele dagen afgerond.
9. Indien de werknemer bij beëindigen van de dienstbetrekking blijkt te
veel vakantie-en/of snipperdagen te hebben genoten, zal een verrekening
plaatsvinden.
10. Voor iedere vakantiedag of gedeelte van een vakantiedag, gedurende
welke de werknemer wegens bijzondere omstandigheden of redenen
als bedoeld in artikel 7: 636 BW verhinderd is de bedongen arbeid
te verrichten, moet hem alsnog een (gedeelte van een) dag verlof
worden gegeven op een tijdstip na overleg met de werknemer door
de werkgever vast te stellen, mits de werknemer voor de aanvang
van de verhindering dit aan de werkgever heeft medegedeeld dan wel
over de betrokken dag wettelijk ziekengeld genoot.
11. a. De werknemer verwerft geen vakantierechten over de tijd, gedurende
welke hij wegens het niet verrichten van zijn werkzaamheden
geen aanspraak op in geld vastgesteld loon heeft.
b. 1. Het onder a bepaalde is niet van toepassing indien de werknemer
zijn werkzaamheden niet heeft verricht wegens:
– ziekte of ongeval, tenzij veroorzaakt door opzet van de
werknemer;
– het naleven van een wettelijke verplichting of verbintenis
ten aanzien van de landsverdediging of openbare orde;
– het genieten van verlof gebaseerd op in een vorige dienstbetrekking
opgebouwd, doch niet genoten verlof;
– het met toestemming van de werkgever deelnemen aan
een door de vakvereniging van de werknemer georganiseerde
bijeenkomst;
– non-activiteit op grond van arbeidstijdverkorting, waaronder
begrepen een nul-urenregeling, na daartoe door de
werkgever verkregen vergunning;
– zwangerschap of bevalling.
In deze gevallen worden nog vakantierechten verworven over
ten hoogste de bij wet geregelde periode (zie artikel 7: 635
lid 3 BW), waarin geen arbeid wordt verricht, waarbij de duur
der onderbreking uit de respectievelijke oorzaken tezamen
geteld wordt.
2. Indien een onderbreking der werkzaamheden als bedoeld on-
der 1 van dit sub-lid in meer dan één vakantiejaar valt, wordt
het in het vorige jaar vallende deel der onderbreking bij de
berekening van de periode van afwezigheid mee in aanmerking
genomen.
3. De verworven vakantierechten in de onder 1 van dit sub-lid
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
genoemde gevallen vervallen, indien de dienstbetrekking door
de werknemer wordt beëindigd alvorens de arbeid is hervat.
Artikel 23
Vakantiebijslag
1. Aan een werknemer wordt, indien hij een vol vakantiejaar voorafgaande
aan de aaneengesloten vakantie in dienst van de werkgever
is geweest, een vakantiebijslag betaald ter grootte van 8% van het
individueel overeengekomen loon dat gedurende het vakantiejaar
voor de werknemer gegolden heeft.
2. De werknemer die op het tijdstip van de aaneengesloten vakantie
geen vol jaar in dienst van de werkgever is geweest heeft voor elke
maand dienstverband in het vakantiejaar recht op 1/12 deel van het
onder a bedoelde bedrag.
3. De werkgever is bevoegd een gedeelte van deze bijslag uit te betalen
als wintervakantiebijslag met dien verstande, dat ten minste 60%
van de vakantiebijslag zal worden uitbetaald ter gelegenheid van de
aaneengesloten zomervakantie. De vakantiebijslag in de zomer wordt
uiterlijk in de maand mei betaald.
4. De werknemer, die in de loop van het vakantiejaar de dienst van de
werkgever verlaat, ontvangt – voor zover hij hierover nog geen
vakantiebijslag heeft genoten – voor elke maand dienstverband in het
vakantiejaar 1/12 deel van het onder 1 bedoelde bedrag.
Artikel 24
Korte verzuimen
1. In de hierna volgende gevallen heeft de werknemer aanspraak op
verzuim met behoud van het individueel overeengekomen loon gedurende
de voor ieder geval vastgestelde tijd, mits het verzuim gedurende
de arbeidstijd naar het oordeel van de werkgever noodzakelijk
is, de werknemer de gebeurtenis zo mogelijk bijwoont en de werkgever
tijdig – zoals in de volgende leden aangegeven – op de hoogte
stelt:
a. bij ondertrouw van de werknemer, gedurende een halve dag;
b. bij huwelijk van de werknemer, mits drie dagen van tevoren aangekondigd,
gedurende twee dagen;
c. bij huwelijk van één van zijn kinderen, pleegkinderen, broers,
zusters, schoonbroers, schoonzusters en zwagers, mits drie dagen
van tevoren aangekondigd, gedurende één dag;
d. bij bevalling van de partner van de werknemer, gedurende twee
dagen;
e. bij overlijden van de partner, een inwonend kind of pleegkind
van de werknemer, vanaf de dag van overlijden tot en met de dag
na de uitvaart, tenzij in het geval als bedoeld in artikel 24A lid
5;
f. bij overlijden van één van zijn ouders, schoonouders, niet onder
lid e bedoelde kinderen of pleegkinderen, gedurende twee dagen.
Indien de werknemer belast is met het regelen van de uitvaart van
een ouder, schoonouder of een niet thuiswonend (pleeg)kind, is
het bepaalde onder e van dit lid van toepassing, tenzij in het
geval als bedoeld in artikel 24A lid 5;
g. in alle overige gevallen bij overlijden en/of uitvaart van één van
zijn grootouders, behuwd-grootouders, overgrootouders, pleegouders,
kinderen (waarin begrepen schoonzoons en schoondochters),
kleinkinderen, pleegkinderen, broers en zusters, halfbroers
en halfzusters, schoonbroers, zwagers, schoonzusters en een in
het gezin opgenomen huisgenoot, gedurende één dag, tenzij –
voor zover het kinderen betreft – in het geval als bedoeld in artikel
24A lid 5;
Indien een kerkelijk huwelijk en/of burgerlijk huwelijk, of de
bevalling van de partner van de werknemer, plaatsvindt op een
zaterdag, een zondag, een christelijke feestdag, dan wel op de
laatste werkdag van de verplichte bedrijfssluiting (vakantie en de
periode rond kerstmis en nieuwjaar) zal een vergoeding gedurende
één dag worden gegeven;
h. voor werknemers van 63 en 64 jaar voor het volgen van een cursus
ter voorbereiding op de tijd van pensionering gedurende ten
hoogste twee dagen. Hiertoe dient een inschrijvingsbewijs van
een door het bedrijfsleven erkende cursus aan de werkgever te
worden overlegd;
i. bij 25-, 40-en 50-jarig huwelijk van de werknemer, respectievelijk
van zijn ouders of schoonouders (mits door hem bijgewoond)
gedurende één dag;
j. bij 25-, 40-of 50-jarig dienstjubileum van de werknemer gedurende
één dag;
k. voor medische keuring op verzoek van de werkgever gedurende
één dag;
l. voor een bezoek aan de arbodienst gedurende de daarvoor benodigde
tijd;
m. indien een werknemer door zijn behandelend geneesheer voor
onderzoek naar een specialist of een medisch consultatiebureau
wordt verwezen, gedurende het daaruit voortvloeiende verzuim
tot ten hoogste één dag per bezoek, tenzij krachtens de Ziektewet
gedurende dit verzuim uitkering kan worden verleend;
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
n. bij doktersbezoek, voor zover dit niet mogelijk is buiten de nor-
male arbeidstijd en hiervan tijdig kennis is gegeven. Zo mogelijk
wordt van dit bezoek bewijs geleverd; voor het noodzakelijke
bezoek aan een tandarts ter verkrijging of vernieuwing van een
kunstgebit, voor zover dit bezoek niet mogelijk is buiten de nor-
male arbeidstijd en hiervan tijdig kennis is gegeven. Zo mogelijk
wordt van dit bezoek bewijs geleverd;
voor het noodzakelijk bezoek aan een tandarts voor halfjaarlijkse
controle, voor zover dit bezoek niet mogelijk is buiten de nor-
male arbeidstijd en hiervan tijdig kennis is gegeven. Zo nodig
wordt de saneringskaart getoond.
In deze gevallen geldt dat het verzuim zal worden vergoed tot ten
hoogste 2 uur indien de werknemer woonachtig is in de plaats
waar het werkobject is gelegen en tot maximaal 3 uur indien de
werknemer woonachtig is in een andere plaats dan waar het werkobject
is gelegen;
o. indien de werknemer, ten gevolge van de vervulling van een bij
of krachtens de wet opgelegde verplichting, verhinderd is zijn
arbeid te verrichten, mits deze vervulling niet in zijn vrije tijd
kan geschieden, gedurende een door de werkgever naar billijkheid
te bepalen tijdsduur tot een maximum van twee dagen en
onder aftrek van een vergoeding, welke de werknemer van der-
den zou hebben kunnen ontvangen.
2. Ingeval van aantoonbare calamiteiten heeft de werknemer, ten behoeve
van het treffen van voorzieningen voor de verzorging van zijn
partner of kind(eren) die tot zijn huishouding behoren, recht op
maximaal 4 uur onbetaald verlof.
De reiskosten werkplek-woonplaats zijn voor rekening van de werknemer.
Indien een verzuim van langer dan 4 uur noodzakelijk is, bestaat het
recht een snipperdag op te nemen.
3. Voor de werknemers, bedoeld in artikel 1 lid d, zal de werkgever in
geval van verzuim, genoemd in lid 1 onder a tot en met l van dit
artikel, de gemaakte reiskosten van een openbaar middel van vervoer
(tweede of daarmee gelijk te stellen klasse), vanaf de plaats van
tewerkstelling tot ten hoogste zijn woonplaats en terug, alsmede de
duur van de reis, tegen het voor de werknemer geldende individueel
overeengekomen uurloon vergoeden.
4. Het bepaalde in artikel 7: 628 BW, met betrekking tot de door
betaling van loon, is in de daar bedoelde gevallen van kracht in
zoverre dat:
a. de werkgever niet gehouden is loon door te betalen in de volgende
gevallen:
1. de schorsing van de werknemer door de werkgever in de
gevallen en onder de voorwaarden als geregeld in het arbeidsreglement;
2. de invoering van een verkorte werkweek (een zogenaamde
nul-urenweek daaronder begrepen) mits de werkgever voor
die invoering de vereiste vergunning heeft verkregen en niet
tot het aanvragen van een vergunning overgaat, dan nadat met
de werknemersorganisaties overleg is gepleegd. Partijen achten
een termijn van een week voor dit voorafgaand overleg
voldoende;
3. de verlenging van een verkorte werkweek (een zogenaamde
nul-urenweek daaronder begrepen) mits, wanneer het betreft
een verlenging, die ten aanzien van de aantallen erbij betrokken
werknemers en/of het aantal uren dat verkort zal worden
gewerkt, afwijkt van de oorspronkelijke vergunning, de werkgever
de hierboven sub 2 omschreven procedure zal hebben
gevolgd en wanneer het betreft een verlenging, waarbij de
oorspronkelijke vergunning ongewijzigd wordt overgenomen,
de werknemersorganisaties tijdig – dat wil zeggen ten minste
een week – vóór het ingaan van de verlenging daarvan mededeling
doet.
b. In de gevallen waarin het loon moet worden doorbetaald op
grond van artikel 7: 628 BW, wordt met ,,loon’’ bedoeld het individueel
overeengekomen loon, tenzij gedurende de zogenaamde
wachttijden het bepaalde in artikel 26 van deze CAO geldt.
5. De ongehuwde werknemer die duurzaam een gezamenlijke huishouding
voert met een andere ongehuwde en dit door middel van de
loonbelastingverklaring voor de loonbelasting aan de werkgever bekend
heeft gemaakt, heeft bij de toepassing van lid 1 en lid 2
dezelfde rechten als ware hij gehuwd.
Artikel 24A
Stervensbegeleiding en rouwverlof
Er bestaat een regeling voor stervensbegeleiding en rouwverlof in de
bedrijfstak voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
De voorwaarden waarop recht op vergoeding van de kosten van zorg en
rouwverlof bestaat zijn opgenomen in het reglement Stervensbegeleiding
en Rouwverlof dat deel uitmaakt van de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven zoals
genoemd in artikel 29 van deze CAO.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 25
Bijzonder verlof
2. Jeugdige werknemers, die geen op het beroep gericht onderwijs kunnen
volgen, worden in de gelegenheid gesteld één dag per week deel
te nemen aan vormingswerk van één der vormingsinstituten voor
werkende jongeren, met behoud van het garantie-uurloon gedurende
die dag.
Artikel 26
Wachttijden
1. Als wachttijden worden beschouwd alle op het werk doorgebrachte,
alsmede alle met toestemming van de werkgever niet op het werk
doorgebrachte niet-productieve uren, ten gevolge van:
a. weersomstandigheden, uitgezonderd vorst, de directe gevolgen
van vorst, alsmede de aanwezigheid van een sneeuwdek;
b. het ontbreken van opdrachten van de werkgever of diens vertegenwoordiger;
c. het niet kunnen aanvangen van het werk wegens onvoldoende
voorzieningen door de opdrachtgever;
d. het niet meer aanwezig zijn van voldoende materiaal buiten
schuld van de werknemer;
e. vertraging, ontstaan door schuld van de opdrachtgever tijdens de
uitvoering van het werk;
f. vertraging, voortvloeiende uit moeilijkheden met materialen, gereedschappen
of machines, buiten de schuld van de werknemer.
2. De werknemer is verplicht zijn werkgever terstond op de hoogte te
brengen van de technische storingen, als bedoeld onder lid 1 van dit
artikel. Indien deze verplichting niet wordt nagekomen, zal de
wachttijdvergoedingsregeling bedoeld in lid 3 van dit artikel niet van
toepassing zijn.
3. a. Alle wachttijden worden met het individueel overeengekomen
uurloon vergoed.
b. De uren, die ingevolge de bepalingen van dit artikel als wachttijd
kunnen worden aangemerkt, tellen mee ter vaststelling van
de normale arbeidsduur.
4. De werknemer is gehouden, indien de werkgever hem gedurende de
wachttijd ander werk waarvoor hij geschikt is opdraagt, dergelijke
arbeid te verrichten.
De voor de betrokken werknemer geldende arbeidsvoorwaarden blij-
ven alsdan onverminderd van kracht.
Artikel 27
Onderbreking wegens vorst en sneeuwval
1. Indien niet kan worden gewerkt wegens vorst, de directe gevolgen
van vorst of door aanwezigheid van een sneeuwdek, is de werkgever
niet verplicht enige betaling te verrichten, behoudens het bepaalde
in lid 2 van dit artikel.
2. Over elke volle dag, dat ten gevolge van de in het vorig lid bedoelde
oorzaken niet gewerkt kan worden, verstrekt de werkgever op de aan
de werknemer verstrekte uitkering krachtens de Werkloosheidswet
een aanvulling tot 100% van het voor de werknemer geldende individueel
overeengekomen loon.
3. De werkgever is gehouden de werknemer direct na de onderbreking
op te roepen en weer aan het werk te stellen en de werknemer is
gehouden direct na de onderbreking het werk te hervatten.
Artikel 28
Ziekte
Met uitsluiting van het anders en overigens in artikel 7:629 BW bepaalde
geldt het volgende:
1. In geval van arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer gedurende
maximaal 52 weken aanspraak op doorbetaling van het individueel
overeengekomen loon. Als de betrokken werkgever en werknemer
gezamenlijk besluiten om na het eerste ziektejaar nog niet
over te gaan tot de WAO-aanvraag, blijft doorbetaling van het individueel
overeengekomen loon gehandhaafd tot maximaal 104 weken
en/of zo lang de werknemer binnen die periode arbeidsongeschikt is.
2. De werknemer die wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten dient
zijn werkgever of de door deze aangewezen uitvoerder of andere
functionaris hiervan op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid
voor aanvang werktijd in kennis te stellen.
Indien deze dag een zaterdag of zondag is en op die dagen in het
bedrijf van de werkgever niet wordt gewerkt, dient de ziekmelding
op de eerstvolgende werkdag te geschieden. Indien de arbeidsongeschiktheid
tijdens arbeidstijd ontstaat, dient de werknemer deze melding
terstond na het staken van het werk te doen.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
3. Indien de arbeidsongeschiktheid ontstaat tijdens een periode van verplichte
bedrijfssluiting (vakantie en de periode rond Kerstmis en
Nieuwjaar) dient de werknemer dit binnen 24 uur schriftelijk te melden
aan zijn werkgever.
Artikel 29
Sociale Fondsen
1. Er is een CAO inzake de Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven (CAO BTER).
2. In de CAO BTER worden nadere regels gesteld ten aanzien van de
uitvoering van de Regelingen van de volgende Stichtingen:
• De Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven;
• De Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het
Dakbedekkingsbedrijf.
Artikel 31
Aanvullingen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
1. Een werknemer die bij werken werkzaam was onder deze CAO en
recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, ontvangt
aanvullingen op zijn WW-uitkering.
2. Een werknemer die bij werken werkzaam was onder deze CAO en
recht heeft op een reïntegratie-uitkering krachtens de Wet op de
(re)ïntegratie van arbeidsgehandicapten, ontvangt aanvullingen op
zijn REA-uitkering.
3. Een zieke werkloze die laatstelijk werkzaam was onder deze CAO,
heeft recht op aanvullingen op zijn uitkering krachtens de Ziektewet.
4. Een werknemer die bij werken werkzaam was onder deze CAO en
op 1 december van enig jaar recht heeft op een uitkering krachtens
de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, ontvangt in de
maand december een uitkering.
5. De voorwaarden voor het recht op de aanvullingen als bedoeld in het
eerste tot en met vierde lid en de hoogte daarvan zijn opgenomen in
het desbetreffende Aanvullingsreglement van de Stichting Sociaal
Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven,
zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO.
Artikel 32
Vervoer stoffelijk overschot
Ingeval de werknemer tijdens het werk dan wel op weg van of naar het
werk overlijdt, zal werkgever de kosten van het vervoer van het stoffelijk
overschot naar het normale domicilie in Nederland van betrokkene
vergoeden aan de nabestaande(n) dan wel aan degene(n) die de kosten
van het vervoer gedragen heeft (hebben).
Artikel 33
Vakopleiding
1. Werkgevers en werknemers zullen de vakopleiding en de beroepsbegeleidende
leerweg (BBL) via de Stichting Sociaal Fonds voor de
Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven, zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO,
bevorderen.
De nadere invulling hiervan is opgenomen in het desbetreffende
reglement van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
2. De werkgever is verplicht op verzoek van een werknemer, die langer
dan een half jaar in dienst is op basis van een dienstverband voor
onbepaalde tijd dan wel binnen een tijdsbestek van 2 jaar in totaal 1
jaar in de bedrijfstak heeft gewerkt, een leer-/arbeidsovereenkomst
met deze werknemer af te sluiten.
De dienstbetrekking met een werknemer met wie een leer-/
arbeidsovereenkomst is gesloten kan niet eerder worden beëindigd
dan na voltooiing van de primaire opleiding.
3. De werknemer zal in de gelegenheid worden gesteld een vakgerichte
opleiding als bedoeld in lid 1 binnen de normale arbeidstijd te volgen,
zulks met behoud van loon. De werkgever zal deze werknemer
bovendien in de gelegenheid stellen examens af te leggen of andere
door het opleidingsorgaan nodig geachte activiteiten te verrichten,
zulks eveneens met behoud van loon.
4. De werkgever is een bijdrage verschuldigd voor de financiering van
de beroepsbegeleidende leerweg.
Voornoemde bijdrage is verschuldigd aan de Stichting Sociaal Fonds
zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO. De Stichting Sociaal
Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven is
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
belast met de administratieve uitvoering van de regeling. De hoogte
van de bijdrage is opgenomen in het bijdragereglement.
Artikel 34
Aanspraak op derden
1. Het bepaalde in de artikelen 28 en 32 van deze CAO is niet van
kracht, indien en voor zover de werknemer ter zake van zijn algehele
dan wel gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte
of uit hoofde van een hem overkomen ongeval jegens één of meer
derden een vordering tot schadevergoeding wegens loonderving kan
doen gelden.
2. Indien en voor zover de werknemer zijn recht op schadevergoeding
als bedoeld in lid 1 ten belope van het bedrag van de in de artikelen
28 en 32 geregelde bovenwettelijke uitkering aan de werkgever overdraagt,
zal de werkgever echter aan de werknemer voorschotten uitkeren
tot het beloop van de aanvullende uitkeringen, welke de werknemer
van hem zou hebben moeten ontvangen als hij geen vordering
tot schadevergoeding jegens derden had gehad.
De op deze wijze door de werknemer genoten voorschotten zullen
worden verrekend met wat de werkgever van de derde(n) als schadevergoeding
ontvangt.
Artikel 35
Uitkering bij overlijden
Indien een werknemer overlijdt is het bepaalde in artikel 7: 674 BW van
kracht. In afwijking van artikel 7: 674 lid 2 zal bij de beëindiging van
de arbeidsverhouding door het overlijden van de werknemer de werkgever
aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer de periode waarover
een wettelijke overlijdensuitkering wordt betaald met één maand
verlengen, waarbij de uitkeringen bruto worden uitgekeerd.
Artikel 36
Aansprakelijkheid bij vervoer
1. De werknemer is niet verplicht gebruik te maken van een door de
werkgever of diens vertegenwoordiger ter beschikking gesteld ver
voermiddel, dat niet voldoet aan de eisen van de Wet Autovervoer
Personen.
2. Het in lid 1 bepaalde is ook van toepassing, wanneer:
a. het vervoer door de werkgever aan derden is opgedragen;
b. het vervoer in overleg met de werkgever door een van de in
dienst zijnde werknemers wordt uitgevoerd.
3. Bij het vervoer door of vanwege of in overleg met de werkgever of
diens vertegenwoordiger is deze aansprakelijk voor alle schade voor
de vervoerde werknemers en eventueel hun nagelaten betrekkingen,
veroorzaakt door een verkeersongeval, waaraan de bestuurder van
het vervoermiddel schuld heeft of door de toestand waarin het vervoermiddel
verkeert; wettelijke uitkeringen komen hierop in mindering.
De werkgever is verplicht deze aansprakelijkheid door verzekering
te dekken, zonder zich nochtans op de verzekering te kunnen
beroepen tegenover degene, jegens wie hij aansprakelijk is.
4. De werknemer, die, in opdracht van de werkgever, van eigen vervoermiddelen
gebruik maakt tijdens en ten behoeve van zijn functie,
is verplicht in zijn verzekeringspolis een clausule te doen opnemen,
dat de werkgever medeverzekerd is, indien deze krachtens artikel 6:
170 BW naast of in plaats van de werknemer tot schadevergoeding
wordt aangesproken.
Artikel 37
Verzekeringen
1. De werkgever is verplicht voor alle werknemers vallend onder de
CAO een ongevallenverzekering af te sluiten met een 24-uursdekking
gedurende 7 dagen per week.
2. De in lid 1 bedoelde verzekering zal minimaal een dekking geven
voor de volgende bedragen per persoon:
a. bij overlijden een uitkering van € 35.000;
b. bij volledige invaliditeit een uitkering van € 70.000;
Genoemde uitkeringen dienen rechtstreeks aan de werknemer, of, in
geval van diens overlijden, aan zijn rechtsopvolger(s) onder algemene
titel, dan wel aan de door hem daartoe aangewezen begunstigde(
n) te worden uitgekeerd. Op deze uitkeringen zijn de daarvoor in
aanmerking komende sociale en fiscale wetten van toepassing.
3. De werknemer is niet verplicht gebruik te maken van een hem ter
beschikking gesteld motorrijtuig, indien niet kan worden aangetoond
dat een verzekering als hierboven omschreven als ook de wettelijke
verplichte WA-verzekering zijn afgesloten.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 38
Vrijwillige vervroegde uittreding
Er bestaat een regeling voor vrijwillig vervroegde uittreding in de
bedrijfstak voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
De voorwaarden waaronder recht op deelname aan deze regeling bestaat
zijn opgenomen in de Statuten, het Reglement Vervroegde Uittreding en
het Bijdragereglement van de Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding
voor het Dakbedekkingsbedrijf, die onderdeel uitmaken van de CAO
Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO.
Artikel 38A
Vroegpensioen
Binnen deze CAO bestaat een vroegpensioenregeling waarvan de voorwaarden,
alsmede het recht op uitkering is opgenomen in het reglement
vroegpensioen van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Artikel 39
Pensioen
De werknemer heeft, op de grondslag van de desbetreffende
uitkeringsvoor-waarden, recht op een pensioenuitkering van de Stichting
Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
De omvang van en de voorwaarden voor pensioenrechten,
alsmede alle andere bepalingen van het pensioen zijn vervat in
het Pensioenreglement van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor
de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Artikel 39A
Pensioen UTA-personeel
De UTA-werknemer van 25 jaar of ouder heeft, op de grondslag van de
desbetreffende uitkeringsvoorwaarden, recht op een pensioenuitkering
van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het UTA-personeel van
de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. De omvang van
en de voorwaarden voor pensioenrechten, alsmede alle andere bepalin
gen van het pensioen zijn vervat in het Pensioenreglement van deze
Stichting.
Artikel 40
Arbeidsreglement
1. De werkgever kan in overleg met en met instemming van een representatief
deel van de werknemers in zijn onderneming een arbeidsreglement,
houdende nadere voorschriften ten aanzien van de arbeid
in het bedrijf, invoeren.
2. Het arbeidsreglement mag geen bepalingen bevatten welke in strijd
zijn met het in deze CAO bepaalde.
Artikel 41
Vakbondsactiviteiten in de onderneming
1. Om contacten mogelijk te maken tussen de werknemersorganisaties
en hun leden en tussen deze leden onderling, alsmede om de werknemersorganisaties
in staat te stellen gekozen leden van de Ondernemingsraad
in hun werk te ondersteunen, zijn partijen het volgende
overeengekomen.
2. De werknemersorganisaties kunnen elk uit de kring van hun leden
binnen elke onderneming een contactpersoon aanwijzen. Van deze
aanwijzing wordt de werkgever mededeling gedaan.
4. De contactpersoon kan, indien dit door omstandigheden niet op korte
termijn buiten de arbeidstijd mogelijk is, na overleg met de werkgever,
binnen de arbeidstijd contact hebben met de bezoldigde functionarissen
van zijn organisatie.
5. De contactpersoon kan binnen de arbeidstijd contact hebben met de
leden van de Ondernemingsraad, wanneer het initiatief daartoe van
deze leden uitgaat.
6. De contactpersonen zullen in redelijke mate gebruik maken van de
mogelijkheid vrijaf te krijgen met behoud van het individueel overeengekomen
loon voor de in de leden 4 en 5 genoemde activiteiten.
Daarbij zal een maximum van 1 manuur per jaar per bij de betreffende
organisatie aangesloten werknemer niet worden overschreden.
8. De werkgever draagt er zorg voor dat de contactpersoon niet vanwege
zijn werkzaamheden in het kader van het vakbondswerk in de
onderneming wordt benadeeld in zijn positie in de onderneming bijvoorbeeld
ten aanzien van promotie of beloning.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
9. Een vakbondscontactpersoon heeft dezelfde rechten en rechtsbescherming
als leden van de Ondernemingsraad, vastgelegd in de Wet
op de Ondernemingsraden.
Artikel 41A
Werkoverleg en overig overleg
1. Er dient overleg tussen de werkgever en de werknemers plaats te
vinden. Dit overleg dient als volgt te worden geregeld:
a. werkoverleg op de bouwplaats geschiedt in arbeidstijd;
b. overig overleg op bedrijfsniveau geschiedt buiten arbeidstijd.
2. In ondernemingen waar vóór de inwerkingtreding in 1998 van de
gewijzigde wet op de Ondernemingsraden een ondernemingsraad
functioneerde, dient deze te blijven gehandhaafd. In ondernemingen
met tenminste 10, doch minder dan 50 werknemers, dient een personeelsvertegenwoordiging
te worden ingesteld. In ondernemingen
met minder dan 10 werknemers dient tenminste 2 maal per kalenderjaar
personeelsoverleg plaats te vinden.
Artikel 42
Kleine Commissie/Vertrouwensinstantie sector Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
1. Door partijen is ingesteld de Kleine Commissie voor de sector Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, welke tot taak heeft
het regelmatig voeren van overleg over alle onderwerpen, de bedrijfstak
betreffende. Vast agendapunt dient altijd het onderwerp
arbeidsmarktbeleid te zijn.
Verder heeft de commissie tot taak:
– bevorderen van een goede verstandhouding binnen de bedrijfstak
en de ondernemingen;
– bemiddelen bij geschillen;
– adviseren van de Arbeidsinspectie inzake het verlenen van vergunningen
betreffende aanvragen tot het toepassen van arbeid tijdens
en te werken uren, welke afwijken van de in deze arbeidsovereenkomst
gestelde uren op tijden;
– verlenen van vergunningen dan wel dispensatie in alle gevallen
waarin deze overeenkomst dat aangeeft.
2. Voor wat betreft de samenstelling zal een gelijk aantal leden door
partij ter ene zijde en door partijen ter andere zijde worden aangewezen.
Het totaal aantal commissieleden zal niet meer bedragen dan
acht.
3. Het secretariaat van de Kleine Commissie/-Vertrouwensinstantie is
gevestigd:
Postbus 1248, 3430 BE NIEUWEGEIN, telefoonnummer 0306063238.
Artikel 43
Dispensatie
Afwijking van het gestelde in deze CAO behoeft de goedkeuring van de
Kleine Commissie voor zover niet reeds in deze CAO daarin is voorzien.
Artikel 44
Verzekering tegen ziektekosten
1. Indien ten gevolge van een ongeval naar, op of van het werk de
werknemer door de behandelende arts naar een specialist wordt verwezen
zal de werkgever de wettelijk vastgestelde eigen bijdrage van
het consult vergoeden.
2. Indien een werkgever ten behoeve van de daarvoor in aanmerking
komende werknemers een collectieve ziektekostenverzekering heeft
afgesloten en deze ten minste voldoet aan de in lid 4 genoemde voorwaarden,
kan de werkgever de in lid 1 bedoelde werknemer verplichten
aan deze verzekering deel te nemen, met inachtneming van de
opzegtermijn van de eventueel door de werknemer gesloten particuliere
ziektekostenverzekering.
De werkgever is bevoegd van de werknemer een bijdrage in de premie
voor bovengenoemde verzekering te heffen, met inachtneming
van het in lid 3 bepaalde. De werknemersbijdrage in de premie kan
voldaan worden in periodieke termijnen, gespreid over het jaar.
3. De werkgeversbijdrage in de premie van de ziektekostenverzekering,
tezamen met een eventuele anderszins toegekende tegemoetkoming
aan de werknemer met betrekking tot zijn ziektekosten, zal 50% van
de premie van de standaardpolis bedragen, met dien verstande dat de
werknemer niet meer zal kunnen claimen dan het bedrag dat voor
rekening van de werkgever zou komen als de werknemer verplicht
verzekerd was.
4. Onder een ziektekostenverzekering als bedoeld in dit artikel wordt
verstaan een verzekering behelzende voor de werknemer en zijn
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
gezinsleden vergoeding van ziektekosten volgens het standaard dekkingspakket.
BIJLAGE I
Als bedoeld in artikel 1 onder punt d en artikel 6 van de CAO voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Functielijst
Groep 1
Aankomend dakdekker
Een werknemer die niet zelfstandig kan werken en onder toezicht van de
eerste dakdekker zijn werkzaamheden verricht.
Groep 2
Dakdekker
Een werknemer, die eenvoudige werkzaamheden zelfstandig kan verrichten,
doch niet de bekwaamheid bezit van de eerste dakdekker.
Groep 3
Eerste dakdekker en chauffeur
a. Een werknemer die het vak beheerst doch nog niet als voorman
geschikt is.
b. Chauffeur. Een werknemer wiens arbeidstijd als regel in beslag
wordt genomen door het vervoer van materialen in opdracht van zijn
werkgever. Hij helpt bij het laden en lossen en draagt zorg dat dusdanig
geladen wordt, dat verlies dan wel beschadiging van materiaal
zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het verkeer niet in gevaar
wordt gebracht. Hij controleert of de geladen dan wel geloste goederen
in overeenstemming zijn met de hem verstrekte staten en laat
voor ontvangst tekenen.
Indien gedurende enige tijd geen chauffeurswerkzaamheden voorhanden
zijn, kan hij worden verplicht andere hem passende werkzaamheden
in de onderneming te verrichten. Deze arbeid zal geen
wijziging brengen in de voor hem geldende loonbepalingen.
In bijzondere gevallen dan wel indien vervoer van de werknemers dit
noodzakelijk maakt, is hij gehouden langer te werken dan is gesteld
in artikel 8 lid 3; een en ander in het raam van het Rijtijdenbesluit.
Groep 4
Voorman-dakdekker B
Een werknemer die bij alle voorkomende werkzaamheden bekwaam is
leiding te geven aan een ploeg dakdekkers en op elk gebied van het vak
allround is.
De voorman-dakdekker B is tevens belast met het toezicht op de veiligheid
op het werk en op het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen,
bedoeld in artikel 14 lid 4 van de CAO, door de dakdekkers
die onder zijn leiding staan.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Groep 5
Voorman-dakdekker A
De voorman-dakdekker B, die als regel leiding geeft aan 5 of meer personen.
De voorman-dakdekker A is tevens belast met het toezicht op de
veiligheid op het werk en op het gebruik van de persoonlijke
beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 14 lid 4 van de CAO, door de
dakdekkers die onder zijn leiding staan.
BIJLAGE II
Als bedoeld in artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Artikel 1
Loonregeling
1. De garantieweeklonen en garantie-uurlonen bedragen met ingang
van de eerste volle loonweek van juli 2003:
Garantielonen voor volwassenen
Functiegroep Weekloon
€
Uurloon
€
1
2
3
4
5
403,20
427,60
452,00
476,40
500,00
10,08
10,69
11,30
11,91
12,50
Garantielonen voor jeugdigen met diploma vakopleiding
Leeftijd Weekloon uurloon
€ €
18 jaar 246,40 6,16
19 jaar 290,40 7,26
20 jaar 366,40 9,16
21 jaar conform functiegroep 2
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Garantielonen voor jeugdigen zonder diploma vakopleiding
leeftijd Weekloon
€
Uurloon
€
16 jaar
17 jaar
18 jaar
19 jaar
20 jaar
21 jaar
172,00
191,60
213,20
240,00
317,20
358,00
4,30
4,79
5,33
6,00
7,93
8,95
Inloopschaal voor nieuwe instromers (zonder ervaring in de
sector)
Leeftijd 1e halfjaar 2e halfjaar
Weekloon Uurloon Weekloon Uurloon
€€€€
16 jaar 118,80 2,97 136,40 3,41
17 jaar 134,40 3,36 153,60 3,84
18 jaar 152,80 3,82 173,20 4,33
19 jaar 174,80 4,37 196,80 4,92
20 jaar 214,00 5,35 248,40 6,21
21 jaar 248,40 6,21 284,80 7,12
vanaf 22 jaar 320,00 8,00 347,60 8,69
De bedragen van de garantielonen op basis van de inloopschaal worden
als volgt samengesteld:
– gedurende het eerste halfjaar: het Wettelijk Minimumloon
(WML), vermeerderd met 1/4 van het verschil tussen het Wettelijk
Minimumloon en het garantieloon van functiegroep 1.
– het Wettelijk Minimumloon, vermeerderd met 1/2 van het verschil
tussen het Wettelijk Minimumloon en het garantieloon van
functiegroep 1.
2. Het garantieloon voor jeugdige werknemers wordt in verband met de
leeftijd verhoogd met ingang van de eerste volle loonweek na de verjaardag
van de betrokkene.
3. De werkgever is bevoegd bepaalde jeugdige werknemers op grond
van hun prestaties of bekwaamheid een garantieloon toe te kennen
dat hoger is dan in de leden 1 en 2 van dit artikel is aangegeven. Een
dergelijk hoger loon mag niet meer bedragen dan het garantieloon
voor de eerstvolgende leeftijdsklasse van de groep, waarin de betrokken
werknemer is ingedeeld.
4. De Kleine Commissie kan toestemming verlenen aan jeugdige werknemers
een hoger garantieloon – eventueel het garantieloon van de
volwassen werknemer – te betalen.
Artikel 2
Garantieclausule
1. Minimuminkomen volwassenen
a. Indien het op grond van deze CAO verdiende bruto-inkomen van
de in de zin van deze CAO volwassen werknemer per normale
week minder bedraagt dan het loon, dat bij de Wet minimumloon
en minimum vakantiebijslag voor volwassenen is vastgesteld, zal
de werkgever de betreffende werknemer een aanvulling tot dit
bedrag uitbetalen.
b. Onder het bruto-inkomen per normale werkweek wordt verstaan:
het aantal arbeidsuren volgens artikel 8 lid 1 maal het garantieuurloon,
vermeerderd met alle eventueel verleende inkomstenverhogingen
zoals prestatiebeloning, bijslag voor sloopwerk,
diplomatoeslag en premie schadevrij rijden.
2. Minimuminkomen jeugdigen
a. Indien het op grond van deze CAO verdiende bruto-inkomen van
de jeugdige werknemer per normale week minder bedraagt dan
het loon, dat bij de Wet minimum loon en minimum vakantiebijslag
ten aanzien van zijn leeftijd is vastgesteld, zal de werkgever
de betreffende werknemer een aanvulling tot dit bedrag uitbetalen.
b. Onder het bruto-inkomen per normale werkweek wordt verstaan:
het aantal arbeidsuren volgens artikel 8 lid 1 maal het garantieloon,
vermeerderd met alle eventueel verleende inkomstenverhogingen,
zoals prestatiebeloning, bijslag voor sloopwerk,
diplomatoeslag en premie schadevrij rijden.
Artikel 3
Individueel overeengekomen loon
De werknemer en de werkgever kunnen een hoger loon dan het voor de
werknemer geldende garantieloon overeengekomen.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Het gedeelte van het loon boven het garantieloon (persoonlijke toeslag)
wordt in een percentage van het garantieloon uitgedrukt. Het individueel
overeengekomen loon kan gedurende het dienstverband niet worden verlaagd.
Artikel 4
Prestatiebeloning
Indien men werkt met een productiviteitsbevorderend beloningssysteem,
dienen de maatstaven door de werkgever te worden vastgesteld in redelijk
overleg met de ondernemingsraad of een representatief deel van de
werknemers in de onderneming. De werkgever dient van de invoering
van vorenbedoeld beloningssysteem kennis te geven aan de Vertrouwensinstantie.
Indien niet wordt gewerkt met een dergelijk systeem, zal
de werkgever aan de werknemer een percentage van het voor die werknemer
geldende garantieloon als extra beloning uitbetalen, naar gelang
de werknemer naar het oordeel van de werkgever op grond van zijn
prestatie daarvoor in aanmerking komt.
Artikel 5
Algemene loonsverhogingen
a. Per 1 juli 2003 (N.B reeds verwerkt in voorgaande staten) worden de
garantielonen verhoogd met 1,25%. Per 1 juli 2004 worden de
garantielonen verhoogd met 1,25%. De procentuele stijging van het
consumentenprijsindexcijfer werknemers-laag (CBS) van april 2003
ten opzichte van oktober 2002 respectievelijk van april 2004 ten
opzichte van oktober 2003 is daarin begrepen.
b. Per 1 januari 2004 worden de garantielonen verhoogd met 1,25%.
Per 1 januari 2005 worden de garantielonen verhoogd met 1,25%.
De procentuele stijging van het consumentenprijsindexcijfer
werknemers-laag (CBS) van oktober 2003 ten opzichte van april
2003 respectievelijk van oktober 2004 ten opzichte van april 2004 is
daarin begrepen.
c. Aanpassing van individueel overeengekomen lonen, welke hoger
zijn dan het garantieloon, vindt slechts plaats voor zover dit individueel
overeengekomen loon niet hoger is dan 110% van het garantieloon.
Artikel 6
Minder valide werknemers
De werkgever is bevoegd voor een werknemer, die als gevolg van zijn
geestelijke en/of lichamelijke gesteldheid minder valide is, in overleg
met de Vertrouwensinstantie als bedoeld in artikel 42 van deze CAO een
afwijkend garantieloon vast te stellen.
Artikel 7
Toeslag voor sloopwerk
1. Indien een bestaande dakbedekking moet worden gesloopt, of indien
bij het aanbrengen van een dakbedekking een isolatie van celglasplaten
verwerkt moet worden, zal de werkgever een extra beloning
toekennen in de vorm van een afzonderlijke toeslag.
Deze toeslag bedraagt per 1 juli 2003 € 0,32 per uur voor de tijd die
daadwerkelijk aan bewerking wordt besteed.
2. De in het eerste lid genoemde toeslag zal per 1 juli en per 31 december
van ieder jaar aangepast worden aan de hand van het percentage
waarmee de garantielonen verhoogd worden.
Artikel 8
Diplomatoeslag
Voor chauffeurs, die in het bezit zijn van het CCV-chauffeursdiploma B,
zal het in artikel 1 genoemde garantieloon worden verhoogd met 5%.
Artikel 9
Premie schadevrij rijden
1. Aan chauffeurs, die in dienst van een werkgever een geheel kwartaal
schadevrij hebben gereden, wordt een premie toegekend.
Onder schadevrij wordt verstaan, dat geen schaden zijn veroorzaakt
door schuld of nalatigheid van de chauffeur.
2. Per 1 juli 2003 is de hoogte van de premie als volgt bepaald:
a. Na afloop van het eerste schadevrij kalenderkwartaal bedraagt de
premie over dat kwartaal € 9,93.
b. Voor ieder direct aansluitend kalenderkwartaal dat schadevrij
wordt gereden, wordt de premie verhoogd met € 1,55 tot een
maximum premie van € 15,83 per kwartaal.
Zodra men over een bepaald kwartaal geen premie heeft genoten
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
zal over het eerstvolgende kalenderkwartaal wederom € 9,93
worden uitbetaald.
c. Nadat 12 aaneengesloten kwartalen schadevrij is gereden, wordt
een extra bonus van € 20,16 toegekend.
Na elke hierop volgende vier aaneengesloten kwartalen schadevrij
rijden zal wederom een extra bonus van € 20,16 worden toegekend.
3. De in het tweede lid, onder a, b en c genoemde premies c.q. bonus
zullen per 1 juli en per 31 december van ieder jaar aangepast worden
aan de hand van het percentage waarmee de garantielonen verhoogd
worden.
BIJLAGE VII
Als bedoeld in artikel 16, lid 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Bedrijfsvoorschriften en bijbehorend sanctiereglement voor de werknemers
vallend onder de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven.
1. Ziek-en hersteldmeldingsprocedure
De werknemer die wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten, is
verplicht hiervan op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid
voor aanvang werktijd zijn werkgever of de door deze aangewezen
uitvoerder of andere functionaris in kennis te stellen.
Indien deze dag een zaterdag of een zon-of feestdag of een verlofdag
is en op die dagen in het bedrijf van de werkgever niet wordt
gewerkt, dient de ziekmelding op de eerstvolgende werkdag voor
aanvang werktijd te geschieden.
Indien arbeidsongeschiktheid tijdens de werktijd ontstaat, moet deze
melding terstond na het staken van het werk geschieden.
Deze verplichting laat onverlet de voorschriften van het UWV ter
zake van ziekmeldingen.
Indien arbeidsongeschiktheid ontstaat tijdens een periode van verplichte
bedrijfssluiting (vakantie en de periode rond Kerst en Nieuwjaar),
dient de werknemer dit binnen 24 uur na de aanvang van de
ongeschiktheid schriftelijk te melden aan de uitvoeringsinstelling bij
welke de werkgever is aangesloten.
De werknemer is verplicht de werkgever terstond op de hoogte te
brengen van zijn herstel.
1. Eigen verklaring
Aan iedere werknemer wordt een aantal blanco Eigen Verklaringen
en antwoordenveloppen verstrekt. De werknemer is verplicht
deze Eigen Verklaring reeds op de 1e dag van de ziekmelding aan
de werkgever te zenden, ook wanneer de volgende dag het werk
wordt hervat (zie model Eigen Verklaring).
2. Thuisblijven
De werknemer dient thuis te blijven tot het moment dat door of
namens de werkgever contact is opgenomen (telefonisch, dan wel
d.m.v. een bezoek), echter maximaal gedurende vijf dagen.
De werknemer mag alleen van huis gaan voor een bezoek aan
een arts of om zijn werkzaamheden te hervatten.
Na het eerste controlebezoek, of na vijf dagen, dient de werknemer
gedurende drie weken ’s morgens tot 10.00 uur en ’s mid-
dags tot 12.00 en 14.30 uur thuis te zijn, tenzij de bedrijfsarts
toestemming geeft om van huis te gaan.
De werknemer dient er rekening mee te houden dan namens de
werkgever contact kan worden opgenomen door een door hem
ingeschakelde Arbo-dienst. Dit contact kan bestaan uit een uitno
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
diging op het spreekuur te verschijnen, dan wel uit een bezoek
van of telefonisch gesprek met de bedrijfsarts/bedrijfsverpleegkundige.
3. Maak bezoek mogelijk
De werknemer dient controlebezoek door de Arbo-dienstmedewerkers
mogelijk te maken.
Deze moeten in staat gesteld worden de werknemer in zijn
woning of op zijn verpleegadres te bezoeken.
4. Het juiste adres
Indien de werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid verhuist of
tijdelijk elders verblijft of van verpleegadres verandert (bijvoorbeeld
opname in of ontslag uit een ziekenhuis), behoort hij dit
binnen 24 uur aan de werkgever door te geven.
5. Verblijf in het buitenland
De werknemer die zich in het buitenland bevindt en arbeidsongeschikt
wordt, dient zich te houden aan het bepaalde onder punt
1.
In geval van ziekmelding tijdens het verblijf in het buitenland
dient de werknemer terstond naar Nederland terug te keren, na
schriftelijke toestemming van huisarts en/of behandelend arts in
het buitenland en na overleg met de Arbo-dienst, tenzij de werkgever
telefonisch of schriftelijk toestemming verleent het verblijf
in het buitenland te continueren.
De werknemer dient voor vertrek toestemming van de bedrijfsarts/
arts Arbo-dienst te hebben indien hij tijdens arbeidsongeschiktheid
een meerdaagse periode in het buitenland wil verblijven.
6. Op het spreekuur komen
Aan een oproep om te verschijnen op het spreekuur van de Arbodienst
dient de werknemer gevolg te geven. Indien de werknemer
een geldige reden tot verhindering heeft (bijvoorbeeld bedlegerigheid
of ziekenhuisopname) dan behoort hij dit onmiddellijk
aan de werkgever mede te delen.
De werknemer hoeft niet op het spreekuur te verschijnen indien
hij inmiddels zijn werkzaamheden heeft hervat.
7. Genezing niet belemmeren
De werknemer dient zich tijdens zijn arbeidsongeschiktheid zodanig
te gedragen dat zijn genezing niet wordt belemmerd. Dit
ter beoordeling van de Arbo-dienst.
8. Het verrichten van werkzaamheden
De werknemer dient tijdens arbeidsongeschiktheid geen arbeid te
verrichten behalve werkzaamheden die de werknemer door of
namens de werkgever worden aangeboden.
De aangeboden vervangende werkzaamheden mogen het gene
zingsproces niet nadelig beïnvloeden en worden in overleg met
de (bedrijfs)arts/arts Arbo-dienst vastgesteld.
9. Hervatten bij herstel
Zodra de werknemer weer in staat is aan het werk te gaan, dient
hij zijn werkzaamheden te hervatten en dus niet een speciale
opdracht daartoe af te wachten.
Indien men opnieuw het werk staakt binnen drie dagen na werkhervatting
dient de werknemer op het eerstvolgende spreekuur
van de bedrijfsarts/arts Arbo-dienst te verschijnen.
10. Bezwaren tegen hersteldverklaring
Indien de werknemer na een bepaalde datum weer geheel of
gedeeltelijk geschikt geacht wordt zijn werkzaamheden te hervatten
terwijl de werknemer van mening is, dat hij op genoemde
datum nog steeds arbeidsongeschikt is, dient hij een 2e mening/
second opinion aan te vragen bij het UWV.
Sancties
Indien de werknemer zich niet houdt aan de bovengenoemde bedrijfsvoorschriften
bij ziekte gedurende de eerste 52 weken kan de werkgever
besluiten tot het opleggen van sancties, tenzij de werknemer aantoont
dat de overtreding van een controlevoorschrift hem niet verweten
kan worden.
SANCTIEREGLEMENT
A. Overtredingen Sanctie
1e overtreding schriftelijke waarschuwing
2e overtreding 3 dagen aanvulling inhouden
3e overtreding 6 dagen aanvulling inhouden
4e overtreding 9 dagen aanvulling inhouden
5e overtreding 12 dagen invulling inhouden
6e overtreding Idem
B. Geen arbeidsongeschiktheid geen loondoorbetaling
Bij gelijktijdige overtreding van meerdere voorschriften zal de sanctie
worden opgelegd die geldt bij de som van deze overtreden voorschriften.
Hierbij geldt een referteperiode van één kalenderjaar.
DE 2e MENING
De werknemer die geen salaris krijgt doorbetaald omdat de werkgever
(na advies van de bedrijfsarts van de Arbo-dienst) van mening is, dat de
werknemer in staat is «zijn arbeid» te verrichten, kan zich tot het UWV
wenden voor een onafhankelijk oordeel.
Deze «second opinion» houdt in dat het UWV een medische keuring zal
verrichten. Indien het UWV van mening is, dat er inderdaad sprake is
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
van arbeidsongeschiktheid worden de kosten van de verstrekte uitkering
en de medische keuring verhaald op de werkgever. Is er naar het oordeel
van het UWV geen sprake van arbeidsongeschiktheid, worden de genoemde
kosten verhaald op de werknemer.
Wanneer de werknemer het niet eens is met de uitspraak van het UWV
kan hij in beroep gaan bij de sector Bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank.
Ook de werkgever kan het UWV verzoeken een second opinion uit te
voeren.
MODEL
Eigen Verklaring
Naam: ........................................................................................................
Adres: ........................................................................................................
Postcode: ...................................................................................................
Woonplaats: ...............................................................................................
1. Wanneer bent u arbeidsongeschikt geworden?
....................................................................................................... dag
....................................................................................................... 19..
voor 10.00 uur/tussen 10.00 en 15.00 uur/na 15.00 uur *)
2. a. Bent u door een ongeval arbeidsongeschikt?
Ja/Nee *)
b. Is het een bedrijfsongeval?
Ja/Nee *)
c. Is het een verkeersongeval?
Ja/Nee *)
d. Is het een andere reden? Zo ja, welke?
.....................................................................................................................
3. Met ingang van welke dag denkt u weer arbeidsgeschikt te zijn?
a. O ......................................... dag ......................................... 20..
b. O onbekend *)
4. Onder welk telefoonnummer bent u te bereiken?
Tel: ......................................................................................................
Aldus naar waarheid ingevuld
d.d. ..................................................................................................... 20..
Naam: Handtekening:
........................................................ .......................................................
* Doorhalen wat niet van toepassing is
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
BIJLAGE VIII
Als bedoeld in artikel 14, lid 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
De beleidsregel inzake tillen op bouwplaatsen is van kracht t.a.v. de specifieke
werkzaamheden binnen de dakbedekkingsbranche. Voor de
dakbedekkingsbedrijven is het navolgende van toepassing:
«Dakrollen zwaarder dan 25 kg worden mechanisch getransporteerd. In
situaties waarin dat technisch of organisatorisch niet mogelijk is worden
dakrollen, mits niet zwaarder dan 35 kg, handmatig getransporteerd – in
afwijking van voorgaande – tot een maximum van 5 rollen per persoon
per dag».
COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST
BEDRIJFSTAKEIGEN REGELINGEN VOOR DE
BITUMINEUZE EN KUNSTSTOF DAKBEDEKKINGS-
BEDRIJVEN
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Begripsbepalingen
In deze Collectieve Arbeidsovereenkomst wordt verstaan onder:
1. Bitumineus en Kunststof Dakbedekkingsbedrijf: elke natuurlijke of
rechtspersoon die in Nederland arbeid doet verrichten in de zin van
en verband houdende met het aanbrengen van dakbedekkingen van
bitumen en/of kunststof materialen, met uitzondering van:
a. de ondernemingen die in hoofdzaak andere activiteiten verrichten
dan de uitvoering van bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingen
en uit dien hoofde onder de werkingssfeer van een
andere ondernemings-dan wel bedrijfstak-collectieve arbeidsovereenkomst
vallen (met dien verstande dat het aandeel van de
loonsom voor de uitoefening van bitumineuze en/of kunststof
dakbedekkingen niet overweegt);
b. de ondernemingen of gedeelten van ondernemingen waarin tevens
bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingsmaterialen worden
vervaardigd voor levering aan derden.
2. Werkgever: iedere werkgever in het bitumineuze en kunststof
dakbedekkingsbedrijf in de zin van artikel 1, eerste lid.
3. Werknemer: iedere werknemer met een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 7: 610 BW met een werkgever, voor zover zijn
functie is opgenomen in bijlage 1 van deze Collectieve Arbeidsovereenkomst.
4. Werknemer in de zin van de regeling van de Stichting Vrijwillig Vervroegde
Uittreding voor het Dakbedekkingsbedrijf: werknemer en ook iedere
werknemer in loondienst van een werkgever, die belast is met de
hieronder genoemde taken:
– het laden en/of lossen van een vrachtwagen en/of het verrichten
van werkzaamheden in magazijn en/of opslagplaats (expeditieen
magazijnmedewerker);
– het verrichten van diverse werkzaamheden ten behoeve van het
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
onderhoud van onder andere het materiaal, hetwelk in het bedrijf
van de werkgever dan wel op de bouwplaats wordt gebruikt
(onderhoudsmedewerker).
5. UTA-personeel: iedere werknemer in loondienst van een werkgever,
wiens functie niet is opgenomen in bijlage 1 van deze Collectieve
Arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
6. SFB: de relevante werkmaatschappij(en) van de SFB Groep respectievelijk
diens eventuele rechtsopvolger(s).
7. Accountant: registeraccountant of een accountant-administratieconsulent
met certificerende bevoegdheid.
Artikel 3
Sociale Fondsen en bijdrageverplichtingen
1. Naast de bepalingen van de in deze CAO opgenomen:
– Statuten en de reglementen van de Stichting Sociaal Fonds voor
de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven; hierna
ook te noemen Sociaal Fonds BIKUDAK en de
– Statuten en de reglementen van de Stichting Vrijwillig Vervroegde
Uittreding voor het Dakbedekkingsbedrijf, hierna ook te
noemen VUDAK;
binden ook de nadere uitvoeringsvoorschriften van organisatorische
aard, welke door de besturen van genoemde stichtingen worden
gegeven, werkgevers en werknemers alsof die bepalingen in deze
CAO waren opgenomen.
2. Krachtens de bepalingen van de in het eerste lid van dit artikel
genoemde reglementen is de werkgever voor iedere dag waarop de
werknemer in zijn dienst loon ontvangt jegens hem gehouden tot het
storten van bijdragen ten behoeve van de in het eerste lid van dit artikel
genoemde stichtingen.
3. De werkgever betaalt hetgeen hij ten aanzien van een bij hem in
dienst zijnde werknemer aan bijdragen is verschuldigd aan de in het
eerste lid van dit artikel genoemde stichtingen aan het SFB, het
uitvoeringsorgaan van bedoelde stichtingen.
4. De werkgever dient per loonbetalingstijdvak, doch ten minste één
maal per maand de door hem verschuldigde bijdragen aan het SFB
te betalen, onder gelijktijdige verstrekking van alle gegevens benodigd
voor de bijboeking van rechten van de individuele werknemer.
Deze betaling en verstrekking van gegevens dient binnen 14 dagen
na afloop van elk hiervoor bedoeld loonbetalingstijdvak te geschieden.
5. De hoogte van de door de werkgever te betalen bijdragen dienen te
worden vastgesteld aan de hand van een door het SFB aan de werkgever
te verstrekken bijdragewaardenoverzicht.
Artikel 4
Invordering en sanctionering
1. Indien de werkgever zijn bijdrageverplichtingen jegens de in artikel
3, eerste lid genoemde stichtingen niet nakomt, hebben deze stichtingen
alsmede het SFB een zelfstandig recht op invordering jegens
de werkgever.
2. In geval van nalatigheid door een werkgever bij het voldoen aan zijn
bijdrageverplichtingen is de invorderingsgerechtigde, te weten de in
artikel 3, eerste lid genoemde stichtingen alsmede het SFB bevoegd
nadere incasso maatregelen te treffen, als mede de wettelijke rente
over de achterstallige bedragen te heffen. De kosten van invordering
zullen op de betreffende werkgever worden verhaald.
3. Achterstand in het nakomen door de werkgever ten aanzien van de
in dit artikel neergelegde verplichtingen kan voor de werknemer een
dringende reden opleveren, als bedoeld in artikel 7: 679 BW, tot
onmiddellijke beëindiging van de dienstbetrekking.
4. De besturen van de in artikel 3, eerste lid genoemde stichtingen hebben,
in onderlinge afstemming, in de aldaar genoemde reglementen
voorschriften opgenomen tot het treffen van sancties in geval door
een werkgever geen bijdragen als bedoeld in het eerste en tweede lid
van dit artikel voor een bij hem in dienst zijnde werknemer worden
gestort.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
HOOFDSTUK 2
STATUTEN EN REGLEMENTEN BEDRIJFSTAKEIGEN
REGELINGEN
Statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Naam en zetel
1. De stichting draagt de naam ,,Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven’’. Zij wordt bij afkorting
ook genoemd: SF-BIKUDAK.
2. De stichting is gevestigd in Amsterdam.
Artikel 2
Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen wordt verstaan
onder:
1. stichting: de in artikel 1 genoemde stichting;
2. CAO: de Collectieve Arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven;
3. bestuur: het bestuur van de stichting;
4. organisaties: de organisaties van werkgevers en werknemers, partij
bij de CAO;
5. statuten: deze statuten;
6. reglement: reglement als bedoeld in artikel 15.
7. SFB CAO-Regelingen: de te Amsterdam gevestigde besloten vennootschap
SFB CAO-Regelingen B.V.;
8. werkgever: de werkgever in de zin van de CAO;
9. werknemer: de werknemer in de zin van de CAO.
Artikel 3
Doel
1. De stichting heeft de volgende deelfondsen met de volgende doelstellingen:
a. Fonds Opleiding en Ontwikkeling: dit fonds stelt zich ten doel
de financiering dan wel subsidiëring van beroepsopleidingen en
van onderzoek naar de opleidingsbehoeften en onderzoek naar de
verdere professionalisering van medewerkers in de sector.
b. Fonds Scholing: dit fonds heeft als doel verlet-en cursuskosten
te vergoeden voor scholingsdagen.
c. Fonds Werkgelegenheid: dit fonds heeft als doel de financiering
dan wel subsidiëring van projecten in het kader van de ontwikkeling
van arbeidsmarktbeleid en de daarop afgestemde projecten
voor werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten door
middel van het verzorgen van werkgelegenheidstrajecten.
d. Fonds Arbeidsomstandigheden: dit fonds heeft als doel de financiering
danwel subsidiëring van activiteiten in het kader van
voorlichting, advisering en evaluatie die leiden tot:
– een grotere bewustwording en naleving van veiligheids-en
gezondheidsbevorderende regels;
– verbetering van de arbeidsomstandigheden;
– afname van het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheidsrisico’s;
– een kleiner aantal ongevallen.
e. Fonds Aanvullingen en Uitkeringen: dit fonds heeft als doel aan
of ten behoeve van werknemers die een uitkering ontvangen
krachtens de WW, WAO, REA of ZW een aanvulling te verstrekken
of een verstrekking te doen.
f. Fonds Kinderopvang: dit fonds stelt zich ten doel de (gedeeltelijke)
financiering van een kinderopvangregeling.
g. Fonds Stervensbegeleiding en Rouwverlof: dit fonds stelt zich
ten doel de (gedeeltelijke) financiering van kosten die de werkgever
maakt in verband met loondoorbetaling bij stervensbegeleiding
en/of rouwverlof.
h. Het stimuleren en subsidiëren van ontwikkelingen gericht op het
bevorderen van de medezeggenschap, participatie, personeelsvertegenwoordigingen
en ondernemersraden als vormen van over-
leg op ondernemersniveau tussen werknemers en werkgevers in
de bedrijfstak.
i. Voorlichting over de collectieve arbeidsvoorwaarden ten behoeve
van alle werkgevers en werknemers in de branche.
j. De vervaardiging van, uitgifte en verzending van de noodzakelijke
hoeveelheid CAO-boekjes ten behoeve van alle werknemers
en werkgevers in de branche.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
2. De activiteiten van de in het eerste lid van dit artikel genoemde deelfondsen
zijn per deelfonds bij reglement nader uitgewerkt.
3. De nadere voorwaarden voor financiering dan wel subsidiëring van
activiteiten in het kader van de in het eerste lid van dit artikel
genoemde doelstellingen van de stichting en voor toekenning van
genoemde vergoedingen zijn per deelfonds bij reglement vastgesteld.
Artikel 4
Middelen ter realisering van het doel
De stichting tracht haar doel te bereiken door:
a. het innen en beheren van gelden in overeenstemming met het bepaalde
in de statuten en reglementen;
b. het verstrekken van vergoedingen overeenkomstig het gestelde in de
statuten en reglementen;
c. geld aan derden ter beschikking te stellen ter financiering dan wel
subsidiëring van de kosten verband houdende met de in artikel 3 vermelde
doelstellingen van de stichting;
Artikel 5
Geldmiddelen
De geldmiddelen van de stichting bestaan uit:
a. het stichtingskapitaal;
b. de bijdragen die ter uitvoering van het doel van de stichting door de
werkgevers en de werknemers worden opgebracht op de wijze als
door partijen bepaald en nader vastgesteld in het bijdrage-reglement;
c. renten;
d. eventuele andere baten.
Artikel 6
Bijdragereglement
Het bestuur stelt een bijdragereglement vast waarin ten minste zijn geregeld
de wijze van vaststelling en de hoogte van de bijdragen en de wijze
van incasseren daarvan.
Artikel 7
Administratie
De stichting heeft haar administratie en uitvoerende taken opgedragen
aan SFB CAO-Regelingen, maar kan, indien het bestuur zulks nodig
acht, deze taken opdragen aan een andere organisatie onder toezicht en
verantwoordelijkheid van het bestuur.
Artikel 8
Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit zes leden.
2. De bestuursleden worden als volgt benoemd:
a. drie leden door de Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland
(VEBIDAK), gevestigd te Nieuwegein, of diens rechtsopvolger,
partij bij de CAO;
b. twee leden door de FNV Bouw, gevestigd te Woerden en één lid
door de Hout-en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk, of diens
rechtsopvolgers, partij bij de CAO;
3. Bij afwezigheid van één der bestuursleden kan de instelling, die dat
bestuurslid heeft benoemd, een plaatsvervanger aanwijzen.
4. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door bedanken, dan wel
door intrekking van de benoeming door de instelling, die het betrokken
bestuurslid heeft aangewezen.
5. Indien in het bestuur één of meer vacatures ontstaan, wordt daarin zo
spoedig mogelijk voorzien; de benoeming geschiedt door de instelling,
door welke het lid, wiens zetel is opengevallen, was aangewezen.
Gedurende het bestaan van een vacature behoudt het bestuur
zijn volledige bevoegdheden.
6. Bestuursleden genieten geen bezoldiging ten laste van de stichting;
het bestuur kan een regeling treffen inzake vacatiegelden en vergoeding
van reis-en verblijfkosten.
Artikel 9
Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, secretaris
1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: één van
werkgeverszijde en één van werknemerszijde; deze vertegenwoordigen
tezamen de stichting in en buiten rechte. De stichting wordt
tevens door het bestuur vertegenwoordigd.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een jaar als voorzitter
en als tweede voorzitter op. Het bestuur wijst bij de eerste
benoeming van twee voorzitters aan, welke van hen beiden gedurende
het eerste boekjaar als voorzitter en welke als tweede voorzitter
zal optreden.
3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: één van
werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Indien als voorzitter
een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris
de secretaris van werknemerszijde, en omgekeerd.
Artikel 10
Adviseurs en waarnemers
1. De bestuursleden kunnen zich in vergaderingen van het bestuur laten
bijstaan door adviseurs.
2. Indien door betrokken instanties de wens daartoe te kennen wordt
gegeven, wordt in overleg tussen het bestuur en de bedoelde instanties
een waarnemer toegelaten. Waarnemers zijn gerechtigd tot het
bijwonen van alle bestuursvergaderingen, alsmede van alle vergaderingen
van in artikel 11, tweede lid bedoelde commissies. Waarnemers
ontvangen alle ter zake dienende stukken.
3. Het besluit om de aanwezigheid van adviseurs en/of waarnemers al
dan niet toe te staan is voorbehouden aan het bestuur.
4. Eventuele adviseurs en waarnemers vallen niet onder de vigerende
declaratieregeling voor bestuursleden. Hun eventuele honorering
wordt door het bestuur vastgesteld.
Artikel 11
Taak en bevoegdheden van het bestuur
1. Het bestuur is bevoegd uit naam van de stichting alle handelingen te
verrichten, welke met de doelstelling in overeenstemming zijn en die
niet bij of krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het
bestuur onttrokken zijn.
2. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren
aan SFB CAO-Regelingen en/of aan door het bestuur, al dan niet
geheel uit zijn midden, benoemde paritaire commissies. Daarbij kunnen
deze commissies, volgens door het bestuur te stellen richtlijnen,
een deel van deze bevoegdheden weer overdragen aan SFB CAO-
Regelingen. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies
en
SFB CAO-Regelingen uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid
van het bestuur.
Artikel 12
Besluitvorming
1. Het aantal stemmen dat elk bestuurslid uitbrengt wordt zodanig
bepaald, dat het aantal stemmen aan werkgeverszijde even groot is
als het aantal stemmen aan werknemerszijde.
2. Is het aantal ter vergadering aanwezige stemmen aan werkgeverszijde
niet even groot als het aantal ter vergadering aanwezige stem-
men aan werknemerszijde, dan brengen de leden van die groep waarvan
het grootste stemmenaantal ter vergadering aanwezig is, ieder
evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de
andere groep, ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.
De leden van de andere groep brengen alsdan ieder evenveel
stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de grootste
groep, ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.
3. Voor zover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige
besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid van de
geldig uitgebrachte stemmen.
4. Door het bestuur worden geen beslissingen genomen indien niet
meer dan de helft van het aantal bestuursleden aanwezig is. Indien
het vereiste aantal bestuursleden in een vergadering niet aanwezig is,
kan in een volgende vergadering, ongeacht het aantal aanwezige
bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen
waarover wegens het ontbreken van het quorum in eerstbedoelde
vergadering geen besluit kon worden genomen.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering
opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen wederom,
dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
6. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt bij voorkeur
schriftelijk gestemd.
7. Onverminderd het gestelde in de voorgaande leden van dit artikel
heeft een unanieme schriftelijke verklaring van de gezamenlijke in
functie zijnde bestuursleden dezelfde rechtskracht als een besluit,
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
genomen met algemene stemmen in een bestuursvergadering waarin
alle fungerende bestuursleden aanwezig zijn.
8. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen of in gevallen
waarin geen twijfel mogelijk is, door de beide voorzitters voorlopige
beslissingen en maatregelen worden genomen die in de eerstvolgende
vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden voorgedragen.
9. Indien een bestuurslid niet ter vergadering aanwezig kan zijn, kan hij
een medebestuurslid machtigen zijn stem uit te brengen middels een
schriftelijke volmacht.
Artikel 13
Beheer
1. Het bestuur is belast met het beheer van het fondsvermogen. Het is
bevoegd uit naam van de stichting alle handelingen te verrichten,
welke met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij of
krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken
zijn.
2. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het
kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen. Het bestuur
is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten, waarbij de stichting
zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een
derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van
een derde verbindt.
3. De in artikel 5, sub b, bedoelde bijdragen worden geadministreerd in
de in artikel 3 genoemde zeven afzonderlijke fondsen.
4. Het bestuur belegt (tijdelijk overtollige) middelen op een zodanige
wijze dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en
interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen.
5. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten
kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de
Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
6. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.
7. Het bestuur kan zich ter zake van het beheer laten adviseren.
Artikel 14
Boekjaar, begroting, accountant en jaarverslag
1. Het boekjaar van het fonds valt samen met het kalenderjaar.
2. Het bestuur stelt voor aanvang van het boekjaar een begroting op.
De begroting van inkomsten en uitgaven moet zijn ingericht en
gespecificeerd volgens de in artikel 3 genoemde bestedingsdoelen en
behoeft de goedkeuring van de organisaties. Deze begroting is op
aanvraag beschikbaar voor de organisaties die partij zijn bij de CAO.
Ook wordt de begroting ten kantore van de stichting gelegd ter
inzage van de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers.
Op aanvraag wordt de begroting toegezonden aan de bij de stichting
betrokken werkgevers en werknemers tegen betaling van de daaraan
verbonden kosten.
3. Het saldo, zoals dit blijkt uit de laatstelijk vastgestelde balans wordt
toegevoegd aan de middelen van het volgende boekjaar.
4. Het bestuur benoemt een externe registeraccountant of een
accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid
aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.
5. De registeraccountant of accountant-administratieconsulent is gerechtigd
tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting.
De waarden van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.
6. De registeraccountant of accountant-administratieconsulent brengt
tenminste jaarlijks een rapport uit over zijn bevindingen.
7. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording af aan de organisaties
die partij zijn bij de CAO door middel van een verslag.
8. Het in het zevende lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting
gedurende het afgelopen boekjaar;
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
b. een overzicht van de specifieke werkzaamheden van de stichting
per in artikel 3 genoemd deelfonds;
c. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting,
bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten,
vergezeld van een verklaring van een register-accountant of
accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid
ter zake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan. In
de rekening en verantwoording zal voor elk doel afzonderlijk
vermeld worden welke middelen en welke uitgaven aan dat doel
moeten worden toegerekend;
d. in voorkomende gevallen mededelingen omtrent de wijzigingen
die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.
Het verslag moet zijn gespecificeerd en gecontroleerd door een registeraccountant
of een accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid, uit welke stukken moet blijken dat de uitgaven
conform de bestedingsdoelen genoemd in artikel 3 zijn gedaan;
9. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers-en werknemersorganisaties
betrokken bij de CAO.
10. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van
de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd: ten
kantore van het fonds; op één of meer door de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.
11. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag van
de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
12. Indien sprake is van subsidie-verzoekende instellingen dienen deze
instellingen een begroting in te dienen welke moet zijn gespecificeerd
volgens de bestedingsdoelen en activiteiten die zijn genoemd
in artikel 3 van de statuten.
13. De subsidie-ontvangende instellingen dienen jaarlijks een door een
registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid gecontroleerde verklaring over te leggen over
de besteding van de gelden, welke verklaring (tenminste) moet zijn
gespecificeerd volgens de in artikel 3 genoemde bestedingsdoelen en
activiteiten en deze verklaring dient een geïntegreerd onderdeel uit
te maken van het financiële jaarverslag van de stichting.
Artikel 15
Reglementen
1. Het bestuur stelt één of meer reglementen vast als bedoeld in artikel
3 van de statuten, waarin wordt geregeld de wijze waarop het doel
van de stichting zal worden bereikt, alsmede die zaken die nadere
voorziening behoeven.
2. Het bestuur is zelfstandig bevoegd wijzigingen in een reglement aan
te brengen. Het bestuur brengt een reglementswijziging ter kennis
van de organisaties.
3. Een reglement, alsmede de in het reglement aangebrachte wijzigingen
zullen niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van
die stukken, onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het
bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie
van het Kantongerecht te Amsterdam.
4. Ten aanzien van de besluitvorming over de vaststelling of wijziging
van een reglement is het bepaalde in artikel 16, eerste tot en met
vierde lid van toepassing.
5. De bepalingen van de reglementen mogen niet in strijd zijn met de
bepalingen van deze statuten of met de wet.
Artikel 16
Wijziging van statuten en reglementen
1. Het bestuur is zelfstandig bevoegd deze statuten te wijzigen. Het
bestuur brengt een statutenwijziging ter kennis van de organisaties.
2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere
daartoe uitgeschreven vergadering, waarop ten minste de
helft van de werkgeversleden en ten minste de helft van de
werknemersleden van het bestuur aanwezig zijn. De uitnodiging
voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen
voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden.
3. Indien in een vergadering, waar een statutenwijziging zal worden
behandeld, niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal
leden aanwezig is, zal binnen een maand nadien een tweede vergadering
worden gehouden, op te roepen met inachtneming van de
voor oproeping gestelde termijn, welke ongeacht het ter vergadering
aanwezige aantal leden tot het nemen van een besluit bevoegd zal
zijn.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een
meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte geldige stemmen.
5. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat hiervan een notariële
akte is opgemaakt en een door het bestuur ondertekend exemplaar
van de wijziging voor een ieder ter inzage is neergelegd ter
griffie van het Kantongerecht Amsterdam.
6. Het bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging,
alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het
openbaar stichtingenregister, gehouden bij de Kamer van Koophandel
en Fabrieken te Amsterdam.
Artikel 17
Ontbinding
1. Voor een besluit tot ontbinding van de stichting gelden dezelfde
bepalingen als voor een besluit tot wijziging van de statuten.
2. In geval van ontbinding zal, tenzij partijen een ander besluit nemen,
het bestuur met de liquidatie zijn belast.
3. Het bestuur beslist over de bestemming van een batig saldo. Een
batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt
met het doel van de stichting. Een eventueel nadelig saldo
dient door de werkgevers en werknemers ieder voor de helft te worden
opgebracht.
Artikel 18
Slotbepalingen
1. In alle gevallen waarin niet door de wet, deze statuten of de reglementen
van de stichting is voorzien, beslist het bestuur.
2. Deze statuten zijn vastgesteld per 1 oktober 2003.
Bijdragereglement ingevolge artikel 6 van de statuten van de Stichting
Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Bijdrageverplichting
1. De werkgever is aan de stichting een bijdrage verschuldigd voor de
financiering van de in de statuten omschreven doelstellingen.
2. De bijdrage wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het
door de werkgever aan zijn werknemers uitbetaalde loon. Als loon
wordt aangemerkt het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering.
3. De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijdrage en de verdeling over de
fondsen als genoemd in artikel 3, lid 1 van de statuten, wordt elk jaar
door het bestuur van de stichting aan de hand van een begroting
geschat en (voorlopig) vastgesteld. Deze begroting wordt direct ter
beschikking gesteld van partijen bij de CAO. De hoogte wordt pas
definitief vastgesteld door het bestuur nadat daarover door partijen
bij de CAO overeenstemming is bereikt.
4. De bijdrage en de verdeling over de fondsen zijn voor 2004 als volgt
vastgesteld:
Fonds Opleiding en Ontwikkeling: 1,15%
Fonds Scholing: 0,8%
Fonds Werkgelegenheid: 0,2%
Fonds Arbeidsomstandigheden: 0%
Fonds Aanvullingen en Uitkeringen: 1,35%
Fonds Kinderopvang: 0%
Fonds Stervensbegeleiding en rouwverlof: 0%
Artikel 2
Invordering
1. De invordering van de in artikel 1 bedoelde bijdrage is opgedragen
aan SFB CAO-Regelingen.
2. De stichting heeft ten aanzien van de bijdrageverplichtingen van de
werkgevers aan de stichting een zelfstandig recht op invordering.
3. De bijdrage wordt aan het eind van elk kalenderjaar terstond en
ineens opeisbaar.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 3
Betaaltermijnen
1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient per loonbetalingstijdvak,
maar ten minste eenmaal per maand plaats te vinden.
2. Indien de betaling niet binnen veertien dagen na afloop van elke hiervoor
bedoelde periode heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.
6. SFB CAO-Regelingen is bevoegd tot uitvoering van het bepaalde in
de leden 3 en 5.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Reglement Opleiding en Ontwikkeling ingevolge artikel 3, eerste lid,
van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepaling
In dit reglement wordt verstaan onder subsidie: de geldelijke vergoeding
die door de stichting wordt verstrekt aan natuurlijke of rechtspersonen
die door het bestuur goedgekeurde activiteiten als bedoeld in artikel 3
van de statuten en nader uitgewerkt in artikel 2 van dit reglement verrichten.
Artikel 2
Te financieren en subsidiëren activiteiten
De middelen vanuit het Fonds Opleiding en Ontwikkeling worden aangewend
voor:
1. de bestrijding van verletkosten van in opleiding zijnde werknemers,
onder meer door het zo nodig verstrekken van vergoedingen aan
werkgevers bij wie bedoelde werknemers in dienst zijn;
2. de financiering dan wel subsidiëring van:
a. beroepsopleidingen in of ten behoeve van het bitumineuze en
kunststof dakbedekkingsbedrijf;
b. het verrichten van onderzoek naar de verwachte behoefte in de
toekomst aan werknemers met bepaalde scholing in de onderscheiden
categorieën in het bitumineuze en kunststof
dakbedekkingsbedrijf en het aan de hand daarvan bepalen van de
gewenste aard en omvang van de opleidingen;
c. het onderzoek naar de invloed van de technische ontwikkeling op
de opleidingen en de verwerking van de verworven informatie in
bestaande dan wel nieuwe opleidingen;
d. het onderzoek ten behoeve van de opleidingen naar nieuwe werkmethoden
en andere arbeidsproductiviteitbevorderende middelen
en de verwerking van de verworven informatie in bestaande dan
wel nieuwe opleidingen;
e. het verwerken van de onder sub b tot en met d bedoelde resultaten
van onderzoeken in cursussen voor werkgevers en werknemers;
f. de bekendmaking van de resultaten van de onderzoeken als
bedoeld onder sub b tot en met d door publicaties, vergaderingen
en bijeenkomsten;
g. het bevorderen van schriftelijke en mondelinge voorlichting en
promotie met het doel nieuwe leerlingen voor het bitumineuze en
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
kunststof dakbedekkingsbedrijf aan te trekken en zo groot mogelijke
categorieën van in het bitumineuze en kunststof
dakbedekkingsbedrijf werkzame werkgevers en werknemers te
laten deelnemen aan de voor hen geschikte opleidingen, bijscholingen,
cursussen en bijeenkomsten.
Artikel 3
Aanspraken subsidiegerechtigde
De subsidiegerechtigde heeft ten opzichte van de stichting de aanspraken
die hij aan de statuten en dit reglement kan ontlenen.
Artikel 4
Voorwaarden rond subsidieaanvragen
1. Ten behoeve van projecten:
– Tijdstip van indiening
Een aanvraag ten behoeve van subsidiëring van projecten dient
voor 30 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor
subsidiëring gevraagd wordt te zijn ingediend.
– Vermelding van gegevens in de subsidieaanvraag
De ingediende verzoeken om subsidie dienen de volgende gegevens
te bevatten: omschrijving doelstelling van de activiteiten,
alsmede de te volgen werkwijze; aanvangsdatum en geschatte
tijdsduur; uitvoerende personen c.q. instelling; geraamde kosten,
gespecificeerd in: a. voorbereidende kosten; b. tarieven, mandagen,
uren e.d.; c. werkzaamheden derden; d. raming beschikbaarheid
geldbehoefte.
– Voortgangsrapportage bij toewijzing
Per kwartaal dient informatie te worden verstrekt, waaruit per
activiteit moet blijken:
a. totaal verwerkt bedrag tot moment van rapportage;
b. het nog beschikbare bedrag;
c. de nog te verwachten uitgaven;
d. percentage gereed;
e. de eventueel te verwachten afwijkingen;
f. de gerealiseerde activiteiten en de geprogrammeerde activiteiten
in tijd gezien.
– Beëindiging van een project
Indien bij de beëindiging van een project een eindrapport wordt
opgesteld, dient een exemplaar van dat eindrapport aan het be
stuur van de stichting te worden verstrekt. Eveneens dient een
definitieve afrekening aan het bestuur van de stichting te worden
verstrekt, vergezeld van een goedkeurende verklaring van een
externe accountant.
2. Ten behoeve van doorlopende bijdragen aan subsidiegenietende instellingen:
– Tijdstip van indiening begroting
De desbetreffende instelling dient per kalenderjaar een begroting
over haar activiteiten op te stellen. Deze jaarbegroting dient voor
1 november voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, te zijn ingediend.
– Samenstelling begroting
De begroting dient te zijn samengesteld uit zogenaamde kostensoorten
met zo nodig een specificatie per deelpost op de begroting
en een toelichting.
– Kwartaalverantwoording
De subsidiegenietende instelling dient ieder kwartaal een overzicht
te verstrekken, waarin naast de begrote cijfers opgenomen
zijn (cumulatief) de uitgaven c.q. verwerkte bedragen tot en met
dat kwartaal.
– Verklaring registeraccountant
De subsidiegenietende instelling dient elk jaar een verklaring van
een externe registeraccountant aan het bestuur van de stichting te
verstrekken met betrekking tot de besteding van de subsidie aan
de activiteiten ten behoeve waarvan zij is toegekend.
3. Overschrijdingen op activiteiten en begrotingen:
a. Alle relevante overschrijdingen op toegewezen bedragen inzake
activiteiten en begrotingen dienen in een zo vroeg mogelijke fase
aan het bestuur van de stichting kenbaar te worden gemaakt met
opgave van redenen.
b. Relevante overschrijdingen binnen een begroting van de deelposten
dienen eveneens – zo nodig mondeling – aan het bestuur
van de stichting te worden gemeld.
c. Voor overboekingen van bedragen binnen een begroting van de
ene deelpost naar de andere deelpost, dient vooraf toestemming
te worden gevraagd aan het bestuur van de stichting.
4. Het bestuur is gemachtigd in geval van co-financiering goedkeuring
te verlenen aan een afwijkende, gelijkwaardige rapportagesystematiek.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 5
Betalingen aan subsidiënten
Om te voorkomen dat er bij de subsidiegenietende instellingen overtollige
liquide middelen aanwezig zijn, zullen betalingen aan deze instellingen
uitsluitend plaatsvinden op grond van de werkelijk door hen te
verrichten uitgaven. Hiertoe zal de wijze van betaling, alsmede het
betalingsschema, in overleg worden vastgesteld door het bestuur van de
stichting en de desbetreffende instelling.
Artikel 6
Toets doelmatigheid
Het bestuur van de stichting heeft tot taak de doelmatigheid van de uitgaven
van de subsidiegenietende instellingen te bezien en te toetsen of
die uitgaven rechtmatig zijn ontleend aan de begrotingen.
Artikel 7
Controle
Het bestuur van de stichting is bevoegd te allen tijde de besteding van
de ter beschikking gestelde gelden te doen controleren door een door het
bestuur aan te wijzen externe accountant.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Reglement Scholing ingevolge artikel 3, eerste lid, van de statuten
van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het loon: het bruto individueel overeengekomen loon in de zin van
de CAO;
2. verletkosten: het loon, alsmede de over dat loon op grond van de
CAO door de werkgever verschuldigde premies en bijdragen.
Artikel 2
Vergoeding voor relevante cursussen
1. De werkgever heeft tegenover de stichting aanspraak op vergoedingen
van kosten verbonden aan het volgen van door het bestuur aangewezen
bijscholingscursussen die worden verzorgd door een door
het bestuur aangewezen opleidingsinstituut. De cursus dient te zijn
gericht op het beroep van de werknemer en moet leiden tot verbreding,
verdieping of bijhouden van vaktechnische en/of sociaaltechnische
vaardigheden.
2. De werkgever heeft tegenover de stichting aanspraak op vergoedingen
van kosten verbonden aan het volgen van door het bestuur aangewezen
omscholingscursussen voor werknemers die dreigen arbeidsongeschikt
te raken.
3. De werkgever heeft tegenover de stichting aanspraak op (gedeeltelijke)
vergoeding van de cursuskosten van de Ondernemers-en
Kaderopleiding Dakbedekkingsbranche (OKD) na het behalen van
het diploma door de werknemer.
Artikel 3
Verletkosten
De werkgever heeft tegenover de stichting aanspraak op vergoeding van
een vast bedrag per dag voor verletkosten verbonden aan het volgen van
door het bestuur aangewezen cursussen.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 4
Cursuskosten
1. De cursuskosten zijn, met inachtneming van het onder lid 2 bepaalde,
door de werkgever verschuldigd.
2. Er komen geen cursuskosten ten laste van de werknemer.
3. De stichting vergoedt aan de werkgever een vast bedrag per dag voor
de cursuskosten, tenzij het bestuur anders bepaalt.
Artikel 5
Verrekening
Indien de werkgever een opeisbare schuld aan de stichting heeft, wordt
deze schuld verrekend met de aanspraken als bedoeld in artikel 3 tot en
met 4.
Artikel 6
Cursusdagen tijdens ziekte of vorstverlet
Het bestuur is bevoegd nadere regels te stellen ten aanzien van door de
stichting te verstrekken vergoedingen, indien een werkgever een declaratie
inzendt voor een werknemer die tijdens ziekte deelneemt aan een
cursus of voor een werknemer die deelneemt aan een cursus op een dag
dat hij anders wegens vorst niet gewerkt zou hebben.
Artikel 7
Verstrekken van de vergoedingen
1. De stichting stelt op basis van een deelnamelijst van het desbetreffende
opleidingsinstituut en een aan de werkgever door of vanwege
de stichting ter beschikking gestelde declaratiestaat een specificatie
van aan de werkgever te verstrekken vergoedingen op.
2. De declaratiestaat dient, volledig ingevuld en ondertekend, binnen
vier weken na afloop van het kwartaal waarin de laatste cursusdag
viel te worden ingediend op een door het bestuur aangewezen adres.
3. Op de declaratiestaat verklaart de werknemer dat hij de daarop voorkomende
hem betreffende vragen naar waarheid heeft beantwoord,
welke verklaring door hem wordt ondertekend. Indien een gemachtigde
voor de werknemer tekent, dient een schriftelijke volmacht aan
de declaratiestaat te worden gehecht.
4. De werkgever is gehouden om, ook nadat de declaratie is voldaan,
op verzoek van het bestuur de juistheid van de ingediende declaratiestaat
aan te tonen, onder meer door overlegging van administratieve
bescheiden. Indien en voor zover de werkgever desverlangd de juistheid
van een door hem ingediende en door de stichting voldane
declaratiestaat niet aantoont, dient hij het betrokken bedrag op eerste
vordering aan de stichting te restitueren.
5. De werkgever dient bij de inzending van de declaratiestaat een
deelnamelijst, afgegeven door het opleidingsinstituut, te voegen.
6. Gelijktijdig met de toezending van de specificatie gaat SFB CAO-
Regelingen over tot betaling van het bedrag dat op de specificatie
staat vermeld.
7. De vergoedingsbedragen zullen op het bij SFB CAO-Regelingen
bekende rekeningnummer van de werkgever worden overgeschreven.
Artikel 8
Aanvraag voor goedkeuring
1. Als een werkgever in aanmerking wenst te komen voor vergoedingen
voor een cursus die verzorgd wordt door een niet door het
bestuur erkend instituut of voor een niet door het bestuur aangewezen
cursus, dient hij vooraf goedkeuring van het bestuur te verkrijgen.
2. Interne bedrijfscursussen kunnen onder door het bestuur gestelde
voorwaarden ook voor vergoeding in aanmerking komen.
3. Voor het verzoek om een cursus als bedoeld in het eerste of tweede
lid voor vergoeding in aanmerking te laten komen, dient de werkgever
gebruik te maken van het formulier ,,Aanvraag voor goedkeuring’’.
Artikel 9
Geen vergoedingen
1. Cursussen die (gedeeltelijk) in de avonduren en/of op zaterdag, zondag
of een roostervrije dag worden georganiseerd, komen niet voor
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
vergoeding in aanmerking, tenzij het gaat om de Ondernemers-en
Kaderopleiding Dakbedekkingsbranche (OKD).
2. Geen vergoedingen worden verstrekt als een cursusdag minder dan
een hele werkdag omvat, tenzij het gaat om de Ondernemers-en
Kaderopleiding Dakbedekkingsbranche (OKD).
3. Scholing van een Ondernemingsraadslid komt niet voor vergoeding
in aanmerking als de scholing verband houdt met de vervulling van
de taak als OR-lid.
4. Vergoedingen gelden niet voor cursussen die gevolgd zijn door UTApersoneel.
5. In bijzondere gevallen kan het bestuur afwijking van het bepaalde in
het eerste lid toestaan.
Artikel 10
Overschrijding aantal scholingsdagen
1. Het bestuur kan bepalen dat aan een werkgever vergoedingen worden
verstrekt over meer cursusdagen dan tweemaal het aantal werknemers
in dienst bij het desbetreffende bedrijf en/of over meer
cursusdagen dat vijf per werknemer per jaar.
2. Een werkgever die over meer dan het in de CAO bepaalde maximum
aantal cursusdagen vergoedingen wenst te ontvangen, dient aan het
bestuur een scholingsrooster te overleggen, waarin het scholingsbeleid
is uitgewerkt en vermeld staat wie, wanneer welke cursus zal
volgen.
Artikel 11
Garantie
Het bestuur kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanspraken
van de werknemer als zijn werkgever ten opzichte van hem niet de
verplichting nakomt om het loon te verstrekken over cursusdagen.
Artikel 12
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd, inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd ten
behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de
stichting en in dit reglement.
2. Degene aan wie bij uitvoering van het bepaalde in de statuten van de
stichting of in dit reglement enig bedrijfsgegeven ter kennis komt
waarvan hij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, is dienaangaande
jegens derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 13
Voorschriften
1. Om een efficiënte werking van de stichting te verzekeren, kunnen
door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden in overeenstemming
met de bepalingen van dit reglement, mits deze voorschriften
niet in strijd komen met een of meer bepalingen van de
CAO.
2. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur.
Artikel 14
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Reglement Werkgelegenheid ingevolge artikel 3, eerste lid, van de
statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepaling
In dit reglement wordt verstaan onder subsidie: de geldelijke vergoeding
die door de stichting wordt verstrekt aan natuurlijke of rechtspersonen
die door het bestuur goedgekeurde activiteiten als bedoeld in artikel 3
van de statuten en nader uitgewerkt in artikel 2 van dit reglement verrichten.
Artikel 2
Te financieren en subsidiëren activiteiten
De middelen vanuit het Fonds Werkgelegenheid worden aangewend
voor de financiering dan wel subsidiëring van:
– projecten in het kader van de ontwikkeling van arbeidsmarktbeleid
en de daarop door organisaties afgestemde projecten voor werklozen
en gedeeltelijk arbeidsongeschikten door middel van het verzorgen
van werkgelegenheidstrajecten.
Artikel 3
Aanspraken subsidiegerechtigde
De subsidiegerechtigde heeft ten opzichte van de stichting de aanspraken
die hij aan de statuten en dit reglement kan ontlenen.
Artikel 4
Voorwaarden rond subsidieaanvragen
1. Ten behoeve van projecten:
– Tijdstip van indiening
Een aanvraag ten behoeve van subsidiëring van projecten dient
voor 30 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor
subsidiëring gevraagd wordt te zijn ingediend.
– Vermelding van gegevens in de subsidieaanvraag
De ingediende verzoeken om subsidie dienen de volgende gege
vens te bevatten: omschrijving doelstelling van de activiteiten,
alsmede de te volgen werkwijze; aanvangsdatum en geschatte
tijdsduur; uitvoerende personen c.q. instelling; geraamde kosten,
gespecificeerd in: a. voorbereidende kosten; b. tarieven, mandagen,
uren e.d.; c. werkzaamheden derden; d. raming beschikbaarheid
geldbehoefte.
– Voortgangsrapportage bij toewijzing
Per kwartaal dient informatie te worden verstrekt, waaruit per
activiteit moet blijken:
a. totaal verwerkt bedrag tot moment van rapportage;
b. het nog beschikbare bedrag;
c. de nog te verwachten uitgaven;
d. percentage gereed;
e. de eventueel te verwachten afwijkingen;
f. de gerealiseerde activiteiten en de geprogrammeerde activiteiten
in tijd gezien.
– Beëindiging van een project
Indien bij de beëindiging van een project een eindrapport wordt
opgesteld, dient een exemplaar van dat eindrapport aan het bestuur
van de stichting te worden verstrekt. Eveneens dient een
definitieve afrekening aan het bestuur van de stichting te worden
verstrekt, vergezeld van een goedkeurende verklaring van een
externe accountant.
2. Ten behoeve van doorlopende bijdragen aan subsidiegenietende instellingen:
– Tijdstip van indiening begroting
De desbetreffende instelling dient per kalenderjaar een begroting
over haar activiteiten op te stellen. Deze jaarbegroting dient voor
1 november voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, te zijn ingediend.
– Samenstelling begroting
De begroting dient te zijn samengesteld uit zogenaamde kostensoorten
met zo nodig een specificatie per deelpost op de begroting
en een toelichting.
– Kwartaalverantwoording
De subsidiegenietende instelling dient ieder kwartaal een overzicht
te verstrekken, waarin naast de begrote cijfers opgenomen
zijn (cumulatief) de uitgaven c.q. verwerkte bedragen tot en met
dat kwartaal.
– Verklaring registeraccountant
De subsidiegenietende instelling dient elk jaar een verklaring van
een externe registeraccountant aan het bestuur van de stichting te
verstrekken met betrekking tot de besteding van de subsidie aan
de activiteiten ten behoeve waarvan zij is toegekend.
3. Overschrijdingen op activiteiten en begrotingen:
a. Alle relevante overschrijdingen op toegewezen bedragen inzake
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
activiteiten en begrotingen dienen in een zo vroeg mogelijke fase
aan het bestuur van de stichting kenbaar te worden gemaakt met
opgave van redenen.
b. Relevante overschrijdingen binnen een begroting van de deelposten
dienen eveneens – zo nodig mondeling – aan het bestuur
van de stichting te worden gemeld.
c. Voor overboekingen van bedragen binnen een begroting van de
ene deelpost naar de andere deelpost, dient vooraf toestemming
te worden gevraagd aan het bestuur van de stichting.
4. Het bestuur is gemachtigd in geval van co-financiering goedkeuring
te verlenen aan een afwijkende, gelijkwaardige rapportagesystematiek.
Artikel 5
Betalingen aan subsidiënten
Om te voorkomen dat er bij de subsidiegenietende instellingen overtollige
liquide middelen aanwezig zijn, zullen betalingen aan deze instellingen
uitsluitend plaatsvinden op grond van de werkelijk door hen te
verrichten uitgaven. Hiertoe zal de wijze van betaling, alsmede het
betalingsschema, in overleg worden vastgesteld door het bestuur van de
stichting en de desbetreffende instelling.
Artikel 6
Toets doelmatigheid
Het bestuur van de stichting heeft tot taak de doelmatigheid van de uitgaven
van de subsidiegenietende instellingen te bezien en te toetsen of
die uitgaven rechtmatig zijn ontleend aan de begrotingen.
Artikel 7
Controle
Het bestuur van de stichting is bevoegd te allen tijde de besteding van
de ter beschikking gestelde gelden te doen controleren door een door het
bestuur aan te wijzen externe accountant.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Reglement Arbeidsomstandigheden ingevolge artikel 3, eerste lid,
van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepaling
In dit reglement wordt verstaan onder subsidie: de geldelijke vergoeding
die door de stichting wordt verstrekt aan natuurlijke of rechtspersonen
die door het bestuur goedgekeurde activiteiten als bedoeld in artikel 3
van de statuten en nader uitgewerkt in artikel 2 van dit reglement verrichten.
Artikel 2
Te financieren en subsidiëren activiteiten
De middelen vanuit het Fonds Arbeidsomstandigheden worden aangewend
voor de financiering dan wel subsidiëring van activiteiten in het
kader van voorlichting, advisering en evaluatie die leiden tot:
– een grotere bewustwording en naleving van veiligheids-en
gezondheidsbevorderende regels;
– verbetering van de arbeidsomstandigheden;
– afname van het ziekteverzuim en het arbeidsongeschiktheidsrisico;
– een kleiner aantal ongevallen.
Artikel 3
Aanspraken subsidiegerechtigde
De subsidiegerechtigde heeft ten opzichte van de stichting de aanspraken
die hij aan de statuten en dit reglement kan ontlenen.
Artikel 4
Voorwaarden rond subsidieaanvragen
1. Ten behoeve van projecten:
– Tijdstip van indiening
Een aanvraag ten behoeve van subsidiëring van projecten dient
voor 30 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor
subsidiëring gevraagd wordt te zijn ingediend.
– Vermelding van gegevens in de subsidieaanvraag
De ingediende verzoeken om subsidie dienen de volgende gegevens
te bevatten: omschrijving doelstelling van de activiteiten,
alsmede de te volgen werkwijze; aanvangsdatum en geschatte
tijdsduur; uitvoerende personen c.q. instelling; geraamde kosten,
gespecificeerd in: a. voorbereidende kosten; b. tarieven, mandagen,
uren e.d.; c. werkzaamheden derden; d. raming beschikbaarheid
geldbehoefte.
– Voortgangsrapportage bij toewijzing
Per kwartaal dient informatie te worden verstrekt, waaruit per
activiteit moet blijken:
a. totaal verwerkt bedrag tot moment van rapportage;
b. het nog beschikbare bedrag;
c. de nog te verwachten uitgaven;
d. percentage gereed;
e. de eventueel te verwachten afwijkingen;
f. de gerealiseerde activiteiten en de geprogrammeerde activiteiten
in tijd gezien.
– Beëindiging van een project
Indien bij de beëindiging van een project een eindrapport wordt
opgesteld, dient een exemplaar van dat eindrapport aan het bestuur
van de stichting te worden verstrekt. Eveneens dient een
definitieve afrekening aan het bestuur van de stichting te worden
verstrekt, vergezeld van een goedkeurende verklaring van een
externe accountant.
2. Ten behoeve van doorlopende bijdragen aan subsidiegenietende instellingen:
– Tijdstip van indiening begroting
De desbetreffende instelling dient per kalenderjaar een begroting
over haar activiteiten op te stellen. Deze jaarbegroting dient voor
30 november voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, te zijn ingediend.
– Samenstelling begroting
De begroting dient te zijn samengesteld uit zogenaamde kostensoorten
met zo nodig een specificatie per deelpost op de begroting
en een toelichting.
– Kwartaalverantwoording
De subsidiegenietende instelling dient ieder kwartaal een overzicht
te verstrekken, waarin naast de begrote cijfers opgenomen
zijn (cumulatief) de uitgaven c.q. verwerkte bedragen tot en met
dat kwartaal.
– Verklaring registeraccountant
De subsidiegenietende instelling dient elk jaar een verklaring van
een externe registeraccountant aan het bestuur van de stichting te
verstrekken met betrekking tot de besteding van de subsidie aan
de activiteiten ten behoeve waarvan zij is toegekend.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
3. Overschrijdingen op activiteiten en begrotingen:
a. Alle relevante overschrijdingen op toegewezen bedragen inzake
activiteiten en begrotingen dienen in een zo vroeg mogelijke fase
aan het bestuur van de stichting kenbaar te worden gemaakt met
opgave van redenen.
b. Relevante overschrijdingen binnen een begroting van de deelposten
dienen eveneens – zo nodig mondeling – aan het bestuur
van de stichting te worden gemeld.
c. Voor overboekingen van bedragen binnen een begroting van de
ene deelpost naar de andere deelpost, dient vooraf toestemming
te worden gevraagd aan het bestuur van de stichting.
4. Het bestuur is gemachtigd in geval van co-financiering goedkeuring
te verlenen aan een afwijkende, gelijkwaardige rapportagesystematiek.
Artikel 5
Betalingen aan subsidiënten
Om te voorkomen dat er bij de subsidiegenietende instellingen overtollige
liquide middelen aanwezig zijn, zullen betalingen aan deze instellingen
uitsluitend plaatsvinden op grond van de werkelijk door hen te
verrichten uitgaven. Hiertoe zal de wijze van betaling, alsmede het
betalingsschema, in overleg worden vastgesteld door het bestuur van de
stichting en de desbetreffende instelling.
Artikel 6
Toets doelmatigheid
Het bestuur van de stichting heeft tot taak de doelmatigheid van de uitgaven
van de subsidiegenietende instellingen te bezien en te toetsen of
die uitgaven rechtmatig zijn ontleend aan de begrotingen.
Artikel 7
Controle
Het bestuur van de stichting is bevoegd te allen tijde de besteding van
de ter beschikking gestelde gelden te doen controleren door een door het
bestuur aan te wijzen externe accountant.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Aanvullingsreglement verstrekking WW-aanvullingen ingevolge artikel
3, eerste lid, van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het premieloon: het loonbedrag per werknemer per kalenderjaar
waarover krachtens de WW premie wordt geheven, alsmede het
bedrag dat op grond van artikel 9, lid 4 CSV buiten aanmerking
wordt gelaten bij de berekening van het loon waarnaar de premie op
grond van de WW wordt geheven.
2. de werknemer: de werknemer in de zin van deze CAO en degene die
laatstelijk voordat er krachtens artikel 17, 18 of 52b WW voor hem
een recht op uitkering ontstond, werknemer was in de zin van deze
CAO;
3. loongerelateerde uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIa van
de WW;
4. kortdurende uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIb van de
WW;
5. vakantietoeslag: de vakantiebijslag als bedoeld in artikel 33 van de
WW en de vakantie-uitkering als bedoeld in artikel 10 van de TW;
6. pensioenpremie: de betaling voor de voortzetting van de pensioenopbouw
conform het daarover bepaalde bij of krachtens de CAO
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven;
7. de WW: de Werkloosheidswet;
8. het U.R.: het Uitkeringsreglement WW 2002;
9. REA: de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten;
10. de TW: de Toeslagenwet;
Artikel 2
Aanvulling op het aan een werknemer te betalen deel van de
loongerelateerde WW-uitkering
1. Een werknemer die over een dag in de eerste 13 weken van de
periode als bedoeld in artikel 42 van de WW op grond van de verplichte
verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een
uitkering, heeft over die dag jegens de stichting recht op betaling van
een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens de WW aan
hem te betalen bedrag.
2. Als voor het verstrijken van de termijn van 13 weken als bedoeld in
het eerste lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt
beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW, wordt die termijn van 13
weken verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de
herleving van het recht op uitkering WW. Als een uitkering als
bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald
wegens een omstandigheid als genoemd in artikel 19, tweede
lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor de vaststelling van de
aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de werknemer
die op het moment van intreden van zijn arbeidsurenverlies, als
bedoeld in artikel 16 WW, 55 jaar of ouder is én die een dienstverband
heeft van 10 jaar of langer het volgende. Indien het arbeidsurenverlies
is ingetreden in de periode van 15 november van enig
jaar tot en met 14 maart van het daaropvolgende jaar, bestaat recht
op aanvulling over deze periode. Bij de vaststelling van de termijn
van 10 jaar worden perioden van werkloosheid gedurende de periode
van 15 november tot en met 14 maart gelijkgesteld met perioden van
werken. Ook werkzaamheden voor een andere werkgever in de
genoemde periode (,,opvularbeid’’) worden gelijkgesteld met perioden
van werken bij de ,,oude’’ werkgever. Indien voor de betreffende
werknemer het moment van intreden van het arbeidsurenverlies niet
is gelegen in de hiervoor vermelde periode of tussen het moment van
intreden arbeidsurenverlies en 14 maart een periode is gelegen die
minder bedraagt dan 13 weken, bestaat recht op aanvulling conform
de bepalingen in het eerste en tweede lid.
4. De hoogte van de aanvullende betaling is gelijk aan 10/70ste deel
van het aan werknemer over de desbetreffende dag krachtens de WW
uit te betalen bedrag.
5. Onder ,,het krachtens de WW aan werknemer uit te betalen bedrag’’
wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: Het krachtens artikel
33, eerste lid en de artikelen 34 tot en met 41 van de WW te
betalen bedrag verminderd met:
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
a. Een krachtens artikel 33, derde en vierde lid als vakantietoeslag
te reserveren en uit te betalen bedrag;
b. Een krachtens artikel 12 van het U.R. niet aan werknemer maar
aan een Pensioenfonds, dan wel pensioenverzekeraar uit te betalen
deel van de uitkering krachtens de WW.
Artikel 3
Aanvulling op het bij werkloosheid ten gevolge van buitengewone
natuurlijke omstandigheden aan werknemer te betalen deel van de
WW-uitkering
1. Een werknemer die over een dag of een deel van die dag in de eerste
13 weken van de periode als bedoeld in artikel 18, eerste lid van
de WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW
recht heeft op betaling van een uitkering, heeft over die dag jegens
de stichting recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van het
over die dag krachtens de WW aan hem te betalen bedrag.
2. Op het in het eerste lid bepaalde is artikel 7, vierde en vijfde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
Aanvulling op het als vakantietoeslag te betalen deel van de
WW-uitkering
1. Een werknemer die over een dag gelegen in de eerste 6 maanden van
de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW op grond van de verplichte
verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een
vakantietoeslag, heeft over die dag jegens de stichting recht op beta-
ling van een bedrag ter aanvulling van de hem te betalen vakantietoeslag.
2. De hoogte van de aanvullende vakantietoeslag is gelijk aan 30/70ste
deel van de hem over de desbetreffende dag krachtens de WW uit te
betalen vakantietoeslag, verminderd met de hem eventueel over die
dag krachtens de TW uit te betalen vakantietoeslag.
3. Als voor het verstrijken van een termijn als bedoeld in het eerste lid
van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt beëindigd
wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in artikel 19,
eerste lid, onderdeel a WW, wordt die termijn verlengd met de
periode gelegen tussen de eindiging en de herleving van het recht op
uitkering WW. Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid
als genoemd in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen
daarvan voor de vaststelling van de aanvullingstermijn gelijkgesteld
met het ontvangen van die uitkering.
4. De aanvullende vakantietoeslag wordt gelijktijdig met de te betalen
vakantietoeslag uitbetaald aan de persoon waaraan de krachtens de
WW te betalen vakantietoeslag wordt uitbetaald.
5. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening
van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toe-
slag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.
Artikel 5
Aanvulling op het als pensioenpremie te betalen deel van de
loongerelateerde WW-uitkering
1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel
18, eerste lid dan wel over een dag gelegen in de eerste 6 maanden
van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW, op grond van
de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op uitkering,
heeft over die dag jegens de stichting recht op betaling van een
bedrag aan een pensioenverzekeraar, eventueel ter aanvulling van het
krachtens de WW aan een pensioenverzekeraar te betalen bedrag.
2. De hoogte van deze aanvullende betaling is gelijk aan de som van:
a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW
ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen
bedrag
en
b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de
pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan
van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend,
als dit werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zou
zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel 9, eerste
lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
niet zouden zijn toegepast. De teller van de breuk wordt
gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite
aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de
breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van
het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als
dagloon zou zijn berekend, indien artikel 9, eerste lid en artikel
9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet
zouden zijn toegepast.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
3. Als het dagloon waarnaar de uitkering krachtens de WW waarbij de
aanvulling wordt verstrekt is vastgesteld met toepassing van artikel
11, derde, vierde of vijfde lid van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS
Bouwnijverheid, is de hoogte van deze aanvullende betaling voor
zover nodig in afwijking van het vermelde in het tweede lid gelijk
aan de som van:
a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW
ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen
bedrag en
b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de
pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan
van het recht op WW-uitkering als secundair dagloon zou
zijn berekend, als dit werkgeversdeel van de pensioenpremie
loon zou zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel
9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast. De teller van de
breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die
dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering.
De noemer van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter
grootte van 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het primaire
recht op WW-uitkering als primair dagloon zou zijn berekend,
als artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.
4. Als het dagloon, waarnaar een werkloosheidsuitkering is berekend
krachtens het bepaalde in artikel 14, eerste en tweede lid van de
Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid is
afgeleid van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
bedraagt deze aanvullende betaling in afwijking van het
vermelde in het tweede lid en derde lid, het bedrag aan pensioenpremie
welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht
op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend als het werknemersen
het werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zouden zijn voor
de berekening van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast,
vermenigvuldigd met een breuk. De teller van de breuk wordt gevormd
door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan
werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de breuk
wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag
dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou
zijn berekend, als artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.
5. Een werknemer heeft geen recht op de in het eerste lid van dit artikel
bedoelde betaling vanuit de stichting, als tijdens werkloosheid
sprake is van een recht op pensioenopbouw via het Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering.
6. De aanvullende pensioenpremiebetaling wordt gelijktijdig met het
krachtens de WW te betalen bedrag uitbetaald aan de pensioenverzekeraar
waaraan dat bedrag wordt uitbetaald.
Artikel 6
Aanvulling op reïntegratie-uitkeringen op grond van de Wet REA
De artikelen 8, 9, 12 en 13 zijn van overeenkomstige toepassing voor
een werknemer die op grond van de Wet REA recht heeft op een
reïntegratie-uitkering.
Artikel 7
Betaling van de uitkering via de werkgever
1. Het bestuur kan toestaan dat de betaling van de aanvulling als
bedoeld in artikel 3 van dit reglement door tussenkomst van de werkgever
plaatsvindt.
2. De werkgever aan wie het bestuur heeft toegestaan dat de betaling
van de uitkering door zijn tussenkomst geschiedt, is verplicht, ten
genoegen van het bestuur, een overeenkomstig de daaraan door het
bestuur gestelde eisen ingerichte administratie aan te houden van de
perioden gedurende welke de werknemer op grond van de omstandigheden
als bedoeld in artikel 18 WW niet heeft gewerkt.
3. Als de werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming
is verleend, de in het tweede lid omschreven verplichtingen niet of
niet volledig nakomt, kan het bestuur besluiten om de betalingen die
de werkgever als voorschot op de aanvulling aan de werknemer of
werknemers heeft gedaan, geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.
4. Als en voor zover zodanige betalingen naar het oordeel van het
bestuur ten onrechte zijn vergoed omdat de werkgever niet of niet
volledig heeft voldaan aan de in het tweede lid van dit artikel
bedoelde verplichtingen, kan het bestuur besluiten om deze vergoeding
geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. De werkgever is dan
verplicht binnen een door het bestuur vast te stellen termijn aan deze
vordering te voldoen.
5. Het bestuur kan naast en boven het in het derde en vierde lid
bepaalde beslissen dat, ingeval de werkgever de juistheid van de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
ingediende declaratiestaat niet aantoont, deze een boete aan de stichting
verschuldigd is. De boeten die door het bestuur kunnen worden
opgelegd, zijn: bij opzet en grove schuld van de werkgever geldt bij
een eerste verzuim een boete van 25% van het betrokken bedrag; bij
een tweede verzuim 50% van het betrokken bedrag en bij een derde
en volgende verzuim 100% van het betrokken bedrag, en bij ernstige
en omvangrijke fraude van de werkgever geldt bij een eerste verzuim
en bij volgende verzuimen een boete van 100% van het betrokken
bedrag.
Artikel 8
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de
uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting en in dit
reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de
stichting of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan
hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover
derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 9
Voorschriften
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming
zijn met de bepalingen in de statuten van de stichting en in dit
reglement.
Artikel 10
Analoge toepassing van WW-bepalingen
1. Het bepaalde in de artikelen 30, 32, 33, 38, 39, en 40 van de WW is
van overeenkomstige toepassing op de bepalingen van dit reglement.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voor zover in dit reglement
uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 11
Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 12
Bijzondere gevallen
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Artikel 13
Intern beroep
1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een
beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met
het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis
gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit
reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en
vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Artikel 14
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement verstrekking
WW-aanvullingen van de Stichting Sociaal Fonds voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven (AR-WW BIKUDAK).
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 15
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Aanvullingsreglement verstrekkingen aan zieke werklozen ingevolge
artikel 3, eerste lid, van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het premieloon: het loonbedrag per werknemer waarover op grond
van de WW premie wordt geheven, alsmede het bedrag dat op grond
van artikel 9, lid 4 CSV buiten aanmerking wordt gelaten bij de berekening
van het loon waarnaar de premie op grond van de WW wordt
geheven;
2. de werknemer: de werknemer in de zin van de CAO en degene die
op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in de zin van de
Ziektewet of laatstelijk voordat er krachtens artikel 17, 18 WW voor
hem een recht op uitkering ontstond, werknemer was in de zin van
de CAO;
3. zieke werkloze: de werknemer die een uitkering krachtens de Ziektewet
ontvangt of uitsluitend op grond van het bepaalde in artikel 29,
tweede lid, onderdeel b of c, ZW over de eerste twee dagen van
ongeschiktheid tot werken geen uitkering ontvangt, en
a. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken
als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in
artikel 7 ZW en wiens ongeschiktheid tot werken is ingetreden
tijdens de periode, bedoeld in artikel 18, eerste lid, dan wel in de
eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42
WW;
b. gedurende een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ZW
wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn
arbeid en wiens dienstbetrekking is geëindigd binnen het loondoorbetalingstijdvak
van 52 weken, bedoeld in artikel 7:629, eerste
lid, Burgerlijk Wetboek.
c. wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn
arbeid op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking is
geëindigd, op grond van het bepaalde in artikel 46 ZW aanspraak
op ziekengeld heeft en op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking
is geëindigd, recht zou hebben gehad op een uitkering
krachtens de WW als hij niet arbeidsongeschikt was geworden.
Onder zieke werkloze wordt niet verstaan de werknemer die recht
heeft op ziekengeld in verband met orgaandonatie, zwangerschap of
bevalling;
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
4. vakantietoeslag: de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 11 AD-ZW en
de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 10 TW;
5. pensioenpremie: de betaling ter voortzetting van de pensioenopbouw
bij het pensioenfonds waarbij de werknemer was aangesloten, conform
het daarover bepaalde bij of krachtens de CAO voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
6. de WW: de Werkloosheidswet;
7. de ZW: de Ziektewet;
8. de TW: de Toeslagenwet;
9. de CSV: de Coördinatiewet Sociale Verzekering;
10. de IWS: de Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid;
11. de AD-ZW: de Algemene Dagloonregelen Ziektewet.
Artikel 2
Aanvulling op ZW-uitkering
1. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, derde lid, sub a, heeft
vanaf de 16e dag na aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten
van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend
– jegens de stichting recht op betaling van een aanvulling van
30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op
dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.
2. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, derde lid, sub b, heeft
vanaf de dag met ingang waarvan de dienstbetrekking is geëindigd
jegens de stichting recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste
van het bedrag dat als ziekengeld wordt of zou worden uitbetaald,
nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is
gebracht.
3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, derde lid, sub c, heeft
vanaf de 16e dag na aanvang van de arbeidsongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet
meegerekend – jegens de stichting recht op betaling van een aanvulling
van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald,
nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is
gebracht.
4. Als een zieke werkloze op grond van artikel 38 of 39 van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering recht heeft op herziening van
zijn uitkering op grond van die wet, wordt het bedrag van de aanvulling
bepaald op 100/70ste van het bedrag dat voor herziening als
ziekengeld werd uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent
in mindering is gebracht, minus het bedrag waarmee de
WAO-uitkering is verhoogd en minus het resterende ziekengeld.
5. Indien een zieke werkloze inkomsten uit arbeid ontvangt, wordt de
aanvulling slechts verstrekt tot een bedrag waardoor het totaalbedrag
aan uitkering, inkomen en aanvulling niet meer bedraagt dan het
dagloon.
6. De in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel bedoelde
aanvulling wordt gelijktijdig met het te betalen ziekengeld betaalbaar
gesteld aan degene aan wie het ziekengeld betaalbaar wordt of zou
worden gesteld.
Artikel 3
Aanvulling op het als vakantietoeslag te betalen deel van de
ZW-uitkering
1. Een zieke werkloze die, als hij niet werkloos zou zijn, jegens zijn
werkgever recht zou hebben gehad op betaling van vakantietoeslag,
heeft over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt jegens de stichting
recht op een betaling van een bedrag van 8% van de aanvulling die
op grond van artikel 8 wordt betaald.
2. Een zieke werkloze die op grond van het bepaalde in artikel 29,
tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op
ziekengeld, heeft jegens de stichting over die dag recht op betaling
van een bedrag van 100/70 van de vakantietoeslag die hij krachtens
de ZW zou hebben ontvangen, als hij recht op uitkering zou hebben
gehad.
Artikel 4
De pensioenpremie
1. De zieke werkloze heeft jegens de stichting recht op betaling van
pensioenpremie over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt.
2. De hoogte van deze betaling is gelijk aan de pensioenpremie die
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
voor de zieke werkloze bij werken verschuldigd zou zijn geweest aan
het pensioenfonds.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze
voor wie bij de berekening van zijn dagloon krachtens de ZW
het werknemersaandeel in de pensioenpremie in aanmerking is of
zou zijn genomen, slechts jegens de stichting recht op betaling van
een bedrag aan het pensioenfonds als hij een machtiging verstrekt
om van zijn uitkering krachtens de ZW aan het pensioenfonds per
dag te voldoen zijn uitkering over de desbetreffende dag, vermenigvuldigd
met een breuk. De teller van die breuk is gelijk aan het
werknemersaandeel in de pensioenpremie die begrepen is in het
bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel
9, eerste lid en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast.
De noemer van de breuk is gelijk aan het bedrag dat als dag-
loon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en
artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast. Deze betaling
wordt in mindering gebracht op de betaling door de stichting.
4. De zieke werkloze die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel
b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens
de stichting over die dag recht op betaling van een bedrag aan het
pensioenfonds dat gelijk is aan het bedrag dat op grond van het
tweede lid aan het pensioenfonds zou worden voldaan, als betrokkene
over die dag ziekengeld zou ontvangen.
5. De pensioenpremiebetaling wordt gedaan aan het pensioenfonds
waaraan de pensioenpremie bij werken zou zijn afgedragen.
Artikel 5
Uitkering over wachtdagen
Een zieke werkloze die op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede
lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld,
heeft jegens de stichting over die dag recht op betaling van 70% van het
bedrag waarop het dagloon krachtens de ZW is of zou zijn vastgesteld.
Artikel 6
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de
uitvoering van het bepaalde in de statuten van de stichting en in dit
reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van de
stichting of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan
hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover
derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 7
Voorschriften
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming
zijn met de bepalingen in de statuten van de stichting en in dit
reglement.
Artikel 8
Analoge toepassing van ZW-artikelen
1. Het bepaalde in de artikelen 47, 48, 50 en 85 ZW is op het in dit
reglement bepaalde van overeenkomstige toepassing.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voor zover in dit reglement
uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 9
Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 10
Bijzondere gevallen
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen, kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 11
Intern beroep
1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een
beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met
het verzoek een nieuwe beslissing te nemen in de plaats van een
beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis
gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit
reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en
vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Artikel 12
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement Verstrekkingen
aan zieke werklozen Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven (AR-ZW BIKUDAK).
Artikel 13
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Aanvullingsreglement verstrekking eindejaarsuitkering WAO ingevolge
artikel 3, eerste lid, van de statuten van de Stichting Sociaal
Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het premieloon: het loonbedrag per werknemer waarover op grond
van de WW premie wordt geheven, alsmede het bedrag dat op grond
van artikel 9, lid 4 CSV buiten aanmerking wordt gelaten bij de berekening
van het loon waarnaar de premie op grond van de WW wordt
geheven;
2. eindejaarsuitkering: jaarlijkse betaling van een bedrag aan WAOuitkeringsgerechtigden
op wie bij werken de CAO in de zin van dit
reglement van toepassing zou zijn geweest;
3. de werknemer:
– degene die werknemer is in de zin van de CAO, dan wel
– degene die direct voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid
werknemer was in de zin van de CAO, dan wel
– degene wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden in de eerste
zes maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW,
dan wel in de periode als bedoeld in artikel 52g WW en die direct
voorafgaand aan zijn werkloosheid werknemer was in de zin van
de CAO;
4. de WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Artikel 2
De eindejaarsuitkering
1. Een werknemer die op 1 december van het kalenderjaar waarin de
eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld, een WAO-uitkering ontvangt,
heeft recht op een eindejaarsuitkering, tenzij artikel 22 WAO
van toepassing is.
2. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt bepaald door de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld op
1 december van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar
wordt gesteld. De bedragen per arbeidsongeschiktheidsklasse
zijn voor 2004 als volgt vastgesteld:
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Arbeidsongeschiktheidspercentage Bedrag
80–100% € 600,–
65–80% € 480,–
55–65% € 390,–
45–55% € 330,–
35–45% € 270,–
25–35% € 210,–
15–25% € 150,–
Indien de WAO-uitkering slechts een gedeelte van het desbetreffende
kalenderjaar is ontvangen, heeft de werknemer recht op een evenredig
deel van de eindejaarsuitkering. Indien verschillende
arbeidsongeschiktheidsklassen voor werknemer golden in dat kalenderjaar,
heeft hij recht op een evenredig deel van de eindejaarsuitkering.
3. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld.
4. Een werknemer die zijn WAO-uitkering ontvangt van een ander
UWV-bedrijfsonderdeel dan UWV Bouwnijverheid en nog niet eerder
een eindejaarsuitkering heeft ontvangen, kan alleen in aanmerking
komen voor de uitkering indien hij zich voor 1 december van
het desbetreffende kalenderjaar meldt bij UWV Bouwnijverheid. De
werknemer dient alle relevante uitkeringsgegevens aan UWV Bouwnijverheid
te verstrekken.
Artikel 3
Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts
alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd ten
behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds en in dit reglement.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan
hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover
derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 4
Voorschriften
Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming
zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit
reglement.
Artikel 5
Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen
1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd.
2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 6
Bijzondere gevallen
Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.
Artikel 7
Intern beroep
1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een
beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met
het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.
2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis
gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit
reglement die hem betreft.
3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en
vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 8
Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement verstrekking
eindejaarsuitkering WAO van de Stichting Sociaal Fonds voor
de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven (AR-WAO BIKUDAK).
Artikel 9
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Reglement kinderopvang ingevolge artikel 3, eerste lid, van de statuten
van de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven
Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
SFBIKUDAK: de stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
CAO-partijen: partijen bij de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven
Inleiding
CAO-partijen zijn een collectieve kinderopvangregeling overeengekomen
welke per 1 juli 2001 van kracht is geworden. Ten behoeve van de
kinderopvangregeling is een fonds in het leven geroepen waaruit de kinderopvang
wordt gefinancierd. CAO-partijen hebben vanaf 1 maart 2001
voor de looptijd van de vorige en de huidige CAO een bedrag van
90.756 Euro bestemd vanuit SFBIKUDAK.
Teneinde voor de uitvoering van de kinderopvangregeling nadere regels
te stellen is het volgende reglement opgesteld.
Artikel 1
Uitvoering
CAO-partijen delegeren de uitvoering van de regeling aan Kintent, Post-
bus 8545, 3503 RM, Utrecht. Telefoon: 030–232 31 00. Kintent voert op
eigen naam de administratie en bemiddeling van de feitelijke kinderopvang.
Zij sluit daartoe overeenkomsten met onder andere kindercentra en
werknemers. Kintent is bevoegd rechtsmaatregelen te nemen wanneer
overeenkomsten niet worden nagekomen. Kintent is over al haar activiteiten
in het kader van de uitvoering van de regeling kinderopvang verantwoording
verschuldigd aan CAO-partijen.
Artikel 2
Aanvraagprocedure
De werknemer kan rechtstreeks bij Kintent informatie inwinnen over de
Regeling Kinderopvang. Indien de werknemer in aanmerking wenst te
komen voor een bijdrage voor het huren van een kindplaats, stuurt Kin-
tent hiertoe een aanvraagformulier voor kinderopvang, twee werkgeversverklaringen
(voor werknemer en partner), alsmede informatie over de
hoogte van de eigen bijdrage en de te volgen procedure.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 3
Werkgeversbijdrage
De financiële bijdrage van de werkgever aan Kintent bedraagt maximaal
2.042 Euro per kind per jaar. Zodra het in de inleiding genoemde bedrag
volledig is verbruikt ontstaat voor de werkgever de verplichting ter
financiering van de in de inleiding van dit reglement bedoelde verplichting
0,09 procent van de loonsom af te dragen aan SFBIKUDAK.
Artikel 4
Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor het huren van een kindplaats dient de
werknemer aan de volgende voorwaarden te voldoen:
1. De werknemer dient per kind een aanvraag in bij Kintent door mid-
del van het aanvraagformulier voor kinderopvang en twee werkgeversverklaringen
(werknemer en partner).
2. De werknemer draagt bij in de kosten conform de door het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehanteerde tabellen.
Artikel 5
Slotbepaling
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Reglement verlof bij stervensbegeleiding en rouw ingevolge artikel
3, eerste lid, van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Betaald verlof
1. Iedere werknemer heeft met inachtneming van de in artikel 2 genoemde
voorwaarden gedurende 10 dagen recht op betaald verlof ten
behoeve van de stervensbegeleiding van een persoon in de terminale
fase als hieronder bedoeld:
a. de echtgeno(o)t(e) of de persoon waarmee een werknemer een
gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel
vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie
en/of door middel van een beschikking van de
belastingsinspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt.
b. Een bloed-of aanverwant in de eerste of tweede graad ( in de zin
van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) of een kind dan wel de
ouders van de persoon waarmee een werknemer een gezamenlijke
huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgelegde
samenlevingsovereenkomst en/of door middel van een
beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend
heeft gemaakt.
c. Een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de weknemer en
door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed
op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de
Wet op de jeugdhulpverlening.
2. Geen recht op betaald verlof als genoemd in lid 1 bestaat indien de
onder a, b, of c bedoelde persoon binnen twaalf maanden vanaf de
eerste dag van stervensbegeleiding opnieuw begeleiding bij sterven
behoeft.
3. Iedere werknemer heeft met inachtneming van hetgeen is bepaald in
artikel 3 gedurende 10 dagen recht op betaald rouwverlof in verband
met de verwerking van een persoon als bedoeld in lid 1 a t/m c.
4. Indien sprake is van deeltijdarbeid bestaat naar rato van de arbeidsduur
richt op verlof voor stervensbegeleiding en op rouwverlof.
Artikel 2
Algemene Voorwaarden
1. Het voor declaratie in aanmerking komende verlof ten behoeve van
stervensbegeleiding dient te zijn opgenomen gedurende een aaneen
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
gesloten periode van maximaal 10 dagen, gelegen voor de datum van
overlijden.
2. Het voor declaratie in aanmerking komende rouwverlof dient te zijn
opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 10
dagen gelegen direct na het overlijden.
3. De werkgever kan de verletkosten over de dagen dat de werknemer
niet heeft gewerkt in verband met de stervensbegeleiding en/of het
rouwverlof achteraf declareren bij het de Stichting Sociaal Fonds
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
4. De werknemer is verplicht medewerking te verlenen aan de
declaratieprocedure van de verletkosten door de werkgever.
5. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan de Stichting
Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
desgevraagd inzicht te verlenen in gegevens die direct of
indirect betrekking hebben op de door genoemde stichting te verstrekken
vergoeding.
6. Als de medewerker ziek wordt tijdens het verlof, loopt het verlof
gewoon door. De verlofdagen schuiven dus niet op. Ziekte kan betekenen
dat het verlof beëindigd wordt.
Artikel 3
Procedure
1. Na aanvang van het verlof ten behoeve van stervensbegeleiding c.q.
rouw vraagt de werkgever aan de Stichting Sociaal Fonds voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven om toezending
van een declaratieformulier voor verlof bij stervensbegeleiding en
rouw.
2. Binnen drie maanden na het verstrijken van de periode van rouw
zendt de werkgever aan genoemde stichting toe het volledig ingevulde
en door zowel de werkgever als de werknemer ondertekende
declaratieformulier, inclusief de in lid 3 van dit artikel genoemde bijlagen.
3. Het declaratieformulier dient vergezeld te gaan van een kopie van de
overlijdensakte van de betreffende persoon en een originele rouwkaart.
4. De kosten van de in het derde lid van dit artikel genoemde bijlagen
komen voor rekening van de werknemer.
5. Door ondertekening van het formulier geeft de werknemer de Stichting
Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven een machtiging af om vermelde gegevens
te controleren bij de gemeentelijke basisadministratie.
6. De Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingbedrijven neemt aanvragen slechts in behandeling als
is voldaan aan hetgeen is gesteld in het derde lid van dit artikel.
Artikel 4
Hoogte van de vergoeding
De vergoeding is gelijk aan het loon, alsmede de over dat loon op grond
van de bepalingen in de cao door de werkgever verschuldigde premies
en bijdragen.
Artikel 5
Samenloop
1. Per gebeurtenis waarbij meerdere personen als bedoeld in artikel 1,
lid 1 van dit reglement vrijwel gelijktijdig komen te overlijden, worden
door de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven aan de werkgever de verletkosten vergoed
van niet meer dan 10 dagen verlof ten behoeve van
stervensbegeleiding alsmede 10 dagen rouwverlof.
2. Indien gebruik wordt gemaakt van een aaneengesloten periode van
verlof ten behoeve van stervensbegeleiding en rouw van maximaal
20 dagen, dan komen de uit artikel 24, lid 1 sub e.f.g. voortvloeiende
verlofaanspraken, genoemd in de Arbeidsvoorwaarden CAO voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven te vervallen.
Artikel 6
Slotbepaling
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Declaratieformulier voor stervensbegeleiding en rouwverlof
Gegevens bedrijf:
Naam bedrijf:
Naam contactpersoon:
Adres:
Postcode en woonplaats:
Telefoon:
Email:
Bank/gironummer:
Ten name van:
Aansluitnummer O&O fonds:
Vragen
Voor welke werknemer vraagt u subsidie aan:
Bijvoegen: kopie verlofregeling bedrijf en werknemer
Aanvang verlof voor stervensbegeleiding:
Einde verlof voor stervensbegeleiding:
Bijvoegen: verklaring behandeld geneesheer
Aanvang rouwverlof:
Einde rouwverlof:
Bijvoegen: originele rouwkaart en kopie overlijdensakte
Relatie tot de betroffene:
Dagloon bedraagt: €
Aantal dagen:
Totale vergoeding
Bijzonderheden:
Ondergetekende verklaart het declaratieformulier geheel naar waarheid
ingevuld te hebben.
De werknemer verklaart hierbij akkoord te gaan met het controleren van
de vermelde gegevens in de gemeentelijke basisadministratie.
Handtekening Werkgever:
Handtekening Werknemer:
STATUTEN VAN DE STICHTING VRIJWILLIG
VERVROEGDE UITTREDING VOOR HET
DAKBEDEKKINGSBEDRIJF
Artikel 1
Naam en zetel
a. De stichting draagt de naam: «Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding
voor het Dakbedekkingsbedrijf».
Zij wordt bij afkorting ook genaamd: VUDAK.
b. De stichting is gevestigd te Amsterdam.
Artikel 2
Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen wordt verstaan
onder:
Stichting: de in artikel 1 genoemde stichting;
CAO: de Collectieve Arbeidsovereenkomst
Bedrijfstakeigen Regelingen voor de
Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven;
Bestuur: het bestuur van de stichting als bedoeld in
artikel 10;
Organisaties: de organisaties van werkgevers en werknemers,
partij bij de CAO;
Werkgeverslid: het bestuurslid aangewezen door de
Vereniging Dakbedekkingsbranche
Nederland (VEBIDAK) te Nieuwegein of
diens rechtsopvolger, namens de werkgeversorganisatie,
partij bij de CAO;
Werknemerslid: het bestuurslid aangewezen door hetzij
FNV Bouw gevestigd te Woerden, of door
de de Hout-en Bouwbond CNV
gevestigd te Odijk, dan wel door de
rechtsopvolgers namens de werknemersorganisaties,
partij bij de CAO;
Vrijwillig vervroegd het vrijwillig vervroegd beëindigen van
uittreden: een dienstbetrekking in een bedrijf door
een werknemer overeenkomstig het
bepaalde in de CAO voordat hij de leeftijd
van vijfenzestig jaar heeft bereikt;
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Deelnemer: deelnemer aan de regeling is de werknemer
die gebruik maakt van de mogelijkheid
om vrijwillig vervroegd uit het
arbeidsproces te treden overeenkomstig de
desbetreffende bepalingen in de CAO;
De statuten: deze statuten;
Reglementen: de reglementen bedoeld in artikel 18.
Artikel 3
Doel
De stichting heeft ten doel om, op basis en onder de voorwaarden als in
de CAO, Statuten en het Reglement nader is bepaald, uitkering te verstrekken
(ter vervanging van het loon) aan degene die, op de leeftijd
genoemd in het reglement Vervroegde Uittreding als bedoeld in artikel
18 van deze statuten, vrijwillig hun dienstverband in het bitumineuze
dakbedekkingsbedrijf beëindigen.
Artikel 4
Middelen tot bereiking van het doel
De stichting tracht haar doel te bereiken door:
a. het innen en beheren van gelden in overeenstemming met het bepaalde
in de statuten en reglementen;
b. het doen van uitkeringen aan de uitkeringsgerechtigheden overeenkomstig
het gestelde in de statuten en reglementen;
c. andere wettige middelen die tot het doel bevorderlijk kunnen zijn.
Artikel 5
Duur
De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
Artikel 6
Geldmiddelen van de stichting
De geldmiddelen van de stichting zullen worden gevormd door:
a. de door de werkgevers te storten werkgevers-en/of werknemersbijdragen
als bedoeld in de CAO;
b. bijdragen van de overheid, indien en voor zover zij worden verleend;
c. inkomsten uit vermogen van de stichting;
d. alle overige haar toevallende baten en inkomsten.
Artikel 7
Bijdrageplichtigen
Bijdrageplichtigen zijn degenen die krachtens een (algemeen verbindend
verklaarde) bepaling van de CAO of anderszins verplicht zijn tot het
geven van bijdragen aan de stichting.
Artikel 8
Bijdragen en begroting
1. De methode van de berekening van de bijdrage, als bedoeld in artikel
7, alsmede de wijze van incassering daarvan, worden bij reglement,
als bedoeld in artikel 18, vastgesteld.
2. Uiterlijk in de maand december wordt de begroting van inkomsten
en van uitgaven voor het eerstvolgende boekjaar vastgesteld. De
begroting moet zijn ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel
3 genoemde bestedingsdoelen.
3. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van
de organisaties.
4. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar
voor de organisaties.
5. De begroting wordt op aanvraag aan de bij de stichting betrokken
werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan
verbonden kosten.
6. Tot gerechtelijke invordering der bijdragen wordt niet overgegaan
dan krachtens besluit van het bestuur.
Artikel 9
Uitkeringen
De uitkeringen aan de deelnemers geschieden op basis van de voorwaarden
die door partijen in de CAO en de reglementen van de Stichting zijn
vastgesteld.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 10
Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit zes (6) leden.
2. De bestuursleden worden benoemd als volgt:
a. drie (3) leden door de vereniging: Vereniging Dakbedekkingsbranche
Nederland (VEBIDAK), gevestigd te Nieuwegein, of
diens rechtsopvolger, partij bij de CAO;
b. en twee (2) leden door FNV Bouw, gevestigd te Woerden, en één
(1) lid door de Hout-en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk, dan
wel door de rechtsopvolgers namens de werknemersorganisaties,
partij bij de CAO.
3. De benoeming van een bestuurslid geschiedt voor onbepaalde tijd.
4. De organisatie die een bestuurslid benoemde, kan te allen tijde die
benoeming
Intrekken en een ander in zijn plaats tot bestuurslid benoemen.
5. Het bestuurslidmaatschap eindigt:
a. door overlijden;
b. door schriftelijk bedanken;
c. door onder curatelenstelling of faillissement;
d. door vervanging door de organisatie, die het betreffende bestuurslid
benoemde.
6. Indien langdurige afwezigheid van een der bestuursleden kan worden
verwacht, kan de instelling die dat bestuurslid heeft benoemd,
een plaatsvervanger aanwijzen.
Artikel 11
Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, secretaris
1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: één van
werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Om beurten treden de
voorzitters voor de tijd van één jaar op als voorzitter en als tweede
voorzitter. Het bestuur wijst bij de eerste benoeming van de twee
voorzitters aan welke van hen beiden gedurende het eerste boekjaar
als voorzitter en welke als tweede voorzitter zal optreden.
2. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: één van
werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Indien als voorzitter
een werkgeversvoorzitter fungeert, fungeert als secretaris de secretaris
van werknemerszijde en omgekeerd.
Artikel 12
Taak en bevoegdheden van het bestuur
1. Het bestuur heeft de gehele leiding van zaken en is bevoegd tot alle
handelingen, de zaken van de stichting betreffende, voor zover daaromtrent
bij of krachtens statuten en reglement (en) niet anders is
bepaald.
2. Het bestuur is belast met het beheer van de geldmiddelen van de
stichting en met de uitvoering van de statuten en reglement (en).
3. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het
kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen.
4. Het bestuur kan de uitoefening van onderdelen van zijn taak delegeren
aan een dagelijks bestuur, bestaande uit één of twee werkgeversbestuursleden
en een gelijk aantal werknemersbestuursleden.
5. Het bestuur is niet bevoegd om middelen die geacht kunnen worden
te zijn verkregen voor een bepaald doel, dan wel daaraan moeten
worden toegerekend, aan te wenden voor een ander doel.
Indien niet vastgesteld kan worden aan welk doel een bepaald mid-
del moet worden toegerekend, is het bestuur bevoegd om de bestemming
daarvan te bepalen naar evenredigheid van de voor het lopende
boekjaar voorziene uitgaven voor elk doel.
6. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de
voorzitters.
Artikel 13
Beheer
1. De beleggingen van de stichting zullen door het bestuur op zodanige
wijze geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en
interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen.
Daarenboven zal door het bestuur uit vermogenswinsten en/of op
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
brengsten een reserve worden gevormd ter dekking van het overblijvende
risico van vermogensverliezen.
2. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten
kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de
Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
3. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van lasten en baten over dat boekjaar.
4. Het bestuur kan zich ter zake van het beheer laten adviseren.
Artikel 14
Vergaderingen
1. Het bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of tenminste twee
bestuursleden dit nodig oordeelt/oordelen, doch ten minste één keer
per jaar.
2. De convocatie voor vergaderingen van het bestuur geschiedt, behoudens
in spoedeisende gevallen ter beoordeling van de voorzitter,
schriftelijk op een termijn van ten minste veertien dagen.
Artikel 15
Besluitvorming
1. Opdat de stemverhouding tussen de twee in het bestuur vertegenwoordigde
groeperingen zo gelijk mogelijk blijft, kan het bestuur
alleen besluiten nemen in een vergadering waarin van beide groeperingen
ten minste één bestuurslid aanwezig is. Een besluit als bedoeld
in artikel 19 lid 1 kan slechts genomen worden met instemming
van alle bestuursleden.
2. De bestuursleden brengen in beginsel ieder een gelijk aantal stem-
men ter vergadering uit.
3. Wanneer één of meer bestuursleden ter vergadering afwezig is (zijn)
brengt (brengen) het (de) andere bestuurslid (leden), dezelfde groepering
als de afwezige vertegenwoordigend, uit eigen hoofde de stem
(men) van de afwezige(n) mede uit.
4. Voor zover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige
besluiten slechts worden genomen met volstrekte meerderheid der
geldig uitgebrachte stemmen.
Over zaken wordt mondeling, over personen wordt schriftelijk gestemd.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering
opnieuw aan de orde gesteld.
Staken de stemmen wederom, dan wordt het voorstel geacht te zijn
verworpen.
6. Indien een bestuurslid niet ter vergadering aanwezig kan zijn, kan hij
eenmedebestuurslid machtigen zijn stem uit te brengen middels een
schriftelijke volmacht.
Artikel 16
Administratie
De stichting heeft zijn administratieve en uitvoerende taken aan de SFB
CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam opgedragen maar kan
indien het bestuur zulks nodig acht deze taken opgedragen aan een
andere organisatie.
Artikel 17
Boekjaar, jaarverslag en accountant
1. Het boekjaar van het fonds valt samen met het kalenderjaar.
2. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording af aan de organisaties
die partij zijn bij de CAO door middel van een verslag.
3. Het in het tweede lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting
gedurende het afgelopen boekjaar;
b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting,
bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten,
vergezeld van een verklaring van een registeraccountant of
accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid
ter zake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan. In
de rekening en verantwoording zal voor elk doel afzonderlijk
vermeld worden welke middelen en welke uitgaven aan dat doel
moeten worden toegerekend;
c. het verslag moet zijn gespecificeerd en gecontroleerd door een
registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met
certificerende bevoegdheid, uit welke stukken moet blijken dat de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
uitgaven conform de bestedingsdoelen genoemd in artikel 3 zijn
gedaan;
d. in voorkomende gevallen mededelingen omtrent de wijzigingen
die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.
4. Het saldo, zoals dit blijkt uit de laatstelijk vastgestelde balans, wordt
toegevoegd aan de middelen van het volgende boekjaar.
5. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers-en werknemersorganisaties
betrokken bij de CAO.
6. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van
de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd: ten
kantore van het fonds; op één of meer door de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen;
7. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag van
de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
8. Het bestuur benoemt, gehoord SFB CAO-Regelingen, een externe
registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid aan wie de controle van de jaarrekening
wordt opgedragen.
9. De accountant of accountant-administratieconsulent is gerechtigd tot
inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden
van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.
10. De accountant of accountant-administratieconsulent brengt tenminste
jaarlijks een rapport uit over zijn bevindingen.
Artikel 18
Reglementen
Het bestuur kan één of meer reglementen vaststellen; deze behoeven
goedkeuring van de in artikel 10 genoemde organisaties.
De bepalingen van de reglementen mogen niet in strijd zijn met de bepa-
lingen van deze statuten of met de wet.
Artikel 19
Wijziging, statuten en reglementen/ontbinding van de stichting
1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen of de stichting te
ontbinden na verkregen goedkeuring van partijen bij de CAO.
2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzonder
daartoe uitgeschreven vergadering, waarop tenminste de helft
van de werkgevers-en ten minste de helft van de werknemersleden
van het bestuur aanwezig is. De uitnodiging voor deze vergadering
moet het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de
bestuursleden worden toegezonden.
3. Indien op een vergadering, waarin een statutenwijziging zal worden
behandeld, niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal
leden aanwezig is, zal binnen een maand nadien een tweede vergadering
worden gehouden, op te roepen met inachtneming van de
voor oproeping gestelde termijn, welke ongeacht het ter vergadering
aanwezige aantal leden tot het nemen van een besluit bevoegd zal
zijn.
4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een
meerderheid van twee/derde der uitgebrachte geldige stemmen.
5. Een statutenwijziging treedt in werking indien deze, krachtens goedkeuring
door de partijen bij de CAO is aanvaard. Ter verkrijging van
de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties
die partij zijn bij de CAO.
Een organisatie wordt geacht haar goedkeuring te hebben verleend
indien zij niet binnen vier weken na de toezending van het tegendeel
heeft doen blijken door het insturen van haar op schrift gestelde
bezwaren.
6. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat hiervan een notariële
akte is opgemaakt.
7. De leden van het bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van
de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore
van het openbaar stichtingenregister, gehouden bij de Kamer
van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam.
8. Reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte
wijzigingen, zullen niet in werking treden alvorens een volledig
exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen
daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is
neergelegd ter griffie van het Kantongerecht binnen welk ressort de
stichting is gevestigd.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 20
Ontbinding
Bij ontbinding van de stichting is het bestuur belast met de vereffening.
Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel
mogelijk van kracht.
Het besluit tot ontbinding van de stichting moet inhouden de bestemming
van een eventueel batig saldo met dien verstande dat een batig
saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt
met het doel van de stichting.
Artikel 21
Slotbepaling
In alle gevallen, waarin niet door de wet, deze statuten of de reglemen-
ten van de stichting is voorzien, beslist het bestuur.
Deze statuten zijn vastgesteld op één juli negentienhonderd negentig.
Reglement van de Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor
het Dakbedekkingsbedrijf
REGLEMENT VERVROEGDE UITTREDING
Reglement van de Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het
Dakbedekkingsbedrijf als bedoeld in artikel 18 van de Statuten van deze
stichting.
Vastgesteld door het bestuur op: 31 oktober 1990.
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van deze voorwaarden wordt verstaan onder:
a. de CAO: de geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst
Bedrijfstakeigen Regelingen
voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven
b. de stichting: de Stichting Vervroegde Uittreding voor
het Dakbedekkingsbedrijf, gevestigd te
Amsterdam;
c. het SFB: SFB CAO-regelingen B.V.
d. belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 2;
e. uitkeringsbasis: de in artikel 2 bedoelde basis voor de
berekening
f. uittredingsdatum: iedere eerst dag of – indien en voor
zover dat ingevolge de door belanghebbende
in acht te nemen opzeggingstermijn
dan wel in verband met
arbeidsongeschiktheid noodzakelijk is –
een latere dag van enige maand waarop
belanghebbende, met toepassing van het
in artikel 2 bepaalde, kan uittreden.
Artikel 2
Uittredingsvoorwaarden
1. Belanghebbende in de zin van deze voorwaarden is degene:
a. die op de laatste dag van de maand, liggende 4 maanden voor de
uittredingsdatum werknemer was in de zin van artikel 1 onder 4
van de CAO;
en
b. 1. die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, gedurende
een periode van minimaal 10 jaar zonder onderbreking anders
dan door arbeidsongeschiktheid en/of werkloosheid, als werk
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
nemer in de zin van artikel 1 onder 4 van de CAO werkzaam
is geweest. Voor de berekening van deze periode van 10 jaar
wordt tevens in aanmerking genomen:
a. de periode(n) dat belanghebbende werkzaam is geweest
in de zin van de collectieve arbeidsovereenkomst voor:
– het bouwbedrijf;
– het schilders-en afwerkingsbedrijf in Nederland;
– het stukadoors-, afbouw-en terrazzobedrijf;
– het natuursteenbedrijf;
– de betonmortel-en morteltransportondernemingen;
– het baggerbedrijf;
– de timmerfabrieken.
met dien verstande, dat de werknemer in ieder geval
gedurende de laatste 2 jaar direct voorafgaande aan de
uittredingsdatum zonder onderbreking anders dan door
arbeidsongeschiktheid en/of werkloosheid werkzaam dient
te zijn geweest als werknemer in de zin van de CAO.
Bovengenoemde bepaling blijft van kracht zolang de
uittredingsleeftijd als genoemd in de artikel niet meer dan
2 jaar lager is dan de vergelijkbare uittredingsleeftijd in
bovengenoemde CAO-en.
en
b. de periode(n) dat belanghebbende als werknemer in de
zin van de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren
werkzaam is geweest.
Dit geldt niet voor werknemers die, in de twee jaar voorafgaand
aan de uittredingsdatum:
– van een bedrijf vallend onder de CAO Vervroegde
Uittreding Agrarische Sectoren in dienst treden van
een bedrijf vallend onder de CAO Bedrijfstakeigen
Regelingen Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven;
dan wel
– van een bedrijf vallend onder de CAO Bedrijfstakeigen
Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven in dienst treden van een bedrijf
vallend onder de CAO Vervroegde Uittreding
Agrarische Sectoren. Een en ander geldt zodra en
zolang een gelijkluidende bepaling in bedoelde CAO’s
is opgenomen, met dien verstande dat de uittredingsleeftijd
voor de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische
Sectoren 59 in plaats van 60 jaar mag bedragen.
Schrapping van deze bepaling en/of eenzijdig aange
brachte wijzigingen ten aanzien van de bepalingen in
bedoelde VUT-regelingen inzake:
1. de referteperiode;
2. de uittredingsleeftijd;
3. het uitkeringspercentage en de uitkeringsbasis;
4. het vrijwillig afstand doen van een uitkering krachtens
de Ziektewet en/of AAW/WAO;
5. de pensioenopbouw;
6. de beëindiging van de VUT-regeling hebben met
de regeling vervroegde uittreding in de CAO voor
de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
tot gevolg;
en
c. de periode(n) dat belanghebbende in het buitenland werkzaam
is geweest, mits over deze periode aantoonbare
premiebetaling heeft plaatsgevonden;
en
d. de periode(n) dat belanghebbende als werknemer werkzaam
is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen
onder de werkingssfeer van de CAO voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, mits voor de werknemer
een VUT-regeling van toepassing was;
en
b. 2. die in de periode van 15 jaar direct voorafgaande aan de
uittredingsdatum tenminste 10 jaar werkzaam is geweest
(waaronder begrepen periode(n) van arbeidsongeschiktheid
en werkloosheid) in een onderneming vallend onder
de werkingssfeer van deze CAO als werknemer in de zin
van artikel 1 onder 4 van deze CAO werkzaam was in een
onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze
CAO). Voor de berekening van de 10 jaar wordt tevens in
aanmerking genomen de periode waarin belanghebbende
in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze
periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden,
alsmede de periode dat belanghebbende als werknemer
werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen
onder de werkingssfeer van de CAO voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, mits voor
de werknemer een VUT-regeling van toepassing was,
en
– die op de dag, voorafgaande aan de uittredingsdatum,
zijn woonplaats in Nederland, België of de Bondsrepubliek
Duitsland heeft;
en
– die op de uittredingsdatum 60, 61, 62, 63 of 64 jaar
is;
en
– wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredings
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
datum, of indien en voor zover dat ingevolge de door
hem in acht te nemen opzeggingstermijn, dan wel in
verband met arbeidsongeschiktheid noodzakelijk is
met ingang van een latere datum is geëindigd.
2. In afwijking van artikel 2 is belanghebbende in de zin van deze voorwaarden
degene:
a. die op de laatste dag van de maand, liggende 4 maanden vóór de
uittredingsdatum werknemer was;
en
b. voorafgaande aan de uittredingsdatum minstens 40 jaar werknemer
binnen de Europese Gemeenschap is geweest, waarbij perioden
van verplichte militaire dienst mede in aanmerking worden
genomen;
en
c. daarvan sinds 1964 actief deelnemer is geweest in het Bedrijfstakpensioenfonds
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
en/of een daarmee door partijen in het kader van de
vrijstellingsregeling gelijkgestelde pensioenverzekering.
De periode(n) dat belanghebbende als werknemer werkzaam is
geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer
van de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven, wordt gelijkgesteld met het actief deelnemer
zijn geweest in het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, mits voor de
werknemer een VUT-regeling van toepassing was;
en
d. gedurende de laatste 4 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum,
zonder onderbreking anders dan door arbeidsgeschiktheid
of werkloosheid werkzaam is geweest als werknemer in de zin
van artikel 1 lid 4 van deze CAO;
waarbij ten aanzien van de bij b. en c. bedoelde termijnen geldt
dat de periode, die belanghebbende werkzaam is geweest bij een
bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de
CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
mede in aanmerking wordt genomen, mits voor de werknemer
een vergelijkbare VUT-regeling van toepassing was;
en
e. die op de dag, voorafgaande aan de uittredingsdatum, zijn woonplaats
in Nederland, België of de Bondsrepubliek Duitsland heeft;
en
f. die op de uittredingsdatum 57 jaar of ouder is;
en
g. wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum of
indien – en voor zover dat ingevolge de door hem in acht te
nemen opzeggingstermijn, dan wel in verband met arbeidsongeschiktheid
noodzakelijk is met ingang van een latere datum is
geëindigd.
Artikel 3
Uitkering
1. Aan de belanghebbende wordt op zijn verzoek door het bestuur een
uitkering toegekend met ingang van de in artikel 2 dan wel tweede
lid bedoelde datum.
2. De uitkering per dag bedraagt gedurende de eerste 6 maanden na de
in het eerste lid genoemde datum 80% en gedurende de daarop volgende
maanden 75% van de uitkeringsbasis.
3. Aan de belanghebbende wordt naast de uitkering een vakantietoeslag
ter hoogte van 8% van de uitkering toegekend.
Artikel 4
Pensioenregelingen
1. Ingeval belanghebbende op de datum van uittreding deelnemer is in
het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijfven(
BPF), blijft zijn deelnemerschap gehandhaafd
gedurende de periode waarover hij uitkering ontvangt.
Te zijnen behoeve wordt de verschuldigde pensioenpremie door de
Stichting aan het BPF doorbetaald, met inachtneming van de verhogingen
die deze premie zou hebben ondergaan, indien de belanghebbende
niet vervroegd zou zijn uitgetreden.
2. Voor voorzieningen van ouderdoms-, weduwen-, weduwnaars-en
wezenpensioen in de plaats van de BPF-voorziening – in geval van
vrijstelling van de deelneming aan de pensioenregeling – zal, onder
bepaalde voorwaarden een bijdrage worden vergoed aan belanghebbende
of diens werkgever. Deze voorwaarden luiden dat:
a. de premie voor belanghebbende individueel moet zijn vast te
stellen;
b. na uittreding de belanghebbende zijn gebruikelijke evenredig
aandeel in de premie, bij continuering van de verzekering door
de werkgever, aan deze werkgever blijft afdragen.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 5
Wijze van verzoeken
1. De belanghebbende die voor de uitkering in aanmerking wenst te
komen dient minimaal 6 weken vóór de gewenste uittredingsdatum
een daartoe strekkend verzoek in.
2. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe
bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en
ondertekend.
Artikel 6
Referteperiode/uitkeringsbasis
1. De uitkering, bedoeld in artikel 3, wordt berekend op basis van het
loon dat belanghebbende gemiddeld per dag verdiende in de periode
van 6 weken onmiddellijk voorafgaande aan de drie maanden voor
de uittredingsdatum; nadat dit loon:
a. is gewijzigd overeenkomstig de wijziging die het loon van belanghebbende
vóór de uittredingsdatum ondergaat;
en
b. is verminderd met dat gedeelte van het loon, dat belanghebbende
ontving ter compensatie van het te zijnen laste komende aandeel
in de pensioenpremie.
Indien in de referteperiode meer dan 5 dagen niet is gewerkt als
gevolg van vakantie, ziekte of vorst, wordt de berekening gebaseerd
op het loon dat belanghebbende gemiddeld per dag verdiende
over de laatstelijk aan de vakantie, ziekte of vorstperiode
voorafgaande periode van 6 weken gedurende welke belanghebbende
aaneengesloten werkzaam is geweest.
2. Onverminderd het in het eerste lid onder b bepaalde, wordt de
uitkeringsbasis vastgesteld overeenkomstig de bij of krachtens de
Werkloosheidswet ten aanzien van de vaststelling van het dagloon
gestelde regelen, met uitzondering van die betreffende:
a. de vakantiebijslag;
b. de vergoeding voor reisuren;
c. de herziening van het dagloon.
3. Voor belanghebbende, die in de periode genoemd in het eerste lid
aanspraak had op een vergoeding voor reisuren, wordt die vergoe
ding bij de vaststelling van de uitkeringsbasis tot ten hoogste twee
reisuren per dag in aanmerking genomen.
4. Voor de belanghebbende, die in de periode genoemd in lid 1 boven
zijn loon loonsuppletie ontving, wordt bij het vervallen van deze
suppletie ingeval van vervroegde uittreding deze loonsuppletie bij de
vaststelling van de uitkeringsbasis mede in aanmerking genomen.
5. De uitkeringsbasis wordt telkens herzien overeenkomstig het bepaalde
in artikel 5 van bijlage II van de CAO.
Artikel 7
Kortingen op de uitkeringen
1. Onverminderd het in artikel 9, eerste en tweede lid, bepaalde worden
op de uitkering in mindering gebracht de inkomsten uit arbeid
die de belanghebbende met ingang van of na de in artikel 2, onder e
bedoelde datum ter hand heeft genomen met dien verstande dat:
a. indien het betreft arbeid in de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven, deze inkomsten volledig in mindering
worden gebracht;
en
b. indien het betreft andere arbeid dan bedoeld onder a., deze
inkomsten in mindering worden gebracht voor zover zij meer
bedragen dan het verschil tussen de door belanghebbende ontvangen
uitkering en de uitkeringsbasis.
2. a. Op de uitkering van de belanghebbende wordt eveneens in mindering
gebracht de uitkering bij arbeidsongeschiktheid krachtens
de Ziektewet en/of AAW/WAO, met dien verstande dat ingevolge
artikel 2 of 2.a. uittreding niet mogelijk is indien en zolang er
sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid.
b. Voor de toepassing van het bepaalde onder a. van dit lid wordt
belanghebbende geacht een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
te genieten indien belanghebbende vrijwillig van het recht
hierop afstand doet, met dien verstande dat de uitkering geheel
wordt ingehouden indien de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer
zou zijn berekend.
Op de uitkering wordt ingehouden hetgeen de belanghebbende
verschuldigd is aan:
a. premie ingevolge de Ziekenfondswet;
b. loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
Artikel 8
Uitbetaling
De uitkering en de vakantietoeslag worden bij voorschot maandelijks
door het SFB aan de belanghebbende uitbetaald.
Artikel 9
Einde van de uitkering
1. Het recht op uitkering eindigt op de eerste dag van de maand, waarin
de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. Indien de belanghebbende tijdens het genot van de uitkering overlijdt,
wordt de uitkering, alsmede de vakantiebijslag, tot en met de
laatste dag van de tweede maand, volgende op die waarin het overlijden
plaatsvond, uitbetaald voor zover mogelijk in een bedrag
ineens:
a. aan de langstlevende van de partner indien de overledene niet
duurzaam van de andere partner gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a. bedoelde persoon aan de minderjarige
wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de onder a. en b. bedoelde personen aan
degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband
leefde.
3. Het recht op uitkering eindigt vóór de in het eerste lid bedoelde
datum indien de belanghebbende opnieuw een dienstbetrekking aanvaardt
en wel met ingang van de eerste dag waarop hij in die dienstbetrekking
werkzaam is.
4. Bij toepassing van het tweede lid bedraagt de uitkering, met ingang
van de dag na het overlijden, per dag 100% van de uitkeringsbasis
en de vakantietoeslag 8% van de aldus verleende uitkering.
Artikel 10
Plicht tot verstrekken van inlichtingen
1. De belanghebbende verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan
de functionarissen, die door het SFB met het toezicht zijn belast, alle
inlichtingen die voor de beoordeling van het recht op uitkering en
van de hoogte daarvan van belang kunnen zijn.
2. De belanghebbende doet elke maand opgave aan het SFB van de
inkomsten uit arbeid, verricht in de periode waarover hij uitkering
ontvangt, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier,
dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend.
3. De werkgevers verstrekken aan het SFB de benodigde informatie
met betrekking tot het loon en de arbeid van degenen die een aanvraag
tot vervroegd uittreden hebben ingediend.
Artikel 11
Intrekking en wijziging van een besluit tot uitkering
1. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde
of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet of onjuist verstrekt
kan het bestuur een besluit tot toekomstige uitkering, dan wel
tot een reeds lopende uitkering, intrekken. Belanghebbende wordt in
het kader van dit lid geacht de bedoelde inlichtingen niet te hebben
verstrekt, indien binnen twee maanden, na ontvangst van de eerste
oproep daartoe of het uit eigen beweging te melden feit bekend is bij
belanghebbende, de VUT-stichting de inlichtingen nog niet heeft ontvangen.
Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de
inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien de stichting daarbij
voor meer dan € 3403,35 is benadeeld.
2. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde
of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet tijdig of onjuist
verstrekt, kan een uitkering worden verlaagd. De verlaging bedraagt
maximaal 30% en duurt maximaal 12 maanden, naar gelang de ernst
van de overtreding, blijkende uit recidive. Belanghebbende wordt
geacht de bedoelde inlichtingen niet tijdig te hebben verstrekt, indien
na het verstrijken van de daarvoor gegeven termijn in de eerste
oproep daartoe, dan wel na twee weken het uit eigen beweging te
melden feit bekend is bij belanghebbende, de VUT-stichting de
bedoelde inlichtingen nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende
wordt in het kader van dit lid geacht inlichtingen onjuist te hebben
verstrekt, indien de stichting daarbij voor tenminste € 22,69 en voor
maximaal € 3403,35 is benadeeld.
3. Indien belanghebbende niet voldoet aan enig in deze regeling gestelde
voorwaarde kan een waarschuwing worden gegeven.
4. Het bestuur is bevoegd de sancties, zoals genoemd in lid 2 en lid 3,
te combineren.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
5. De stichting is bevoegd de door de stichting opgelopen schade als
gevolg van door belanghebbende niet, niet tijdig of onjuist verstrekte
inlichtingen of anderszins niet voldoen aan de in deze regeling
gestelde voorwaarden, al dan niet bestaand uit teveel betaalde uitkeringen,
sociale lasten en rente, te verhalen op belanghebbende. Daarbij
behoudt de stichting zich het recht voor verhaal te halen door
middel van vermindering van de lopende uitkering.
6. Het bestuur is bevoegd aangifte te doen bij de daarvoor bedoelde
instelling in het geval het bestuur een gerechtvaardigd vermoeden
heeft dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar
feit. Dat laat onverlet de mogelijkheid om in civiel rechtelijke procedures
of anderszins eventuele schade, al dan niet in de vorm van
onverschuldigde betalingen, op betrokkene te verhalen.
7. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de belanghebbende
van een gedraging als daar bedoeld redelijkerwijs geen verwijt kan
worden gemaakt, waarvan is uitgesloten een beroep op het niet kennen
van de inhoud van deze regeling.
8. In alle gevallen, waarin een sanctie wordt opgelegd, wordt daarvan
schriftelijk melding gedaan aan betrokkene. Tevens wordt aan betrokkene
gemeld wat de sanctie inhoudt en waarom en op grond
waarvan deze is opgelegd. Verder wordt melding gemaakt van de
mogelijkheden voor beroep of bezwaar.
9. Alle baten en/of opbrengsten, die voortvloeien uit op grond van deze
regeling opgelegde sancties, zullen worden gebruikt in overeenstemming
met het doel van de stichting.
Artikel 12
Beslissingsbevoegdheid
1. Op verzoeken om toekenning van een uitkering wordt door het
bestuur van de Stichting beslist.
2. Besluiten tot weigering, intrekking of wijziging van een uitkering
zijn met redenen omkleed.
3. Besluiten als bedoeld in de voorgaande leden worden schriftelijk aan
de belanghebbende medegedeeld.
Artikel 13
Verblijf in het buitenland
De belanghebbende behoeft voor een verblijf in het buitenland voor een
aaneengesloten tijdvak van langer dan 4 weken gedurende de periode
waarover hij uitkering ontvangt, de voorafgaande schriftelijk toestemming
van het bestuur van de Stichting. Verzoeken voor deze toestemming
dienen een maand voor de voorgenomen vertrekdatum te worden
ingediend. Van een voorgenomen verblijf in het buitenland voor een tijdvak
van kortere duur stelt hij het SFB tevoren schriftelijk in kennis.
Artikel 14
Uitvoering
1. De uitvoering van deze regeling geschiedt onder verantwoordelijkheid
van het bestuur van de Stichting, waarin zitting hebben vertegenwoordigers
van de organisaties, partij bij deze CAO. Het SFB is
door de Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het
Dakbedekkingsbedrijf de administratieve uitvoering van de regeling
opgedragen.
2. De organisaties bedoeld in het voorgaande lid zijn bevoegd dispensatie
te verlenen met betrekking tot onderbrekingen van korte duur
in het in artikel 2 lid b bedoelde arbeidsverleden en voorts in alle
gevallen, waarin dit aangewezen is om een uitvoering van deze voorwaarden
overeenkomstig hun strekking en naar redelijkheid te verwezenlijken.
De organisaties zijn bevoegd deze taak te delegeren aan het bestuur
van de Stichting.
3. In geval van een geschil omtrent de uitvoering van deze voorwaarden
wordt, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een
belanghebbende, een beslissing genomen door het bestuur van de
Stichting. De in dit lid bedoelde behandeling van geschillen laat de
uit anderen hoofde aan de belanghebbende toekomende rechtsmiddelen
onverlet.
Artikel 15
Inwerkingtreding
Deze vrijwillig vervroegde uittredingsregeling is vastgesteld op 1 juli
1990.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
BIJDRAGEREGLEMENT
Bijdragereglement van de Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding
voor het Dakbedekkingsbedrijf (VUDAK)
Artikel 1
Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Stichting: de Stichting VUDAK
Bestuur: het bestuur van de Stichting
CAO: de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Partijen: de organisaties van werkgevers en werknemers,
partij bij de CAO
Werkgever: de werkgever als bedoeld in de CAO
Werknemer: de werknemer als bedoeld in de CAO in artikel 1
onder d sub 1
Verzamelnota: de jaarlijkse nota waarop de definitief verschuldigde
VUT-bijdrage, onder aftrek van de
voorschotbepalingen vermeld wordt
SFB: SFB CAO-regelingen B.V.
Artikel 2
Bijdrageverplichting
1. De werkgever is een bijdrage verschuldigd voor de financiering van
de in de statuten van de Stichting omschreven doelstelling. Deze bijdrage
is verschuldigd aan het SFB.
De bijdrage wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het
door de werkgever aan zijn werknemers, vallend onder de CAO, uitbetaalde
loon.
Als loon wordt te dezen aangemerkt het loon in de zin van de
Coördinatiewet Sociale Verzekeringen. De bijdrage wordt in december
terstond en ineens opeisbaar. Het SFB vordert voorschotbetalingen.
2. Het verschuldigde bijdragepercentage wordt jaarlijks – na goedkeuring
van partijen – door het bestuur vastgesteld, met inachtneming
van hetgeen in het eerste lid is bepaald. Partijen zijn bevoegd tussentijds
het bijdragepercentage aan te passen.
Ingeval het totaal van de over enig kalenderjaar geheven bijdragen
hoger dan wel lager blijkt te zijn dan het in dat jaar voor de uitvoering
van de regelingen benodigde bedrag, wordt het verschil ten gunste
respectievelijk ten laste van het volgende kalenderjaar gebracht.
Artikel 3
Betaling
1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingsvak
of na iedere periode van vier weken.
2. De betaling van eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te vinden
na ontvangst van de verzamelnota.
Artikel 4
Rentebepaling
1. Indien de betaling van het in artikel 3, eerste lid, bedoelde voorschot
niet binnen veertien dagen na afloop van de in dit lid vermelde termijn
heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
2. Indien de betaling van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde bijdrage
niet binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de
verzamelnota heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. De in het vorige lid bedoelde rente is gelijk aan de wettelijke rente.
5. Het bestuur is bevoegd geheel of gedeeltelijk van invordering van
rente af te zien.
Artikel 5
Loonsomopgave
1. De werkgever is gehouden jaarlijks aan de stichting op te geven de
loonsom en het aantal daarbij betrokken werknemers, welke opgave
dient te geschieden binnen de termijn en op de wijze door het bestuur
schriftelijk aan de werkgever kenbaar gemaakt.
2. Ingeval de werkgever niet aan het gestelde in het vorige lid voldoet,
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
zal het bestuur bij besluit bepalen welke loonsom aangehouden moet
worden ter berekening van de bijdrage van de werkgever.
3. De gegevens die de werkgever krachtens dit artikel verstrekt, dienen
uitsluitend ter bepaling van de door de werkgever verschuldigde bijdrage.
Artikel 6
Slotbepaling
De werkgever is verplicht alle gegevens en inlichtingen te verschaffen,
alsmede iedere medewerking te verlenen, die noodzakelijk of gewenst
worden geacht door personen of instellingen die, door of namens de
stichting, zijn belast met de inning van de bijdrage en de controle op de
naleving van het gestelde in de statuten en dit reglement.
HOOFDSTUK 3
DISPENSATIE
Afwijking van het gestelde in deze CAO behoeft de goedkeuring van de
Kleine Commissie voor zover niet reeds in deze CAO daarin is voorzien.
Reglement klachtenprocedure van de Stichting Sociaal Fonds voor
de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1
Begripsbepalingen
1. De begripsbepalingen die gebruikt worden in de statuten en de reglementen
van het Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven worden geacht deel uit te maken van dit
reglement.
2. Onder een klacht wordt verstaan een schriftelijke verklaring van een
belanghebbende bij de werkzaamheden die SFB CAO-Regelingen
verricht over de vermeend incorrecte wijze van uitvoering door SFB
CAO-Regelingen van de regelingen zoals opgenomen in de CAO
Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven of over een geschil ten aanzien van de
interpretatie van de bepalingen van de statuten en de reglementen
zoals opgenomen in die CAO.
Artikel 2
Samenstelling en benoeming klachtencommissie
1. De klachtencommissie bestaat uit drie leden, waarvan één voorzitter
en één secretaris is.
2. Het bestuur benoemt de in lid 1 genoemde leden.
3. De leden van de klachtencommissie worden benoemd voor drie jaar
en zijn na afloop van deze periode opnieuw benoembaar.
4. Gedurende hun zittingsperiode kunnen de leden van de klachtencommissie
door het bestuur uit hun functie worden ontheven.
5. Een nieuw benoemd lid heeft zitting voor de tijd die degene die hij
vervangt nog had te vervullen en is na afloop van deze periode
opnieuw benoembaar.
Artikel 3
Bevoegdheid van de klachtencommissie
1. Met inachtneming van de bepalingen van de statuten en de reglementen
zoals opgenomen in de CAO bedrijfstakeigen regelingen voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven en dit reglement
is de klachtencommissie bevoegd klachten in behandeling te nemen
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
van een werkgever die de genoemde CAO toepast, een werknemer
die onder genoemde CAO valt of een ander die rechtstreeks in zijn
belang wordt getroffen.
2. Klachten ten aanzien van de werkingssfeer van de stichting worden
niet door de klachtencommissie in behandeling genomen.
Artikel 4
Indiening klacht
1. Een klacht moet worden ingediend bij de secretaris van de klachtencommissie.
2. De klacht moet bevatten:
a. de naam en het adres van degene die de klacht indient,
b. een dagtekening,
c. een omschrijving van de wijze van uitvoering door de stichting
of een kopie van het besluit van het fonds ten aanzien van de
interpretatie van bepalingen van de statuten of de reglementen
zoals opgenomen in de CAO bedrijfstakeigen regelingen voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, waarop de
klacht is gericht.
3. De klacht moet worden ingediend binnen een termijn van zes maanden
nadat het besluit of de uitvoeringshandeling waarop de klacht is
gericht, kenbaar is voor betrokkene.
Artikel 5
Behandeling klacht
1. Degene die de klacht heeft ingediend ontvangt een ontvangstbevestiging
van de klachtencommissie.
2. De klachtencommissie neemt binnen twee maanden na ontvangst van
de klacht een besluit.
3. De klachtencommissie kan slechts een besluit nemen in een vergadering
waarin alle leden aanwezig zijn.
4. De klachtencommissie neemt haar besluit met meerderheid van stem
men. Het besluit moet met redenen zijn omkleed en door de voorzitter
worden ondertekend.
5. De secretaris zendt een gewaarmerkt exemplaar van het besluit aan
degene die de klacht heeft ingediend.
6. Indien de klacht niet binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn
kan worden afgehandeld, wordt dit met redenen omkleed schriftelijk
medegedeeld aan degene die de klacht heeft ingediend.
7. Indien de klachtencommissie de klacht gegrond acht, draagt de commissie
SFB CAO-Regelingen op het besluit of de uitvoeringshandeling
waarop de klacht gericht was te corrigeren conform de
besluitvorming van de commissie.
Artikel 6
Beroep
1. Tegen het in artikel 5 van dit reglement bedoelde besluit kan door
degene die de klacht heeft ingediend schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het bestuur.
2. Het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden na de dagtekening
van het besluit van de klachtencommissie.
3. Het bestuur brengt binnen drie maanden na ontvangst van het beroep
zijn definitieve besluit schriftelijk ter kennis van degene die beroep
heeft ingesteld. In de kennisgeving wordt ook gewezen op de mogelijkheid
van beroep bij de civiele rechter.
Artikel 7
Slotbepaling
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist de voorzitter
van de klachtencommissie.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Dit reglement is vastgesteld op 1 oktober 2003.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
BIJLAGE I
Als bedoeld in artikel 1 lid 3 van deze CAO.
Functielijst
Groep 1
Aankomend dakdekker
Een werknemer die niet zelfstandig kan werken en onder toezicht van de
eerste dakdekker zijn werkzaamheden verricht.
Groep 2
Dakdekker
Een werknemer, die eenvoudige werkzaamheden zelfstandig kan verrichten,
doch niet de bekwaamheid bezit van de eerste dakdekker.
Groep 3
Eerste dakdekker en chauffeur
a. Een werknemer die het vak beheerst doch nog niet als voorman
geschikt is.
b. Chauffeur. Een werknemer wiens arbeidstijd als regel in beslag
wordt genomen door het vervoer van materialen in opdracht van zijn
werkgever. Hij helpt bij het laden en lossen en draagt zorg dat dusdanig
geladen wordt, dat verlies dan wel beschadiging van materiaal
zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het verkeer niet in gevaar
wordt gebracht. Hij controleert of de geladen dan wel geloste goederen
in overeenstemming zijn met de hem verstrekte staten en laat
voor ontvangst tekenen.
Indien gedurende enige tijd geen chauffeurswerkzaamheden voorhanden
zijn, kan hij worden verplicht andere hem passende werkzaamheden
in de onderneming te verrichten. Deze arbeid zal geen
wijziging brengen in de voor hem geldende loonbepalingen.
In bijzondere gevallen dan wel indien vervoer van de werknemers dit
noodzakelijk maakt, is hij gehouden langer te werken dan is gesteld
in artikel 8 lid 3; een en ander in het raam van het Rijtijdenbesluit.
Groep 4
Voorman-dakdekker B
Een werknemer die bij alle voorkomende werkzaamheden bekwaam is
leiding te geven aan een ploeg dakdekkers en op elk gebied van het vak
allround is.
De voorman-dakdekker B is tevens belast met het toezicht op de veiligheid
op het werk en op het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen,
bedoeld in artikel 14 lid 4 van de CAO, door de dakdekkers
die onder zijn leiding staan.
Groep 5
Voorman-dakdekker A
De voorman-dakdekker B, die als regel leiding geeft aan 5 of meer personen.
De voorman-dakdekker A is tevens belast met het toezicht op de
veiligheid op het werk en op het gebruik van de persoonlijke
beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 14 lid 4 van de CAO, door de
dakdekkers die onder zijn leiding staan.
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven 2004/2008
Verbindendverklaring CAO-bepalingen
BIJLAGE II
Artikel 5
Algemene loonsverhogingen
a. Per 1 juli 2003 (N.B reeds verwerkt in voorgaande staten) worden de
garantielonen verhoogd met 1,25%. Per 1 juli 2004 worden de
garantielonen verhoogd met 1,25%. De procentuele stijging van het
consumentenprijsindexcijfer werknemers-laag (CBS) van april 2003
ten opzichte van oktober 2002 respectievelijk van april 2004 ten
opzichte van oktober 2003 is daarin begrepen.
b. Per 1 januari 2004 worden de garantielonen verhoogd met 1,25%.
Per 1 januari 2005 worden de garantielonen verhoogd met 1,25%.
De procentuele stijging van het consumentenprijsindexcijfer
werknemers-laag (CBS) van oktober 2003 ten opzichte van april
2003 respectievelijk van oktober 2004 ten opzichte van april 2004 is
daarin begrepen.
c. Aanpassing van individueel overeengekomen lonen, welke hoger
zijn dan het garantieloon, vindt slechts plaats voor zover dit individueel
overeengekomen loon niet hoger is dan 110% van het garantieloon.
Dictum II
De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend ver-
klaard tot en met 28 februari 2005 en voor zover het betreft de CAO
Bedrijfstakeigen Regelingen tot en met 29 februari 2008.
Dictum III
Voorzover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of
krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.
Dictum IV
Het is de werkgever toegestaan om in het kader van een verzoek om
ontheffing als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, af te wijken van de in dictum I opge-
nomen bepalingen houdende een mutatie van het loon voorzover de
onverkorte toepassing van die bepalingen de verlening van een onthef-
fing in de weg zou staan om reden dat de personeelskosten van de
betrokken onderneming onvoldoende zijn gematigd.
Dictum V
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag-
tekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met
ingang van 1 maart 2008 en heeft geen terugwerkende kracht.
Dictum VI
Dit besluit zal in een bijvoegsel bij de Staatscourant worden geplaatst.
Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
’s-Gravenhage, 9 maart 2004
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
Namens deze,
De directeur Uitvoeringstaken
Arbeidsvoorwaardenwetgeving,
Mr. M.H.M. van der Goes




