Bouwtrefpunt.nl
home  |  adverteren  |  faq  |  links  |  sitemap  |  contact
  • Menu
    • Home
    • Bedrijvengids
    • Bouwproducten
    • Bouwvacatures
  • Extra
    • Begrippen
    • Hypotheken (tip)
    • Kennisbank
    • Leuke filmpjes
    • Vakbladen
  • Nieuws
    • Nieuwsbrief
    • Nieuwsarchief
    • Persberichten
    • RSS
  • Service
    • Adverteren
    • Contact
    • Favorieten
    • Startpagina
    • Tell-a-friend

CAO Afbouw

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN
EN WERKGELEGENHEID

BESLUIT VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN
WERKGELEGENHEID VAN 1 FEBRUARI 2007 TOT ALGEMEEN
VERBINDENDVERKLARING VAN BEPALINGEN VAN DE
COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST AFBOUW

UAW Nr. 10626

Bijvoegsel Stcrt. d.d. 05-02-2007, nr. 25

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van partijen bij bovengenoemde collectieve ar-
beidsovereenkomst, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van
bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij(en) te ener zijde: de Nederlandse Ondernemersvereniging voor
Afbouwbedrijven;
Partij(en) te anderer zijde: FNV Bouw en Hout-en Bouwbond CNV.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend
en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeids-
overeenkomsten;

Besluit:

Dictum I
Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovenge-
noemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van
hetgeen in de dicta II, III, IV en V is bepaald:

HOOFDSTUK 1

DEFINITIES, WERKINGSSFEER EN OVEREENKOMST

Artikel 1

Definities

1. Waar in de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst van
werkgevers wordt gesproken, worden daaronder verstaan werkgevers,
die werkzaamheden, als bedoeld in artikel 2, verrichten of doen
verrichten.

2. Onder werkgevers worden in deze collectieve arbeidsovereenkomst
mede verstaan:
a. rechtspersoonlijkheid bezittende coöperatieve woningbouw-en
andere verenigingen;
b. stichtingen of kerkgenootschappen;
c. natuurlijke of rechtspersonen, die in eigen beheer bouwwerken
uitvoeren of daaraan herstellings-en onderhoudswerkzaamheden
doen verrichten, een en ander voor zover de onder a, b of c
bedoelde personen of instellingen daarbij werkzaamheden doen
verrichten als bedoeld in artikel 2 van deze collectieve arbeidsovereenkomst
en niet vallen onder de werkingssfeer van een
andere loonregeling of collectieve arbeidsovereenkomst.
3. Onder werknemer wordt verstaan degene, die voor een onderneming
of een afdeling van een onderneming, vallende onder de werkingssfeer
van deze CAO als omschreven in artikel 2, werkzaam is:
a. ingevolge een arbeidsovereenkomst;
b. ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk, tenzij hij
zelf ondernemer is.
Niet als werknemer in de zin van deze overeenkomst worden beschouwd:
stagiaires; vakantiewerkers. Hieronder worden verstaan de
werknemers die als regel dagonderwijs volgen en in de periode mei
tot en met augustus voor maximaal 6 weken in dienst van een werkgever
zijn.

4. Onder uitkeringsgerechtigden worden verstaan degenen, die een sociale
verzekeringsuitkering ontvangen en bij werken als werknemer
in de zin van lid 3 zouden moeten worden beschouwd.
5. Onder jeugdigen worden in deze regeling verstaan de werknemers
die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en nog niet de leeftijd
waarvoor de lonen van de volwassen werknemers zijn vastgesteld.
6. Onder erkende algemene en erkende christelijke feestdagen worden
verstaan:Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, de
Kerstdagen, Nieuwjaarsdag en Koninginnedag.
7. Onder garantieloon wordt verstaan: het loon waarop de werknemer
krachtens artikel 18 per week of per uur recht kan doen gelden.
8. Onder ,,vast overeengekomen loon’’ wordt verstaan: het onder lid 7
hiervoor genoemde garantieloon, vermeerderd met prestatietoeslag

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

en eventueel diplomatoeslag, voorliedentoeslag en indien van toepassing
de toeslag verschoven arbeidstijd.

9. Onder roostervrije dagen wordt verstaan: de in deze collectieve
arbeidsovereenkomst toegekende dagen waarop door de arbeidsgeschikte
werknemers geen arbeid wordt verricht en de werkgever
aan de werknemer over die dagen het vast overeengekomen loon uitbetaalt
en waarover de werkgever de in artikel 37 verschuldigde premies
en bijdragen afdraagt.
10. Waar in deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesproken van
Bedrijfschap wordt bedoeld het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud,
dan wel zijn rechtsvoorgangers en/of mogelijke rechtsopvolgers.
11. Een partner wordt gelijkgesteld aan de echtgenoot (echtgenote) indien
wordt overlegd:
a. een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst;
b. een uittreksel uit het bevolkingsregister waaruit blijkt dat de
werknemer en zijn partner ten minste 1,5 jaar op hetzelfde adres
zijn ingeschreven.
Een wettelijk geregistreerde partner wordt altijd gelijk gesteld aan
een echtgenoot (echtgenote).

12. Waar in de collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesproken van
bedrijfsvereniging moet worden gelezen het UWV.
13. Waar in deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesproken over
A&O Services moet worden gelezen: het administratiekantoor van
de bedrijfstakeigenregelingen voor de sector Stukadoors-, Afbouwen
Terrazzo-/Vloerenbedrijf.
14. Waar in deze overeenkomst wordt gesproken over Kenniscentrum
Savantis, wordt bedoeld Savantis, het Vakcentrum Afbouw en Onderhoud,
Presentatie en Communicatie – Kenniscentrum Beroepsonderwijs
Bedrijfsleven, gevestigd te Waddinxveen.
15. Onder werkervaringsjaar wordt verstaan enig jaar, waarin een werknemer
meer dan 220 rechtdagen heeft opgebouwd.

Artikel 2

Werkingssfeer

1. De bepalingen van deze CAO zijn van toepassing op alle Nederlandse
werkgevers, die werkzaamheden verrichten of doen verrichten
in ondernemingen op het gebied van het Stukadoors, Afbouw-en
Terrazzo-/Vloerenbedrijf en op alle werknemers, werkzaam in de
ondernemingen op het hiervoor genoemde gebied.
2. Onder stukadoors-afbouwbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van
derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:
a. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van raapwerk
aan wanden, plafonds of gevels met bijvoorbeeld de volgende
materialen: kalk; zand; cement; natuurlijke en chemische handgipsen;
natuurlijke en chemische spuitgipsen en alle andere soorten
bindmiddelen;
b. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van pleisterwerk
aan wanden, plafonds of gevels met een samenstelling van bijvoorbeeld
de volgende materialen: kalk; gips; bindmiddel op
basis van kunstharsen; cement; krijtwit; marmermeel; kwartsmeel;
cellulose; kunsthars; steenslag en soortgelijke toeslagen;
c. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van schuurwerk
aan wanden, plafonds of gevels met bijvoorbeeld de volgende
materialen: fijn-zand; kalk; gips; cement; bindmiddel op basis
van kunstharsen; krijtwit; marmermeel; kwartsmeel; cellulose;
kunsthars; steenslag en soortgelijke toeslagen;
d. het met de hand dan wel mechanisch plaatsen c.q. aanbrengen
van: gips-en cellenbeton-, kalkzandsteenblokken of elementen
en ander soorten bouwblokken; alle soorten gipskartonplaten;
stucanet; riet-of rietmatten; steengaas; ribbenstrekmateriaal; profielen;
houtwol-cementplaten; kunststofschuimplaten; minerale en
soortgelijke materialen die eventueel een ondergrond kunnen
vormen voor verdere afwerking;
e. het met de hand dan wel mechanisch behandelen van plafonds,
wanden, vloeren of gevels met een samenstelling van bijvoorbeeld
de volgende materialen: kalk; natuurlijke of chemisch handgips;
natuurlijke of chemisch spuitgips; zand en/of andere vulstoffen;
gedolven, gebroken en/of gemalen steengruis; steen of
kwartspoeder of soortgelijke materialen met cement, kalk, gips of
andere bindmiddelen; marmermeel en/of soortgelijke vulstoffen
met bindmiddelen;
f. het met de hand dan wel mechanisch behandelen van gevels met
bijvoorbeeld de volgende materialen: kunststofschuimplaten; minerale
c.q. mineraalgebonden platen; lijm; wapeningsweefsel en
profielen; zand; cement; bindmiddelen;
g. het met de hand dan wel mechanisch behandelen c.q. herstellen
van betonvlakken waarin al dan niet een wapening is opgeno

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

men, met species bestaande uit cement of andere bindmiddelen
en zand of andere vulstoffen, daaronder mede begrepen één of
meer componenten kunststof reparatiespecies al dan niet onder
toevoeging van andere stoffen;

h. het met de hand dan wel mechanisch vervaardigen of aanbrengen
van ornamenten, lijstwerk of soortgelijke versieringen van bijvoorbeeld:
gips; zand; cement; kalk; kunststof of soortgelijke
materialen;
i. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van wit-, saus-,
silicaat-of soortgelijk werk;
j. het met de hand dan wel mechanisch verwerken c.q. herstellen
van ondergronden met bijvoorbeeld de volgende materialen: cement;
gips of andere bindmiddelen; zand of andere vulstoffen al
dan niet onder toevoeging van andere stoffen;
k. het met de hand, mechanisch dan wel op enigerlei andere wijze
plaatsen cq. aanbrengen cq. monteren – ter vervaardiging van al
dan niet vrijhangende systeemplafonds, – systeemwanden en/of
(verhoogde) systeemvloeren, waarbij worden verwerkt metalen
en/of minerale producten, kunststof of enigerlei ander materiaal,
inclusief alle bijkomende werkzaamheden, zoals daar onder meer
zijn het aanbrengen van een raamwerk cq. bevestigingselementen,
het aanbrengen van profielen/strips en het aanbrengen van armaturen;
l. bij ieder van de hiervoor onder a tot en met k genoemde materialen,
dient te worden gelezen: dan wel elk ander materiaal, dat
kan worden toegepast ook als dat een andere verwerkingsmethode
tot gevolg heeft;
m. het vervaardigen van vloeren met cement of andere bindmiddelen
en zand of andere vulstoffen al dan niet onder toevoeging van
andere stoffen voorzover een en ander geschiedt in samenhang
met het verrichten van de hiervoor onder a tot en met l beschreven
handelingen;
n. het aanbrengen van: keramische en/of glazen en/of natuurstenen
en/of kunststenen tegels; mineraal gebonden en/of kunststof gebonden
producten, voorzover een en ander geschiedt in samenhang
met het verrichten van de hiervoor onder a tot en met l
beschreven handelingen;
o. het verrichten van onderhouds-en reparatiewerkzaamheden van
niet constructieve bouwkundige aard, die rechtstreeks voortvloeien
uit, althans op gronden van praktische aard moeten worden
beschouwd als nauw samen te hangen met, de hiervoor onder
a tot en met l beschreven handelingen, indien de onderhouds-en
reparatiewerkzaamheden van niet constructieve bouwkundige

aard een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsuitoefening
in een bepaalde onderneming;

p. het al dan niet systeemmatig verwerken van riet of rietmatten dan
wel houtwol-, gips-, gipskarton-, steenwol-, kunststofschuim-of
soortgelijke platen tot een ondergrond voor raap-, pleister-of
schuurwerk;
q. het stellen van steengaas, metaalgaas, kunststofgaas of soortgelijke
pleisterdragers tot een ondergrond voor raap-, pleister-of
schuurwerk;
r. het aanbrengen van raaplagen op wanden, muren en gevels;
s. het vertinnen van wanden, muren en gevels;
t. het vervaardigen van sgrafitto’s;
u. het vervaardigen van fresco’s;
v. het aanbrengen en/of het verwerken van stucmarmer;
w. het aanbrengen en/of het verwerken van decoratieve pleisters.
3. Onder stukadoors-afbouwbedrijf wordt mede verstaan voorzover na
te melden werkzaamheden niet worden verricht in de uitoefening van
het schilders-of behangersbedrijf in de op 1 januari 1966 gebruikelijke
zin van het woord en voorts tenzij door een commissie, elke
haar bevoegdheid ontleent aan het Bedrijfschap, de betreffende onderneming
verklaard wordt niet onder het stukadoorsbedrijf te ressorteren,
– het ten behoeve van derden aanbrengen van betonémaille
of ander materiaal ter afwerking van pleisterlagen, zulks ongeacht de
daarbij gebruikte methode.
4. Onder vloerenbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten
of doen verrichten van werkzaamheden als:
a. het vervaardigen of bewerken dan wel afwerken van vloeren door
menging van grint, steenslag of zand of mengsels daarvan al dan
niet met andere vulstoffen en/of vezels met cement of andere
bindmiddelen en/of toeslagstoffen;
b. het monolithisch afwerken van vloeren door middel van het aanbrengen
van een dunne pleisterlaag;
c. het vervaardigen of bewerken van vloeren door menging van korrels,
poeder of vezelachtige vulstoffen hetzij van organische hetzij
van anorganische aard met bindmiddelen dan wel componenten
welke tezamen het bindmiddel vormen;
d. het in het werk uit een pasteuze of vloeibare massa vervaardigen
en aanbrengen, of het bewerken van kunststof vloeren, slijtlagen,
beschermlagen of andere afwerklagen al dan niet naadloos;
e. het prepareren, bewerken of afwerken van niet constructieve
cementgeboden of kunststof vloeren door middel van vlinderen,
frezen, stralen, schuren en/of andere soortgelijke werkzaamheden.
5. Onder terrazzobedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden
verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

a. het vervaardigen van kunstgraniet, terrazzo, sierbeton en andere
soortgelijke door menging van zand, grind, steenslag (grof en
gemalen) al dan niet uitsluitend met cement of andere bindmiddelen
verkregen producten;
b. het bewerken en/of afwerken van terrazzoproducten en -vloeren
met de bedoeling het oppervlak de beoogde structuur, samenstelling
of gebruikseigenschappen te geven door middel van verdichten,
slijpen, schuren, boucharderen, polijsten en/of soortgelijke
werkzaamheden.
6. Hetgeen in de artikelen 5 tot en met 54 (behoudens artikel 9) van
deze CAO is bepaald is niet van toepassing op uitvoerend, technisch
en administratief en verzorgend personeel, zoals bedoeld in artikel
62 van deze CAO. Op deze werknemers is van toepassing hetgeen
is bepaald in hoofdstuk 14 behorende bij deze CAO.
Artikel 2A

Buitenlandse werknemers

1. a. In overeenstemming met het bepaalde in artikel 2 lid 1-6 en met
de Wet Arbeidsvoorwaarden Grensoverschrijdende Arbeid zijn
verbindend verklaarde bepalingen van deze CAO ten aanzien
van:
• maximale werktijden en minimale rusttijden;
• minimum aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting
van de werkgever om loon te betalen bestaat;
• minimumlonen. daaronder begrepen vergoeding voor overwerk
en daaronder niet begrepen aanvullende bedrijfspensioenregelingen;
• voor waarden voor het ter beschikking stellen van werknemers,
in het bijzonder voor uitzendbedrijven;
• gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk;
• beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden
en -omstandigheden van zwangere of pas bevallen
vrouwen, kinderen en jongeren;
• gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede andere
bepalingen inzake niet-discriminatie;
van toepassing op ter beschikking gestelde werknemers, die in
het kader van een transnationale dienstverrichting tijdelijk in
Nederland werkzaamheden verrichten en waarvan de arbeidsovereenkomst
wordt beheerst door ander recht dan het Nederlandse
recht.

De toepassing van dit artikel zal wijken indien het recht van de
lidstaat dat de arbeidsovereenkomst beheerst een gelijkwaardige
of betere bescherming biedt aan de werknemer met betrekking tot
genoemde CAO-bepalingen en de additionele gelding van dit
artikel de gelijke concurrentiepositie van buitenlandse ondernemingen
zou verstoren.

c. In bijlage 15 bij deze CAO worden de van toepassing zijnde
bepalingen weergegeven.
Artikel 2B

Uitzendondernemingen

De bepalingen van deze overeenkomst zijn tevens van toepassing op alle
uitzendwerknemers die ter beschikking worden gesteld aan een werkgever
als bedoeld in artikel 1 door een uitzendonderneming die voor meer
dan 50% van de loonsom uitzendt naar werkgevers als bedoeld in artikel
2 lid 1.

Artikel 3

Onderaanneming

3. Bij inlening van personeel zijn zowel de inlenende als de uitlenende
werkgever hoofdelijk aansprakelijk voor het nakomen van de uit de
CAO Afbouw voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 9

Dispensaties

Door CAO-partijen kan dispensatie worden verleend, inhoudende afwijkingen
van één of meerdere bepalingen, respectievelijk een algehele dispensatie
van deze overeenkomst. De dispensatie dient te worden aangevraagd
bij de secretaris van CAO-partijen Afbouw, Postbus 377, 2280
MA Rijswijk. Hierbij dient duidelijk aangegeven en met redenen omkleed
op welk CAO-artikel dispensatie verleend dient te worden.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK 2

DE INDIVIDUELE ARBEIDSOVEREENKOMST

Artikel 10

Algemene verplichtingen van de werkgevers en werknemers

2. De werkgever verstrekt een schriftelijke arbeidsovereenkomst indien
de werknemer daar schriftelijk om vraagt.
3. Een individuele arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde
tijd. Afwijking hiervan moet schriftelijk tussen werkgever en
werknemer worden overeengekomen.
5. Wanneer een proeftijd tussen werkgever en werknemer wordt overeengekomen
dient deze schriftelijk te worden vastgesteld. Een dergelijke
proeftijd bedraagt:
• maximaal één maand voor arbeidsovereenkomsten korter dan of
gelijk aan één jaar;
• maximaal twee maanden bij arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde
tijd dan wel arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
met een looptijd van meer dan één jaar.
6. a. Conform de wettelijke systematiek van artikel 7:668a BW kunnen
werkgever en werknemer driemaal achter elkaar een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd aangaan, waarbij ook de derde
overeenkomst van rechtswege eindigt, mits de totale duur niet
langer is dan 36 maanden.
b. Conform artikel 7:668a BW mogen werkgever en werknemer na
het verstrijken van een periode van drie maanden na beëindiging
van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wederom een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangaan.
8. Indien een onderneming met minimaal 20 personeelsleden 25% of
meer van haar personeelsleden in een andere functie wil indelen, dienen
de bij deze CAO betrokken vakbonden geïnformeerd te worden
indien en zodra zich problemen voordoen over de indeling in een
andere functie.
Indien een werknemer als gevolg van technologische vernieuwingen
in een andere functie wordt ingedeeld dan wel zijn functie-inhoud
een ingrijpende wijziging ondergaat heeft de werknemer recht op
handhaving van zijn functieniveau en beloningsniveau.

Indien als gevolg van de gewijzigde functie dan wel gewijzigde
functie-inhoud bij-, her-of omscholing vereist is, dient de werknemer
hiervoor qua tijd en kosten in de gelegenheid te worden gesteld.

9. Het is de werkgever verboden te discrimineren op basis van leeftijd
bij aanname en ontslag van werknemers.
Artikel 11

Beëindiging van de arbeidsverhouding

1. Ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsverhouding zijn de
bepalingen van het Burgerlijke Wetboek van toepassing, met inachtneming
van de navolgende bepalingen.
2. Vervallen.
3. De opzegging van de dienstbetrekking geschiedt tegen het einde van
de betalingsperiode, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het
gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen, en kan uitsluitend
schriftelijk gebeuren tegen afgifte van een ontvangstbewijs.
4. Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd na verkregen vergunning
van de directeur van het CWI wordt de opzegtermijn verminderd
met zoveel loonweken als zijn verlopen tussen de datum
van de aanvraag van de ontslagvergunning bij het CWI en de datum
van ontvangst van deze vergunning, waarbij weken van arbeidsongeschiktheid
tot een maximum van vier weken in mindering worden
gebracht, met dien verstande, dat steeds een opzegtermijn van ten
minste één maand in acht dient te worden genomen. Van de aanvraag
tot vergunning om ontslag ontvangt de werknemer gelijktijdig een
aangetekende schriftelijke kennisgeving van de werkgever.
5. Vervallen.
6. a. Conform artikel 7:672 BW bedraagt de door de werkgever in
acht te nemen termijn van opzegging bij een arbeidsovereenkomst
die op de dag van opzegging
• korter dan vijf jaar heeft geduurd en zolang hij bij dezelfde
werkgever in dienst is gebleven: één maand;
• vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd:
twee maanden;
• tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd:
drie maanden;
• vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
Werknemers die op 1 januari 1999 45 jaar of ouder zijn, hebben,
indien het dienstverband ten minste vijf jaar heeft geduurd en zolang

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

zij bij dezelfde werkgever in dienst zijn gebleven, recht op ten minste
de wettelijke opzegtermijnen zoals weergegeven in dit artikel,
tenzij er op basis van bijlage 3 van deze CAO recht bestaat op een
langere opzegtermijn.

Werknemers van 65 jaar en ouder hebben recht op ten minste de wettelijke
opzegtermijnen zoals weergegeven in dit artikel, tenzij er op
basis van bijlage 3 van deze CAO recht bestaat op een langere
opzegtermijn.

b. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging
bedraagt één maand.
7. In afwijking van het bepaalde in lid 6, sub a geldt voor chauffeurs
die op 1 januari 1999 45 jaar of ouder zijn niet de voorwaarde dat
het dienstverband ten minste vijf jaar heeft geduurd.
8. In afwijking van artikel 7:670 lid 1 BW, waarin is bepaald dat de
werkgever niet kan opzeggen gedurende de tijd dat een werknemer
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij
de ongeschiktheid ten minste twee jaar heeft geduurd, kan de werkgever
de dienstbetrekking wel opzeggen, met inachtneming van de
krachtens dit artikel vigerende opzegtermijnen, indien er tijdens de
bedoelde ongeschiktheid op het object waar de werknemer vóór de
aanvang van de ongeschiktheid werkzaamheden heeft verricht geen
werk voor hem meer voorhanden is.
Een dienstbetrekking die aldus is opgezegd, eindigt niet indien de
werknemer op de laatste dag van de opzegtermijn ongeschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid in de zin van artikel 670 lid 2 BW. De
dienstbetrekking eindigt in dat geval – zonder dat herhaalde opzegging
vereist is – eerst op de dag dat de werknemer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid in de zin van artikel 7:670 lid 1 BW.
8. a. Conform artikel 7:670 lid 1 van BW bepaalde, mag de werkgever
de dienstbetrekking wel beëindigen, met inachtneming van de
daarvoor geldende voorschriften, indien de aanvraag tot afgifte
van de ontslagvergunning door het CWI is ingediend, voordat de
ziekte van de werknemer is ingetreden.
9. Bij arbeidsverhindering door vorst of een daarmede in het Vorstuitkeringsreglement
genoemd in artikel 27 van de CAO gelijkgestelde
omstandigheid kan de arbeidsovereenkomst beëindigd worden
op grond van gewichtige redenen ex artikel 7:685 BW, dan wel

indien daartoe een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW
aanwezig is.

HOOFDSTUK 3

DE ARBEID

Artikel 12

Algemeen

2. De werknemer is in beginsel verplicht arbeid te verrichten in een
andere onderneming dan die van de werkgever in wiens dienst hij is.
Indien de werknemer hiertegen bezwaren heeft dient hij zich te rich-
ten tot CAO-partijen. Tot het moment dat CAO-partijen op het
dispensatieverzoek hebben beslist is de werknemer niet verplicht
arbeid in een andere onderneming te verrichten. CAO-partijen verplichten
zich binnen twee werkdagen na indiening van het verzoek
tot een beslissing te komen.
4. Bij ongeoorloofd voortijdig verlaten van het werk is artikel 7:627
BW van toepassing (geen arbeid, geen loon).
5. De werkgevers mogen indien zij dezelfde of soortgelijke arbeid verrichten
als door de werknemers pleegt te worden verricht, deze
arbeid slechts verrichten binnen de grenzen van artikel 13.
6. Het is verboden op de werken of werkplaatsen te vloeken of onzedelijke
taal te gebruiken.
7. De werkgever is verplicht bij het in dienst nemen van een werknemer
zorg te dragen voor een goede introductie, ten minste omvattend:
a. informatie over aard en organisatie van het bedrijf;
b. kennismaking op het werk;
c. mondelinge zowel als schriftelijke informatie over de op de
werknemer van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden;
d. informatie over voorzieningen op het gebied van veiligheid,
gezondheid en hygiëne;
e. informatie aan jeugdige werknemers over de opleidingsmogelijkheden,
zoals het leerlingwezen;
f. indien in de onderneming een OR is ingesteld, zal informatie
gegeven worden over de samenstelling van de OR. Tevens zal
overhandigd worden een reglement van de OR en reglementen
van eventuele commissies van de OR.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

8. Gewetensbezwaren
a. Indien een werknemer gewetensbezwaren heeft tegen de plaatsing
op een bepaald object of tegen werkzaamheden op een
onderdeel daarvan, zal hij door de werkgever in de gelegenheid
worden gesteld op een ander object te gaan werken c.q. andere
werkzaamheden te gaan doen, onder voorwaarde dat de bezwaren
bij de aanvang van de dienstbetrekking of drie maanden voor
de aanvang van bedoelde werkzaamheden aan de werkgever zijn
kenbaar gemaakt.
b. De aangeboden vervangende werkzaamheden moeten worden
aanvaard, indien deze naar redelijkheid aan de werknemer kunnen
worden opgedragen.
c. Indien binnen de onderneming geen vervangend werk voorhanden
is, is ontslag mogelijk, welk ontslag een status heeft van
onvrijwillig ontslag.
Artikel 13

De arbeidsduur

1. De standaardregeling van de nieuwe arbeidstijdenwet uit 1996 is van
toepassing, tenzij en voor zover in deze CAO iets anders is bepaald.
2. a. De werkweek loopt van maandag tot en met vrijdag. De normale
arbeidsduur is 37 1/2 uur per week en 7 1/2 uur per dag.
b. De arbeid wordt gedurende maximaal 7 1/2 uur per dag verricht
tussen 6.00 uur en 18.00 uur. De arbeid mag tot 18.30 uur verricht
worden, mits de werknemer uiterlijk om 19.00 uur thuis kan
zijn.
c. Voor het vervaardigen van monolietvloeren kan dispensatie van
werktijden worden aangevraagd bij CAO-partijen.
3. De werknemer dient bij het begin van de werktijd gereed te zijn om
zich aan het werk te begeven en dient zijn taak, met inachtneming
van de schafttijd, tot aan het einde van de werktijd te blijven verrichten.
4. De dagelijkse werk-en rusttijden worden door de werkgever in redelijk
overleg met de werknemers en met instemming van de ondernemingsraad,
indien aanwezig, in zijn onderneming c.q. op de bouwplaats
vastgesteld.
5. CAO-partijen bevelen werkgevers met minder dan 10 werknemers

aan een verzoek van de werknemer om in deeltijd te werken positief
te bejegenen. Voor werkgevers met 10 of meer werknemers geldt dat
de werkgever het verzoek van een werknemer om aanpassing van de
arbeidsduur inwilligt, voor zover het betreft het tijdstip van ingang
en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs-of
dienstbelangen zich daartegen verzetten.

6. Werknemers van 55 jaar en ouder krijgen het recht, met gebruikmaking
van de hen toekomende vrije dagen, zoals feestdagen, vakantiedagen,
roostervrije dagen en seniorendagen en voor zover nodig
ingekochte of onbetaalde dagen, vier dagen per week te werken.
Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met eventueel in het
bedrijf afgesproken perioden van collectieve bedrijfssluiting, waardoor
men uitsluitend als gevolg van de collectieve bedrijfssluiting
niet iedere week 4 dagen kan werken.
7. Bedrijven die aan de Raamregeling Flexibele Arbeidsvoorwaarden
meedoen mogen de arbeidstijden ook vaststellen buiten het kader
van de CAO, maar wel binnen het kader van de Arbeidstijdenwet.
Daarvoor zijn de voorwaarden:
a. bij de deelname van werknemers aan gewijzigde arbeidspatronen
staat vrijwilligheid van de werknemer en de werkgever voorop;
b. de werkweek omvat maximaal 5 werkdagen;
c. de zaterdag en de zondag zijn geen normale werkdagen;
d. werken op zaterdag kan alleen in een schema van 4 dagen van
9 uur, dan wel 9 uur en 23 minuten;
e. de uren van 6.00 – 21.00 uur vormen het dagvenster waarbinnen
de normale arbeidsduur plaatsvindt;
f. het normale arbeidspatroon en de normale arbeidsduur per dag,
per week en per 3 maanden wordt schriftelijk vastgelegd;
g. voor werkgevers, ook die met minder dan 10 werknemers, geldt
dat de werkgever het verzoek van een werknemer om aanpassing
van de arbeidsduur inwilligt, voor zover het betreft het tijdstip
van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende
bedrijfs-of dienstbelangen zich daartegen verzetten.
Artikel 14

Overwerk

1. Overwerk zal tot een minimum worden beperkt. Slechts in bijzondere
gevallen kan de werkgever, na overleg met en met instemming
van een representatief deel van de daarbij betrokken werknemers en
met instemming van de ondernemingsraad, indien aanwezig, bepalen
dat overwerk kan worden verricht.
Bij het overleg hierover wordt het bedrijfsbelang mede in acht genomen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2. Onder overwerk wordt verstaan het verrichten van arbeid buiten de
grenzen van de normale arbeidsduur als bedoeld in artikel 13.
3. Een werknemer kan niet worden verplicht overwerk te verrichten.
Artikel 15

Tochtvrije arbeid

1. Vanaf 1 september tot 1 mei zullen op de bouwwerken, in overleg
en met medewerking van de bouwdirectie, de hoofdaannemer en/of
de opdrachtgever, alle werkzaamheden als genoemd in artikel 2, werkingssfeer,
tochtvrij moeten kunnen geschieden.
2. Onder tochtvrij wordt verstaan dat de bouwwerken rondom met glas
of met een ander lichtdoorlatend materiaal zijn dichtgemaakt.
3. Zolang de bouwwerken niet aan de voorwaarden in lid 2 gesteld
beantwoorden, worden deze geacht voor de werkzaamheden zoals
genoemd in lid 1 nog niet gereed te zijn, tenzij door het Bedrijfschap
om redenen te zijner beoordeling, dispensatie van het gestelde in de
leden 1 en 2 van dit artikel wordt verleend.
HOOFDSTUK 4

HET LOON

Artikel 16

Algemeen

1. De werkgever kan, na redelijk overleg en met instemming van een
representatief deel van de werknemers in zijn onderneming, de beta-
ling in andere dan wekelijkse perioden vaststellen. Ook kan de werkgever
de betaling van het loon in geld op andere wijze dan in contant
geld doen geschieden.
2. De invoering van een of meer pendagen wordt aan het oordeel van
de werkgever overgelaten. Indien meer dan twee pendagen zijn ingevoerd,
is de werkgever verplicht op de betaaldag een voorschot te
verlenen, dat ten minste gelijk is aan het over de gewerkte dagen verschuldigde
uurloon.

3. Op de betaaldag zal het loon door de werkgever aan elke werknemer
worden uitbetaald – al dan niet via girale betaling – voor of op het
tijdstip van beëindiging van de werktijd. Dit geldt ook voor het geval
een werknemer op een andere dan de betaaldag ontslagen wordt, tenzij
ontslag is gegeven op grond van een dringende reden als bedoeld
in artikel 7:678 BW; in dat geval zal betaling plaatsvinden op de nor-
male betaaldag.
4. Bij de loonbetaling zal aan de werknemer een schriftelijke specificatie
worden verstrekt van:
a. brutoloon, verdeeld in garantieloon, prestatiebeloning, overuren,
reisuren en/of reiskostenvergoeding en andere vergoedingen en/
of toeslagen;
b. de loonheffing en het aandeel van de werknemer ingevolge de
sociale verzekeringswetgeving of deze CAO;
c. hetgeen de werkgever ten behoeve van de werknemer verschuldigd
is aan:
• de Stichting Vakantiefonds Afbouw in geld;
• de Stichting Risicofonds Afbouw in rechtdagen;
• de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid;
• de Stichting Aanvullingsfonds Werknemersverzekeringen Afbouw,
hierna ook te noemen AW Afbouw;
• de Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden Afbouw; hierna
ook te noemen VUT Afbouw;
• de Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds Afbouw,
hierna ook te noemen O&O Afbouw;
• de Stichting Kinderopvang voor het Afbouwbedrijf;
• de Stichting Vroegpensioenfonds voor het Stukadoors-,
Afbouw-en Terrazzo-/Vloerenbedrijf, hierna ook te noemen
VP SATV;
• door afdracht van het verschuldigde bedrag aan A&O Services.
De werknemer heeft een inspanningsverplichting om binnen
12 weken eventuele bezwaren tegen de loonspecificatie kenbaar
te maken bij de werkgever.

5. Bij beëindiging van het dienstverband is de werkgever gehouden bij
de laatste loonbetaling aan de werknemer de werkgeversverklaring
ingevolge de wacht geld-en werkloosheidsverzekering te overhandigen.
6. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden, na afloop
van elk kalenderjaar zal de werkgever aan al zijn werknemers die op
31 december van dat jaar in zijn dienst zijn, dan wel in dat kalenderjaar
in zijn dienst zijn geweest, een opgave verstrekken van het
in dat jaar door hem betaalde brutoloon, alsmede de belasting-en
premie-inhouding.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

7. De werkgever is verplicht administratieve medewerking te verlenen,
zodat de werknemer op vrijwillige basis kan deelnemen aan een
zogenoemde ,,spaarloonregeling’’ (daaronder begrepen de mogelijkheid
het aldus gespaarde tegoed aan te wenden voor een lijfrenteregeling),
danwel een zogenoemde levensloopregeling. Werknemer
heeft het recht op deelname aan een van beide zogenaamde regelingen
en heeft het recht zijn keuze een maal per jaar kenbaar te maken.
Artikel 17

Groepsindeling en functieomschrijvingen

Groep 1 omvat:
De beginnend systeemplafond-en/of systeemwandmonteur
Onder beginnend systeemplafond-en/of systeemwandmonteur wordt
verstaan een werknemer van 21 jaar en ouder die relatief eenvoudige
montagewerkzaamheden verricht op aanwijzing van de plafonneur/
wandensteller en gedurende maximaal 2 jaar in de bedrijfstak werkzaam
is.

Groep 2
Vervallen.

Groep 3 omvat:
Stukadoors opperman
Onder stukadoors opperman wordt verstaan een werknemer van 21 jaar
en ouder die is belast met het blussen van kalk, het bereiden van mortels
en het verzorgen en ter bestemder plaatse brengen van alle benodigde
materialen.

Stukadoors Vloerenleggers opperman
Onder stukadoors vloerenleggers opperman wordt verstaan een werknemer
van 21 jaar en ouder die is belast met het samenstellen en mengen
van species en het verzorgen en ter bestemder plaatse brengen van alle
door de vloerenleggers benodigde materialen.

Vloerenlegger Stukadoors-en Afbouwbedrijf
Onder vloerenlegger stukadoors-en afbouwbedrijf wordt verstaan een
werknemer van 21 jaar en ouder, die is belast met het zonodig volgens
tekening leggen van vloeren van cement of andere bindmiddelen en zand
of andere vulstoffen al dan niet onder toevoeging van andere stoffen.

Vloerenlegger Terrazzobedrijf
Onder vloerenlegger terrazzobedrijf wordt verstaan een werknemer van
21 jaar en ouder die werkzaam is in het terrazzobedrijf en is belast met
het zonodig volgens tekening leggen van alle soorten vloeren bestaande
uit species als genoemd in artikel 2 lid 4 van deze CAO.

Terrazzowerker
Onder terrazzowerker wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en
ouder die is belast met het zonodig volgens tekening verrichten van alle
voorkomende werkzaamheden op het gebied van terrazzo, sierbeton en
houtgraniet.

Polijster
Onder polijster wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en ouder die
is belast met het schuren en polijsten van hoogglanzend terrazzowerk.

Timmerman-modelmaker
Onder timmerman-modelmaker wordt verstaan een werknemer van 22
jaar en ouder die is belast met het volgens tekening maken en stellen van
alle voorkomende bekistingen, alsmede met het volgens tekening vervaardigen
van alle voor het maken van terrazzo en sierbeton benodigde
houten modellen.

De vakvolwassen systeemplafond-en/of systeemwandmonteur
Onder vakvolwassen systeemplafond-en/of systeemwandmonteur wordt
verstaan een werknemer van 22 jaar en ouder die ten aanzien van enkele
werkzaamheden zoals genoemd in de functiebeschrijving van de
plafonneur/wandensteller zelfstandig te werk gaat, ervaring op doet in
het tekening lezen en zich materialenkennis eigen maakt en gedurende
maximaal 3 jaar in de bedrijfstak werkzaam is.

Hulpvloerenlegger Terrazzo
Onder hulpvloerenlegger terrazzo wordt verstaan een werknemer van 21
jaar en ouder die de vakbekwame terrazzowerker behulpzaam is bij het
leggen van alle soorten vloeren.

Schuurder Terrazzo
Onder schuurder terrazzo wordt verstaan een werknemer van 21 jaar en
ouder die is belast met het slijpen – zowel met de hand als met de
machine – van alle door de terrazzowerker vervaardigde producten en
met het afwerken van sierbeton.

Opperman Terrazzo
Onder opperman terrazzo wordt verstaan een werknemer van 21 jaar en
ouder die is belast met het samenstellen en mengen van bestanddelen
voor het vervaardigen van producten, als genoemd in artikel 2 lid 4 van
deze CAO.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Handlanger Terrazzo
Onder handlanger terrazzo wordt verstaan een werknemer van 21 jaar en
ouder die in de werkplaats is belast met het verrichten van niet gespecialiseerde
hulpwerkzaamheden.

Monteur Metalstud
Onder monteur metalstud wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en
ouder die metalstudwanden plaatst.

Groep 4 omvat:
Timmerman
Onder timmerman wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en ouder
die is belast met het aan de hand van tekeningen maken en stellen van
de meest voorkomende bekistingen en het verrichten van stelen timmerwerkzaamheden.

Stukadoor
Onder stukadoor wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en ouder die
is belast met alle voorkomende soorten stukadoorswerk.

Steengaassteller
Onder steengaassteller wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en
ouder die is belast met het eventueel van tekening maken, zowel met de
hand als met behulp van mechanische middelen, van alle voorkomende
metaal-, gaas-, rietmat-en soortgelijke gaasen matconstructies dienende
tot een hechtgrond voor verdere afwerking en die voorts de bijbehorende
werkzaamheden als betonstaal knippen, buigen, aanbrengen en vlechten,
verricht.

Blokkensteller
Onder blokkensteller wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en
ouder die is belast met het eventueel van tekening maken, zowel met de
hand als met behulp van mechanische middelen, van wanden bestaande
uit gips-gasbeton en andere soorten bouwblokken en die voorts de bijbehorende
werkzaamheden als het aanbrengen en stellen van profielen
verricht.

Wand-en plafondspuiter
Onder wand-en plafondspuiter wordt verstaan een werknemer van
22 jaar en ouder die is belast met het aanbrengen van raap-, pleister-en
schuurwerk aan wanden en plafonds met behulp van spuitapparatuur.

Buitengevelisolatiespecialist
Onder buitengevelisolatiespecialist wordt verstaan een werknemer van
22 jaar en ouder die is belast met het aanbrengen, zowel met de hand
als mechanisch, aan buitengevels van alle voorkomende systemen voor
het isoleren van buitengevels met behulp van zand en cement resp.
andere hulpstoffen en andere bindmiddelen, kunststof schuimplaten en
andere isolerende bedekkingen, mechanische bevestigingsmiddelen en
alle soorten lijmen, alsmede alle soorten gaasmatten of andere oppervlakte
spanningen absorberende materialen.
Timmerman-modelmaker, terrazzowerker en polijster die meer dan
5 jaar is ingedeeld in groep 3.

Plafonneur/wandensteller
Onder plafonneur/wandensteller wordt verstaan een werknemer van
22 jaar en ouder die belast is met één of meer van de navolgende werkzaamheden:
het eventueel van tekening maken van wanden en/of al dan
niet vrijhangende plafonds met behulp van enigerlei materiaal al dan niet
dienende voor verdere afwerking en het verrichten van bijkomende
werkzaamheden, zoals onder meer het aanbrengen van profielen c.q.
strips en het aanbrengen van armaturen.

Vloerenlegger
Onder vloerenlegger wordt verstaan een werknemer van 22 jaar en
ouder, die belast is met het zonodig volgens tekening leggen van vloeren
van cement of andere bindmiddelen en zand of andere vulstoffen al
dan niet onder toevoeging van andere stoffen en ten minste vijf jaar in
de bedrijfstak werkzaam is.

Artikel 18

Garantielonen

1. Weeklonen en uurlonen volwassenen
e. Weeklonen en uurlonen volwassenen vanaf week 1 2007
(1 januari 2007)
Groep 1: Weekloon Uurloon
zonder werkervaring € 432,00 € 11,52
1 jaar werkervaring € 438,75 € 11,70
2 jaar werkervaring € 458,25 € 12,22
3 jaar werkervaring € 477,00 € 12,72
4 jaar werkervaring of meer € 477,00 € 12,72

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Groep 3: Weekloon Uurloon

zonder werkervaring € 432,00 € 11,52
1 jaar werkervaring € 456,75 € 12,18
2 jaar werkervaring € 477,75 € 12,74
3 jaar werkervaring € 498,00 € 13,28
4 jaar werkervaring of meer € 519,00 € 13,84

Groep 4: Weekloon Uurloon

zonder werkervaring € 432,00 € 11,52
1 jaar werkervaring € 475,50 € 12,68
2 jaar werkervaring € 496,50 € 13,24
3 jaar werkervaring € 518,25 € 13,82
4 jaar werkervaring of meer € 540,00 € 14,40

f. Weeklonen en uurlonen volwassenen vanaf week 29 2007 (16 juli
2007)
Groep 1: Weekloon Uurloon

zonder werkervaring € 436,50 € 11,64
1 jaar werkervaring € 443,25 € 11,82
2 jaar werkervaring € 462,00 € 12,32
3 jaar werkervaring € 481,50 € 12,84
4 jaar werkervaring of meer € 481,50 € 12,84

Groep 3: Weekloon Uurloon

zonder werkervaring € 436,50 € 11,64
1 jaar werkervaring € 461,25 € 12,30
2 jaar werkervaring € 482,25 € 12,86
3 jaar werkervaring € 503,25 € 13,42
4 jaar werkervaring of meer € 524,25 € 13,98

Groep 4: Weekloon Uurloon

zonder werkervaring € 436,50 € 11,64
1 jaar werkervaring € 480,00 € 12,80
2 jaar werkervaring € 501,75 € 13,38
3 jaar werkervaring € 523,50 € 13,96
4 jaar werkervaring of meer € 545,25 € 14,54

2. Uurloon Jeugdigen (respectievelijk 21 en 22 jaar) (37 1/2 uur)
Jeugdstaffelpercentages:
16 jaar 45%
17 jaar 50%
18 jaar 60%
19 jaar 70%
20 jaar 80%
21 jaar 90% (niet van toepassing op groep 1 en 2)

Ervaringstabel:

geen ervaring 84%
1 jaar ervaring 88%
2 jaar ervaring 92%
3 jaar ervaring 96%
4 jaar ervaring 100%
5 jaar ervaring 104%

a. De werkgever is bevoegd de verhoging van het uurloon in twee termijnen
van 50% te doen plaatsvinden, telkens wanneer de werknemer
een half jaar ouder is geworden en zijn vordering in vakkennis
dit toelaat. Bij het vaststellen van het garantieloon zijn werkgeversen
werknemersorganisaties ervan uitgegaan dat bij toepassing daarvan
door de werkgevers geen wijziging zal worden gebracht in de
met betrokken werknemers overeengekomen prestatiebeloning.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

f. Jeugdloon vanaf week 1 2007 (1 januari 2007)
Functiegroep 1:

Ervaring Geen 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar
Leeftijd
16 jaar
17 jaar
18 jaar
19 jaar
20 jaar
4,80
5,34
6,42
7,48
8,54
5,60
6,72
7,84
8,96
7,02
8,20
9,36
8,54
9,76 10,18
Functiegroep 3:
Ervaring Geen 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar 5 jaar
Leeftijd
16 jaar
17 jaar
18 jaar
19 jaar
20 jaar
21 jaar
5,24
5,82
6,98
8,14
9,30
10,46
6,08
7,30
8,52
9,74
10,96
7,64
8,92
10,18
11,46
9,30
10,62
11,96
11,08
12,46 12,96
Functiegroep 4:
Ervaring Geen 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar 5 jaar
Leeftijd
16 jaar
17 jaar
18 jaar
19 jaar
20 jaar
21 jaar
5,44
6,04
7,26
8,46
9,68
10,88
6,34
7,60
8,88
10,14
11,40
7,94
9,28
10,60
11,92
9,68
11,06
12,44
11,52
12,96 13,48

g. Jeugdloon vanaf week 29 2007 (16 juli 2007)
Functiegroep 1:

Ervaring Geen 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar
Leeftijd
16 jaar
17 jaar
18 jaar
19 jaar
20 jaar
4,86
5,40
6,48
7,54
8,62
5,64
6,78
7,90
9,04
7,08
8,26
9,46
8,62
9,86 10,28
Functiegroep 3:
Ervaring Geen 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar 5 jaar
Leeftijd
16 jaar
17 jaar
18 jaar
19 jaar
20 jaar
21 jaar
5,28
5,88
7,04
8,22
9,40
10,56
6,16
7,38
8,62
9,84
11,08
7,72
9.00
10,28
11,58
9,40
10,74
12,08
11,18
12,58 13,08
Functiegroep 4:
Ervaring Geen 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar 5 jaar
Leeftijd
16 jaar
17 jaar
18 jaar
19 jaar
20 jaar
21 jaar
5,50
6,10
7,32
8,54
9,78
11,00
6,40
7,68
8,96
10,24
11,52
8,02
9,36
10,70
12,04
9,78
11,16
12,56
11,64
13,08 13,60

3. Prijscompensatie – Algemene loonsverhogingen – Eenmalige uitkering
Per week 1 2007 (1 januari 2007) worden de garantielonen met 1% verhoogd.
Per week 29 2007 (16 juli 2007) worden de garantielonen met 1% verhoogd.

De verhoging van de lonen is per bovenstaande data verwerkt zoals
weergegeven in lid 1a t/m f en lid 2b t/m g van dit artikel.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

b. Vervallen.
c. Vervallen.
d. De verhoging van de garantielonen, zoals genoemd in lid a geldt
eveneens voor de verhoging van de omrekeningsfactor (artikel 20 lid
5a).
e. De procentuele verhoging van de garantielonen, zoals bedoeld in lid
a, werkt door in een eventuele prestatietoeslagbedrag, tenzij er sprake
is van een prestatietoeslag in een vast bedrag.
g. De systematiek van de prijscompensatie is inbegrepen in bovengenoemde
verhogingen.
• De verhoging met de procentuele stijging van het consumentenprijsindexcijfer
(afgeleid) van werknemers laag per hierna
genoemde data, zijn inbegrepen in de in artikel 18 lid 3a genoemde
loonsverhogingen:
• 31 december 2006
• 1 juli 2007
• 31 december 2007
4. Voorlieden
a. Voor voorlieden zal het voor hun groep rechtens geldende
garantieloon worden verhoogd met 20% van het voor hen geldende
loon. Deze verhoging kan ten hoogste 25% bedragen
indien en voor zolang door betrokkene niet in tarief wordt gewerkt.
b. Onder voorlieden worden verstaan zij die op een bouwwerk en
uitsluitend of tevens in een werkplaats leiding geven aan ten minste
vijf werknemers.
c. Vervallen.
Artikel 19

Aanvullende loonbepalingen

1. De uurlonen van de niet met name genoemde functies, vallende
onder de werkingssfeer van deze collectieve arbeidsovereenkomst,
worden vastgesteld door CAO-partijen na overleg met het Bedrijfschap.
2. Vervallen.
3. Vervallen.
4. Indien plafond-en wandenmonteurs volgens de werkgever niet nor

maal kunnen doorstromen in de volgende loongroep, kan de werkgever
hiervoor dispensatie vragen bij CAO-partijen.

Artikel 20

Prestatiebeloning

1. De werkgever is bevoegd boven het voor de werknemers geldende
loon een prestatiepremie toe te kennen. Deze premie zal bij voorkeur
worden uitgedrukt in een percentage van het garantieloon.
2. a. In woningbouwobjecten kan het stukadoorswerk in tarief worden
uitgevoerd.
b. Wanneer werkgever en werknemer overeenkomen op andere dan
bovengenoemde objecten in tarief te werken kan dit geschieden
overeenkomstig de tariefregeling van het Bedrijfschap.
3. Op woningbouwobjecten zullen als tarieven de standaardnormen gel-
den. Indien van de standaardnormen afwijkende bewerkingen en/of
tarieftijden of afwijkingen van de tariefbepalingen worden aangevraagd
zal de beoordeling hiervan geschieden door het dagelijks
bestuur van het Bedrijfschap. Als met verkregen toestemming tegen
de van de norm afwijkende of nader vast te stellen tarieven wordt
gewerkt, moet op verzoek van het dagelijks bestuur van het Bedrijfschap
een opgave worden verstrekt van het bereikte oververdienstepercentage
over vier aaneensluitende weken.
4. De beloning van de tariefwerkers zal geschieden volgens de rechtstukloonlijn.
5. a. Volledige afrekening van de onder lid 3 genoemde oververdienste
zal over zo kort mogelijke en opeenvolgende perioden, bij voorkeur
over perioden van één week, doch in ieder geval eens per
vier weken, plaatsvinden; de uiteindelijke betaling der oververdienste
op grond van deze afrekening dient uiterlijk 14 dagen
na het einde van de afrekeningsperiode te geschieden.
Voor de afrekening van de tariefuren gelden de volgende bedragen:
• per week 1 2007 (1 januari 2007) € 9,76
• per week 29 2007 (16 juli 2007) € 9,86
b. De berekening van vakantierechten vindt plaats als ware sprake
van garantieloon plus prestatietoeslag.
6. Aan het werken in tarief worden de navolgende voorwaarden verbonden:
a. de werkgever is verantwoordelijk voor een juiste opmeting van
de op het betreffende object te stukadoren hoeveelheden;
b. de tarieven moeten, met hun bijzonderheden, voor de aanvang

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

der werkzaamheden aan de werknemers worden bekend gemaakt
op zodanige wijze, dat geen misverstand tussen werkgever en
werknemer over de inhoud van het tarief kan ontstaan;

c. werknemers jonger dan 18 jaar en werknemers van 50 jaar en
ouder kunnen niet verplicht worden in tarief te werken.
7. De in de ,,standaardnormen’’ aangegeven tarieftijden zijn gebaseerd
op de prestatie van de volwassen stukadoor en de bij deze normen
omschreven kwaliteit van het stukadoorswerk. Voor de jeugdige, die
alleen of in samenwerking met (een) volwassene(n) arbeid in tarief
verricht, dient uitsluitend ter berekening van het aan deze jeugdige
uit te betalen bruto-uurloon, uitgegaan te worden van het voor volwassenen
geldende uurloon. De waardering van de vakbekwaamheid
en de prestatie van de betrokkene is overgelaten aan het overleg tussen
de werkgever, de jeugdige en eventueel de volwassen werknemer(
s) met wie de jeugdige werkzaam is.
8. Als in tarief wordt gewerkt, ontvangt de werknemer wekelijks minstens
een loon gelijkstaande met hetgeen hij in hetzelfde tijdsverloop
in tijdloon zou hebben verdiend, tenzij hij in tariefwerk door eigen
schuld of onkunde niet aan dit uurloon komt. Is het laatste het geval,
dan zal de werknemer geen recht op het geldende uurloon kunnen
doen gelden en zal de werkgever gerechtigd zijn hem een loon te
betalen, overeenkomende met de door hem geproduceerde tariefuren.
9. Het Bedrijfschap is bevoegd zich ter plaatse van de juiste toepassing
van de tarieven op de hoogte te stellen. Het kan deze bevoegdheid
delegeren aan door het Bedrijfschap aan te wijzen personen. Ingeval
naar de mening van het Bedrijfschap van een niet juiste toepassing
der tarieven sprake is, zal de betreffende werkgever hiervan schriftelijk
op de hoogte worden gesteld, respectievelijk de verleende
goedkeuring voor afwijkende tarieven worden ingetrokken.
10. Het Bedrijfschap draagt zorg voor een reglement waarin de algemene
tariefbepalingen worden geregeld.
11. Voor het vaststellen van het voor de opperman geldende
oververdienste-percentage geldt de volgende regeling:
a. bij het bedienen van zes stukadoors (al of niet plus één jonggezel
en/of leerling) door één opperman heeft deze recht op het
gemiddelde oververdienste-percentage van de ploeg;
b. bij het bedienen van vijf stukadoors (al of niet plus één jong

gezel en/of leerling) door één opperman heeft deze recht op 5/6
deel van het gemiddelde oververdienste-percentage van de ploeg;

c. bij het bedienen van vier stukadoors (al of niet plus één jonggezel
en/of leerling) door één opperman heeft deze recht op 4/6
deel van het gemiddelde oververdienste-percentage van de ploeg;
d. in gevallen dat de aard van het werk (bijvoorbeeld zoals bij het
rieten en in het ruw zetten of verdergaande mechanisatie van
transportmiddelen) zich daartoe leent, kan van het onder a genoemde
aantal te bedienen stukadoors naar boven worden afgeweken,
zonder dat dit de opperman recht geeft op een hoger
oververdienste-percentage dan het gemiddelde percentage van de
ploeg.
Artikel 21

Toeslagen op lonen

1. Kledingtoeslag
De werknemer is verplicht tijdens zijn arbeid goede bedrijfskleding
(overall) en goed veiligheidsschoeisel/laarzen te dragen. Hij zal hiervoor
een netto vergoeding per gewerkte dag ontvangen.
Per week 29 2006 (17 juli 2006) wordt de vergoeding met 2% verhoogd
tot € 1,21.
2. Gereedschapstoeslag
Aan de volwassen en de jeugdige werknemers die werkzaamheden
verrichten als genoemd in artikel 2 lid 2, wordt, voor zover door hen
van eigen gereedschap gebruik wordt gemaakt, een netto gereedschapstoeslag
verstrekt van per dag.
Per week 29 2006 (17 juli 2006) wordt de vergoeding met 2% verhoogd
tot € 0,66.
4. Diplomatoeslagen
Zie artikel 46A.
5. Bedrijfsleermeestertoeslag
Zie artikel 46B.
6. EHBO-toeslag
a. Indien een werknemer met goed gevolg een EHBO-cursus, welke
onder supervisie van het Oranje Kruis valt, heeft gevolgd, zal de
verstrekking van het eenheidsdiploma EHBO hem een aanspraak
geven op vergoeding van het examen-en diplomageld, het Oranje
Kruis-boekje alsmede het eventueel betaalde lesgeld. De cursuskosten
zullen slechts eenmalig worden vergoed. De examenkosten
zullen maximaal twee keer worden vergoed.
b. De binnen het kader van de ,,regeling betreffende het eenheidsdiploma
EHBO’’ vallende jaarlijkse oefenlessen, welke noodza

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

kelijk zijn voor het behoud van het diploma, geven de werknemer
een aanspraak op vergoeding van de administratiekosten,
verbonden aan de verlenging van het diploma, alsmede de kosten
van het eventueel te betalen lesgeld.

c. De in verband met het volgen van een EHBO-cursus (inclusief
het maximaal twee keer afleggen van een examen) als ook de
jaarlijkse oefenlessen door de werknemer te maken reiskosten
zullen door de werkgever worden vergoed op de in artikel 40 lid
2 aangegeven wijze.
Artikel 22

Beloning overwerk of compensatie in vrije tijd

1. Bij overwerk kan de werknemer, met inachtneming van het bepaalde
in lid 2 van dit artikel, kiezen voor ofwel beloning van de verrichtte
overuren, ofwel het nemen van vrijaf gedurende het aantal uren dat
hij, bij keuze voor beloning van de overuren, volgens lid 3 van dit
artikel zou ontvangen.
2. De werknemer is verplicht zijn keuze aan de werkgever tijdig bekend
te maken. Hij zal per geval van overwerk een keuze kunnen maken.
3. Indien de werknemer kiest voor beloning van overwerk, dan zal aan
hem boven het uurloon worden uitbetaald:
a. voor het eerste, tweede en derde overuur: 1/4 uurloon per uur;
b. voor elk volgend overuur 1/2 uurloon.
4. Indien de werknemer kiest voor compensatie van de in lid 3 geregelde
beloning in vrije tijd, kunnen de compensatie-uren in onderling
overleg tussen werknemer en werkgever worden opgenomen.
5. De werkgever zal aan de gemaakte keuze gevolg geven.
6. De in dit artikel gegeven keuzemogelijkheid is ook van toepassing
voor het werken op zaterdag of zondag.
Artikel 23

Beloning verschoven arbeidstijd

In gevallen waarin de werknemer, ingevolge het bepaalde in artikel 14,
gehouden is te werken buiten de grenzen in artikel 13 lid 2 sub b voor

 

geschreven, echter onder handhaving van de in artikel 13 genoemde
arbeidsduur, zal voor de buiten de grenzen van artikel 13 lid 2 sub b vallende
uren een toeslag van en boven het uurloon worden betaald van
25%.

Artikel 24

Beloning werken op zaterdagen, zondagen en feestdagen

1. Indien arbeid op zaterdag wordt verricht, behoudens het geval van
een verschoven werkweek, zal het uurloon met 50% worden verhoogd.
Met arbeid op zaterdag wordt bedoeld het werk tussen des
vrijdagsnachts 12 uur en des zaterdagsnachts 12 uur.
2. Voor het verrichten van werk op zondag wordt het uurloon met 100%
verhoogd. Met zondagsarbeid wordt bedoeld het werk tussen des
zaterdagsnachts 12 uur en des zondagsnachts 12 uur.
De werknemer kan niet verplicht worden tot zondagsarbeid. Met
zondagsarbeid wordt gelijkgesteld werk dat wordt verricht op algemeen
erkende christelijke feestdagen en Koninginnedag.
Artikel 25

Minimumloon

1. Minimumloon volwassenen:
a. indien het op grond van deze CAO verdiende brutoloon van de
in de zin van deze CAO volwassen werknemer per normale week
minder bedraagt dan het loon, dat bij de Wet minimumloon en
minimum vakantiebijslag voor volwassenen is vastgesteld, zal de
werkgever de betreffende werknemer een aanvulling tot dit be-
drag uitbetalen;
b. onder brutoloon wordt verstaan geldend uurloon en prestatie
beloning, alsmede van regeringswege voorgeschreven loontoeslagen.
2. Minimumloon jeugdigen:
a. indien het op grond van deze CAO verdiende brutoloon van de
jeugdige werknemer, per normale week minder bedraagt dan het
loon dat bij de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
ten aanzien van zijn leeftijd is vastgesteld, zal de werkgever de
betreffende werknemer een aanvulling tot dit bedrag uitbetalen;
b. onder brutoloon wordt verstaan geldend uurloon en prestatiebeloning,
alsmede van regeringswege voorgeschreven loontoeslagen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK 5

VERGOEDING BIJ ARBEIDSVERHINDERING

Artikel 26

Lichtverzuim

1. Indien de normale arbeidsduur als gevolg van de duisternis moet
worden ingekort, zal de werkgever nochtans gehouden zijn het vast
overeengekomen loon te betalen over de uren, gedurende welke niet
is gewerkt. Indien de werkgever kunstlicht op het werk heeft aangebracht,
is de werknemer echter verplicht gedurende de normale
arbeidstijd arbeid te verrichten.
2. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de
tijd, bedoeld in het vorige lid van dit artikel, ander werk opdraagt
waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten.
Artikel 27

Onwerkbaar weer

1. De werkgever zal de werknemer 100% van het in deze overeenkomst
vastgestelde uurloon betalen, wanneer en voor zolang (beide ter
beoordeling van de werkgever in redelijk overleg met de betrokken
werknemers) door ongunstige weersomstandigheden niet kan worden
gewerkt.
Zijn deze omstandigheden veroorzaakt door vorst of directe gevolgen
daarvan of het aanwezig zijn van een sneeuwdek, dan geldt het
bepaalde in lid 2 van dit artikel.
2. In geval van werkverhindering door vorst in de periode van de eerste
maandag in november tot en met de laatste vrijdag in maart geldt
ten aanzien van de verplichtingen van de werkgever het volgende:
a. In geval van werkverhindering door vorst zal de werkgever de
werknemer 100% van het in deze overeenkomst vastgestelde vast
overeengekomen loon betalen met de daarbij behorende rechtwaarden
als bedoeld in het Vorstverletuitkeringsreglement, voorzover
ten behoeve van die werknemers over het aantal dagen als
genoemd in artikel 5 van het Vorstverletuitkeringsreglement
Risicofondsbijdrage is of zou moeten worden betaald. Is louter
vanwege de duur van de dienstbetrekking(en) – over minder

dagen Risicofondsbijdrage betaald, – dan heeft de werknemer
geen aanspraak op doorbetaling van loon en de daarbij behorende
rechtwaarden als bedoeld in het Vorstuitkeringsreglement.

b. De bepalingen van de statuten van het Risicofonds en van het
Vorstverletuitkeringsreglement binden de werkgever en de werknemer
alsof zij in deze overeenkomst opgenomen waren.
3. De werknemer die zich zonder toestemming van de werkgever of
diens vertegenwoordiger van het werk verwijdert of na duidelijke
oproeping door de werkgever, wanneer de belemmering is opgeheven,
het werk niet hervat, heeft geen recht op de in de leden 1 en 2
van dit artikel vastgestelde vergoedingen.
4. De werknemer is verplicht, ingeval de werkgever hem gedurende de
tijd, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, ander werk
opdraagt, waarvoor hij geschikt is, deze arbeid te verrichten.
5. Indien in opdracht van de werkgever de werknemer zich bij zijn
werk vervoegt zonder dat er gewerkt kan worden, dient de werkgever
aan de werknemer diens reiskosten te vergoeden, met inachtneming
van het bepaalde in artikel 40.
Artikel 28

Ziekte en ongeval

1. a. In geval van arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer, met
inachtneming van het in artikel 12 lid 3 van deze CAO bepaalde,
aanspraak op
a. gedurende het eerste ziektejaar 100% van het vast overeengekomen
loon en de daarbijbehorende vakantiewaarde;
b. gedurende het tweede ziektejaar 70% van het vast overeengekomen
loon en de daarbij behorende vakantiewaarde.
Indien de werknemer werkt in een prestatiebevorderend systeem,
vindt de doorbetaling van loon bij ziekte plaats over het gemiddeld
genoten loon in de drie maanden direct voorafgaand aan de
eerste ziektedag. De werknemer behoudt in dit geval aanspraak
op

a. gedurende het eerste ziektejaar 100% van het hierboven genoemde
gemiddelde loon en de daarbij behorende vakantiewaarde;
b. gedurende het tweede ziektejaar 70% van het hierboven genoemde
gemiddelde loon en de daarbij behorende vakantiewaarde.
De werkgever is gerechtigd hierop in mindering te brengen een
aan de werknemer toekomende uitkering krachtens de bepalingen

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

van de Ziektewet of hiervoor in plaats getreden andere uitkeringen
in verband met loonderving.

De afdracht van de verschuldigde premies en bijdragen, als
bedoeld in artikel 37, wordt beperkt tot maximaal de opbouwdagen
per rechtjaar. De opbouw van vakantiedagen wordt beperkt
tot maximaal een halfjaar per ziektegeval.
Het hierboven bepaalde is niet van toepassing, indien en voor
zover de werknemer terzake van zijn arbeidsongeschiktheid een
vordering tot schadevergoeding wegens loonderving jegens der-
den kan doen gelden én de werkgever deswege aan de werknemer
heeft verzocht zijn rechten uit die vordering tot schadevergoeding
wegens loonderving aan hem bij akte van cessie over te
dragen. De werknemer is in dat geval tot cessie verplicht.
Cedeert de werknemer zijn rechten aan de werkgever in de
omvang zoals hiervoor bedoeld, dan worden hem alsnog door de
werkgever de bedragen betaald zoals hierboven vermeld en dat
telkens weer op de tijdstippen waarop die betaling zou moeten
plaatsvinden.

b. De werkgever kan bepalen dat de werknemer bij zijn tweede
ziekmelding in één kalenderjaar één roostervrije dag inlevert. Bij
de derde ziekmelding in één kalenderjaar is de werkgever gerechtigd
één wachtdag toe te passen. Bij de vierde ziekmelding in één
kalenderjaar kan de werkgever bepalen dat de werknemer één
vrije snipperdag opneemt.
d. Lid 1a van dit artikel, met uitzondering van het verzuimreglement,
is eveneens van toepassing op de werkloze werknemer die arbeidsongeschikt
is. Deze dient zich te houden aan de door de
uitvoeringsinstantie van WW opgestelde reglementen.
e. De werknemer heeft, indien van toepassing volgens dit artikel,
aanspraak op een uitkering ten laste van de AWSATV.
f. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in het
Reglement Stimulering Reïntegratie, zoals weergegeven in bijlage
14 van deze CAO, en voorzover de door partijen vastgestelde
middelen toereikend zijn wordt in het tweede ziektejaar het
loon van de werknemer aangevuld met een vaste vergoeding per
dag over de dagen waarop de werknemer reïntegratieactiviteiten
en/of arbeidstherapie gericht op werkhervatting verricht.
De vergoeding bestaat uit een vast bedrag per dag ter hoogte van
het verschil tussen enerzijds het totaal van het normale dagloon,
de normale pensioenpremie en de normale vakantiewaarde en
anderzijds het totaal van het dagloon in het 2e ziektejaar, de

daarop gebaseerde pensioenpremie en de daarop gebaseerde
vakantiewaarde op basis van het verlaagde tarief.
De vergoeding kan door de werknemer aangevraagd en gedeclareerd
worden bij het Aanvullingsfonds Afbouw dat jaarlijks een
budget voor deze regeling vaststelt. Indien het budget is uitgeput
vervalt het recht op vergoeding.

g. Er bestaat een Collectieve Regeling Reïntegratie die is ondergebracht
bij reïntegratiebedrijf Keerpunt.
De werkgever ontvangt subsidie voor reïntegratie-activiteiten
voor een arbeidsongeschikte werknemer. Er is een subsidieregeling
voor casemanagement en voor specialistische hulp.
De Collectieve Regeling loopt tot 1 april 2007, waarna deze
eventueel zal worden verlengd. Indien de werkgever gebruik
wenst te maken van de diensten van een ander reïntegratiebedrijf
dan Keerpunt, kan dispensatie worden aangevraagd bij het secretariaat
van CAO-partijen.
Indien de werkgever niet voldoet aan zijn reïntegratieverplichting
heeft de werknemer het recht zelf een reïntegratiebureau in te
schakelen. De hiermee gepaard gaande kosten die niet door de
Collectieve Regeling worden gedekt zullen op de werkgever worden
verhaald.
3. Vervoer stoffelijk overschot
Indien een werknemer tijdens het werk dan wel op weg van of naar
het werk overlijdt, zal de werkgever de kosten van het vervoer van
het stoffelijk overschot naar het normale domicilie in Nederland van
de betrokkene vergoeden aan de nabestaande(n) dan wel aan degene(
n) die de kosten van het vervoer gedragen heeft (hebben), tenzij
bedoelde kosten door een verzekering van de werknemer of door
derden worden vergoed.
4. Bij het overlijden van de werknemer ontvangen de nagelaten betrekkingen
van de werknemer het volledige loon over de maand waarin
het overlijden plaatsvond, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is
aan het loon over twee maanden. Voor de toepassing van deze bepaling
wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende
der echtgenoten van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden
leefde dan wel, bij ontstentenis van deze, degene die door de werknemer
werd verzorgd. Op deze uitkering wordt een eventuele uitkering
ingevolge de Ziektewet of de wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
in mindering gebracht.
6. a. Een werknemer die op of na 25 januari 1994 een recht verwerft
op een uitkering krachtens de WAO, ontvangt, afhankelijk van
het arbeidsongeschiktheidspercentage zoals vastgesteld in het kader
van de WAO, een invaliditeitspensioen. Dit invaliditeitspensioen
bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van
• 80% of meer: 70% van het geldende WAO-dagloon;

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

• 65–80%: 50,75% van het geldende WAO-dagloon;
• 55–65%: 42% van het geldende WAO-dagloon;
• 45–55%: 35% van het geldende WAO-dagloon;
• 35–45%: 28% van het geldende WAO-dagloon;
• 25–35%: 21% van het geldende WAO-dagloon;
• 15–25%: 14% van het geldende WAO-dagloon;
onder aftrek van de aan de werknemer toekomende WAO-uitkering.
Indien uitbetaling van de WAO-uitkering in verband met inkomsten
uit arbeid of in verband met het weigeren van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaatsvindt naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse,
wordt het invaliditeitspensioen berekend naar het
uitkeringspercentage dat volgens de WAO behoort bij die lagere
arbeidsongeschiktheidsklasse.
Onder werknemer wordt tevens begrepen de uitkeringsgerechtigde
die laatstelijk werknemer was in de zin van deze CAO.

b. De uitkeringen van het invaliditeitspensioen worden aangepast
aan de ontwikkeling van de garantielonen, voorzover zulks op
basis van het totale rendement van de onderliggende beleggingen
zonder premieverhoging mogelijk is.
c. De uitvoering van de regeling geschiedt door het Bedrijfspensioenfonds,
dat zijn administratie heeft opgedragen aan Cor-
dares. Voor werknemers, waarop de regeling van toepassing is,
draagt het bestuur Bedrijfspensioenfonds er zorg voor dat de
administratie en financiën van deze regeling gescheiden worden
gehouden van andere voorzieningen, ondergebracht bij het
Bedrijfspensioenfonds.
f. Met ingang van 1 januari 2006 komt de regeling invaliditeitspensioen,
zoals weergegeven in lid 6 a t/m c van dit artikel, te
vervallen. Een uitzondering geldt voor die gevallen waarbij na 1
januari 2006 op grond van de WAO een recht op een uitkering
herleeft, wordt behouden of wordt verkregen.
Artikel 29

Aanvulling Werkloosheidsuitkering

1. Een werkloze werknemer die direct voor het ontstaan van de werkloosheid
werkzaam is geweest in een dienstverband vallend onder de
CAO heeft onder voorwaarden recht op betaling van een aanvulling
op de WW/ZW-uitkering in de vorm van een éénmalige uitkering.
2. Een werkloze werknemer die direct voor het ontstaan van de werk

loosheid werkzaam is geweest in een dienstverband vallend onder de
CAO en die, als hij niet werkloos zou zijn geworden, jegens zijn
werkgever recht zou hebben gehad op betaling van vakantietoeslag,
heeft onder voorwaarden recht op betaling van een aanvulling op de
vakantietoeslag in de WW/ZW-uitkering in de vorm van een éénmalige
uitkering.

3. Een werkloze werknemer die direct voor het ontstaan van de werkloosheid
werkzaam is geweest in een dienstverband vallend onder de
CAO en die, als hij niet werkloos zou zijn geworden, jegens zijn
werkgever recht zou hebben gehad op een vakantiewaarde, heeft
onder voorwaarden recht op betaling van een vast bedrag bij aanvang
van de werkloosheid. Indien de werknemer vervolgens 8 weken
onafgebroken werkloos blijft heeft de werknemer jegens het fonds
nogmaals recht op een vast bedrag.
4. Een werkloze werknemer als bedoeld in lid 1, 2 en 3 heeft jegens het
fonds onder voorwaarden gedurende maximaal een half jaar recht op
financiering van voortzetting van zijn pensioenopbouw bij het BPF
Bouw door het Aanvullingsfonds.
5. Een werkloze werknemer als bedoeld in lid 1, 2 en 3 die is aangewezen
op een Ziektewetuitkering heeft indien intreding in de WIA
volgt, onder voorwaarden recht op voortzetting van de pensioenopbouw
over de periode tussen het eerste halfjaar genoemd in lid 4
en de intreding in de WIA.
6. Elke werkgever die één of meerdere werknemers in dienst heeft
waarop deze CAO van toepassing is, dient aan A&O Services de
loongegevens te verstrekken, die laatstgenoemde noodzakelijk acht
voor de jaarlijkse heffing van de bijdrage ten behoeve van de AW
Afbouw.
7. De uitvoering van de regeling wordt verzorgd door de AW Afbouw,
die zijn administratie heeft opgedragen aan A&O Services. De nadere
voorwaarden van de regeling zijn vastgelegd in het Aanvullingsreglement
AW Afbouw.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK 6

VERLOF

Artikel 31

Vakantie, snipper-en feestdagen

1. Aantal verlofdagen
Ten aanzien van iedere werknemer is het recht op verlof als volgt
geregeld:
c. Over het rechtjaar 2006/2007
Werknemers beneden 18 jaar 29 werkdagen
Werknemers van 18 jaar tot en met 52 jaar 25 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1954 26 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1952 37 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1950 40 werkdagen
d. Over het rechtjaar 2007/2008
Werknemers beneden 18 jaar 29 werkdagen
Werknemers van 18 jaar tot en met 52 jaar 25 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1955 26 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1953 37 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1951 40 werkdagen
e. Het rechtjaar 2006/2007 loopt van 24 april 2006 tot en met
22 april 2007.
Het rechtjaar 2007/2008 loopt van 23 april 2007 tot en met
20 april 2008.
f. Het recht op extra verlofdagen voor werknemers van 53 jaar of
ouder geldt voor alle werknemers die voor de genoemde data in
de leden a tot en met d zijn geboren en gaat in bij aanvang van
het nieuwe rechtjaar in april.
2. Extra verlofdag
In een jaar dat de wintersluiting (de dagen tussen Kerstmis en
Nieuwjaar) vijf verplichte snipperdagen vergt, hebben de werknemers
recht op één verlofdag extra.
3. Snipperdagen
Als verplichte snipperdagen zijn in het rechtjaar 2006/2007 van de
beschikbare verlofdagen aangewezen de vrijdag na Hemelvaartdag,
alsmede 27, 28 en 29 december 2006.
Als verplichte snipperdagen zijn in het rechtjaar 2007/2008 van de

beschikbare verlofdagen aangewezen de vrijdag na Hemelvaartdag,
alsmede 27, 28 en 31 december 2007.

4. Feestdagen
Iedere werknemer heeft recht op verlof tijdens de erkende algemene
en erkende christelijke feestdagen.
Wanneer bij ploegendienst op deze dagen wordt gewerkt, zal ter
compensatie op een andere dag vrijaf worden gegeven.

5. Recht op vrijaf
De werknemer heeft recht op vrijaf op Goede Vrijdag en op 1 mei
zonder behoud van loon en mits 14 dagen van tevoren bij de werkgever
gemeld.
6. Verhindering verlof
Voor zover de werknemer wegens omstandigheden als bedoeld in
artikel 7:635, lid 6 sub a BW verhinderd is zijn verlof te genieten,
moet hem alsnog verlof worden gegeven op een in overleg met de
werknemer door de werkgever vast te stellen tijdstip, mits de werknemer
vóór de aanvang van de verhindering deze aan de werkgever
heeft medegedeeld.
7. Betaling verlof-en feestdagen
De werknemer heeft geen recht op enige betaling door de werkgever
over hem verleende verlof-en feestdagen als in lid 1 tot en met 6
vermeld, indien de werkgever aan zijn verplichtingen tot betaling
van de bijdragen aan het Vakantiefonds heeft voldaan.
8. Afwijkende periode
Werkgever en werknemer kunnen in onderling overleg overeenkomen
om door te werken tijdens de verplichte snipperdagen in december
onder voorwaarde dat deze snipperdagen op een ander tijdstip
opgenomen kunnen worden.
9. Zomervakantie
De werknemer heeft recht op minstens drie weken aaneengesloten
zomervakantie. Indien de werknemer gedurende een langere periode
vakantie wil opnemen, zal de werknemer daarover in overleg treden
voor 1 april van ieder jaar met zijn werkgever. Voorzover bedrijfseconomische
redenen geen belemmeringen opleveren, zal de werkgever
een tijdig verzoek van de werknemer honoreren. Indien de
werknemer gedurende een vastgestelde vakantieperiode ziek was,
zijn werkgever en werknemer verplicht alsnog binnen een redelijk
tijdsbestek (circa twee maanden) na afloop van de ziekte zijn vakantie
vast te stellen. De opname van de vastgestelde vakantie dient
uiterlijk voor afloop van het lopende rechtjaar plaats te vinden.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

10. Opnemen vakantiedagen
De werknemer heeft het recht al zijn vakantiedagen op te nemen in
het desbetreffende vakantiejaar.
Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn is de werknemer gerechtigd om
zoals vastgesteld in het Burgerlijk Wetboek (BW 7:642) de resterende
wettelijke vakantiedagen mee te nemen naar het volgende jaar.
De niet opgenomen wettelijke vakantiedagen verjaren door verloop
van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak
is ontstaan.
11. Bedrijfssluiting
Als een werknemer langer dan 26 weken arbeidsongeschikt is geweest
en als gevolg daarvan over onvoldoende vakantiedagen beschikt
voor een bedrijfssluiting in verband met een zomervakantie,
zal de werkgever de ontbrekende vakantiedagen doorbetalen met een
maximum van vijf dagen.
Artikel 32

Roostervrije dagen

1. Roostervrije dagen zijn dagen, waarop niet gewerkt wordt. Werkgever
en werknemer bepalen in overleg wanneer roostervrije dagen
worden opgenomen. Teveel genoten roostervrije dagen kunnen niet
worden verrekend bij tussentijdse beëindiging van het dienstverband.
De werknemer bouwt gedurende de eerste vijftig weken per kalenderjaar
per vijf weken één roostervrije dag op. In een tijdsbestek van
vijf weken wordt één roostervrije dag vastgesteld in overleg tussen
werkgever en werknemer, bij voorkeur op de maandag dan wel op
de vrijdag.
Eenmaal in de vijf jaar is 5 mei een nationale feestdag. In dat geval
is 5 mei een collectieve roostervrije dag. Gedurende de andere vier
jaar heeft de werknemer het recht op die datum zelf een roostervrije
dag op te nemen.
Het recht op roostervrije dagen vervalt indien de werknemer op deze
dagen arbeidsongeschikt is.
2. De werkgever zal aan de werknemer over de roostervrije dag het vast
overeengekomen loon betalen. De werkgever is op een roostervrije
dag eveneens verplicht te voldoen aan de bijdrageen premieverplichtingen,
zoals genoemd in artikel 37 en artikel 38, jegens de
werknemer.

Artikel 33

Vergoeding verlofdagen en dagen vrijaf

1. Voor de berekening van het loon dat doorbetaald wordt ingevolge
artikel 31 wordt uitgegaan van het garantieloon vermeerderd met ten
hoogste 40% prestatiebeloning.
2. De werkgever, die heeft voldaan aan zijn verplichting, zoals is opgenomen
in artikel 37, is niet gehouden loon tijdens de vakantie aan de
bij hem in dienst zijnde werknemers door te betalen.
3. Voor zover het overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 of overeenkomstig
bepalingen van dagloonbesluiten en zieken-en wachtgeldreglementen
en dergelijke, de door de werkgever voor de werknemer
gestorte bijdragen aan het Vakantiefonds Afbouw en de waarden
daarvan dit toelaten, wordt uit de kas van de Stichting Vakantiefonds
Afbouw vergoed, rekening houdend met artikel 37, lid 1.
c. Over het rechtjaar 2006/2007:
1. De loonderving over de in artikel 31 lid 1 onder c, lid 3 en
lid 4 genoemde verlofdagen.
2. Een vakantietoeslag van 8%.
d. Over het rechtjaar 2007/2008:
1. De loonderving over de in artikel 31 lid 1 onder d, lid 3 en
lid 4 genoemde verlofdagen.
2. Een vakantietoeslag van 8%.
e. De loonderving en de rechtwaarde over de extra verlofdag voor
werknemers van 53 en 54 jaar, over de 12 extra verlofdagen voor
werknemers vanaf 55 jaar of over de 15 extra verlofdagen voor
werknemers vanaf 57 jaar, als genoemd in artikel 31, lid 1 zal via
het Vakantiefonds Afbouw worden uitbetaald. Daartoe dient een
declaratieformulier van het Vakantiefonds te worden ondertekend
door zowel de werkgever als de betrokken werknemer. Slechts
indien een extra verlofdag daadwerkelijk wordt opgenomen, zal
het Vakantiefonds tot uitbetaling overgaan; in afwijking hiervan
betaalt het Vakantiefonds een opgebouwde extra verlofdag wel
uit voor een werknemer wiens dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid
wordt beëindigd.
Een extra verlofdag kan worden opgenomen indien daarvoor voldoende
rechten zijn opgebouwd. Voor werknemers die recht hebben
op 1 extra verlofdag is dit het geval als zij vakantierechten
hebben opgebouwd over de helft van het aantal dagen waarover
in een rechtjaar maximaal rechten kunnen worden opgebouwd
(naar boven afgerond op hele dagen). Voor de werknemers die
recht hebben op 12 extra verlofdagen is dit het geval na 19 dagen
waarover vakantierechten worden opgebouwd. Voor werknemers

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

die recht hebben op 15 extra verlofdagen is dit het geval na
14 dagen waarover vakantierechten worden opgebouwd.
Van de seniorendagen moeten er 5 worden opgenomen in het
rechtjaar waarin de opbouw heeft plaatsgevonden en worden
slechts vergoed aan de werkgever voor zover de seniorendagen
daadwerkelijk zijn opgenomen.
Het Vakantiefonds doet aan partijen bij de CAO een rapportage
van de door dit fonds ontvangen declaratieformulieren toekomen.

f. Bij bedrijfssluiting als gevolg van vakantie heeft de werknemer
die na het verlaten van een school niet kan beschikken over voldoende
vakantierechten recht op doorbetaling van het loon en
kan de werkgever de loonkosten en de PRIS-bijdragen die hij
daarnaast dient te betalen, declareren bij het Vakantiefonds Afbouw,
indien:
• een werknemer jonger is dan 22 jaar en
• hij een leer-/arbeidsovereenkomst of praktijk-/arbeidsovereenkomst
heeft en
• hij voorafgaande aan die arbeidsovereenkomst volledig dagonderwijs
genoot
en

• het dienstverband tijdens de vakantiebedrijfssluiting niet is
verbroken en
• de werknemer ten minste vijf weken direct voorafgaande aan
de bedrijfssluiting heeft gewerkt en
• de werknemer in de periode tussen het verlaten van de school
en het aangaan van het dienstverband niet werkzaam is geweest
in een andere bedrijfstak dan die van het bouwbedrijf,
het natuursteenbedrijf, het stukadoors-, afbouw-en terrazzo-/
vloerenbedrijf of de timmerindustrie.
Artikel 34

Korte verzuimen

1. In de hierna te noemen gevallen en tot de daarbij vermelde duur zal
aan de werknemer bij verzuim, voor zover dit binnen de arbeidstijd
noodzakelijk is, het voor hem vast overeengekomen loon worden
doorbetaald.
Maximaal tien dagen:

a. bij overlijden van echtgenote, van een kind of pleegkind tot en
met 27 jaar van de werknemer.

Twee dagen:

b. bij huwelijk van de werknemer, mits ten minste drie dagen tevoren
aan de werkgever meegedeeld; in het geval van een kerkelijke
huwelijksinzegening zal voor het burgerlijk en het kerkelijk
huwelijk tezamen niet meer dan een vergoeding over twee dagen
worden gegeven;
in het geval van huwelijk bestaat er recht op twee dagen verzuim
– minus de dagen in het weekend en feestdagen – de werknemer
behoudt altijd minimaal het recht op één dag verzuim;
c. bij overlijden van één der ouders of schoonouders.
Ten hoogste drie dagen:

d. voor werknemers van 62, 63 en 64 jaar voor het volgen van een
cursus ter voorbereiding op de tijd van pensionering;
e. bij overlijden van een der ouders of schoonouders van de werknemer,
voor zover in zijn gezinsverband opgenomen, indien de
uitvaart wordt bijgewoond.
Ten hoogste vier dagen:

f. in het geval van bevalling van de echtgenote van de werknemer
bestaat er recht op vier dagen verzuim minus de dagen in het
weekend en feestdagen. De werknemer behoudt altijd minimaal
het recht op twee dagen verzuim.
Eén dag:

g. bij 25-jarig c.q. 40-jarig huwelijksfeest van de werknemer;
h. bij huwelijk van een kind van de werknemer of van een in zijn
gezinsverband opgenomen pleegkind, van een broer, zuster, halfbroer
of halfzuster, zwager of schoonzuster mits ten minste drie
dagen tevoren aan de werkgever meegedeeld;
i. bij overlijden of voor het bijwonen van de uitvaart van een zijner
grootouders of behuwdgrootouders, overgrootouders of pleegouders,
een uitwonend kind of pleegkind, behuwdkind of kleinkind,
een broer of zuster, halfbroer of halfzuster, zwager of
schoonzuster, of een huisgenoot;
j. bij 25-, 40-, 50-en 60-jarig huwelijksfeest van ouders of schoonouders
van de werknemer;
k. bij verhuizing, indien de verhuizing nodig is in verband met zijn
dienstbetrekking.
Ten hoogste één dag:

l. bij militaire keuring of herkeuring;
m. indien een werknemer door zijn behandelend geneesheer wordt
doorverwezen naar een specialist of medisch consultatiebureau
(met een maximum van één dag per bezoek).

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Ten hoogste 4 1/2 uur:

n. bij militaire inspectie of het vervullen van een andere militaire
verplichting van korte duur.
Ten hoogste 2 uur:

o. voor zover dit niet mogelijk is buiten de normale arbeidstijd bij
doktersc.q. tandartsbezoek en medische keuring in het kader van
de WIA/WAO of de collectieve ongevallenverzekering, mits hiervan
tijdig kennis is gegeven, zo mogelijk wordt van dit bezoek
bewijs geleverd. Hierbij geldt dat het verzuim zal worden vergoed
tot maximaal 3 uur indien de werknemer woonachtig is in
een andere plaats dan waar het werkobject gelegen is.
De reiskosten van de werknemer worden vergoed indien hij op
verzoek van de werkgever, de ARBO-dienst of in het kader van
het BGD-pakket de ARBO-dienst bezoekt;
p. bij het uitoefenen van het kiesrecht;
q. bij het verstrekken van bloed in verband met een spoedeisende
oproep in verband met een tekort aan bloed voor een bepaalde
bloedgroep.
Voor de duur van het verzuim:

r. bij medische keuring op verzoek van de werkgever dan wel bij
bedrijfsgeneeskundig onderzoek en algemeen periodiek geneeskundig
onderzoek in het kader van de Bedrijfsgezondheidsdienst
voor de Bouwnijverheid;
s. indien het huwelijk van een kind van de werknemer of van een
in zijn gezinsverband opgenomen pleegkind, van een broer, zuster,
halfbroer of halfzuster, zwager of schoonzuster, valt op zaterdag,
zondag, een christelijke feestdag of tijdens de zomer-of
wintervakantie, zal geen vergoeding worden betaald.
2. Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde regeling voor korte verzuimen
wordt de partner van de werknemer gelijkgesteld aan de echtgenote
indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1 lid 11 van
deze CAO.
Artikel 35

Bijzonder verlof

a. De werknemer heeft recht op doorbetaling van loon, ter bijwoning
van een vergadering of studiebijeenkomst van zijn organisatie, indien
hij daarvoor persoonlijk is uitgenodigd en het verlangen om daaraan

deel te nemen zo spoedig mogelijk aan zijn werkgever kenbaar heeft
gemaakt. Bedoelde verlofdag(en) zal (zullen) worden aangemerkt als
werkdag in het kader van de referte-eis WW.

b. De werknemer wordt in de gelegenheid gesteld langdurig betaald
verlof op te bouwen door middel van het opsparen van vakantiedagen
en het storten van financiële bijdragen uit bijvoorbeeld de
overwerkvergoeding, voor zover passend binnen de wettelijke kaders,
met in achtneming van een door CAO-partijen op te stellen
reglement. De aldus opgebouwde rechten worden beheerd bij het
Vakantiefonds.
Artikel 36A

Ouderschapsverlof

De werknemer, die de verzorging heeft van een kind tot 4 jaar, heeft het
recht om gedurende maximaal één jaar voor ten hoogste 50% van de
normale arbeidsduur onbetaald verlof op te nemen. Het verlof dient te
worden opgenomen door middel van hele dagen.

Artikel 36B

Palliatief verlof

De werknemer heeft recht op maximaal tien dagen betaald verlof per
jaar ten behoeve van stervensbegeleiding van zijn ouders, partner of kinderen.
De werkgever heeft het recht de wettelijke uitkering inzake palliatief
verlof te verrekenen met de in de vorige volzin bedoelde doorbetalingsplicht.

Artikel 36C

Kortdurend zorgverlof

In aanvulling op de wettelijke regeling kortdurend zorgverlof zal de
werkgever gedurende maximaal 3 dagen per jaar een aanvulling verstrekken
aan de werknemer tot 100% van het loon.

Artikel 36D

Declaratieregeling verlof

Werkgevers kunnen het tijdens het rouwverlof, palliatief verlof en zorgverlof
aan de werknemer doorbetaalde vast overeengekomen loon,
vakantiewaarde en werkgeverslasten declareren bij de Stichting Risicofonds
Afbouw, onder de voorwaarden zoals weergegeven in het Reglement
Verlofdeclaratie in bijlage 13 van deze CAO.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK 7

SOCIALE FONDSEN

Artikel 37

Sociale Fondsen en premieverplichtingen

1. De bepalingen van:
• de Statuten en het reglement van de Stichting Vakantiefonds
Afbouw, hierna te noemen het Vakantiefonds;
• de Statuten, het Vorstverletuitkeringsreglement en het Reglement
Verlofdeclaratie van de Stichting Risicofonds Afbouw, hierna te
noemen het Risicofonds;
• de Statuten en het Financieringsreglement van de Stichting
Opleidings-en Ontwikkelingsfonds Afbouw, hierna te noemen
O&O Afbouw;
• de Statuten, het Reglement en het Reglement Stimulering Reïntegratie
van de Stichting Aanvullingsfonds Werknemersverzekeringen
Afbouw, hierna te noemen de AW Afbouw, dan wel eventuele
rechtsopvolger(s);
• de Statuten en het reglement van de Stichting Vrijwillig Vervroegd
Uittreden Afbouw, hierna te noemen het VUT Afbouw;
• de Statuten van de Stichting Kinderopvang voor het Afbouwbedrijf;
alsook nadere uitvoeringsvoorschriften van organisatorische en
administratieve aard, welke door de besturen van genoemde
Stichtingen worden gegeven binnen het kader en de doelstellingen
van hun statuten en hun reglementen; binden de werkgever
en werknemer, en maken integrerend onderdeel uit van de CAO.
1a. Voor het jaar 2007 zijn voor de onderstaande fondsen en regelingen
de volgende premies vastgesteld:

• voor de Stichting Vakantiefonds Afbouw 24,86% van het brutoloon;
• voor de Stichting Risicofonds Afbouw 6% van het brutoloon;
• voor de Stichting O&O-fonds Afbouw 0,06% van het brutoloon
in week 1 t/m 8 en 0,33% van het brutoloon vanaf week 9;
• voor de Stichting Aanvullingsfonds Werknemersverzekeringen
Afbouw 0,50% van het brutoloon;
• voor de Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden 2,9% van het
brutoloon;
• voor de Stichting Kinderopvang voor het Afbouwbedrijf 0,27%

van het brutoloon in week 1 t/m 8 en 0,00% van het brutoloon
vanaf week 9;

• voor de Regeling Fysiotherapie € 0,12 per werknemer per gewerkte
dag.
2. Werkgevers jegens de bovengenoemde fondsen, wordt daarmede aan
elk betrokken fonds een zelfstandig recht op invordering jegens de
werkgevers toegekend. Daarnaast heeft daar waar in deze CAO
wordt gesproken over bijdrage-en premieverplichtingen van de
werkgevers jegens de bovengenoemde fondsen elk betrokken fonds
een zelfstandig recht op invordering jegens de werkgevers met uitzondering
van het Vakantiefonds.
3. De betalingen van de bijdragen en premies ter voorziening in de
doelstellingen van de in lid 1 genoemde fondsen dienen rechtstreeks
te worden voldaan aan A&O Services, waaraan voornoemde fondsen
de administratie hebben opgedragen. A&O Services is onder meer
gehouden aan de desbetreffende werknemers mededeling te doen
omtrent de uit voormelde betalingen voortvloeiende opbouw van
rechten, welke de werknemers aan voormelde fondsen kunnen ontlenen.
4. De werkgever dient binnen veertien dagen na afloop van het loontijdvak
van vier weken alle gegevens benodigd voor de berekening
en inning van de in lid 1 van dit artikel genoemde fondsen, alsmede
alle overige regelingen waarvan de administratie aan A&O Services
is opgedragen, uit eigen beweging bij A&O Services in te dienen.
5. Het verschuldigde aan premies en bijdragen dient te worden vastgesteld
aan de hand van een door A&O Services aan de werkgever te
verstrekken premiewaardentabel. De methode van betaling wordt in
een afzonderlijke instructie aan de werkgever ter hand gesteld. Iedere
door A&O Services opgelegde nota inzake de in lid 1 genoemde
fondsen dient binnen 14 dagen te worden voldaan.
6. A&O Services verstrekt aan de werknemer minimaal dertienmaal per
jaar een overzicht van de door zijn werkgever te zijn naam betaalde
premies en bijdragen, alsmede van het totaal van zijn tegoed uit het
Vakantiefonds en de voor hem in het betreffende rechtjaar opgebouwde
rechten Pensioenfonds. Een extra overzicht zal worden toegezonden
indien er, in verband met terugkoppeling vorstverletgegevens
in een winter, tussen de verzending van de reguliere
overzichten een te grote tijdspanne ligt.
7. Het bestuur van het Vakantiefonds stelt nadere voorschriften vast
omtrent de wijze waarop de werknemer over zijn tegoed kan beschikken
en stelt de werknemer daarvan schriftelijk op de hoogte.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

8. Indien door een werkgever geen premies en bijdragen als bedoeld
onder lid 3 voor een bij hem in dienst zijnde werknemer worden
gestort, ontvangt de desbetreffende werknemer, indien er sprake is
van 10 weken of meer achterstand, een overzicht met de vermelding
dat geen premies en bijdragen gestort zijn. Onder nader door het
bestuur van het Vakantiefonds vast te stellen voorwaarden kan een
werknemer alsdan een beroep doen op een garantieregeling opgenomen
in bijlage 2 met dien verstande dat onder die regeling per dienstverband
per rechtjaar maximaal over acht weken kan worden uitgekeerd.
9. De afdracht van premies wordt beperkt tot maximaal de opbouwdagen
per rechtjaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 28 lid 1
en 31 lid 10 van deze CAO.
10. Alle schade ten gevolge van te late betaling, waaronder buitenrechtelijke
kosten – zowel die van de instantie die tot invordering
van de verschuldigde premie(s) overgaat, als die van het al dan niet
vervolgens ingeschakelde incassobureau, als die van de al dan niet
vervolgens ingeschakelde advocaat – en gerechtelijke kosten – waaronder
advocaatkosten –, zullen door de premieschuldige moeten
worden voldaan.
De kosten worden vastgelegd in een door de initieel invorderende
instantie, in casu A&O Services te Rijswijk, op basis van actuele
gegevens over werkelijk buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten
vast te stellen kostenstaffel.
Er is geen grondslag voor een rechterlijke matiging van de (forfaitair
bepaalde) buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten, aangezien de
kosten, mits vastgesteld op bovenstaande wijze, redelijk zijn gelet op
de tarieven volgens welke dergelijke kosten gewoonlijk aan de opdrachtgevers
in rekening worden gebracht en de aard van de aansprakelijkheid
en de rechtsverhouding meer dan voldoende aanleiding
geeft voor vergoeding op deze wijze.
Artikel 38

Toekenning rechtwaarden en inning premies

1. Krachtens de bepalingen van de in lid 1 van artikel 37 genoemde
reglementen is de werkgever voor iedere dag, tot een maximum van
vijf dagen per week, jegens de werknemer gehouden tot het storten
van de voorgeschreven bijdragen en premies in de in artikel 37 lid 1
genoemde fondsen, met dien verstande dat die verplichtingen over

zaterdagen en zondagen niet op de werkgever rusten, tenzij de op
zaterdag en zondag verrichte arbeid betrekking heeft op buiten de
grenzen van artikel 13 lid 1 vallende uren, waarbij de normale
arbeidsduur niet wordt overschreden.

2. De werkgever betaalt hetgeen hij ten aanzien van zijn werknemer
verschuldigd is aan de in artikel 37 lid 1 onder c genoemde fondsen
alsmede de bijdrage voor de collectieve ongevallenverzekering en de
collectieve verzekering fysiotherapie rechtstreeks aan A&O Services,
het uitvoeringsorgaan van bedoelde fondsen. Voor de wijze waarop
zijn werknemers over hun uit die betalingen voortvloeiende rechten
kunnen beschikken, wordt verwezen naar artikel 37 lid 7, 8 en 9.
3. In het geval dat een werknemer wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
in de zin van de WIA/WAO minder dan 71/2 uur per dag
werkt, is de werkgever ten aanzien van deze werknemer aan de in
artikel 37 genoemde fondsen bijdragen en premies verschuldigd
waarvan de hoogte is afgestemd op het door hem verdiende loon en
de vakantierechten als genoemd in artikel 33, lid 1.
4. Bovendien is de werkgever jegens de werknemer gehouden tot het
storten van de voorgeschreven bijdragen en premies als bedoeld
onder lid 1, over een dag waarop de werknemer niet heeft gewerkt,
maar waarover de werkgever aan de werknemer wel loon heeft
betaald, dan wel verschuldigd is.
Onder ,,loon’’ wordt ten deze niet begrepen een al dan niet verplichte
aanvulling op een uitkering ingevolge een der sociale verzekeringswetten.
6. De werkgever is voorts gehouden tot het storten van de voorgeschreven
bijdragen en premies als bedoeld onder lid 1, voor iedere dag,
waarover hij op grond van het bepaalde in het Vorstverletuitkeringsreglement,
en het Reglement van de AW SATV bijdrage verschuldigd
is aan de Stichting Risicofonds Afbouw, de Stichting Vrijwillig
Vervroegd Uittreden Afbouw en de Stichting Aanvullingsfonds Werknemersverzekeringen
Afbouw.
7. De werkgever is van zijn schuld ten aanzien van zijn voormelde verplichtingen
gekweten, door het storten van de in lid 1 genoemde bijdragen
bij A&O Services of zijn vertegenwoordigers.
8. Het tegoed aan vakantiewaarden wordt verminderd indien de werknemer
over een of meer feestdagen of verplichte snipperdagen een
uitkering krachtens de Werkloosheidswet heeft ontvangen. Deze vermindering
is gelijk aan 90% van het netto bedrag aan WW-uitkering
dat over de feestdagen of de verplichte snipperdagen werd uitbetaald.
Onder feestdagen en verplichte snipperdagen worden in dit verband
verstaan de feestdagen en verplichte snipperdagen bedoeld in de

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

CAO. De vermindering vindt plaats ten aanzien van de werknemer
op wiens arbeidsverhouding laatstelijk voor het intreden van zijn
werkloosheid de CAO van toepassing was.

HOOFDSTUK 8

ARBEID BUITEN DE WOONPLAATS

Artikel 39

Vergoeding reiskosten bij arbeid buiten en in de woonplaats

1. De in de artikelen 40, 41 en 42 genoemde vergoedingen zullen door
de werkgever worden verstrekt in de volgende gevallen:
a. indien een werknemer op last van de werkgever (of diens vertegenwoordiger),
bij wie hij ten minste een week in dienst is, wordt
tewerkgesteld in een andere woonplaats;
b. indien een werknemer – op uitdrukkelijke aanvraag van de werkgever
bij het CWI of nevenbureau in welks ressort het werk is
gelegen – door tussenkomst van het CWI wordt bemiddeld voor
arbeid buiten zijn woonplaats;
c. indien de werknemer die werkzaam is in de woonplaats of gemeente
waarin hij woonachtig is en moet reizen om van zijn
woning naar zijn werk te komen en terug te komen.
2. Werknemers dienen voorgenomen extreem verre verhuizingen voortijdig
met de werkgever te bespreken. Indien een werknemer zonder
toestemming van de werkgever verhuist naar een plaats die verder
dan 25 kilometer van het werk is gelegen is de werkgever niet
gehouden de reiskosten boven de 25 kilometer te vergoeden.
Artikel 40

Vergoeding reiskosten en vervoermiddelenvergoeding

1. Indien een werknemer, die daarvoor op grond van het bepaalde in
artikel 39 in aanmerking komt, naar het oordeel van de werkgever
bij het zich naar en van het werk begeven gebruik moet maken van
een eigen vervoermiddel en/of daarvan tijdens en ten behoeve van
de werkzaamheden gebruik maakt, zal hem daarvoor een vervoermiddelenvergoeding
worden betaald.

Per week 29 2006 (17 juli 2006) wordt de vergoeding met 2% verhoogd
tot de volgende bedragen:

a. voor het gebruik van een rijwiel € 0,99 per dag;
b. voor het gebruik van een bromfiets € 1,21 per dag voor de eerste
20 km en € 0,11 voor elke meerdere kilometer;
c. voor het gebruik van een motorrijwiel € 0,27 per km;
d. voor het gebruik van een auto € 0,11 per kilometer per inzittende,
met een minimum van € 0,31 tot een maximum van € 0,37 per
kilometer.
Indien het gebruik van de eigen auto en het meenemen van collega’s
op vrijwillige basis gebeurt, zal op verzoek van de chauffeur en de
inzittenden de chauffeur een vergoeding ontvangen ter hoogte van de
maximaal fiscaal onbelaste vergoeding per kilometer tot maximaal
de vergoeding zoals bedoeld onder d van dit lid. De eventuele rest
van de vergoeding, zoals bedoeld onder d van dit lid, zal worden verdeeld
onder de overige inzittenden.

Deze vergoedingen zullen ook worden betaald wanneer de werkne-
mer tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden van deze vervoer-
middelen gebruik maakt.
De in dit lid genoemde bedragen zijn brutobedragen.

3. Indien naar het oordeel van de werkgever door de in lid 1 bedoelde
werknemer gebruik moet worden gemaakt van een openbaar middel
van vervoer, zal door de werkgever aan de werknemer een jaarmaandkaart
openbaar vervoer worden verstrekt.
4. Een werknemer die in opdracht van zijn werkgever gebruik maakt
van zijn eigen auto, is verplicht een inzittendenverzekering af te sluiten.
De werkgever is niet aansprakelijk voor eventuele schade aan de
auto van de werknemer. Partijen adviseren werknemers een cascoverzekering
te nemen.
Artikel 41

Reisuren

1. De duur van de reis, welke wordt gemaakt met een:
a. openbaar middel van vervoer;
b. door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel;
c. eigen vervoermiddel;
zal door de werkgever aan de werknemer worden vergoed tegen
het voor die werknemer geldende garantieloon, behoudens de
eerste 60 minuten per dag, welke niet door de werkgever worden
vergoed. Deze eerste 60 minuten per dag worden wel vergoed

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

aan de werknemer, die als bestuurder van een auto met inzittenden
optreedt.

2. Onder ,,duur van de reis’’ als bedoeld in lid 1 wordt verstaan de tijdsduur
welke wordt gereisd van de woning tot het werk en terug.
3. Indien de totale duur van de werktijd, rusttijd en reistijd, gerekend
van het ogenblik van vertrek van het vervoermiddel als genoemd in
lid 1 tot het ogenblik van terugkomst daarvan, per dag meer bedraagt
dan 10 3/4 uur zal de normale werktijd met het meerdere moeten
worden gekort. Over de rusttijd wordt geen loon uitbetaald. De in de
normale arbeidstijd vallende reisuren zullen als arbeidsuren worden
betaald en de overige reisuren worden als reisuren betaald.
4. Ter bepaling van de reisduur wordt aangenomen dat per uur de volgende
afstanden worden afgelegd:
a. per rijwiel 15 km;
b. per rijwiel met hulpmotor 25 km;
c. per twee c.q. driewielig motorrijtuig 40 km;
d. per auto 50 km.
Artikel 41A

Dispensatie reiskosten en reisuren

De werkgever en voor zover van toepassing de Ondernemingsraad, of
de Personeelsvertegenwoordiging, of de Personeelsvergadering kunnen
gehoord hebbende het personeel, op bedrijfsniveau een regeling reiskosten/
reisuren overeenkomen welke afwijkt van de CAO. Voor deze regeling
moet dispensatie worden aangevraagd bij CAO-partijen. Hierbij
wordt de aanvraag door CAO-partijen marginaal getoetst en wordt vooral
gelet op het feit dat het personeel voldoende is gehoord.

Een dispensatieverzoek kan worden gericht aan de secretaris van CAOpartijen
Afbouw, Postbus 377, 2280 MA Rijswijk.

Artikel 42

Reiskosten en reisuren bij geoorloofd verzuim

Voor de werknemers als bedoeld in artikel 40 van deze CAO zal de
werkgever in geval van verzuim om de in artikel 34 lid 1 vermelde redenen
de gemaakte reiskosten van een openbaar middel van vervoer

(tweede of daarmede gelijk te stellen klasse) vanaf de plaats van tewerkstelling
tot de woonplaats van de werknemer en terug, alsmede de duur
van de reis, tegen het voor de werknemer geldende uurloon vergoeden.

Artikel 43

Bij tijdelijk verblijf elders

1. Indien het werk zover buiten de plaats, waarvoor de werknemer is
aangenomen, respectievelijk diens woonplaats, gelegen is, dat de
werknemer des avonds niet huiswaarts kan keren, zullen hem op kosten
van de werkgever behoorlijke voeding en logies worden verstrekt,
waarvoor door de werknemer een kwitantie zal worden getekend
ten bedrage van de werkelijke kosten.
2. Eenmaal per week zullen de in lid 1 bedoelde werknemers naar huis
mogen gaan met inachtneming van het bepaalde in artikel 13 van
deze overeenkomst. De daaruit voortvloeiende reiskosten (tweede of
daarmede gelijk te stellen klasse) zullen door de werkgever worden
vergoed.
Noodzakelijk te maken reisuren zullen de werknemer worden vergoed
tegen het voor hem geldende uurloon, mits de reistijd niet valt
binnen de normale werktijd.

3. De werknemer, bedoeld in dit artikel behoudt recht op vrije voeding
en logies, indien hij door ziekte of ongeval arbeidsongeschikt wordt,
voor zolang hij verblijf houdt in de plaats waar hij te werk is gesteld.
De werkgever heeft het recht op zijn kosten zodanige werknemer
naar zijn woonplaats te doen vervoeren, indien dit vervoer medisch
verantwoord wordt geacht; is evenwel vervoer naar de woonplaats
medisch noodzakelijk, dan is de werkgever verplicht de kosten voor
zijn rekening te nemen. Deze verplichting geldt niet als de verzekering
van de werknemer ook in dit vervoer voorziet. De werkgever is
dan wel gehouden de eventuele eigen bijdrage van de werknemer
voor dit geval te vergoeden. Zolang de werknemer als gevolg van
tewerkstelling buiten de woonplaats verpleegd wordt in een andere
plaats dan waar hij woonachtig is, zal de echtgenote van de betreffende
werknemer haar man eenmaal per week op kosten van de
werkgever kunnen bezoeken.
Artikel 44

Aansprakelijkheid bij vervoer

1. De werknemer is niet verplicht gebruik te maken van een door de
werkgever of diens vertegenwoordiger ter beschikking gesteld vervoermiddel,
dat niet voldoet aan wettelijke bepalingen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2. Het in lid 1 bepaalde is ook van toepassing wanneer:
a. het vervoer door de werkgever aan derden is opgedragen;
b. het vervoer in overleg met de werkgever door een van de in
dienst zijnde werknemers wordt uitgevoerd.
3. De werkgever is verplicht zijn aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt
aan de werknemers en/of diens nagelaten betrekkingen, in
geval van vervoer van zijn werknemers door of vanwege of in
opdracht van hem of zijn vertegenwoordiger(s) door verzekering te
laten dekken.
HOOFDSTUK 9

WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

Artikel 45

De vakopleiding

1. Werkgevers en werknemers zullen de vakopleiding en de beroepspraktijkvorming
(vroegere leerlingstelsel) bevorderen. Te dien einde
zal de werkgever voor de bij hem in dienst zijnde werknemers die
geen afgeronde vakopleiding hebben een beroepspraktijkvormingsovereenkomst
(BPVO) (vroegere leerovereenkomst) aangaan op de
voorwaarden waaronder de vakopleiding conform de Wet Educatie
en Beroepsonderwijs (WEB) is georganiseerd door het Kenniscentrum
Savantis. De deelnemer kan, wanneer dit dienstbaar is aan
zijn opleiding – met instemming van de werkgever en de consulent
– en dit niet in strijd is met het reglement van de opleiding, tijdelijk
in het bedrijf van een andere ondernemer worden geplaatst, of extra
lessen gaan volgen op een ter beschikking staande theorie-en/of
praktijkcursus.
2. Onverminderd het bepaalde in de beroepspraktijkvormingsovereenkomst
(BPVO) en met inachtneming van artikel 47 en artikel 48
is de werknemer voor wie een beroepspraktijkvormingsovereenkomst
(BPVO) is afgesloten, verplicht:
a. de opleiding in de onderneming van zijn werkgever met ijver en
naar beste kunnen te volgen;
b. het aanvullend theoretisch onderwijs te volgen.
3. Onverminderd het bepaalde in de beroepspraktijkvormingsover

eenkomst (BPVO) en met inachtneming van artikel 47 en artikel 48
is de werkgever verplicht de werknemer met wie hij een beroepspraktijkvormingsovereenkomst
(BPVO) als bedoeld in lid 1 heeft
afgesloten, met behoud van loon in de gelegenheid te stellen:

a. tot het bijwonen van het aanvullend theoretisch en praktisch
onderwijs, ook als dit wordt gegeven binnen de normale werktijd,
maar dan ten hoogste gedurende 7,5 uur per week. Tevens
moet deze werknemer in de gelegenheid worden gesteld tijdens
werktijd een cursus bij te wonen van een der vormingsinstituten
voor werkende jongeren, maar dan gedurende ten hoogste 4 uur
per week;
b. tot het bijwonen van een cursus van de instellingen voor werkende
jongeren krachtens de Wet op de erkende Onderwijsinstellingen,
ook als deze wordt gegeven binnen de normale werktijd
maar dan ten hoogste 7,5 uur per week en indien er geen gelegenheid
is tot het bijwonen van het theoretisch en praktisch
onderwijs, zoals in sub a is omschreven;
c. werknemers, die aanvullend theoretisch onderwijs volgen aan
avondonderwijsinstellingen, in de gelegenheid te stellen op de
dagen dat zij naar de onderwijsinstelling moeten het werk zoveel
eerder te beëindigen als nodig moet worden geacht;
d. tot het afleggen van examens, waaronder ook het vakexamen
gezel en andere activiteiten, welke in het belang van de opleiding
nodig worden geacht door de opleidingsorganen als bedoeld in
lid 1. Een en ander onder voorbehoud, dat betrokkene bij zijn
indiensttreding aan de werkgever kenbaar heeft gemaakt, dat hij
voor een bepaald diploma studeert;
e. indien een werknemer examen doet voor een diploma en/of certificaat
voor een (deel) kwalificatie van het Kenniscentrum Savantis
of een daarmede door of namens partijen gelijk te stellen
instelling ingevolge de Wet Educatie en Beroepsonderwijs, over
het daaruit voortvloeiende verzuim; dit geldt voor de basisberoepsopleiding
en de vakopleiding.
4. Indien een werknemer deelneemt aan avondonderwijs gericht op zijn
persoonlijke ontwikkeling zoals VMBO of HAVO zal hij daarvoor
op de dagen dat hij dit onderwijs volgt, in de gelegenheid worden
gesteld de arbeidsdag zoveel eerder te beëindigen als in verband met
het aanvangsuur van het avondonderwijs nodig is, zulks met behoud
van loon.
6. Leden van een Regionale Commissie Onderwijs en Bedrijfsleven
(RCOB) van het Kenniscentrum Savantis hebben recht op verlof,
zonder doorbetaling van loon, ter bijwoning van een vergadering van
een RCOB, indien het verlangen hiertoe zo spoedig mogelijk aan de
werkgever is kenbaar gemaakt.
7. De werkgever is verplicht aan de werknemer, die de basis

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

beroepsopleiding (de vroegere primaire opleiding) of de (voortgezette)
vakopleiding volgt, een werkgarantie te bieden voor de duur
van tenminste een jaar, die kan worden verlengd voor de duur van
een jaar. De maximale duur van de werkgarantie is twee jaar met de
mogelijkheid van verlenging met een jaar na een positief advies door
de consulent. Indien de beroepspraktijkvormingsovereenkomst wordt
beëindigd, wordt van rechtswege ook de arbeidsovereenkomst beëindigd.

8. Het dienstverband van de werknemer met een BPVO kan worden
beëindigd, ook gedurende de looptijd van de overeenkomst, indien
diens gedrag in de werksituatie daartoe aanleiding geeft en ook de
directeur van het CWI, c.q. de kantonrechter daar voldoende redenen
toe aanwezig acht. In dat geval zal de BPVO één maand na beëindiging
van de arbeidsovereenkomst worden beëindigd.
Artikel 45A

EVC

Er wordt door CAO-partijen een EVC traject ingevoerd. Het EVCtraject
geldt alleen voor het aspirant-gezel niveau (niveau 2 BBO).
Betrokkene moet ten minste 25 jaar oud zijn en tevens ten minste 5 jaar
in de sector werkzaam zijn. De diplomatoeslag wordt ingebouwd in de
prestatietoeslag, indien mogelijk. De hoogte van de bonus bij slagen is
€ 230,–.
Bij het bereiken van het jaarlijks door CAO-partijen vast te stellen budget
hebben werknemers geen recht meer op deelname aan deze regeling.

Artikel 46A

Diplomatoeslagen

1. De werknemer, die in het bezit is van een diploma basisberoepsopleiding
niveau 2 of aspirant-gezel, uitgereikt door het
Kenniscentrum Savantis, heeft recht op een uurloon, dat 5% hoger is
dan het normaal voor deze werknemer geldende uurloon.
2. De werknemer, die in het bezit is van het diploma ,,Gezel’’ van de
Vereniging tot Veredeling van het Ambacht of het diploma ,,Voortgezette
opleiding’’ c.q. vakopleiding van het Kenniscentrum Savantis,
heeft recht op een uurloon, dat 10% hoger is dan het normaal
voor deze werknemer geldende uurloon.

3. Bij werken in tarief vindt het bepaalde onder 2 in dit artikel geen
toepassing, behoudens in zoverre, dat bij de vaststelling van de rechtwaarde
wordt uitgegaan van het uurloon van groep 2 verhoogd met
5%.
4. De jeugdige werknemer, die op grond van een afgelegd examen het
diploma ,,aspirant-gezel’’ c.q. basis-beroepsopleiding van het Kenniscentrum
Savantis behaalt, heeft recht op een eenmalige bijdrage in
de studiekosten van € 230,–. Daartoe dient de werknemer een volledig
ingevuld en door de leiding van de onderwijsinstelling en het
Kenniscentrum Savantis gewaarmerkt aanvraagformulier in te dienen,
vergezeld van een kopie van het diploma, bij het Bedrijfschap.
5. Vergelijkbare diploma’s van stukadoors-, afbouw-en terrazzoopleidingen
uit de landen van de Europese Unie geven dezelfde rechten
ten behoeve van inschaling in de loongroepen en in de CAO
opgenomen diplomatoeslagen.
Artikel 46B

Toeslag bedrijfsleermeester

De werknemer die door de werkgever is aangewezen als bedrijfsleermeester
en de cursus ,,leermeester/praktijkopleider’’ met goed gevolg
heeft afgesloten, ontvangt voor de duur dat hij daadwerkelijk als
bedrijfsleermeester functioneert een toeslag van 5% op zijn vast overeengekomen
loon. Onder dezelfde voorwaarden wordt de desbetreffende
werknemer voor een gedeelte van zijn normale werktijd vrijgesteld van
productieve arbeid; zulks om de bij het bedrijfsleermeesterschap behorende
taken te kunnen uitoefenen. Daarbij gelden de navolgende nor-
men:

• bij begeleiding van één leerling-werknemer: gemiddeld 5% van de
normale werktijd;
• bij begeleiding van twee tot vier leerling-werknemers: gemiddeld
10% van de normale werktijd;
• bij begeleiding van vier tot zeven leerling-werknemers: gemiddeld
20% van de normale werktijd.
Artikel 47

Partiële leerplicht

1. Voor de jeugdige werknemer die krachtens de bepalingen van de
leerplichtwet gedurende een of twee dagen per week leerplichtig is,
geldt een 4-respectievelijk 3-daagse werkweek.
Over de dagen waarop hij onderricht ontvangt, dan wel onderwijsvakantie
heeft, kan hij geen aanspraak maken op loon of verstrekking
van rechtwaarden doen gelden.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 31, uitgaande van een volledige
werkweek, heeft de partieel leerplichtige recht op 18 dagen
bedrijfsvakantie.
Artikel 48

Samenwerkingsverbanden

1. Begripsomschrijving
Onder een samenwerkingsverband wordt verstaan:
een stichting of vereniging van werkgevers in het stukadoors-, afbouw
en terrazzo-bedrijf, die is opgericht conform de richtlijnen
voor de samenwerkingsverbanden van het Kenniscentrum Savantis
en die met het Kenniscentrum Savantis een samenwerkingsovereenkomst
heeft gesloten.
Onder werknemers wordt in dit artikel verstaan:
de werknemer in de zin van deze CAO, die bij een samenwerkingsverband
dan wel bij een werkgever die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband
in dienst treedt.
2. Duur van de overeenkomst
Tussen het samenwerkingsverband en de werknemer wordt een leerarbeids-
overeenkomst gesloten voor de periode van tenminste een
jaar, die kan worden verlengd voor de duur van een jaar. Artikel 45
lid 7 en 8 is van overeenkomstige toepassing.
3. Arbeidsduur
De arbeidsduur bedraagt 37 1/2 uur per week.
4. Lonen
Beloning geschiedt volgens het bepaalde in artikel 18 lid 2. Dit geldt
eveneens voor partieel leerplichtigen.
5. Vorstverlet
In geval de werknemer te werk is gesteld bij één der deelnemende
werkgevers en zich arbeidsverhindering voordoet, zoals neergelegd
in artikel 27 lid 2, dan zal het samenwerkingsverband respectievelijk
de werkgever in het samenwerkingsverband pas dan kunnen declareren,
indien deze declaratie voorzien is van de handtekening van de
betreffende werknemer en op deze dagen de betrokken werknemer
niet in de praktijkleerplaats is opgenomen.

Artikel 49

Vakopleiding volwassenen

Werknemers hebben recht op gemiddeld twee dagen scholing per jaar
met behoud van loon, te besteden aan een cursus uit de catalogus ,,Ver-
der met Vakmanschap’’. Een werknemer kan in enig jaar maximaal drie
scholingsdagen benutten, waarbij de ,,te veel’’ genoten scholingsdagen
worden verrekend met de voorgaande en/of daarop volgende jaren. De
werknemer mag maximaal zes scholingsdagen opsparen.
Voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2008 bedraagt het
budget Verder met Vakmanschap € 700.000,– op jaarbasis.

HOOFDSTUK 10

HET PENSIOEN EN VERVROEGDE UITTREDING

Levensloopregeling
Per 1 januari 2006 is er een levensloopregeling afgesproken. Een eventuele
bijdrage kan ofwel worden gestort in een door CAO-partijen bij
Cordares ingesteld levensloopfonds, ofwel bij een levensloopfonds naar
keuze.

HOOFDSTUK 12

FUSIE, BEDRIJFSOVERDRACHT EN BEDRIJFSSLUITING

Artikel 54

Fusie

1. Het bepaalde in dit artikel is met gebruikmaking van artikel 15 lid 2
van het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 alleen van toepassing
wanneer in een van de bij de fusie betrokken, in Nederland gevestigde
ondernemingen in de regel 50 personen of meer werkzaam zijn.
2. De werkgever die met inachtneming van het bepaalde in lid 1 overweegt
een fusie aan te gaan zal bij het nemen van zijn beslissingen
de SER Fusiegedragsregels 2000 alsmede de navolgende bepalingen
in acht nemen.
3. a. Indien de verwachting gewettigd is geworden, dat de fusie wellicht
doorgang zal vinden, zal de werkgever zowel de werkgeversorganisaties
als de werknemersorganisaties daarvan in kennis
stellen en deze kennisgeving zo spoedig mogelijk schriftelijk
bevestigen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

b. Aansluitend hierop zal de werkgever de door hem overwogen
maatregelen en de daaruit eventueel voor al de werknemers of
een aanmerkelijk deel van de werknemers voortvloeiende gevolgen
bespreken met zowel de werkgeversorganisaties als de werknemersorganisaties,
waarbij voorts aandacht zal worden besteed
aan het tijdstip en de wijze waarop het gehele personeel zal worden
ingelicht.
4. Eveneens zal voor zover zwaarwichtige belangen van de onderneming
of van de direct bij de onderneming betrokken belanghebbende
zich daartegen niet verzetten de werkgever de ondernemingsraad –
voor zover aanwezig – van de fusie in kennis stellen, indien de verwachting
gewettigd is geworden dat deze wellicht doorgang zal vinden.
In aansluiting hieraan zal de werkgever met de ondernemingsraad de
in lid 3 sub b genoemde maatregelen en gevolgen bespreken en deze
raad in de gelegenheid stellen aan hem advies uit te brengen over het
te nemen besluit en de te nemen maatregelen en gevolgen daarvan.
5. Met betrekking tot de in lid 3 sub a en b van dit artikel genoemde
kennisgeving en bespreking zullen de werkgeversorganisaties en de
werknemersorganisaties geheimhouding betrachten; deze geheimhouding
zal duren tot het moment waarop partijen besluiten de geheimhouding
op te heffen. Indien één van de partijen vooraf aangeeft deze
geheimhouding niet te willen betrachten behoeft de werkgever geen
informatie meer te verstrekken.
6. Onder fusie wordt niet verstaan een tijdelijke samenwerking.
Artikel 55

Bedrijfsoverdracht en bedrijfssluiting

1. Hetgeen in de navolgende leden wordt bepaald, is alleen van toepassing
op ondernemingen met in de regel ten minste 35 werknemers en
wel alleen voor zover de Wet op de Ondernemingsraden niet anders
bepaalt.
2. De werkgever, die overweegt zijn bedrijf over te dragen anders dan
in de zin van een fusie, dan wel zijn bedrijf of bedrijfsonderdeel te
sluiten, zal bij het nemen van zijn beslissing de sociale consequenties
hierin betrekken en de navolgende bepalingen in acht nemen.

3. a. In verband daarmee zal de werkgever, wanneer de verwachting
gewettigd is geworden dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde
overdracht of sluiting wellicht doorgang zal vinden, zowel de
werkgeversorganisaties als de werknemers-organisaties onverwijld
en bij voorkeur schriftelijk daarvan in kennis te stellen.
b. Aansluitend hierop zal de werkgever de door hem overwogen
maatregelen en de daaruit eventueel voor alle werknemers of een
aanmerkelijk deel van de werknemers voortvloeiende gevolgen
bespreken zowel met de werkgevers-organisaties als met de werknemersorganisaties,
waarbij voorts aandacht zal worden besteed
aan het tijdstip en de wijze waarop het gehele personeel zal worden
ingelicht.
4. Eveneens zal voor zover belangen van de onderneming of van de
direct bij de onderneming betrokken belanghebbende zich daartegen
niet verzetten de werkgever de ondernemingsraad – voor zover aanwezig
– in kennis stellen van de in lid 2 van dit artikel genoemde
overdracht of sluiting, indien de verwachting gewettigd is geworden
dat deze overdracht of sluiting wellicht doorgang zal vinden.
In aansluiting hierop zal de werkgever met de ondernemingsraad de
in lid 3 sub b van dit artikel genoemde maatregelen en gevolgen
bespreken en deze raad in de gelegenheid stellen aan hem advies uit
te brengen over het te nemen besluit en de te nemen maatregelen en
gevolgen daarvan.
5. Met betrekking tot de in lid 3 sub a en b van dit artikel genoemde
kennisgeving en bespreking zullen de werkgeversorganisaties en
werknemersorganisaties geheimhouding betrachten; deze geheimhouding
zal duren tot het moment waarop partijen besluiten de geheimhouding
op te heffen. Indien één van de partijen vooraf aangeeft deze
geheimhouding niet te willen betrachten behoeft de werkgever geen
informatie meer te verstrekken. De in dit lid genoemde geheimhoudingsplicht
laat onverlet de geheimhoudingsplicht van de ondernemingsraad,
als opgenomen in artikel 20 van de Wet op de ndernemingsraden.
6. Bovenstaande bepalingen zijn niet van toepassing op gevallen van
tijdelijke samenwerking.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK 13

ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN

Artikel 57

Verpakkingsmaterialen en asbest

1. Het is niet toegestaan verpakkingseenheden gips, cement, granietkorrels,
marmerkorrels of andere grondstoffen zwaarder dan 25 kilogram
op het werk voorhanden te hebben.
2. Het is werkgevers en werknemers niet toegestaan om asbest en/of
asbesthoudende materialen te bewerken of te verwerken.
3. Het is verboden gipsblokken van meer dan 18 kilogram te verwerken.
4. Het is verboden wandelementen van meer dan 18 kilogram handmatig
te verwerken.
5. De werkgever kan de werknemer niet verplichten te werken op stelten.
Artikel 58A

Stichting Arbouw

2. Alle werknemers in de zin van deze CAO hebben recht op de door
de Stichting Arbouw, al dan niet door middel van derden, te verlenen
voorlichting, informatie en onderzoek op het gebied van de veiligheid
en de gezondheid in de bedrijfstak.
3. Alle werknemers in de zin van deze CAO hebben recht op het door
de Stichting Arbouw vastgestelde, op het individugerichte pakket
preventiezorg. Aan dit pakket wordt uitvoering gegeven door gecertificeerde
arbodiensten die voldoen aan door de Stichting Arbouw te
stellen kwaliteitseisen. Voor de inhoud van het individugerichte pakket
preventiezorg wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze CAO.
4. De werkgever is verplicht om functionarissen van de Stichting Arbouw,
alsmede functionarissen van de door de Stichting Arbouw
gecontracteerde bedrijfsgezondheidskundige of andere diensten, een

eenmalig, oriënterend onderzoek op de werkplek te laten uitvoeren
indien een mondelinge of schriftelijke melding bij de Stichting Arbouw
daar aanleiding toe geeft. Deze werkplekonderzoeken vinden
plaats met inachtneming van de normale gedragsregel bij het bezoeken
van bouwobjecten.

Artikel 58B

Verplichte intredekeuring

1. De werknemer, die in het kader van de beoogde functie regelmatig
uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of –
indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of
de veiligheid van derden in het geding is – in de werkplaats, is in de
hieronder sub a, b en c genoemde situaties verplicht een intredekeuring
te ondergaan.
De verplichte intredekeuring geldt, indien:
a. een werknemer voor het eerst werknemer wordt in de zin van
deze CAO;
b. een werknemer, na een eerder dienstverband bij een werkgever
in de zin van deze CAO gedurende een periode van één jaar geen
dienstverband heeft gehad bij een werkgever in de zin van deze
CAO;
2. De in lid 1 bedoelde intredekeuring is niet vereist voor een arbeidsovereenkomst
met een gehandicapte werknemer die onder begeleiding
staat van een uitvoeringsinstelling en een arbodienst of een
daarvoor in de plaats optredende instantie.
3. De in lid 1 bedoelde intredekeuring dient te worden uitgevoerd door
een gecertificeerde arbodienst of een daarvoor in de plaats optredende
instantie, die voldoet aan door de Stichting Arbouw te stellen
kwaliteitseisen. De uitslag van de keuring luidt: geschikt, geschikt
onder voorwaarden of ongeschikt. De uitslag van de keuring dient
voor het einde van de proeftijd voor werkgever en werknemer
beschikbaar te zijn.
4. Indien de werknemer het op gefundeerde gronden niet eens is met de
keuringsuitslag, kan hij de Stichting Arbouw verzoeken om een herkeuring
te laten uitvoeren.
Artikel 59A

Uitvoering arbeidsomstandighedenbeleid

2. Bedrijven die 10 werknemers of minder in dienst hebben en de
RI&E MKB hebben gebruikt behoeven de risico-inventarisatie en

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

-evaluatie niet door een gecertificeerde arbodeskundige of door de
arbodienst te laten toetsen.

3. Bedrijven die meer dan 10 maar minder dan 26 werknemers in dienst
hebben kunnen volstaan met de zogenoemde ,,verlichte toets’’. Dit
brengt met zich mee, dat in het kader van de uitvoering van de toets
geen bedrijfsbezoek hoeft plaats te vinden.
4. Voor de (ondersteuning bij de) uitvoering van de RI&E en het plan
van aanpak wordt de preventiemedewerker ingezet. Vanaf 15 werknemers
moet iedere werkgever een preventiemedewerker aanwijzen,
die belast wordt met preventietaken. Bij organisaties met minder dan
15 werknemers mag de werkgever zelf deze taken op zich nemen, op
basis van aanwijzingen daartoe in de RI&E. De preventiemedewerker
moet zich in ieder geval met de volgende drie taken bezig houden:
• Het verlenen van medewerking aan het verrichten en opstellen
van een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). Het is niet
nodig dat de preventiemedewerker de RI&E zelf verricht en
opstelt. Hij moet wel een belangrijke rol vervullen bij de totstandkoming
ervan en het daarbij behorende plan van aanpak.
• Nauwe samenwerking met en advisering aan de ondernemingsraad,
personeelsvertegenwoordiging of de belanghebbende werknemers
over de genomen en nog te nemen arbeidsbeschermende
maatregelen in het bedrijf. Het gaat hier om algemene adviezen.
• Het meewerken aan de uitvoering van arbeidsbeschermende
maatregelen of het geheel zelf uitvoeren van die maatregelen.
5. De werkgever is verplicht in overeenkomsten van onderaanneming
met werkgevers, afspraken te maken ten aanzien van de naleving van
de voor de onderneming geldende RI&E en het plan van aanpak
en/of over de wijze waarop de onderscheiden RI&E en plannen van
aanpak op elkaar dienen te worden afgestemd. De te maken afspraken
dienen alvorens met het werk wordt aangevangen bij voorkeur
schriftelijk te worden vastgelegd.
Artikel 60

Bijzondere bepalingen

1. Aan werknemers, werkzaam op bouwwerken waar gebruik wordt
gemaakt van bouwkranen of andere hijsinstallaties zullen door de
werkgever of indien afgesproken de hoofdaannemer veiligheidshelmen
ter beschikking worden gesteld. De veiligheidshelmen moe

ten zijn voorzien van katoenen of lederen binnenwerk en moeten voldoen
aan de daarvoor gestelde voorschriften. De werknemer is
verplicht de veiligheidshelm aldaar als hoofddeksel te dragen; bij
ontbreken daarvan is de werknemer niet verplicht aldaar arbeid te
verrichten. De werkgever dient op het object op een duidelijke en
voor ieder zichtbare wijze aan te geven dat het dragen van helmen
verplicht is. Iedere werknemer dient schriftelijk de ontvangst te
bevestigen van de hem door de werkgever ter beschikking gestelde
doch eigendom van de werkgever blijvende veiligheidshelm of ander
veiligheidsmateriaal; hij dient voor het behoud daarvan zorg te dragen.

2. De werkgever zal in redelijk overleg met de werknemers in de onderneming
c.q. op de bouwplaats uitvoeringsmaatregelen op het gebied
van veiligheid en hygiëne treffen.
Bij toepassing van de overblijvende richtlijnen van de Commissie
Hygiënische Voorzieningen (privaten, urinoirs, rijwielberging en
drinkwatervoorzieningen), zal de werkgever eveneens redelijk over-
leg plegen met de werknemers in zijn onderneming.

3. De werkgever dient in de aannemings-en leveringsvoorwaarden met
de hoofdaannemer afspraken te maken over het verstrekken van de
wettelijk verplichte schaft-, kleed-en wasgelegenheid.
4. De werkgever dient zorg te dragen voor goede beschermingsmiddelen
bij mechanische bewerking van gips-, en gasbetonblokken te
weten:
• stofkapjes voor fijnstof in combinatie met stofbril, dan wel
stofkaphelm;
• doelmatige gehoorbescherming.
5. De werkgever dient zorg te dragen voor de verstrekking van deugdelijke
beschermingsmiddelen aan de wand-en plafondspuiter, zoals
een koolstofmasker en doelmatige gehoorbeschermers.
6. Werknemers die bij hun werk gebruik moeten maken van een stofbril,
stofkaphelm of koolstofmasker, mogen dit werk niet langer dan
60 minuten achtereen doen. Zij zullen dan tijdelijk andere werkzaamheden
dienen te verrichten.
7. Werknemers kunnen in het kader van ,,Verder met Vakmanschap’’
een cursus volgen over arbeidsomstandigheden. Deze cursus wordt
opgezet door het Bedrijfschap en het Kenniscentrum Savantis. De
werknemer die een dergelijke cursus heeft gevolgd, c.q. wil volgen,
kan in overleg met de werkgever worden benoemd tot coördinator
voor de arbeidsomstandigheden binnen het bedrijf. Indien dit over

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

leg niet tot een dergelijke benoeming leidt, kan de werknemer een
beroep doen op de door CAO-partijen ingestelde Arbo-commissie.

8. Indien de werknemer buiten de normale arbeidstijden van 06.00 uur
tot 18.30 uur werkt, zoals bedoeld in artikel 13 lid 2, dient naast de
werknemer nog minimaal één andere persoon op de bouwplaats aanwezig
te zijn die in geval van onraad of ongeval hulp kan inroepen.
Artikel 61

Arbeidsongeschikte werknemers

1. De werkgever is verplicht minimaal 5% van het aantal arbeidsplaatsen
in de onderneming te laten bezetten door (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte
werknemers.
2. a. Indien een werknemer in de loop van zijn dienstverband voor
zijn functie geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, zal
zijn werkgever binnen zijn onderneming zoeken naar mogelijkheden
om voor deze werknemer passend werk te vinden.
b. Voorzover de financiële middelen het toelaten, zal zodra een
werknemer instroomt in de WIA/WAO met behulp van een professioneel
bureau worden bezien of reïntegratie – bij voorkeur
binnen de bedrijfstak – mogelijk is.
Indien reïntegratie mogelijk blijkt te zijn, wordt aan betrokkene
een individueel reïntegratietraject aangeboden.
3. Een arbeidsongeschikte werknemer kan na twee jaar arbeidsongeschiktheid
slechts ontslagen worden als de werkgever aannemelijk
kan maken dat geen passend werk voorhanden is dan wel binnen een
tijdsbestek van een half jaar voorhanden komt.
4. Een arbeidsongeschikte werknemer heeft het recht om in deeltijd te
werken. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van hele dagen werken.
5. Bij vervulling van een vacature heeft een gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werknemer, die geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is,
voor de vacante functie en voorheen bij die werkgever heeft gewerkt,
als eerste aanspraak op die functie.
6. Een arbeidsongeschikte werknemer kan niet verplicht worden een
hogere productie te leveren dan reëel is op basis van de mate van
arbeidsongeschiktheid.

7. De werkgever is verplicht de werknemer de in bijlage 10 genoemde
persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen. De
werknemer heeft het recht het werk te onderbreken totdat de betreffende
persoonlijke beschermingsmiddelen hem ter beschikking zijn
gesteld. De werknemer is gehouden de door de werkgever verstrekte
persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken c.q. te dragen bij
gebreke waarvan de werkgever de volgende sancties kan opleggen:
1e overtreding schriftelijke waarschuwing
2e overtreding boete van netto € 11,–
3e overtreding e.v. boete van netto € 22,–

Het herhaaldelijk niet gebruiken c.q. dragen van persoonlijke
beschermingsmiddelen kan aanleiding vormen tot ontslag. Indien
ziekte of ongeval is veroorzaakt door het niet dragen c.q. gebruiken
van een persoonlijk beschermingsmiddel wordt de ziekte c.q. het
ongeval geacht opzettelijk te zijn veroorzaakt en is de werkgever niet
gehouden tot doorbetaling van het loon.

De boetes die een werkgever conform dit artikel oplegt, worden aangewend
voor reïntegratiedoeleinden.

HOOFDSTUK 14

ARBEIDSVOORWAARDEN VOOR HET UTA-PERSONEEL
(UITVOEREND, TECHNISCH EN ADMINISTRATIEF)

Ingevolge het gestelde in artikel 2 sub 5 van deze CAO zijn, met uitsluiting
van de artikelen 5 tot en met 8 en van 10 tot en met 54 van die
CAO tussen partijen de navolgende arbeidsvoorwaarden voor het uitvoerend,
technisch en administratief personeel overeengekomen.

Artikel 62

Begrippen en toepasselijkheid

1. In dit hoofdstuk wordt onder werknemer verstaan degene die in
Nederland ingevolge een arbeidsovereenkomst werkzaam is in een
onderneming of een afdeling van een onderneming als bedoeld in
artikel 2 van de CAO Afbouw en die uitsluitend of in hoofdzaak een
functie vervult of werkzaamheden verricht als omschreven in lid 3
van dit artikel.
2. In afwijking van het voorgaande lid worden niet als werknemer in
de zin van dit hoofdstuk beschouwd zij die de functie van directeur
bekleden.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

3. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. Bedrijfsleider
De werknemer die onder supervisie van de ondernemer/directeur
de algehele leiding voert over het bedrijf, een aanmerkelijk deel
van het bedrijf, een filiaal of een aantal objecten en die, afhankelijk
van de structuur van het bedrijf, leiding geeft aan medewerkers
als hoofduitvoerders, uitvoerders, voorlieden en
technisch-administratief personeel.
b. Hoofduitvoerder
De werknemer die, onder supervisie van de ondernemer/directeur
of de bedrijfsleider, technische en organisatorische leiding geeft
op één of meerdere objecten en die, afhankelijk van de structuur
van het bedrijf, leiding geeft aan medewerkers als uitvoerders en
voorlieden en die niet zelf aan direct productieve arbeid deelneemt.
c. Calculator-werkvoorbereider en ander technisch-administratief
personeel
De werknemer die, onder supervisie van de ondernemer/directeur,
de bedrijfsleider of de hoofduitvoerder zelfstandig of als toegevoegd
assistent werkzaamheden verricht die bestaan uit het, op
basis van bestek en tekeningen en/of op basis van opmeting en
waarneming ter plaatse van bestaande objecten, vaststellen van
de te behandelen hoeveelheden en de voor de uit te voeren
bewerkingen en/of handelingen benodigde bewerkingstijden, alsmede
het, met behulp van deze hoeveelheden, bewerkingstijden
en de in het bedrijf gebruikelijke uurprijs, vaststellen van de kostprijs
en het in overleg met de ondernemer/directeur of de bedrijfsleider
vaststellen van de aanbiedingsprijs.
d. Administratieve werkzaamheden
Werkzaamheden die, op het kantoor van het hoofdbedrijf, een
afdeling van het hoofdbedrijf, een filiaal of een object zelfstandig
of onder toezicht worden verricht en die bestaan uit boekhoudkundige
werkzaamheden, het voeren van correspondentie,
het verrichten van typewerk, het bedienen van de telefoon en verder
het uitoefenen van functies, respectievelijk het verrichten van
werkzaamheden die in de betreffende onderneming gebruikelijk
zijn en tot de administratieve sector kunnen worden gerekend.
e. Leerlingen
Werknemers voor wie of door wie een leerovereenkomst met hun
werkgever is afgesloten.
f. Schoonmakers, kantinepersoneel en andere personen
Die een verzorgende functie uitoefenen.

g. Leerovereenkomst/Beroepspraktijkvormingsovereen komst
De overeenkomst bedoeld in de Wet Educatie Beroepsonderwijs
afgesloten ten overstaan van het landelijk orgaan ter bevordering
van opleidingen voor economische en administratieve beroepen.
h. Roostervrije dagen
Onder roostervrije dagen worden verstaan, de in deze collectieve
arbeidsovereenkomst als zodanig vastgestelde dagen waarop door
de arbeidsgeschikte werknemers met behoud van loon geen arbeid
wordt verricht.
Artikel 63

Naleving van de in dit hoofdstuk omschreven arbeidsvoorwaarden

1. De werkgevers en werknemers zijn verplicht de in dit hoofdstuk
omschreven arbeidsvoorwaarden in acht te nemen.
Artikel 64

Aanstelling

1. De werkgever verstrekt aan de werknemer, ten bewijze van zijn aanstelling
een schriftelijke bevestiging.
2. In deze bevestiging zal worden vermeld:
a. datum indiensttreding;
b. de functie, een korte karakteristiek van de functie en, voorzover
de aard van de functie dit gewenst maakt, een omschrijving van
bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
c. eventuele proeftijd;
d. de normale arbeidstijden, welke gelden voor het bedrijfsonderdeel
waar betrokkene geplaatst wordt;
e. standplaats;
f. duur van het dienstverband (bijvoorbeeld voor bepaalde of onbepaalde
tijd);
g. salariëring en betalingsperiode;
h. een korte weergave van hetgeen bij de aanstelling is besproken,
omtrent mogelijke salarisherzieningen;
i. eventueel nader overeengekomen secundaire arbeidsvoorwaarden,
voorzover deze op betrokkene van toepassing zijn.
3. Er geldt een proeftijd van:
• maximaal één maand bij arbeidsovereenkomsten korter dan of
gelijk aan een jaar;
• maximaal twee maanden bij arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde
tijd, dan wel arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,
met een looptijd van meer dan één jaar.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

4. a. Conform de wettelijke systematiek van artikel 7:668a BW kunnen
werkgever en werknemer driemaal achter elkaar een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd aangaan, waarbij ook de derde
overeenkomst van rechtswege eindigt, mits de totale duur niet
langer is dan 36 maanden.
b. Conform artikel 7:668a BW mogen werkgever en werknemer na
het verstrijken van een periode van drie maanden na beëindiging
van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wederom een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangaan.
5. Vervallen.
6. Tijdens het dienstverband tussen werkgever en werknemer overeengekomen
wijzigingen dienen door de werkgever schriftelijk aan de
werknemer te worden bevestigd.
Artikel 65

Beëindiging van de dienstbetrekking

1. a. Conform artikel 7:672 BW bedraagt de termijn van opzegging bij
een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging
• korter dan vijf jaar heeft geduurd en zolang hij bij dezelfde
werkgever in dienst is gebleven: één maand;
• vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd:
twee maanden;
• tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd:
drie maanden;
• vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
Werknemers die op 1 januari 1999 45 jaar of ouder zijn, hebben,
indien het dienstverband ten minste vijf jaar heeft geduurd en
zolang zij bij dezelfde werkgever in dienst zijn gebleven, recht
op ten minste de wettelijke opzegtermijnen zoals weergegeven in
dit artikel, tenzij er op basis van bijlage 3 van deze CAO recht
bestaat op een langere opzegtermijn.

Werknemers van 65 jaar en ouder hebben recht op ten minste de
wettelijke opzegtermijnen zoals weergegeven in dit artikel, tenzij
er op basis van bijlage 3 van deze CAO recht bestaat op een
langere opzegtermijn.

b. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging
bedraagt één maand.
2. De opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegaan dienstverband
dient zodanig te geschieden dat het einde van de opzeggingstermijn
samenvalt met het einde van de betalingsperiode.
3. De opzegging kan mondeling of schriftelijk geschieden. Wanneer de
opzegging mondeling heeft plaatsgevonden, dient deze binnen één
kalenderweek schriftelijk te worden bevestigd.
4. Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd na verkregen vergunning
van de directeur van het CWI wordt de opzegtermijn verminderd
met zoveel loonweken als zijn verlopen tussen de datum
van de aanvraag van de ontslagvergunning bij het CWI en de datum
van ontvangst van deze vergunning, waarbij weken van arbeidsongeschiktheid
tot een maximum van vier weken in mindering worden
gebracht, met dien verstande, dat steeds een opzegtermijn van ten
minste één maand in acht dient te worden genomen. Van de aanvraag
tot vergunning om ontslag ontvangt de werknemer gelijktijdig aangetekend
schriftelijke kennisgeving van de werkgever.
5. Conform artikel 7:670 lid 1 van BW bepaalde, mag de werkgever de
dienstbetrekking wel beëindigen, met inachtneming van de daarvoor
geldende voorschriften, indien de aanvraag tot afgifte van ontslagvergunning
door CWI is ingediend, voordat de ziekte van de werknemer
is ingetreden.
Artikel 66

Wederzijdse verplichtingen

1. De werknemer is gehouden de aan hem door of vanwege de werkgever
opgedragen werkzaamheden, liggende binnen het raam van
zijn functie of beroep, op de door of vanwege de werkgever in redelijkheid
te bepalen plaats naar beste vermogen te verrichten.
2. Werkgever en werknemer verplichten zich wederzijds alles te doen,
respectievelijk na te laten, wat tussen goede werkgevers en werknemers
gebruikelijk is.
3. Werkgever en werknemer verplichten zich te zorgen voor de naleving
en de toepassing van wettelijke voorschriften en verdere bepalingen,
betrekking hebbende op de in lid 1 genoemde werkzaamheden.
4. De werknemer is verplicht arbeid te verrichten in een andere onderneming
dan die van de werkgever in wiens dienst hij is. Indien de

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

werknemer hiertegen gegronde bezwaren heeft dient hij zich te rich-
ten tot CAO-partijen. Tot het moment waarop CAO-partijen op het
dispensatieverzoek hebben beslist is de werknemer niet verplicht
arbeid in een andere onderneming te verrichten. CAO-partijen verplichten
zich binnen twee dagen na indiening van het verzoek tot een
beslissing te komen.

In het hiervoor genoemde geval zal de arbeid worden verricht onder
ten minste dezelfde voorwaarden als die waaronder hij/zij in de
onderneming van zijn/haar werkgever arbeid verricht. De extra reisen
verblijfkosten, welke in verband met deze tewerkstelling moeten
worden gemaakt, zijn voor rekening van de werkgever in wiens
dienst hij/zij is.

5. De werknemer is verplicht tot geheimhouding van alle zakenen
bedrijfsgeheimen, alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien
waarvan de ondernemer geheimhouding heeft opgelegd of waarvan
hij/zij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen.
6. Weersomstandigheden, waaronder of tengevolge waarvan niet kan
worden gewerkt, zullen geen reden zijn tot korting van salaris of
beëindiging van de dienstbetrekking.
Artikel 67

Arbeidsduur

1. De werkweek heeft een arbeidsduur van 37 1/2 uur. De normale
arbeidsduur bedraagt 7 1/2 uur per dag.
2. De werkweek loopt van maandag tot en met vrijdag.
3. De dagelijkse arbeidstijd en rusttijden zullen door de werkgever in
redelijk overleg met de werknemer worden vastgesteld, met inachtneming
van de wettelijke voorschriften.
4. Deeltijdarbeid, waarvan sprake is als de werknemer minder uren
werkt dan de normale arbeidsduur als genoemd in lid 1 van dit artikel,
is slechts mogelijk als werkgever en werknemer dit met elkaar
overeenkomen. In dat geval wordt een volwaardige rechtspositie
over de afgesproken deeltijd verkregen of behouden. Het hierna
eventueel omzetten in volledige arbeid dient eveneens goedkeuring
van zowel werkgever als werknemer. CAO-partijen bevelen werkge

ver aan een verzoek van de werknemer om in deeltijd te werken
positief te bejegenen.

5. Werknemers van 55 jaar en ouder krijgen het recht – met gebruikmaking
van de hen toekomende vrije dagen, zoals feestdagen, vakantiedagen,
roostervrije dagen en seniorendagen en voor zover nodig
ingekochte of onbetaalde dagen – vier dagen per week te werken.
Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met eventueel in het
bedrijf afgesproken perioden van collectieve bedrijfssluiting, waardoor
men uitsluitend als gevolg van de collectieve bedrijfssluiting
niet iedere week vier dagen kan werken.
Artikel 68A

Lonen

1. De werkgever is verplicht administratieve medewerking te verlenen,
zodat de werknemer op vrijwillige basis kan deelnemen aan een
zogenoemde ,,spaarloonregeling’’ (daaronder begrepen de mogelijkheid
het aldus gespaarde tegoed aan te wenden voor een lijfrenteregeling),
danwel een zogenoemde levensloopregeling. Werknemer
heeft het recht op deelname aan een van beide zogenaamde regelingen
en heeft het recht zijn keuze een maal per jaar kenbaar te maken.
3. De werknemer wordt op grond van de door hem structureel verrichte
c.q. te verrichten werkzaamheden door de werkgever ingedeeld in
een functieniveau, zoals aangegeven in artikel 68B.
4. Indien een werknemer op tijdelijke basis werkzaamheden verricht,
behorend tot een hoger functieniveau dan het functieniveau waarin
hij is ingedeeld, heeft de werknemer voor die tijdelijke duur recht op
inschaling in het hogere functieniveau met het daarbij behorende
maandsalaris.
5. Indien een werknemer structureel werkzaamheden uitoefent, die zijn
onder te brengen in twee of meerdere functieladders en dit leidt tot
inschaling in meerdere functieniveaus, zal de werknemer voor zijn
geheel worden ingedeeld in de hoogste van deze functieniveaus.
6. De werkgever zal aan de werknemer een maandsalaris betalen behorend
bij het functieniveau waarin de werknemer is ingedeeld.
7. De werkgever zal aan de werknemer van 22 jaar of ouder een
maandsalaris betalen dat ligt tussen het minimum en maximum van
de salarisschaal behorend bij diens functieniveau.
Salarisschalen voor werknemers van 22 jaar of ouder

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

e. Met ingang van week 1 2007 (1 januari 2007) wordt het recht op
de volgende maandsalarissen verkregen:
Functieniveau Minimum Maximum

1 € 1.577,– € 2.076,–
2 € 1.737,– € 2.312,–
3 € 1.936,– € 2.616,–
4 € 2.198,– € 3.010,–
5 € 2.568,– € 3.526,–
6 € 2.983,– € 4.200,–

f. Met ingang van week 29 2007 (16 juli 2007) wordt het recht op
de volgende maandsalarissen verkregen:
Functieniveau Minimum Maximum

1 € 1.593,– € 2.097,–
2 € 1.754,– € 2.335,–
3 € 1.955,– € 2.642,–
4 € 2.220,– € 3.040,–
5 € 2.594,– € 3.561,–
6 € 3.013,– € 4.242,–

8. De werkgever zal aan de jeugdige werknemer beneden de leeftijd
van 22 jaar een maandsalaris betalen dat ligt tussen het minimum en
maximum van de salarisschaal behorend bij diens functieniveau.
Hierbij geldt de volgende staffel:
Jeugdstaffel

16 jaar 35,0%
17 jaar 40,0%
18 jaar 50,0%
19 jaar 62,5%
20 jaar 75,0%
21 jaar 87,5%

9. Per week 41 2005 (10 oktober 2005) worden de garantielonen met
0,5% verhoogd.

Per week 1 2007 (1 januari 2007) worden de garantielonen met 1%
verhoogd.
Per week 29 2007 (16 juli 2007) worden de garantielonen met 1%
verhoogd.
De verhoging van de lonen is per bovenstaande data verwerkt zoals
weergegeven in lid 7 van dit artikel.

10. Vervallen.
11. Vervallen.
13. De systematiek van de prijscompensatie is inbegrepen in bovengenoemde
verhogingen.
De verhoging met de procentuele stijging van het consumentenprijsindexcijfer
(afgeleid) van werknemers laag per hierna genoemde
data, zijn inbegrepen in de in de in artikel 68A lid 9 genoemde loonsverhogingen:
• 31 december 2006
• 1 juli 2007
• 31 december 2007
Artikel 68B

Functie-en beloningsstructuur

Functieladder 1

Uitvoering

Functie-niveau

Functie-niveau-karakteristiek

6 Geeft via enkele uitvoerders en/of voorlieden leiding aan de uitvoering
van één of meer middelgrote bouwprojecten of een onderdeel
van een groot project met circa 10 medewerkers op het werk. Onderhoudt
vooral de contacten met leveranciers, hoofdaannemers en
opzichter(s). Wordt eventueel geassisteerd door een hulp-uitvoerder.

5 Geeft, via voorlieden of rechtstreeks aan vaklieden, leiding aan de
uitvoering van kleine bouwprojecten of delen, respectievelijk fases
van grote projecten met minder dan 7 medewerkers. Roept materiaal
af, koopt kleine hoeveelheden zelf in. Verzorgt zelf planning-en kostenbewaking.
Woont bouwvergaderingen bij ter assistentie van de
bouwplaatsleiding.

4 Geeft leiding aan een ploeg vaklieden met minder dan 5 medewerkers,
eventueel met een meewerkend voorman, belast met de uitvoering
van een of enkele kleine (deel)projecten. Geeft meetgegevens

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

door aan de afdeling calculatie. Assisteert hoofduitvoerders en uitvoerders
op grote projecten.

Functieladder 2

Bedrijfsbureau en tekenkamer

Functie-niveau

Functie-niveau-karakteristiek

6 Geeft leiding aan een bedrijfsbureau met5à10 medewerkers, belast
met bijvoorbeeld werkvoorbereiding en calculatie en eventueel inkoop
voor merendeels middelgrote utiliteitsbouwprojecten of bijvoorbeeld
werkvoorbereiding voor grote woningprojecten.

4 Werkt vormtekeningen met hoofdmaten uit in bouwkundige detailtekeningen.
Vervaardigt bestek en tekeningen voor verbouwingen, woningbouw
of utiliteitsbouw op aanwijzingen.

3 Maakt vormtekeningen voor de constructeur. Maakt eenvoudige detailtekeningen
en bouwkundige werktekeningen op aanwijzingen.

3 Assisteert bij calculatie of werkvoorbereiding, zoals berekening van
meer-en minderwerk, materiaal afroepen of bestellen, in detail uittrekken
van bestek en tekeningen, werkenadministratie en transport-
planning.

Is bijvoorbeeld belast met de coördinatie van maatvoering en controleert
activiteiten aan de hand van een draaiboek.

2 Tekent schema’s, codeert urenbriefjes en dergelijke, verleent assistentie
op aanwijzingen van zijn chef.

Functieladder 3

Werkvoorbereiding

Functie-niveau

Functie-niveau-karakteristiek

6 Geeft leiding aan een afdeling met5à10 medewerkers (soms in
combinatie met calculatie) voor het opzetten en up to date houden
van het overall-plan en afgeleide deel-en capaciteitstoewijzingsplannen
van grote bouwprojecten. Bepaalt de kostenstand van het
werk. Laat afwijkingen signaleren aan de desbetreffende project

 

leiding en levert alternatieven voor bijstelling van het plan. Onderzoekt
alternatieve bouwmethoden.

5 Zet bij de aanvang van projecten het projectbewakingssysteem op.
Ziet vervolgens toe op overname van de werkzaamheden door een of
enkele assistenten. Signaleert op grond van de planning de voortgang
en de kosten van middelgrote tot grote werken. Signaleert de knelpunten.

Onderzoekt alternatieve werkmethoden. Maakt manurenbegroting,
materieelplan, bouwplaatsinrichtingsplan ter bewaking van onderaannemers
e.d.

4 Verricht (soms bijgestaan door een enkele assistent) de werkvoorbereiding
van grote projecten. Is daartoe gedetacheerd op het
werk. Verzorgt de planning en de voortgangssignalering of de kostenbewaking.
Stelt voor kleine projecten planningen en manurenbegrotingen
op. Signaleert aan de leiding de stand van het werk en
de toeleveringen, verzorgt soms een deel van de materiaalbestellingen,
en de calculatie of werkenadministratie.

Functieladder 4

Calculatie en inkoop

Functie-niveau

Functie-niveau-karakteristiek

6 Bepaalt in overleg met de verantwoordelijken voor commerciële
zaken de bijstelling van posten op de inschrijvingsbegroting. Woont
voorbesteding van kleine en middelgrote projecten bij. Onderhandelt
op aanwijzingen van de directie of productieleiding over de prijs.
Geeft leiding aan5à10 medewerkers van calculatie, werkvoorbereiding
en eventueel inkoop. Voert exploitatieberekeningen uit
voor woningbouwprojecten die in eigen beheer worden gebouwd en
verkocht.

5 Overlegt met architect en/of constructeur over alternatieve bouwwijzen.
Beslist over aanpassing van calculatienormen. Regelt met
leveranciers en onderaannemers materiaalleveranties en dienstverlening
en bedingt kortingen op de prijs. Geeft eventueel leiding aan
enkele calculatoren. Voert exploitatieberekeningen uit voor projecten
die in opdracht van projectontwikkelaars zullen worden uitgevoerd.

4 Stelt begrotingsposten op; weegt daarbij alternatieve werkmethoden
af. Prijst hoeveelhedenstaten. Stelt elementenbegroting op op basis
van een globaal ontwerp. Verricht op aanwijzingen onderzoek naar
aanpassing van calculatienormen. Maakt opstellingen voor meer-en
minderwerk. Vraagt offertes aan bij leveranciers en onderaannemers.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Bezoekt ,,inlichtingen’’ of ,,aanwijzingen’’ van kleine en middelgrote
werken om toelichting te krijgen op bestek en tekeningen. Stelt voor
kleine projecten normen vast op grond van veel ervaring. Verricht
soms neventaken in werkvoorbereiding en/of administratie. Ziet
eventueel toe op de werkzaamheden van een of enkele assistenten.

3 Trekt materiaalhoeveelheden uit aan de hand van bestek en tekeningen.
Stelt standaardbegrotingsposten op met behulp van normen.
Vult staartposten in voor zover standaard.

2 Stelt nacalculaties op aan de hand van de administratie. Vraagt
prijsopgave van materialen of huurmaterieel en bijkomende dienstverlening
bij leveranciers.

Functieladder 5

Techniek en huishoudelijke dienst

Functie-niveau

Functie-niveau-karakteristiek

4 Werkzaam in het terrazzo/vloerenbedrijf, 21 jaar of ouder en hoofdzakelijk
belast met de keuring, de bediening en het onderhoud van
materieel. In het bezit van het diploma ,,eerste monteur’’.

3 Werkzaam in het terrazzo/vloerenbedrijf, 21 jaar of ouder en hoofdzakelijk
belast met de bediening en het onderhoud van materieel. In
het bezit van het diploma ,,monteur’’.

3 Onderhoudt machines en elektrische installaties volgens voorschriften
van de leverancier. Vervangt onderdelen en voert kleine reparaties uit
aan machines en installaties of beschadigd meubilair.

2 Werkzaam in het terrazzo/vloerenbedrijf en hoofdzakelijk belast met
de bediening en het onderhoud van materieel.

1 Verricht eenvoudig onderhoudswerk, zoals vervangen van lampen,
het reinigen van apparatuur, het schoonmaken van de kantine, gangen
en trappen. Zet en serveert koffie en thee in kantoor en kantine.
Bereidt eenvoudige gerechten, zoals soep en kroketten. Brengt inkomende
post rond en maakt uitgaande post verzendgereed.

N.B. de reguliere diplomatoeslag blijft van toepassing.

Functieladder 6

Marketing en verkoop

Functie-niveau

Functie-niveau-karakteristiek

6 Levert technische en/of financiële ondersteuning bij verkoopactiviteiten.
Overlegt met potentiële opdrachtgevers en hun adviseurs
over de realiseerbaarheid van hun wensen. Maakt na intern overleg
een prijsindicatie of geeft technische oplossingen voor bouwkundige
problemen. Begeleidt de start van het ontwerpproces en schakelt calculatie
in. Verkoopt zelf kleine tot middelgrote projecten met vooral
technische aspecten, zoals wegenaanleg en fabrieksuitbreidingen.

5 Levert een technische en/of calculatorische bijdrage voor verkoopgesprekken.
Geeft technische oplossingen voor bouwkundige problemen
en geeft kostenconsequenties aan. Beoordeelt de technische en
financiële haalbaarheid van wijzigingsvoorstellen. Levert bijdragen
in marktonderzoeken door onderzoeksresultaten samen te vatten en
te analyseren. Behandelt een deel van de vragenlijsten voor selectieprocedures
voor samenstelling van bouwteams. Presenteert voor belangstellenden
de mogelijkheden van het bedrijf.

4 Beheert (computer)bestanden met gegevens over de eigen onderneming,
over uitgevoerde projecten en gegevens over de markt. Werkt
deze bestanden bij aan de hand van interne bronnen en voornamelijk
literatuur. Maakt overzichten ten behoeve van de verkoopbevordering.
Verstrekt op aanvraag informatie over het eigen bedrijf en over
uitgevoerde of in uitvoering zijnde projecten. Verkoopt in overleg
met de directie of commerciële leiding op de lokale markt kleine,
onderhands uit te voeren verbouwingen, uitbreidingen, kleine restauraties
e.d.

Functieladder 7

Administratie en Receptie

Functie-niveau

Functie-niveau-karakteristiek

6 Geeft leiding aan administratieve werkzaamheden, zoals productieadministratie,
risicoverrekening, factuurcontrole en dergelijke, verdeeld
over afdelingen met in totaal 10 à 20 medewerkers. Bewaakt
dergelijke administratieve procedures, voert vernieuwingen in na
overleg. Laat overzichten per project maken en analyseert en beoordeelt
deze, rapporteert analyseresultaten aan de bedrijfsleiding.

5 Geeft leiding aan maximaal 10 medewerkers belast met kostenen/of
tijdbewaking, nacalculatie van projecten of inkoopadministratie. Stelt

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

de te volgen procedures vast. Controleert en analyseert de gegevens,
draagt oplossingen aan voor de gesignaleerde administratieproblemen.
Adviseert bij het uitbrengen van offertes, respectievelijk de
keuze van leveranciers. Assisteert bij prijsonderhandelingen. Bewaakt
de afhandeling van risicoregelingen.

4 Controleert administratieve werkzaamheden van anderen. Maakt samenvattingen
van gegevens en analyseert deze. Signaleert afwijkingen
van budgetten, planning en dergelijke en geeft toelichting. Neemt
intern en extern contact op voor het uitzoeken van administratieve
verschillen of onduidelijkheden. Stelt aanvragen voor offertes op.
Bewaakt de levertijden. Stelt daartoe leveringsschema’s op en onderhoudt
contacten met de leverancier. Behandelt schademeldingen,
klachten van gebruikers, juridische aangelegenheden en dergelijke
volgens richtlijnen. Signaleert probleemgevallen aan zijn chef.

3 Verzamelt en verwerkt administratieve gegevens volgens vaste procedures
ten behoeve van registraties of periodieke overzichten. Controleert
administratieve gegevens door interne vergelijking, externe
navraag van gegevens, berekeningen e.d. Splitst gegevens of stelt
deze samen volgens diverse vaste sleutels. Stelt eenvoudige correspondentie
op, verricht alle soorten typewerk, controleert voorraden,
budgetten en dergelijke en signaleert afwijkingen.

2 Voert controles op facturen uit door vergelijkingen met staten. Maakt
tellingen van bedragen. Codeert facturen, bonnen en dergelijke volgens
vaste voorschriften. Voert administratieve mutaties uit. Verricht
correspondentietypewerk aan de hand van concept en archiveert facturen
en correspondentie.

2 Bedient een telefooncentrale en ontvangt bezoekers en verwijst hen
door. Weet zich uit te drukken in één of enkele moderne talen.

Artikel 69

Overwerk

1. Overwerk zal tot een minimum worden beperkt. Slechts in bijzondere
gevallen kan de werkgever, na overleg met en met instemming
van een representatief deel van de daarbij betrokken werknemers en
met instemming van de Ondernemingsraad, indien aanwezig, bepalen
dat overwerk kan worden verricht. Bij het overleg hierover wordt
het bedrijfsbelang mede in acht genomen.

2. Onder overwerk wordt verstaan het verrichten van arbeid buiten de
grenzen van de normale arbeidsduur als bedoeld in artikel 67.
3. Een werknemer kan niet worden verplicht overwerk te verrichten.
4. De werkgever maakt aan de werknemer bekend op welke wijze vergoeding
van overwerk is of zal worden geregeld.
Artikel 70

Vakantie en feestdagen

1. Het als basis voor vakantierechten geldend jaar, verder te noemen
vakantiejaar, loopt van 1 juni van enig jaar tot en met 31 mei van het
daarop volgende jaar. Per onderneming kan een andere periode worden
vastgesteld, hetgeen schriftelijk aan de werknemer dient te worden
bevestigd.
2. Bij een dienstverband gedurende een volledig vakantiejaar, bij een
en dezelfde werkgever, heeft de werknemer recht op een vakantie
met behoud van salaris van ten minste 25 werkdagen per jaar, waarvan
ten minste 15 dagen aaneengesloten. Indien de werknemer gedurende
een langere periode vakantie wil opnemen, zal de werknemer
daarover in overleg treden voor 1 april van ieder jaar met zijn werkgever.
Voorzover bedrijfseconomische redenen geen belemmeringen
opleveren, zal de werkgever een tijdig verzoek van de werknemer
honoreren. Indien de werknemer gedurende een vastgestelde
vakantieperiode ziek was, zijn werkgever en werknemer verplicht
alsnog binnen een redelijk tijdsbestek (circa twee maanden) na afloop
van de ziekte zijn vakantie vast te stellen. De opname van de
vastgestelde vakantie dient uiterlijk voor afloop van het lopende
vakantiejaar plaats te vinden.
3. Aantal verlofdagen
Ten aanzien van iedere werknemer is het recht op verlof als volgt
geregeld:
c. Over het vakantiejaar 2006/2007
Werknemers beneden 18 jaar 29 werkdagen
van 18 jaar tot en met 52 jaar 25 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1954 26 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1952 37 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1950 40 werkdagen
d. Over het vakantiejaar 2007/2008
Werknemers beneden 18 jaar 29 werkdagen
Werknemers van 18 jaar tot en met 52 jaar 25 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1955 26 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1953 37 werkdagen
Werknemers geboren vóór 1 januari 1951 40 werkdagen

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

e. Het recht op extra verlofdagen voor werknemers van 53 jaar of
ouder geldt voor alle werknemers die voor de genoemde data in
de leden a tot en met d zijn geboren en gaat in bij aanvang van
het nieuwe vakantiejaar in juni.
f. Jeugdige werknemers die gedurende twee dagen per week leerplichtig
zijn hebben recht op ten minste 18 werkdagen vakantie
per jaar.
4. Indien in een vakantiejaar het dienstverband korter dan 12 maanden
heeft geduurd, wordt het op grond van de leden 2 en 3 van dit artikel
voor de werknemer geldende aantal vakantiedagen naar evenredigheid
verminderd, met dien verstande dat gedeelten van vakantiedagen
naar boven afgerond worden op hele dagen; voor de berekening
geldt de in lid 9 opgenomen evenredigheidsformule.
5. Indien het dienstverband voor het einde van het vakantiejaar wordt
beëindigd, zal aan de werknemer die de hem toekomende vakantie
nog niet ten volle heeft genoten, alsnog deze vakantie worden toegekend.
Indien zulks niet mogelijk is of indien de werknemer daaraan
de voorkeur geeft, zullen deze vakantiedagen bij de laatste
salarisbetaling aan de werknemer worden uitbetaald. Eventueel te
veel genoten vakantiedagen zullen met het salaris worden verrekend.
De werkgever zal bij het einde van de dienstbetrekking aan de werknemer
een verklaring uitreiken, waaruit de duur van de vakantie en
van het verlof zonder behoud van loon welke aan de werknemer op
dat tijdstip nog toekomen, blijkt.
6. De vakantieperiode wordt in onderling overleg tussen werkgever en
werknemer vastgesteld, op een zodanig tijdstip dat de werknemer tijdig
tot afspraken voor zijn/haar vakantiebesteding kan geraken, doch
in ieder geval voor 1 april van het contractjaar.
7. Indien het bedrijfsbelang dit noodzakelijk maakt, zullen in overleg
tussen werkgever en werknemer ten minste 15 vakantiedagen aaneengesloten
worden opgenomen.
8. Als een werknemer langer dan 26 weken arbeidsongeschikt is geweest
en als gevolg daarvan over onvoldoende vakantiedagen beschikt
voor een bedrijfssluiting in verband met een zomervakantie
zal de werkgever de ontbrekende vakantiedagen doorbetalen tot een
maximum van vijf dagen.
9. Een werknemer die na het verlaten van een school over onvoldoende

vakantierechten beschikt bij een collectieve bedrijfssluiting heeft
alleen recht op doorbetaling van loon indien de werknemer ten minste
vijf weken voorafgaand aan de bedrijfssluiting heeft gewerkt.

10.De werknemer is verplicht de vakantiedagen in het betreffende
vakantiejaar op te nemen. Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn is de
werknemer gerechtigd om zoals vastgesteld in het Burgerlijk Wetboek
(BW 7:642) de resterende wettelijke vakantie dagen mee te
nemen naar het volgende jaar. De niet opgenomen wettelijke vakantiedagen
verjaren door verloop van vijf jaren na de laatste dag van
het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.

11. Evenredigheidsformule
X=axb
260

waarin:

X = aantal vakantiedagen, waarop de werknemer recht heeft wanneer
zijn dienstverband in een vakantiejaar korter dan 12 maanden
heeft geduurd, op gebruikelijke wijze afgerond naar beneden
of naar boven;

a = aantal dagen dienstverband in het vakantiejaar;
b = aantal vakantiedagen per vol jaar dienstverband.

12. Feestdagen
Iedere werknemer heeft recht op verlof tijdens de erkende algemene
en erkende christelijke feestdagen. Wanneer bij ploegendienst op
deze dagen wordt gewerkt, zal ter compensatie op een andere dag
vrijaf worden gegeven.
13. Eenmaal in de vijf jaar is 5 mei een nationale feestdag. In dat geval
is 5 mei een collectieve roostervrije dag. Gedurende de andere vier
jaar heeft de werknemer het recht op die datum zelf een roostervrije
dag op te nemen.
Artikel 71

Roostervrije dagen

1. Roostervrije dagen zijn dagen, waarop niet gewerkt wordt. De werknemer
bouwt gedurende de eerste vijftig weken per kalenderjaar per
vijf weken één roostervrije dag op. In een tijdsbestek van vijf weken
wordt één roostervrije dag vastgesteld in overleg tussen werkgever
en werknemer, bij voorkeur op maandag dan wel op de vrijdag. Eén
van de opgebouwde roostervrije dagen wordt vastgesteld op 5 mei.
Als 5 mei op een zaterdag of zondag valt zal de vrijdag daaraan
voorafgaand als roostervrije dag gelden. Het recht op roostervrije

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

dagen vervalt indien de werknemer op deze dagen arbeidsongeschikt
is.

2. De werkgever zal aan de werknemer over de roostervrije dag het vast
overeengekomen loon betalen. De werkgever is op een roostervrije
dag eveneens verplicht te voldoen aan de bijdrageen premieverplichtingen,
zoals genoemd in artikel 37 en artikel 38, jegens de
werknemer.
3. Werkgever en werknemer bepalen in overleg wanneer roostervrije
dagen worden opgenomen. Teveel genoten roostervrije dagen kunnen
niet worden verrekend bij tussentijdse beëindiging van het dienstverband.
Artikel 72

Vakantietoeslag

1. Het vakantietoeslagjaar loopt van 1 juni van enig jaar tot en met
31 mei van het daarop volgende jaar. Per onderneming kan een
andere periode worden vastgesteld, hetgeen schriftelijk aan de werknemer
dient te worden bevestigd.
2. Aan de werknemer zal jaarlijks een vakantietoeslag worden betaald
van ten minste 8%, tenzij op grond van een wettelijke bepaling zoals
een door de Rijksoverheid uitgevaardigde loonmaatregel, een lager
percentage is voorgeschreven, over het bij de werkgever in het afgelopen
vakantietoeslagjaar genoten vast overeengekomen salaris,
waaronder begrepen de uitkeringen krachtens de ziektewet.
3. De uitbetaling van de vakantietoeslag zal uiterlijk plaatsvinden in de
maand juni.
4. Bij beëindiging van het dienstverband zal aan de werknemer het
hem/haar op dat moment toekomende bedrag aan vakantietoeslag
worden uitbetaald, dan wel het teveel betaalde bedrag met hem/haar
worden verrekend.
Artikel 73A

Verplichte intredekeuring

1. De werknemer, die in het kader van de beoogde functie regelmatig

uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of –
indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of
de veiligheid van derden in het geding is – in de werkplaats, is in de
hieronder sub a, b en c genoemde situaties verplicht een intrede-
keuring te ondergaan.
De verplichte intredekeuring geldt indien:

a. een werknemer voor het eerst werknemer wordt in de zin van
deze CAO;
b. een werknemer, na een eerder dienstverband bij een werkgever
in de zin van deze CAO gedurende een periode van één jaar geen
dienstverband heeft gehad bij een werkgever in de zin van deze
CAO;
c. een werknemer, al dan niet met formeel behoud van dienstverband
bij een werkgever in de zin van deze CAO, gedurende een
aaneengesloten periode van langer dan drie jaar, feitelijk geen
werkzaamheden heeft verricht.
2. De in lid 1 bedoelde intredekeuring is niet vereist voor een arbeidsovereenkomst
met een gehandicapte werknemer die onder begeleiding
staat van een uitvoeringsinstelling en een arbodienst of een
daarvoor in de plaats optredende instantie.
3. De in lid 1. bedoelde intredekeuring dient te worden uitgevoerd door
een gecertificeerde arbodienst of een daarvoor in de plaats optredende
instantie, die voldoet aan door de Stichting Arbouw te stellen
kwaliteitseisen. De uitslag van de keuring luidt: geschikt, geschikt
onder voorwaarden of ongeschikt. De uitslag van de keuring dient
voor het einde van de proeftijd voor werkgever en werknemer
beschikbaar te zijn.
4. Indien de werknemer het op gefundeerde gronden niet eens is met de
keuringsuitslag, kan hij de Stichting Arbouw verzoeken om een herkeuring
te laten uitvoeren.
Artikel 73B

Arbeidsongeschiktheid

1. a. In geval van arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer, met
inachtneming van het in artikel 12 lid 3 van deze CAO bepaalde,
aanspraak op:
a. gedurende het eerste ziektejaar 100% van het vast overeengekomen
loon en de daarbij behorende vakantiewaarde;
b. gedurende het tweede ziektejaar 70% van het vast overeengekomen
loon en de daarbij behorende vakantiewaarde.
Indien de werknemer werkt in een prestatiebevorderend systeem,
vindt de doorbetaling van loon bij ziekte plaats over het gemid

 

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

deld genoten loon in de drie maanden direct voorafgaand aan de
eerste ziektedag. De werknemer behoudt in dit geval aanspraak
op:

a. gedurende het eerste ziektejaar 100% van het hierboven genoemde
gemiddelde loon en de daarbij behorende vakantiewaarde;
b. gedurende het tweede ziektejaar 70% van het hierboven genoemde
gemiddelde loon en de daarbij behorende vakantiewaarde.
De werkgever is gerechtigd hierop in mindering te brengen een
aan de werknemer toekomende uitkering krachtens de bepalingen
van de Ziektewet of hiervoor in plaats getreden andere uitkeringen
in verband met loonderving.
De afdracht van de verschuldigde premies en bijdragen, als
bedoeld in artikel 37, wordt beperkt tot maximaal de opbouwdagen
per rechtjaar. De opbouw van vakantiedagen wordt beperkt
tot maximaal een halfjaar per ziektegeval.
Het hierboven bepaalde is niet van toepassing, indien en voor
zover de werknemer terzake van zijn arbeidsongeschiktheid een
vordering tot schadevergoeding wegens loonderving jegens der-
den kan doen gelden én de werkgever deswege aan de werknemer
heeft verzocht zijn rechten uit die vordering tot schadevergoeding
wegens loonderving aan hem bij akte van cessie over te
dragen. De werknemer is in dat geval tot cessie verplicht.
Cedeert de werknemer zijn rechten aan de werkgever in de
omvang zoals hiervoor bedoeld, dan worden hem alsnog door de
werkgever de bedragen betaald zoals hierboven vermeld en dat
telkens weer op de tijdstippen waarop die betaling zou moeten
plaatsvinden.

b. De werkgever kan bepalen dat de werknemer bij zijn tweede
ziekmelding in één kalenderjaar één roostervrije dag inlevert. Bij
de derde ziekmelding in één kalenderjaar is de werkgever gerechtigd
één wachtdag toe te passen. Bij de vierde ziekmelding in één
kalenderjaar kan de werkgever bepalen dat de werknemer één
vrije snipperdag opneemt.
c. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in het
Reglement Stimulering Reïntegratie, zoals weergegeven in bijlage
14 van deze CAO, en voorzover de door partijen vastgestelde
middelen toereikend zijn wordt in het tweede ziektejaar het
loon van de werknemer aangevuld met een vaste vergoeding per
dag over de dagen waarop de werknemer reïntegratieactiviteiten
en/of arbeidstherapie gericht op werkhervatting verricht.

De vergoeding bestaat uit een vast bedrag per dag ter hoogte van
het verschil tussen enerzijds het totaal van het normale dagloon,
de normale pensioenpremie en de normale vakantiewaarde en
anderzijds het totaal van het dagloon in het 2e ziektejaar, de
daarop gebaseerde pensioenpremie en de daarop gebaseerde
vakantiewaarde op basis van het verlaagde tarief.

De vergoeding kan door de werknemer aangevraagd en gedeclareerd
worden bij het Aanvullingsfonds Afbouw dat jaarlijks een
budget voor deze regeling vaststelt. Indien het budget is uitgeput
vervalt het recht op vergoeding.

2. Het hierboven vermelde zal niet van toepassing zijn indien de werknemer
– ook al zou hij minder arbeidsongeschikt zijn – enige vorm
van arbeid voor derden verricht.
4. Lid 1 van dit artikel, is eveneens van toepassing op de werkloze
werknemer die arbeidsongeschikt is. Deze dient zich te houden aan
de door de uitvoeringsinstantie van WW opgestelde reglementen.
6. Wijzigingen, welke voortvloeien uit de welvaartsvastheid van de
sociale verzekeringsuitkeringen en die niet in het salaris van de
werknemers zijn verdisconteerd, zullen bij de berekening van de
krachtens lid 1 van dit artikel door de werknemer van de werkgever
te ontvangen aanvulling buiten beschouwing blijven.
Artikel 74

Aanvulling Werkloosheidsuitkering

1. Een werkloze werknemer die direct voor het ontstaan van de werkloosheid
werkzaam is geweest in een dienstverband vallend onder de
CAO heeft onder voorwaarden recht op betaling van een aanvulling
op de WW/ZW-uitkering in de vorm van een éénmalige uitkering.
2. Een werkloze werknemer die direct voor het ontstaan van de werkloosheid
werkzaam is geweest in een dienstverband vallend onder de
CAO en die, als hij niet werkloos zou zijn geworden, jegens zijn
werkgever recht zou hebben gehad op betaling van vakantietoeslag,
heeft onder voorwaarden recht op betaling van een aanvulling op de
vakantietoeslag in de WW/ZW-uitkering in de vorm van een éénmalige
uitkering.
3. Een werkloze werknemer die direct voor het ontstaan van de werkloosheid
werkzaam is geweest in een dienstverband vallend onder de
CAO en die, als hij niet werkloos zou zijn geworden,jegens zijn
werkgever recht zou hebben gehad op een vakantiewaarde,heeft
onder voorwaarden recht op betaling van een vast bedrag bij aanvang

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

van de werkloosheid. Indien de werknemer vervolgens 8 weken
onafgebroken werkloos blijft heeft de werknemer jegens het fonds
nogmaals recht op een vast bedrag.

4. Een werkloze werknemer als bedoeld in lid 1, 2 en 3 heeft jegens het
fonds onder voorwaarden gedurende maximaal een half jaar recht op
financiering van voortzetting van zijn pensioenopbouw bij het BPF
Bouw door het Aanvullingsfonds.
5. Een werkloze werknemer als bedoeld in lid1, 2 en 3 die is aangewezen
op een Ziektewetuitkering heeft indien intreding in de WIA
volgt, onder voorwaarden recht op voortzetting van de pensioenopbouw
over de periode tussen het eerste halfjaar genoemd in lid 4
en de intreding in de WIA.
6. Elke werkgever die één of meerdere werknemers in dienst heeft
waarop deze CAO van toepassing is, dient aan A&O Services de
loongegevens te verstrekken, die laatstgenoemde noodzakelijk acht
voor de jaarlijkse heffing van de bijdrage ten behoeve van de AW
Afbouw.
7. De uitvoering van de regeling wordt verzorgd door de AW Afbouw,
die zijn administratie heeft opgedragen aan A&O Services. De nadere
voorwaarden van de regeling zijn vastgelegd in het Aanvullingsreglement
AW Afbouw.
Artikel 76

Kort verzuim

1. Uitsluitend in het geval er loon zou worden gederfd, omdat het verzuim
op werkdagen valt, zal door de werkgever in de in dit artikel
genoemde gevallen het voor de werknemer geldende loon worden
vergoed.
2. Bij bevalling van de echtgenote van de werknemer bestaat er recht
op vier dagen verzuim minus de dagen in het weekend en de feestdagen.
De werknemer behoudt echter altijd recht op twee werkdagen
verzuim.
In het geval van een huwelijk van een werknemer bestaat er recht op
twee dagen verzuim minus de dagen in het weekend en de feestda

 

gen. De werknemer behoudt echter altijd minimaal recht op één
werkdag verzuim.

Bij het overlijden en de uitvaart van een zijner ouders, schoonouders,
uitwonende kinderen waaronder begrepen schoonzoons, schoondochters
en pleegkinderen zal in totaal het verzuim van twee arbeidsdagen
worden vergoed. Bij 25-jarig en 40-jarig huwelijksfeest van de
werknemer zal ten hoogste 1 dag loonverzuim worden vergoed. Bij
burgerlijk of kerkelijk huwelijk van een van de ouders, broers, zusters,
kinderen of in zijn gezinsverband opgenomen pleegkinderen,
halfbroers of halfzusters, zwagers of schoonzusters van de werknemer,
bij 25-, 40-, 50-en 60-jarig huwelijksfeest van ouders, schoonouders
en bij de uitvaart van overgrootouders, grootouders, pleegouders,
kleinkinderen, achterkleinkinderen, broers, zusters, halfbroers
en halfzusters, zwagers en schoonzusters van de werknemers, zal het
verzuim van één arbeidsdag en in gevallen, waarin de werknemer
buiten zijn woonplaats is gehuisvest, van twee arbeidsdagen worden
vergoed.
Bij overlijden en de uitvaart van de echtgenote, kind of pleegkind tot
en met 27 jaar oud van de werknemer zal het verzuim worden vergoed
tot maximaal 10 dagen.
Een dag zal worden vergoed bij verhuizing in verband met de dienstbetrekking.
Voor de werknemers bedoeld in artikel 15 zal de werkgever, in geval
van verzuim om in dit lid vermelde redenen, de werkelijk gemaakte
reiskosten (tweede of daarmee gelijk te stellen klasse) vanaf de
plaats van tewerkstelling tot de woonplaats van de werknemer en
terug vergoeden.

3. Bij militaire inspectie en het vervullen van andere militaire verplichtingen
met uitzondering van militaire keuring, zal een verzuim van
ten hoogste 4 1/2 uur worden vergoed, terwijl bij militaire keuring
of herkeuring het daaruit voortvloeiende verzuim zal worden vergoed,
telkens tot ten hoogste één dag, een en ander op voorwaarde
dat het bewijs van het noodzakelijke verzuim aan de werkgever
wordt overgelegd, geen uitkering uit anderen hoofde daarvoor wordt
gegeven en ten minste drie dagen tevoren van het verzuim kennis
wordt gegeven aan de werkgever.
4. Bij medische keuring of bezoek aan de ARBO-dienst op verzoek van
de werkgever dan wel bij bedrijfsgeneeskundig onderzoek en algemeen
periodiek onderzoek in het kader van de Bedrijfsgezondheidsdienst
voor de Bouwnijverheid, zal de duur van het verzuim worden
vergoed.
5. Bij uitoefening van de stembevoegdheid zal het noodzakelijke verzuim
van ten hoogste twee uur worden vergoed. Bij de uitoefening

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

van een door de wet of de overheid opgelegde verplichting is artikel
7:629b BW van toepassing.

6. Indien een werknemer door zijn behandelend geneesheer wordt doorverwezen
naar een specialist of medisch consultatiebureau, heeft hij
recht op verlof voor de duur van het verzuim met een maximum van
één dag per bezoek.
7. Bij doktersbezoek, medische keuring in het kader van de WAO of de
collectieve ongevallenverzekering en voor het noodzakelijk bezoek
aan een tandarts ter verkrijging of vernieuwing van een kunstgebit of
voor halfjaarlijkse controle zal, voorzover een en ander niet mogelijk
is buiten de normale arbeidstijd, het verzuim worden vergoed tot
ten hoogste twee uur, ingeval de werknemer woonachtig is in de
plaats waar het werkobject is gelegen en tot ten hoogste drie uur
ingeval de werknemer in een andere plaats woonachtig is.
Aanspraak op vergoeding van het verzuim kan alleen worden gemaakt
indien hiervan tijdig kennis is gegeven, terwijl in het geval
van bezoek aan de tandarts voor halfjaarlijkse controle desgevraagd
de saneringskaart moet worden getoond.
8. Bij het volgen van een cursus ter voorbereiding op de tijd van pensionering
voor werknemers van 62, 63 en 64 jaar drie dagen.
9. Bij het verstrekken van bloed in verband met een spoedeisende
oproep in verband met een tekort aan bloed van een bepaalde bloedgroep
zal een verzuim van ten hoogste twee uur worden vergoed.
10. Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde regeling voor korte verzuimen
wordt de partner van de werknemer gelijkgesteld aan de echtgenote
indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1 lid 11 van
deze CAO.
Artikel 77

Bijzonder verlof

b. De werknemer wordt in de gelegenheid gesteld langdurig betaald
verlof op te bouwen door middel van het opsparen van vakantiedagen
en het storten van financiële bijdragen uit bijvoorbeeld de
overwerkvergoeding, voor zover passend binnen de wettelijke kaders,
volgens een door CAO-partijen op te stellen reglement. De
aldus opgebouwde rechten worden beheerd bij het Vakantiefonds.

Artikel 78A

Ouderschapsverlof

De werknemer, die de verzorging heeft van een kind tot 4 jaar, heeft het
recht om gedurende maximaal één jaar voor 50% van de normale
arbeidsduur onbetaald verlof op te nemen. Het verlof dient te geschieden
door middel van hele dagen.

Artikel 78B

Palliatief verlof

De werknemer heeft recht op maximaal tien dagen betaald verlof per
jaar ten behoeve van stervensbegeleiding van zijn ouders, partner of kinderen.
De werkgever heeft het recht de wettelijke uitkering inzake palliatief
verlof te verrekenen met de in de vorige volzin bedoelde doorbetalingsplicht.

Artikel 78C

Kortdurend zorgverlof

In aanvulling op de wettelijke regeling kortdurend zorgverlof zal de
werkgever gedurende maximaal 3 dagen per jaar een aanvulling verstrekken
aan de werknemer tot 100% van het loon.

Artikel 78D

Declaratieregeling verlof

Werkgevers kunnen het tijdens het rouwverlof, palliatief verlof en zorgverlof
aan de werknemer doorbetaalde vast overeengekomen loon,
vakantiewaarde en werkgevers-lasten declareren bij de Stichting Risicofonds
Afbouw, onder de voorwaarden zoals weergegeven in het Reglement
Verlofdeclaratie in bijlage 13 van deze CAO.

Artikel 79

Overlijden

1 a. Ingeval de werknemer tijdens het werk dan wel op weg van en
naar het werk overlijdt, zal de werkgever de kosten van het vervoer
van het stoffelijk overschot naar de woonplaats van betrokkene
vergoeden aan de nabestaande(n) dan wel aan degene(n),
die de kosten gedragen heeft (hebben), tenzij bedoelde kosten
door een verzekering van werknemer of door derden worden vergoed.

 

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

b. Het onder a gestelde is niet van toepassing indien:
• de woonplaats van de werknemer gelegen is buiten Nederlands
grondgebied;
• door de verzekering van de werknemer of uit andere hoofde
wordt voorzien in dit vervoer.
Wel is de werkgever gehouden om te voorzien in de eigen bijdrage
van de werknemer voor dit geval.

2. Bij het overlijden van de werknemer ontvangen de nagelaten betrekkingen
van de werknemer het volledige loon over de maand waarin
het overlijden plaatsvond, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is
aan het loon over twee maanden.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder nagelaten betrekkingen
verstaan de langstlevende der echtgenoten van wie de werknemer
niet duurzaam gescheiden leefde, bij ontstentenis van deze,
degene die door de werknemer werd verzorgd. Op deze uitkering
wordt een eventuele overlijdensuitkering ingevolge de Ziektewet of
de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering gebracht.
Artikel 80

Arbeid buiten de woonplaats

1. Wordt op last van de werkgever in een andere woonplaats arbeid verricht
dan waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan, dan zal:
a. indien de werknemer op verzoek van de werkgever verhuist, het
bedrag van alle daaraan verbonden kosten naar redelijke maatstaf
worden vergoed;
b. indien naar het oordeel of met instemming van de werkgever of
diens vertegenwoordiger gebruik moet worden gemaakt van een
openbaar of ander middel van vervoer (voordeligste tarief), het
daaruit voortvloeiende bedrag aan reiskosten voor rekening van
de werkgever komen.
2. Werknemers dienen voorgenomen extreem verre verhuizingen voortijdig
met de werkgever te bespreken. Indien een werknemer zonder
toestemming van de werkgever verhuist naar een plaats die verder
dan 25 kilometer van het werk is gelegen is de werkgever niet
gehouden de reiskosten boven de 25 kilometer te vergoeden.

Artikel 81

Reiskosten

1. Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, bij het
zich naar en van het werk begeven gebruik moet maken van een
eigen vervoermiddel en/of daarvan tijdens en ten behoeve van de
werkzaamheden gebruik maakt, zal hem een vervoermiddelenvergoeding
worden betaald.
Per week 29 2006 (17 juli 2006) wordt de vergoeding met 2% verhoogd
tot de volgende bedragen:
a. voor het gebruik van een rijwiel € 0,99 per dag;
b. voor het gebruik van een bromfiets € 1,21 per dag voor de eerste
20 km en € 0,11 voor elke meerdere kilometer;
c. voor het gebruik van een motorrijwiel € 0,27 per km;
d. voor het gebruik van een auto € 0,11 per kilometer per inzittende,
met een minimum van € 0,31 tot een maximum van € 0,37 per
kilometer.
Indien het gebruik van de eigen auto en het meenemen van collega’s
op vrijwillige basis gebeurt, zal op verzoek van de chauffeur en de
inzittenden de chauffeur een vergoeding ontvangen ter hoogte van de
maximaal fiscaal onbelaste vergoeding per kilometer tot maximaal
de vergoeding zoals bedoeld onder d van dit lid. De eventuele rest
van de vergoeding, zoals bedoeld onder d van dit lid, zal worden ver-
deeld onder de overige inzittenden.

Deze vergoedingen zullen ook worden betaald wanneer de werkne-
mer tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden van deze vervoer-
middelen gebruik maakt.
De in dit lid genoemde bedragen zijn brutobedragen.

3. Indien naar het oordeel van de werkgever door de in lid 1 bedoelde
werknemer gebruik moet worden gemaakt van een openbaar middel
van vervoer, zal door de werkgever aan de werknemer een jaarmaandkaart
openbaar vervoer worden verstrekt.
4. Een werknemer die in opdracht van zijn werkgever gebruik maakt
van zijn eigen auto, is verplicht een inzittendenverzekering af te sluiten.
De werkgever is niet aansprakelijk voor eventuele schade aan de
auto van de werknemer. Partijen adviseren werknemers een cascoverzekering
te nemen.
5. Vervallen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 81A

Dispensatie reiskosten en reisuren

De werkgever en voor zover van toepassing de Ondernemingsraad, of
de Personeelsvertegenwoordiging, of de Personeelsvergadering kunnen
gehoord hebbende het personeel, op bedrijfsniveau een regeling
reiskosten/reisuren overeenkomen welke afwijkt van de CAO. Voor deze
regeling moet dispensatie worden aangevraagd bij CAO-partijen. Hierbij
wordt de aanvraag door CAO-partijen marginaal getoetst en wordt
gelet op het feit dat het personeel voldoende is gehoord.

Artikel 82

Bij tijdelijk verblijven elders

1. Indien het werk zover buiten de plaats, waarvoor de werknemer is
aangenomen, respectievelijk buiten diens woonplaats gelegen is dat
hij/zij naar oordeel van de werkgever en de werknemer des avonds
niet huiswaarts kan keren, zal op kosten van de werkgever behoorlijke
voeding en logies worden verstrekt.
2. Eenmaal per week zullen de in dit artikel bedoelde werknemers naar
huis mogen gaan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 67,
van dit aanhangsel omtrent de arbeidsduur per week.
3. De werknemer bedoeld in dit artikel, behoudt recht op vrije voeding
en logies, indien hij/zij door ziekte of ongeval arbeidsongeschikt
wordt, voor zolang hij/zij verblijf houdt in de plaats waar hij/zij
tewerk is gesteld. De werkgever heeft het recht op zijn/haar kosten
zodanige werknemer naar zijn/haar woonplaats te doen vervoeren,
indien dit vervoer medisch verantwoord wordt geacht; is evenwel
vervoer naar de woonplaats medisch noodzakelijk, dan is de werkgever
verplicht de kosten voor zijn rekening te nemen. Deze verplichting
geldt niet als de verzekering van de werknemer ook in dit
vervoer voorziet. De werkgever is dan wel gehouden de eventuele
eigen bijdrage van de werknemer voor dit geval te vergoeden.
Zolang de werknemer als gevolg van tewerkstelling buiten zijn/haar
woonplaats verpleegd wordt in een andere binnen Nederland gelegen
plaats dan waar hij/zij woonachtig is, zal de echtgenote/echtgenoot
van de betreffende werknemer haar man/vrouw éénmaal per week op
kosten van de werkgever kunnen bezoeken.

Dit laatste geldt ook voor ouders van werknemers die inwonende,
ongehuwde kinderen hebben.

Door de werkgever zullen worden vergoed, de reiskosten gemaakt
voor gebruik van een openbaar middel van vervoer (tweede of daarmee
gelijk te stellen klasse).

Artikel 83

Aansprakelijkheid bij vervoer

1. De werknemer is niet verplicht gebruik te maken van een door de
werkgever of diens vertegenwoordiger ter beschikking gesteld vervoermiddel,
dat niet voldoet aan de wettelijke bepalingen.
2. Het in lid 1. bepaalde is ook van toepassing wanneer:
a. het vervoer door de werkgever aan derden is opgedragen;
b. het vervoer in overleg met de werkgever door een van de in
dienst zijnde werknemers wordt uitgevoerd.
3. Indien de werknemer gebruik maakt van een eigen vervoermiddel,
dient dit te voldoen aan alle eisen, gesteld bij of krachtens de wet,
en deszelfs uitvoeringsvoorschriften en dient de werknemer, aan wie
het vervoermiddel toebehoort, tot een redelijk bedrag verzekerd te
zijn tegen schade wegens WA tegenover derden, met inbegrip van de
inzittenden.
Artikel 84

Bedrijfscursussen

De werknemer is verplicht, indien dit bij de aanstelling is overeengekomen,
bedrijfscursussen welke door of namens de werkgever worden
georganiseerd, te volgen. De inhoud van deze cursussen moet echter
gerelateerd zijn aan de functie welke de werknemer in het bedrijf uitoefent.
De cursussen zijn voor rekening van de werkgever.

Artikel 85

Cursussen buiten het bedrijf

Indien een cursus buiten het bedrijf wordt gevolgd in overleg tussen
werkgever en werknemer met het oogmerk dat na het volgen van de cursus
de werknemer beter voor zijn huidige taak geschikt zal zijn of op
een later tijdstip de werknemer voor een andere functie in aanmerking
kan komen, dan zal de werkgever ten minste 2/3 van de cursuskosten
voor zijn rekening nemen, waarbij in onderling overleg bepaalde voorwaarden
kunnen worden vastgelegd.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 86

Partiële leerplicht

Voor de jeugdige werknemer, die krachtens de bepalingen van de leerplichtwet
gedurende twee of één dag(en) per week leerplichtig is, geldt
een 3-daagse of 4-daagse werkweek. Over de dagen waarop hij/zij
onderricht ontvangt, dan wel onderwijs-vakantie heeft, kan hij/zij geen
aanspraak op loon doen gelden.

Artikel 87

Vakopleiding en Vorming

1. De werkgever stelt de geheel leerplichtvrije werknemer, die een
opleiding volgt krachtens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs, met
behoud van salaris in de gelegenheid tot het bijwonen van aanvullend
onderwijs binnen de normale werktijd tot maximaal één dag per
week. Indien dit onderwijs via een avondopleiding wordt genoten,
zal de betreffende werknemer het werk zoveel eerder mogen beëindigen
als, afhankelijk van de afstand, voor het genieten van een redelijke
rustpauze noodzakelijk is.
2. De werkgever stelt de geheel leerplichtvrije werknemer, die geen
opleiding volgt krachtens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs met
behoud van salaris in de gelegenheid deel te nemen aan een vormingscursus
van een instelling welke is erkend krachtens de wet Erkende
onderwijsinstellingen.
3. Wanneer gedurende drie avonden per week onderwijs wordt gevolgd
zal worden nagegaan of het redelijk is betrokkene één ochtend of
middag per week gelegenheid te geven het aan de opleiding verbonden
huiswerk te maken.
4. a. Het dienstverband van de werknemer met een BPVO kan worden
beëindigd indien diens gedrag in de werksituatie daartoe aanleiding
geeft en ook de directeur van het CWI c.q. de kantonrechter
daar voldoende redenen toe aanwezig acht. In dat geval zal de
BPVO één maand na beëindiging van de arbeidsovereenkomst
worden beëindigd.
b. Tussen het samenwerkingsverband en de werknemer wordt een
leerarbeidsovereenkomst gesloten voor de periode dat de basisberoepsopleiding
(vroegere primaire opleiding) met goed gevolg

wordt doorlopen. Artikel 87 lid 4a is van overeenkomstige toe-
passing.

Levensloopregeling
Per 1 januari 2006 is er een levensloopregeling afgesproken. Een eventuele
bijdrage kan ofwel worden gestort in een door CAO-partijen bij
Cordares ingesteld levensloopfonds, ofwel bij een levensloopfonds naar
keuze.

Artikel 91

Introductie

De werkgever zal zorgdragen voor een goede introductie. Dit houdt in
dat de werkgever de nieuwe werknemer zal introduceren bij de directe
leiding op het werk en hem zal informeren omtrent het bedrijf en het
project waaraan de nieuwe werknemer zal werken.

HOOFDSTUK 15

BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 93

Buitenlandse werknemers

1. Ten aanzien van buitenlandse werknemers wordt bepaald dat:
• zij recht hebben aansluitend aan hun vakantieperiode 3 weken
onbetaald verlof te nemen als het vaderland wordt bezocht;
• zij recht hebben op drie voor hen specifieke al dan niet religieuze
feest-en gedenkdagen, snipperdagen voor eigen rekening op te
nemen;
• zal worden bevorderd, dat alle voor de buitenlandse werknemers
relevante mededelingen in hun taal – dan wel anders voor hen
begrijpelijk – schriftelijk of mondeling worden bekend gemaakt.
Artikel 94

Sollicitatievergoeding

De werkgever vergoedt de reiskosten aan sollicitanten die op uitnodiging
van de werkgever een sollicitatiegesprek bijwonen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 95

Brand en diefstal

1. De werkgever zal op of bij een uit te voeren object – voor zover
mogelijk – zorgdragen voor een af te sluiten ruimte voor het opbergen
van de werkkleding en/of gereedschappen van de werknemers.
2. Deze ruimte dient door middel van een verzekering gedekt te zijn
tegen schade wegens het geheel of gedeeltelijk verloren gaan van de
werkkleding en/of gereedschappen tengevolge van brand en/of diefstal.
Artikel 96

Kinderopvang

Er bestaat een kinderopvangregeling gedurende de loopduur van deze
CAO. Voor 2007 is een budget vastgesteld van € 200.000, per jaar.

Op grond van deze regeling hebben werknemers die vallen onder de
werkingssfeer van deze CAO recht op vergoeding van 1/6 van de kosten
voor kinderopvang van een kind in de leeftijd van 0 tot 13 jaar. Aanspraak
op de vergoeding geldt zolang het budget dat toelaat en voor een
erkend kinderdagverblijf of erkende instelling voor naschoolse opvang.
De uitvoering van de regeling wordt opgedragen aan de Kintent. Werknemers
kunnen een verzoek om in aanmerking te komen voor deze regeling
indienen bij Kintent: Postbus 8545, 3503 RM Utrecht, telefoon:
030 – 23 23 100.

Meer informatie over de regeling is beschikbaar op de website
www.kintent.nl. De werknemer die van deze regeling gebruik maakt,
draagt bij in de kosten door middel van een inkomensafhankelijke ouderbijdrage,
zoals vastgesteld door het Ministerie van VWS. De kosten worden
gefinancierd door de Stichting Kinderopvang Afbouwbedrijf, door
middel van het opleggen van een premie.

Artikel 97

CAO à la carte/Flexibele arbeidstijden

Bij wijze van experiment wordt de werknemer de mogelijkheid geboden
een aantal nader te noemen tijd-enof geldbronnen in te zetten in het

kader van flexibilisering van arbeidsvoorwaarden en bestaat de moge-
lijkheid van flexibele arbeidstijden. In alle gevallen staat de vrijwillig-
heid van de werkgever en de werknemer voorop.
De voorwaarden staan genoemd in bijlage 5 van deze CAO.

 

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

BIJLAGE 2

Garantieregeling Stichting Vakantiefonds Afbouw

1. De werknemer, wiens werkgever is toegelaten tot het Vakantiefonds
en die in verband daarmede, buiten zijn schuld, onvoldoende
vakantierechten krijgt bijgeboekt, kan in principe aanspraak maken
op een uitkering uit het Vakantiefonds.
2. Indien er sprake is van de toepasselijkheid van artikel 61
Werkloosheidswet, bestaat er geen aanspraak op de in lid 1 bedoelde
uitkering. Indien op grond van deze regeling betalingen uit het
Vakantiefonds aan de werknemer zijn gedaan, en indien nadien blijkt
dat ten aanzien van de periode waarover die betalingen gedaan zijn,
sprake is van een situatie als omschreven in artikel 61 van de
Werkloosheidswet, dient deze akkoord te gaan met betaling door de
UWV Bouwnijverheid aan het Vakantiefonds.
3. Om in aanmerking te komen voor de in het eerste lid bedoelde uitkering
dient de werknemer een daartoe strekkende aanvraag in te
dienen bij het Vakantiefonds. De uitkering dient te worden aangevraagd
binnen 3 maanden na het tijdstip waarop de werknemer van
het niet door zijn werkgever nakomen van de verplichtingen kennis
heeft kunnen nemen. Een aanvraag die niet binnen vorengenoemde
termijn bij het Vakantiefonds is ingediend, wordt niet in behandeling
genomen.
4. De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt uitsluitend verstrekt,
indien de werknemer ten genoegen van het bestuur van het Vakantiefonds
aantoont:
• het bestaan van de dienstbetrekking waaraan hij zijn aanspraken
ontleent;
• de omvang van zijn aanspraken jegens het fonds uit die dienstbetrekking;
• dat hij zijn werkgever schriftelijk ter nakoming van diens verplichtingen
ter zake heeft;
• aangemaand (aangetekend) en in rechte schriftelijk heeft aangesproken.
5. Het Vakantiefonds kan een voorschot op de in de voorgaande leden
bedoelde uitkering verstrekken, indien de omstandigheden in bijzonderheid
ter zake van het rechtsgeding voornoemd daartoe aanleiding
geven. Over de hoogte van het voorschot beslist het bestuur.

6. De uitkering bedraagt maximaal de vakantierechten over een periode
van: acht weken per rechtjaar en per dienstverband als de verplichtingen
van de werkgever betrekking hebben op het loontijdvak beginnend
bij de aanvang van het dienstverband respectievelijk bij het
begin van de deelname van de werkgever aan het Vakantiefonds; zes
weken per rechtjaar en per dienstbetrekking in de overige gevallen.
7. De in de voorgaande leden bedoelde uitkering, dan wel het voorschot
daarop, wordt uiterlijk op de laatste dag van het kalenderjaar waarin
het desbetreffende rechtjaar eindigt, uitbetaald.
8. Geen aanspraak op de in lid 1 bedoelde uitkering heeft de werknemer,
die heeft ingestemd met de niet nakoming of niet-tijdige nakoming
van de verplichtingen van zijn werkgever met betrekking tot
zijn vakantierechten.
9. Indien een werknemer, hangende een aanvraag om uitkering uit het
Vakantiefonds, alsnog van zijn werkgever voldoening van de hem
toekomende vakantierechten verkrijgt, dient hij zijn aanvraag terstond
in te trekken, terwijl een hem reeds verstrekte uitkering ter
zake, terstond dient te worden gerestitueerd.
10. Ten onrechte betaalde uitkeringen, dan wel verstrekte voorschotten
daarop, worden van de werknemer teruggevorderd, dan wel met hem
verrekend.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

BIJLAGE 3

Opzegtermijnen

Door werkgever in acht te nemen opzegtermijnen voor werknemers van
45 jaar en ouder, zoals bedoeld in artikel 11 lid 6a en artikel 65 lid 1a
van deze CAO:

Leeftijd Aantal volle jaren dienstverband

werknemer–1 1 2 3 4 5 6 7 8 910 11 12

45 9 Max13
46 (–5) 9 10 13 Max14
47 (–5) (–6) 9 10 11 13 14 Max15
48 (–6) (–7) 9 10 11 12 13 14 15 Max16
49 (–6) (–8) 9 10 11 12 13 14 15 16 Max17
50 (–6) (–8) 10 11 12 13 14 15 16 17 Max18
51 (–6) (–8) 10 12 13 14 15 16 17 18 Max19
52 (–6) (–8) 10 12 14 15 16 17 18 19 Max20
53 (–6) (–8) 10 12 14 16 17 18 19 20 Max21
54 (–6) (–8) 10 12 14 16 18 19 20 21 Max22
55 (–6) (–8) 10 12 14 16 18 20 21 22 Max23
56 (–6) (–8) 10 12 14 16 18 20 22 23 Max24
57 (–6) (–8) 10 12 14 16 18 20 22 24 Max25
58t/m64 (–6) (–8) 10 12 14 16 18 20 22 24 Max26
65 en ouder 9 Max 13

Toelichting:

• Daar waar geen aantal weken wordt vermeld, geldt de wettelijke
opzegtermijn conform artikel 7:672 BW, zoals weergegeven in artikel
11 lid 6a en artikel 65 lid 1a van deze CAO.

• De opzegtermijnen in weken die tussen haakjes (...) in de tabel staan
aangegeven, zijn afwijkende opzegtermijnen voor chauffeurs. Voor
chauffeurs van 46 t/m 64 jaar geldt namelijk niet de voorwaarde van
5 jaar dienstverband.

• Met –1 wordt bedoeld een dienstverband korter dan 1 jaar.

• Deze tabel is een uitwerking van het bepaalde in artikel 11. In bijzondere
gevallen (bijvoorbeeld faillissement) kunnen afwijkende opzegtermijnen
gelden.

BIJLAGE 4A

Reglement van de Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden Afbouw
vanaf 1 januari 2006

Artikel 1

Definities

1. Belanghebbende: de belanghebbende die uiterlijk op 1 januari 2006
aan de voorwaarden voldoet zoals bedoeld in artikel 2 dan wel 2a
dan wel 2b, dan wel 2c, niet zijnde degene die niet bijdrageplichtig
is dan wel ooit niet bijdrageplichtig is geweest in de zin van artikel
52 lid 3 onder c van de CAO 2000/2001.
2. Werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 1 lid 3 dan wel artikel
62 lid 1 van deze CAO en hij die de functie van directeur
bekleedt. Werknemer is ook degene die in de periode van 3 maanden
direct voorafgaande aan de uittredingsdatum werkloos is geworden.
3. Vroegpensioengrondslag 2001: het in artikel 5 bedoelde gecorrigeerde
pensioenloon.
4. Vroegpensioengrondslag 2006: het in artikel 5a bedoelde pensioenloon.
5. A&O Services: A&O Services B.V. gevestigd te Rijswijk.
6. De Stichting: de Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden Afbouw.
7. Uittredingsdatum: de datum van vervroegd uittreden.
8. Vroegpensioendatum: de datum als bedoeld in artikel 3 van het
reglement van de Stichting Vroegpensioenfonds voor het Stukadoors-,
Afbouw-en Terrazzo-/Vloerenbedrijf.
9. Pensioendatum: de datum als bedoeld in het reglement van Stichting
Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, zoals dat van
kracht is vanaf 1 januari 2006.
10. CAO: CAO Afbouw.
Artikel 2

Voorwaarden

Belanghebbende in de zin van deze voorwaarden is degene:

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

1. die op de laatste dag van de maand, liggende 4 maanden voor de
uittredingsdatum, werknemer was;
en

2.1.die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, gedurende een
periode van minimaal 10 jaar zonder onderbreking anders dan door
arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, als werknemer werkzaam is
geweest. Voor de berekening van deze periode van 10 jaar wordt
tevens in aanmerking genomen:

a. de periode(n) dat belanghebbende als werknemer werkzaam is
geweest in de zin van de CAO-en voor:
a. het schilders-en afwerkingsbedrijf in Nederland;
b. het bouwbedrijf in Nederland;
c. het natuursteenbedrijf;
d. de bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven;
e. de betonmortel en morteltransportondernemingen;
met dien verstande, dat de werknemer in ieder geval gedurende de
laatste 2 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum zonder
onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
werkzaam dient te zijn geweest als werknemer in de zin van
artikel 1 lid 2. Deze bepaling blijft van kracht zolang de uittredingsleeftijd
als genoemd in artikel 52 lid 1 van deze CAO niet meer dan
2 jaar lager is dan de vergelijkbare uittredingsleeftijd in bovengenoemde
CAO-en;
en

b. de periode dat belanghebbende in het buitenland werkzaam is
geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft
plaatsgevonden;
en

c. de periode dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest
bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer
van de CAO, mits voor de werknemer een VUT-regeling
en/of een aanvullingsregeling van toepassing was, vergelijkbaar
met deze aanvullingsregeling;
of

2.2.die in de periode van 15 jaar direct voorafgaande aan de uittredings

 

datum ten minste 10 jaar werkzaam is geweest (waaronder begrepen
periode(n) van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid) in een onderneming
vallend onder de werkingssfeer van deze CAO als werknemer
in de zin van artikel 1 lid 2. Voor de berekening van de 10 jaar
wordt tevens in aanmerking genomen de periode waarin belanghebbende
in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode
aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, alsmede de periode
dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij
een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de
CAO, mits voor de werknemer een VUT-regeling van toepassing was
en de en/of een aanvullingsregeling van toepassing was, vergelijkbaar
met deze aanvullingsregeling;

en

3. die op de dag, voorafgaande aan de in lid 5 bedoelde datum, zijn
woonplaats in Nederland heeft;
en

4. die op de uittredingsdatum 60, 61, 62, 63 of 64 jaar is;
en

5.1.wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum, of –
indien en voor zover dat ingevolge de door hem in acht te nemen
opzeggingstermijn, dan wel in verband met arbeidsongeschiktheid
noodzakelijk is – met ingang van een latere datum is geëindigd;

of

5.2.wiens dienstbetrekking in het kader van deeltijd-uitkering met in-
gang van de uittredingsdatum, voor wat betreft de arbeidsduur, voor
dat percentage is geëindigd dat gebruik wordt gemaakt om vervroegd
uit te treden. Dat percentage is 20% of 40%, in overleg met de werkgever;

en

6. die bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd recht heeft op vroegpensioen,
waarbij vanaf en voor zover de 60-jarige leeftijd is bereikt
de vroegpensioenuitkering op basis van gelijke deeltijd wordt uitgekeerd
als de uitkering op basis van deze regeling;
en

7. die uiterlijk op 1 januari 2006 aan de in dit artikel gestelde voorwaarden
voldoet.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 2a

Voorwaarden uittreding vanaf 57 jaar

In afwijking van artikel 2 is belanghebbende in de zin van deze voorwaarden
degene:

1. die op de laatste dag van de maand, liggende 4 maanden vóór de
uittredings-datum, werknemer was;
en

2. a. die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum minstens 40 jaar
binnen de Europese Gemeenschap werknemer ingevolge artikel
7:610 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is geweest;
en

b. daarvan gedurende 30 jaar actief deelnemer is geweest in het
Bedrijfstak-pensioenfonds voor de Bouwnijverheid en/of een
daarmee in het kader van de vrijstellingsregeling gelijkgestelde
pensioenverzekering;
en

c. gedurende de laatste 4 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum,
zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid
of werkloosheid werkzaam is geweest als werknemer in de
zin van artikel 1 lid 2; waarbij ten aanzien van de bij b. en c.
bedoelde termijnen geldt dat de periode, die belanghebbende
werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder
de werkingssfeer van de CAO, mede in aanmerking wordt genomen,
mits voor de werknemer een vergelijkbare VUT-regeling
van toepassing was dan wel voor de werknemer een aanvullingsregeling
van toepassing was vergelijkbaar met deze aanvullingsregeling;
en

3. die op de dag, voorafgaande aan de in lid 5 bedoelde datum, zijn
woonplaats in Nederland heeft;
en

4. die op de uittredingsdatum 57 jaar of ouder is;
en
5.1.wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum of indien

– en voor zover dat ingevolge de door hem in acht te nemen opzeggingstermijn,
dan wel in verband met arbeidsongeschiktheid noodzakelijk
is – met ingang van een latere datum is geëindigd;
of

5.2.wiens dienstbetrekking in het kader van een deeltijduitkering op
grond van deze regeling met ingang van de uittredingsdatum, voor
wat betreft de arbeidsduur, voor dat percentage is geëindigd dat
gebruik wordt gemaakt om vervroegd uit te treden. Dat percentage
is 20% of 40%, in overleg met de werkgever;

en

6. die bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd recht heeft op vroegpensioen,
waarbij vanaf en voor zover de 60-jarige leeftijd is bereikt
de vroegpensioenuitkering op basis van gelijke deeltijd wordt uitgekeerd
als de uitkering op basis van deze regeling;
en

7. die in zijn werkzame leven niet langer dan 5 jaar (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de AAW/WAO/WAZ/
WIA;
en

8. die uiterlijk op 1 januari 2006 voldoet aan de in dit artikel gestelde
voorwaarden.
Artikel 2b

Voorwaarden uittreden vanaf 59 jaar

In afwijking van artikel 2 en artikel 2a is belanghebbende in de zin van
deze voorwaarden degene:

1. die op 1 januari 2006 56 jaar of ouder is;
en
2. die op 1 januari 2006 werknemer is in de zin van artikel 1 lid 2 en
dat ook in de tweede helft van 2005 is geweest;

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

en

3. die na 1 januari 2006, doch uiterlijk vóór de 65-jarige leeftijd, gaat
voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2a lid 1 t/m 3
en lid 5 t/m 7;
en

4. die op de uittredingsdatum 59 jaar of ouder is;
en
5. die direct aansluitend op de uitkering bij uittreden vanaf 59 jaar een
ouderdomspensioenuitkering ontvangt van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds
voor de Bouwnijverheid.
Artikel 2c

Voorwaarden uittreden vanaf 60 jaar

In afwijking van artikel 2 en artikel 2a is belanghebbende in de zin van
deze voorwaarden degene:

1. degene die op 1 januari 2006 56 jaar of ouder is;
en
2. die op 1 januari 2006 werknemer is in de zin van artikel 1 lid 2 en
dat ook in de tweede helft van 2005 is geweest;
en

3. die na 1 januari 2006, doch uiterlijk vóór de 65-jarige leeftijd, gaat
voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2 lid 1 t/m 6;
en

4. die direct aansluitend op de uitkering bij uittreden vanaf 60 jaar een
ouderdomspensioenuitkering ontvangt van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds
voor de Bouwnijverheid.

Artikel 2d

Inperking van rechten na langdurige werkloosheid

Voor belanghebbenden die in de 12 maanden direct voorafgaand aan de
uittredingsdatum langer dan 3 maanden werkloos zijn geweest, geldt als
extra voorwaarde dat zij in een periode van 2 jaar direct voorafgaande
aan de uittredingsdatum minimaal 18 maanden moeten hebben gewerkt
bij een werkgever als bedoeld in artikel 1 lid 1 en lid 2 van deze CAO.

Artikel 2e

Inperking van rechten na langdurige arbeidsongeschiktheid

Voor belanghebbenden die in de 12 maanden direct voorafgaand aan de
uittredingsdatum langer dan 3 maanden arbeidsongeschikt zijn geweest,
geldt als extra voorwaarde dat zij in de periode van 2 jaar direct voorafgaande
aan de uittredingsdatum minimaal 18 maanden moeten hebben
gewerkt bij een werkgever als bedoeld in artikel 1 lid 1 en lid 2 van de
CAO. Daarnaast geldt dat de belanghebbende die gedurende een langere
periode dan 5 jaar aaneengesloten een uitkering krachtens de WIA/WAO
heeft ontvangen niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond
van artikel 2a van dit reglement.

Artikel 3

Uitkering op grond van artikel 2 dan wel 2a, dan wel 2b dan wel
2c

1. Aan de belanghebbende wordt op zijn verzoek door de Stichting een
uitkering in de zin van deze regeling toegekend met ingang van de
in artikel 2 onder 4 dan wel 2a onder 4, dan wel 2b onder 4, dan wel
2c onder 3 bedoelde datum.
2.1.De belanghebbende krijgt de beschikking over een uitkeringsbudget.
Dit budget is bestemd voor de periode vanaf de uittredingsdatum tot
het einde van de vroeg-pensioenuitkering, doch ten hoogste tot de
maand waarin belanghebbende 65 jaar wordt.
Als uittredingsdatum ingevolge dit artikel wordt bedoeld de vroegst
mogelijke uittredingsdatum, zoals bedoeld in artikel 2 dan wel 2a,
dan wel 2b dan wel 2c. Later uittreden, omdat niet eerder aan de
uittredingsvoorwaarden werd voldaan, levert een uitkeringsbudget
naar rato op.

2.2.De maximale hoogte van dit uitkeringsbudget bedraagt voor de
belanghebbende die vanaf 1 juli 1995 kan uittreden op basis van de
voorwaarde zoals bedoeld in artikel 2: 375% van de vroegpensioengrondslag
zoals bedoeld in artikel 5.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2.3.De maximale hoogte van dit uitkeringsbudget bedraagt voor de
belanghebbende die kan uittreden op basis van de voorwaarden zoals
bedoeld in artikel 2a in 2001 500% van de vroegpensioengrondslag
als bedoeld in artikel 5. In 2002 wordt voornoemd percentage 475%
en vanaf 2003 450%.

2.4.De maximale hoogte van dit uitkeringsbudget bedraagt voor de
belanghebbende die kan uittreden vanaf 1 januari 2006 zoals bedoeld
in artikel 2b: 420% van de pensioengrondslag als bedoeld in artikel
5a.

2.5.De maximale hoogte van dit uitkeringsbudget bedraagt voor de
belanghebbende die kan uittreden vanaf 1 januari 2006 zoals bedoeld
in artikel 2c: 350% van de pensioengrondslag als bedoeld in artikel
5a.

2.6.Het uitkeringsbudget dat op grond van artikel 2 dan wel 2a op de
vroegst mogelijke uittredingsdatum is toegekend, wordt evenredig
verdeeld over het aantal vroegpensioenjaren gelegen tussen de
uittredingsdatum en het moment waarop de belanghebbende 65 jaar
wordt met een maximum van 100% van het laatst verdiende loon en
met inachtneming van hetgeen is gesteld in lid 2.8 van dit artikel.

2.7.Het uitkeringsbudget dat op grond van artikel 2b dan wel 2c op de
vroegst mogelijke uittredingsdatum is toegekend, wordt evenredig
verdeeld over het aantal vroegpensioenjaren gelegen tussen de
uittredingsdatum en het moment waarop de belanghebbende 65 jaar
wordt met een maximum van 100% van het pensioenloon conform
artikel 5a en met inachtneming van hetgeen is gesteld in lid 2.8 van
dit artikel.

2.8.Indien een belanghebbende naast een uitkering als bedoeld in artikel
52 van de CAO 2000/2001 een uitkering krachtens een (eerder ingegane)
ouderdomspensioenregeling ontvangt zal een aanvulling op
grond van artikel 2 dan wel 2a niet leiden tot een totaal inkomen
hoger dan 100% van het laatst verdiende loon conform artikel 5 en
een aanvulling op grond van artikel 2b en 2c niet leiden tot een totaal
inkomen hoger dan 100% van het pensioenloon conform artikel 5a.

2.9.De resterende uitkering uit lid 2.6 en 2.7 wordt omgezet in extra
ouderdomspensioen, met in achtneming van hetgeen is gesteld in lid

2.10.

2.10.De uitkering per dag bedraagt bij volledig uittreden – één en ander
met inachtneming van het bepaalde in lid 1 van artikel 3a – maximaal
100% van de vroegpensioengrondslag zoals genoemd in artikel
5.

2.11.De belanghebbende die gebruik maakt van de deeltijduitkering op
grond van deze regeling en zijn werkzaamheden voor 80% respectievelijk
60%, zoals bedoeld in artikel 2.5.2 of 2a.5.2 voortzet, geldt
een uitkering voor iedere dag dat wordt deelgenomen aan deze
regeling.

3. Aan de belanghebbende wordt naast de uitkering een vakantietoeslag
ter hoogte van 8% van de uitkering toegekend.
Artikel 3a

Pensioenregelingen

1. Ten behoeve van de belanghebbende wordt aan de Stichting
Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf-bouw) de
pensioenpremie betaald die voor hem in de laatste dienstbetrekking
krachtens de CAO verschuldigd was, met inachtneming van de verhogingen
die deze premie zou hebben ondergaan indien de belanghebbende
niet vervroegd zou zijn uitgetreden.
2. Voor regelingen van ouderdoms-, weduwe-, weduwnaars-en wezenpensioen
in de plaats van de BPF-voorziening – ingeval van vrijstelling
van de verplichte deelneming aan de loonafhankelijke pensioenregeling,
dan wel in het geval betrokkene niet valt onder voornoemde
verplichte deelneming – zal, bij gehele of gedeeltelijke voortzetting
van deze pensioenregeling met premiebetaling, telkenmale na getoond
bewijs van premiebetaling, tot de pensioendatum aan belanghebbende
of diens werkgever een bijdrage worden vergoed ter grootte
van het werkgevers-aandeel in de pensioenpremie tot maximaal het
bedrag dat voor rekening zou komen bij deelneming aan de loonafhankelijke
pensioenregeling, mits sprake is van een pensioenvoorziening
bij een ander bedrijfspensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds
of een verzekeringsmaatschappij.
Zulks geschiedt onder voorwaarde, dat:
a. de premie voor belanghebbende individueel moet zijn vast te
stellen;
en

b. na uittreding de belanghebbende zijn gebruikelijke evenredig
aandeel in de premie, bij continuatie van de verzekering door de
werkgever, aan deze werkgever blijft afdragen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

3. Indien op enig kalenderjaar vanaf het kalenderjaar 1987 betrekking
hebbende bewijzen van premiebetaling niet binnen 6 maanden na
afloop van dat kalenderjaar zijn getoond, vervallen over dat kalenderjaar
aanspraken op de in het tweede lid bedoelde vergoedingen.
Artikel 4

Wijze van verzoeken

1. De belanghebbende die voor de uitkering op grond van deze regeling
in aanmerking wenst te komen dient minimaal 3 maanden vóór
de gewenste uittredingsdatum een daartoe strekkend verzoek in. Het
verzoek kan worden ingediend bij A&O Services.
2. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe
bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en
ondertekend. Op het formulier wordt tevens aangegeven voor welke
varianten als bedoeld in lid 3 wordt gekozen, alsmede de periode
waarin de gekozen variant wordt geëffectueerd. Deeltijduitkering kan
alleen worden toegepast indien tussen de werkgever en de werknemer
consensus bestaat over de wijze waarop de 20% of 40% deeltijduitkering
wordt ingevuld (werktijd en uittreden) en de wijze van
invulling wordt medegedeeld aan A&O Services.
3. Indien gekozen wordt voor deeltijduitkering, zoals bedoeld in artikel
2.5.2 dan wel 2a.5.2, dan wel 2b.3 dan wel 2c.3 bestaan de volgende
varianten:
a. 4 dagen werken, uittreden voor 1 dag;
b. 3 dagen werken, uittreden voor 2 dagen.
Bij een deeltijduitkering op grond van 2a. 5.2 dient op gelijke wijze
gebruik te worden gemaakt van het vroegpensioen, vanaf en voor
zover de 60-jarige leeftijd is bereikt.
4. Indien de belanghebbende in overleg met zijn werkgever besluit om
de eerder aangegeven periode van deeltijd-uittreden en/of de gekozen
variant te wijzigen, dient hij dit minimaal 1 maand voorafgaande
aan de ingangsdatum van deze wijziging schriftelijk bij A&O Services
te melden.
5. Indien een belanghebbende gebruik wenst te maken van de garantieregeling
zoals bedoeld in artikel 14, dan dient hij dit uitdrukkelijk op
het aanvraagformulier aan te geven.

Artikel 5

Vroegpensioengrondslag 2001

1. De uitkering op grond van artikel 2 dan wel 2a wordt berekend op
basis van het gecorrigeerd pensioenloon.
2. Het gecorrigeerd pensioenloon:
het gecorrigeerd pensioenloon wordt halfjaarlijks per 1 januari en per
1 juli vastgesteld en is afhankelijk van de leeftijd van de deelnemer:
a. tot en met de halfjaarperiode vanaf 1 januari tot 1 juli c.q. 1 juli
tot 1 januari, waarin de deelnemer de 50ste verjaardag bereikt,
gelijk aan het conform lid 3 sub c van dit artikel bepaalde gemiddeld
pensioenloon;
b. na de in sub a van dit lid bedoelde halfjaarperiode en tot de
halfjaarperiode waarin de deelnemer de 55ste verjaardag bereikt
is het gecorrigeerd pensioenloon ten minste gelijk aan het laatstelijk
vastgestelde gecorrigeerd pensioenloon na verhoging met
de loontrend over de sedert die eerdere vaststelling verstreken
periode.
Indien echter uit de berekening van de formule:

(GL) + (LGPi * N)/(N + 1) = GP

waarin:

GL = gemiddeld pensioenloon als bedoeld in lid 3 sub c van dit artikel
LGPi = het met de loontrend verhoogde gecorrigeerd pensioenloon
als bedoeld in de eerste volzin van dit sub
N = het aantal perioden van een halfjaar dat sedert de in sub a van
dit lid bedoelde periode is verstreken, met uitzondering van perioden
waarin niet is deelgenomen
GP = de uitkomst

een hogere uitkomst voortvloeit, wordt het gecorrigeerd pensioenloon
op deze hogere uitkomst vastgesteld;

c. vanaf de halfjaarperiode waarin de deelnemer de 55ste verjaardag
bereikt tot de vroegpensioendatum het laatstelijk vastgestelde
gecorrigeerd pensioenloon na verhoging met de loontrend over
de sedert die eerdere vaststelling verstreken periode;
d. bij gebreke van een in sub b van dit lid respectievelijk sub c van
dit lid bedoelde eerdere vaststelling als gevolg van toetreding of
hertoetreding vanaf de 50ste respectievelijk 55ste verjaardag van
de deelnemer wordt het gecorrigeerd pensioenloon de eerste maal
na de (her)toetreding vastgesteld op het conform lid 3 sub c
bepaalde gemiddeld pensioenloon.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

3. Het pensioenloon:
a. voor de werknemer in de zin van deze CAO:
het in enig kalenderjaar overeengekomen vast loon (exclusief
vakantietoeslag) volgens deze CAO. Overuren en reisuren buiten
de normale werktijd behoren niet tot het overeengekomen vast
loon. Mede in aanmerking wordt genomen een met de werkgever
schriftelijk overeengekomen vaste jaarlijkse uitkering onder
welke benaming dan ook, zoals een dertiende maand, een vaste
eindejaarsuitkering, gegarandeerde tantième e.d.;
b. het maximum pensioenloon bedraagt maximaal 1,5 maal de premiegrens
zoals aangegeven in artikel 9 eerste lid van de
Coördinatiewet Sociale Verzekeringen;
c. gemiddeld pensioenloon:
het gemiddeld pensioenloon van de werknemer in de zin van
deze CAO wordt per 1 januari en per 1 juli van enig jaar bepaald
als het gemiddelde per loonbetalingstijdvak van het overeengekomen
vast loon in de daaraanvolgende periode van 1 januari tot
1 juli respectievelijk van 1 juli tot 1 januari.
4. Vroegpensioengrondslag:
is gelijk aan het gecorrigeerd pensioenloon; De vroegpensioengrondslag
wordt vastgesteld bij aanvang van de toetreding tot de
CAO en zolang deze voortduurt telkens op 1 januari en 1 juli van de
jaren daarop volgend.
5. Onder loon in de zin van dit artikel wordt mede begrepen de uitkeringen,
zoals bedoeld onder artikel 6 lid 3 sub a.
6. In het kader van de Zorgverzekeringswet wordt op de vroegpensioenuitkering
4,4% van de vroegpensioenuitkering ingehouden over ten
hoogste het bedrag zoals is vastgesteld in artikel 5 lid 1 van de Regeling
Zorgverzekering. Deze inhouding wordt door de Stichting gecompenseerd.
Artikel 5a

Vroegpensioengrondslag 2006

1. De uitkering op grond van artikel 2b dan wel 2c wordt berekend op
basis van het pensioenloon, conform de pensioenregeling van de
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, zoals
dit geldt vanaf 1 januari 2006.

2. Hetgeen is gesteld in artikel 5 lid 6 van dit reglement is overeenkomstig
van toepassing.
Artikel 6

Kortingen op de uitkeringen

1. a. Het is verboden om tijdens de looptijd van de uitkering op grond
van deze regeling binnen de bedrijfstak bouwnijverheid werkzaamheden,
van wat voor aard dan ook en tegen welke voorwaarden
of beloning dan ook, te verrichten. Dit verbod is uitdrukkelijk
ook van toepassing op het verrichten van werkzaamheden
,,om niet’’ of tegen een onkostenvergoeding.
b. Het in artikel 6.1.a bedoelde verbod is niet van toepassing voor
zover er sprake is van gedeeltelijke voortzetting van het dienstverband
in relatie met een deeltijduitkering en voorts voldaan is
aan alle voorwaarden die in dit reglement of door het bestuur van
de Stichting aan de uitvoering van deeltijduitkering gesteld worden.
Het is niet toegestaan structureel overwerk in de zin van artikel
14 van de CAO te verrichten tijdens de periode dat een deeltijduitkering
genoten wordt.
c. Het bestuur van de Stichting kan, onverminderd het bepaalde in
artikel 8.2, schriftelijk ontheffing verlenen van het in artikel 6.1.a
opgenomen verbod.
Het bestuur kan aan de ontheffing nadere voorwaarden verbinden.
d. Het is toegestaan om, onverminderd het bepaalde in artikel 8.2,
met toestemming van het bestuur van de Stichting werkzaamheden
te verrichten buiten de bedrijfstak bouwnijverheid. Het bestuur
kan aan de toestemming nadere voorwaarden verbinden.
e. Werkzaamheden binnen de bedrijfstak bouwnijverheid, niet zijnde
vanwege het dienstverband van waaruit vervroegd wordt uitgetreden,
die reeds verricht werden voor de ingangsdatum van de
uitkering op grond van deze regeling, mogen, onverminderd het
bepaalde in artikel 8.2, tijdens de uitkeringsperiode op grond van
deze regeling worden voortgezet, mits die werkzaamheden reeds
vijf jaar voor de uittredingsdatum een aanvang hebben genomen.
De daaruit voortvloeiende inkomsten mogen tijdens de uitkeringsperiode
op grond van deze regeling jaarlijks niet meer bedragen
dan het bedrag dat gevonden wordt door het totale bedrag van de
hier bedoelde neveninkomsten over de vijf jaar, voorafgaande
aan de uittredingsdatum, te delen door vijf.
Uitbreiding van de werkzaamheden tijdens de uitkeringsperiode
op grond van deze regeling vallen onder het verbod van artikel
6.1.a.
f. Het bestuur van de Stichting is bevoegd om bij overtreding van
een in artikel 6.1 opgenomen verbod of bij het niet of niet vol

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

ledig nakomen van een op grond van artikel 6.1 gestelde voorwaarde
een sanctie, als bedoeld in artikel 10, op te leggen.

2. a. Op de voltijduitkering op grond van deze regeling worden, onverminderd
het in artikel 8.2 bepaalde, in mindering gebracht de
inkomsten, waaronder begrepen beloningen in natura en het bovenmatig
deel van onkostenvergoedingen, die voortvloeien uit
werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid, voor zover
die inkomsten meer bedragen dan het verschil tussen de door
belanghebbende ontvangen uitkering en het op basis van artikel
5 of 5a (gecorrigeerd) pensioenloon, vermeerderd met tot uitkering
komende (vroeg)pensioenuitkeringen.
b. Op de deeltijduitkering op grond van deze regeling worden,
onverminderd het in artikel 8.2 bepaalde, in mindering gebracht
inkomsten, waaronder begrepen beloningen in natura en het bovenmatig
deel van onkostenvergoedingen, die voortvloeien uit
werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid, voor zover
die inkomsten meer bedragen dan het verschil tussen de door
belanghebbende ontvangen deeltijduitkering, vermeerderd met de
inkomsten uit de voortgezette dienstbetrekking, en het gecorrigeerd
pensioenloon op basis van deze regeling, vermeerderd met
tot uitkering komende (vroeg)pensioenuitkeringen.
c. De inkomsten uit werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid,
zoals bedoeld in de artikelen 6.2.a en 6.2.b, worden
geacht betrekking te hebben op het kwartaal waarin deze werkzaamheden
hebben plaatsgevonden.
d. Inkomsten uit werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid
komen, onverminderd het bepaalde in artikel 8.2, niet in
aanmerking voor verrekening met de uitkering op grond van deze
regeling, voor zover die werkzaamheden al gedurende ten minste
vijf jaren voor de uittredingsdatum plaatsvonden en tijdens de
uitkeringsperiode op grond van deze regeling geen uitbreiding
aan die werkzaamheden wordt gegeven.
De vrij te stellen inkomsten tijdens de uitkeringsperiode op grond
van deze regeling worden berekend door de totale neveninkomsten
over de vijf jaar, voorafgaande aan de uittredingsdatum, te
delen door vijf.
3. a. Op de uitkering van de belanghebbende wordt eveneens in mindering
gebracht de uitkering bij arbeidsongeschiktheid krachtens
de Ziektewet en/of AAW/WIA/WAO/WAZ, met dien verstande
dat ingevolge artikel 2 dan wel 2.a. dan wel 2b dan wel 2c uit

treding niet mogelijk is indien en zolang er sprake is van volledige
arbeidsongeschiktheid.

b. Voor de toepassing van het bepaalde onder a. van dit lid wordt
belanghebbende geacht een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
te genieten indien belanghebbende vrijwillig van het recht
hierop afstand doet, met dien verstande dat de uitkering geheel
wordt ingehouden indien de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer
zou zijn berekend.
4. Op de uitkering wordt ingehouden hetgeen de belanghebbende verschuldigd
is aan:
a. premie ingevolge de Zorgverzekeringswet;
b. loonbelasting/premie volksverzekeringen;
c. pensioenpremie.
5. Zolang belanghebbende recht heeft op een uitkering als bedoeld in
artikel 52 van deze CAO, vervallen de opgebouwde aanspraken,
krachtens de per 1 januari 2001 geldende vroegpensioenregeling
voor de Afbouw en/of uitkeringen op basis van voorzieningen in de
plaats van voornoemde vroegpensioenregeling dan wel enig andere
(vroeg)pensioenuitkering, aan de stichting.
Artikel 7

Uitbetaling

De uitkering op grond van deze regeling wordt maandelijks door A&O
Services aan de belanghebbende uitbetaald. De vakantiebijslag wordt
aan de belanghebbende in de maand mei betaald.

Artikel 8

Einde van de uitkering

1. Het recht op uitkering op grond van deze regeling eindigt op de eerste
dag van de maand, waarin de belanghebbende de leeftijd van
65 jaar bereikt, dan wel op de datum waarop enige voor betrokkene
geldende vroegpensioenuitkering eindigt indien dat is voordat belanghebbende
de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. Het recht op uitkering eindigt voor de in de eerste lid bedoelde
datum indien de belanghebbende in of buiten de bouwnijverheid
opnieuw een dienstbetrekking aanvaardt en wel met ingang van de
eerste dag waarop hij in die dienstbetrekking werkzaam is.
3. Het voorgaande lid is niet van toepassing indien, in het geval van een
deeltijduitkering, een nieuwe dienstbetrekking wordt aanvaard voor

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

dat deel dat geen gebruik wordt gemaakt van deze uittredingsregeling.

Artikel 9

Plicht tot verstrekken van inlichtingen

1. De belanghebbende verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan
de functionarissen, die door A&O Services met het toezicht zijn
belast, alle inlichtingen die voor de beoordeling van het recht op uitkering
en van de hoogte daarvan van belang kunnen zijn.
2. De belanghebbende doet elk kwartaal opgave aan A&O Services van
de inkomsten uit arbeid, verricht in de periode waarover hij uitkering
ontvangt, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier,
dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend.
3. De werkgevers verstrekken aan A&O Services de benodigde informatie
met betrekking tot het loon en de arbeid van degenen die een
aanvraag tot vervroegd uittreden hebben ingediend.
Artikel 10

Intrekking en wijziging van een besluit tot uitkering

1. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde
of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet of onjuist verstrekt,
kan het bestuur een besluit tot toekomstige uitkering, dan wel
tot een reeds lopende uitkering, intrekken en tevens betrokkene uitsluiten
voor iedere toekomstige uitkering vanwege de stichting. Belanghebbende
wordt in het kader van dit lid geacht de bedoelde
inlichtingen niet te hebben verstrekt, indien binnen twee maanden,
na ontvangst van de eerst oproep daartoe of het uit eigen beweging
te melden feit bekend is bij belanghebbende, de stichting de inlichtingen
nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het kader
van dit lid geacht de inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien
de stichting daarbij voor meer dan € 3.403,35 is benadeeld.
2. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde
of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet tijdig of onjuist
verstrekt, kan een uitkering worden verlaagd. De verlaging bedraagt
maximaal 30% en duurt maximaal 12 maanden, naar gelang de ernst
van de overtreding, blijkende uit recidive. Belanghebbende wordt

geacht de bedoelde inlichtingen niet tijdig te hebben verstrekt, indien
na het verstrijken van de daarvoor gegeven termijn in de eerste
oproep daartoe, dan wel na twee weken het uit eigen beweging te
melden feit bekend is bij belanghebbende, de stichting de bedoelde
inlichtingen nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het
kader van dit lid geacht inlichtingen onjuist te hebben verstrekt,
indien de stichting daarbij voor ten minste € 22,69 en voor maximaal
€ 3.403,35 is benadeeld. Het bestuur van de stichting heeft de mogelijkheid
om de sanctiemogelijkheden van lid 1 mede toe te passen in
het geval belanghebbende voor de derde maal onjuiste inlichtingen
heeft verstrekt ingevolge dit lid.

3. Indien belanghebbende niet voldoet aan enig in deze regeling gestelde
voorwaarde, kan een waarschuwing worden gegeven.
4. Het bestuur is bevoegd de sancties, zoals genoemd in lid 2 en lid 3,
te combineren.
5. De stichting is bevoegd de door de stichting opgelopen schade als
gevolg van door belanghebbende niet, niet tijdig of onjuist verstrekte
inlichtingen of anderszins niet voldoen aan de in deze regeling
gestelde voorwaarden, al dan niet bestaand uit teveel betaalde uitkeringen,
sociale lasten en rente, te verhalen op belanghebbende. Daarbij
behoudt de stichting zich het recht voor verhaal te halen door
middel van vermindering van de lopende uitkering.
6. Het bestuur is bevoegd aangifte te doen bij de daarvoor bedoelde
instelling in het geval het bestuur een gerechtvaardigd vermoeden
heeft dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar
feit. Dat laat onverlet de mogelijkheid om in civiel rechtelijke procedures
of anderszins eventuele schade, al dan niet in de vorm van
onverschuldigde betalingen, op betrokkene te verhalen.
7. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de belanghebbende
van een gedraging als daar bedoeld redelijkerwijs geen verwijt kan
worden gemaakt, waarvan is uitgesloten een beroep op het niet kennen
van de inhoud van deze regeling.
8. In alle gevallen, waarin een sanctie wordt opgelegd, wordt daarvan
schriftelijk melding gedaan aan betrokkene. Tevens wordt aan betrokkene
gemeld wat de sanctie inhoudt en waarom en op grond
waarvan deze is opgelegd. Verder wordt melding gemaakt van de
mogelijkheden voor beroep of bezwaar.
9. Alle baten en/of opbrengsten, die voortvloeien uit op grond van deze
regeling opgelegde sancties, zullen worden gebruikt in overeenstemming
met het doel van de stichting.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 11

Beslissingsbevoegdheid

Op verzoeken om toekenning van een uitkering wordt door het bestuur
van de Stichting beslist.

Artikel 12

Verblijf in het buitenland

De belanghebbende behoeft, voor een verblijf in het buitenland voor een
aaneengesloten tijdvak van langer dan 4 weken gedurende de periode
waarover hij uitkering ontvangt, vooraf schriftelijk toestemming van het
bestuur van de stichting. Verzoeken voor deze toestemming dienen een
maand voor de voorgenomen vertrekdatum te worden ingediend. Van
een voorgenomen verblijf in het buitenland voor een tijdvak van kortere
duur stelt hij A&O Services tevoren schriftelijk in kennis.

Artikel 13

Uitvoering

1. A&O Services is belast met de uitvoering van deze regeling. De uitvoering
van deze regeling geschiedt onder verantwoordelijkheid, toezicht
en in opdracht van het bestuur van de Stichting, waarin zitting
hebben vertegenwoordigers van de organisaties, partij bij deze CAO.
2. De organisaties bedoeld in artikel 7 van de CAO zijn bevoegd dispensatie
te verlenen met betrekking tot onderbrekingen van korte
duur in het in artikel 2 lid 2 en artikel 2a lid 2 bedoelde arbeidsverleden
en voorts in alle gevallen, waarin dit aangewezen is om een
uitvoering van deze voorwaarden overeenkomstig hun strekking en
naar redelijkheid te verwezenlijken. De organisaties zijn bevoegd
deze taak te delegeren aan het bestuur van de Stichting.
3. In geval van een geschil omtrent de uitvoering van deze voorwaarden
wordt, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een
belanghebbende, een beslissing genomen door het bestuur van de in
lid 1 genoemde Stichting. De in dit lid bedoelde behandeling van
geschillen laat de uit andere hoofde aan de belanghebbende toekomende
rechtsmiddelen onverlet.

Artikel 14

Garantiebepaling

1. Indien een belanghebbende besluit om na het bereiken van de leeftijd,
waarop van deze regeling gebruik kan worden gemaakt en ook
aan de uittredingsvoorwaarden wordt voldaan, vooralsnog geen gebruik
te maken van zijn recht om vervroegd uit te treden, wordt het
recht op uittreding onder de voorwaarden zoals geldend op het
moment van het bereiken van voornoemde leeftijd gehandhaafd, mits
een daartoe strekkende aanvraag daartoe tijdig is ingediend (zie artikel
4 lid 1).
2. Indien belanghebbende, die een beroep heeft gedaan op dit artikel in
de periode tussen het ontstaan van het recht en het moment van voorgenomen
uittreding arbeidsongeschikt wordt, zal uittreding (in tegenstelling
tot artikel 6.3) ook bij volledig arbeidsongeschiktheid mogelijk
zijn, waarbij eveneens de in artikel 6.3 genoemde uitkeringen en
aanvullingen op de uitkering in mindering worden gebracht op de
uitkering op grond van deze regeling. De belanghebbende dient binnen
een halfjaar na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid aan te
geven of hij al dan niet kiest voor instroom in deze regeling, hetgeen
direct na dit halfjaar dient te geschieden.
3. Na beëindiging van deze CAO zullen de aanspraken en rechten van
deze overeenkomst blijven gelden en zullen de daaruit voortvloeiende
lasten worden afgefinancierd.
Artikel 15

Bijdrage

De werkgever is een bijdrage verschuldigd voor de financiering van de
uitvoering van de regeling van de Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden
Afbouw.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

BIJLAGE 5

Raamregeling flexibele arbeidsvoorwaarden Afbouw

Pilot CAO à la carte

In de CAO voor de Afbouw is bij wijze van experiment de afspraak
gemaakt de werknemer de mogelijkheid te bieden een aantal nader te
noemen tijd-en /of geldbronnen in te zetten in het kader van flexibilisering
van arbeidsvoorwaarden. De werkgever heeft hiertoe binnen de
voorwaarden zoals die op grond van het protocol pilot CAO à la carte
door CAO-partijen nader zijn geformuleerd, een raamregeling opgesteld.

Doelstelling van Flexibele Arbeidsvoorwaarden

Met het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden wordt de werknemer
de mogelijkheid geboden te variëren in arbeidsvoorwaarden, waardoor
er een betere aansluiting op zijn persoonlijke omstandigheden gerealiseerd
kan worden. Afbouwbedrijf ..................... wil hiermee tegemoet
komen aan de wensen van de werknemer en anderzijds zijn aantrekkelijkheid
als werkgever vergroten.

Werkingssfeer

Iedereen die werknemer is, als bedoeld in artikel 1 lid 3 van de CAO
Afbouw, kan met ingang van .................. verzoeken gebruik te mogen
maken van het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden met inachtneming
van de daarvoor geldende regels.

Artikel 1

Begripsbepalingen

a. De CAO:
Collectieve arbeidsovereenkomst voor de Afbouw (CAO Afbouw)
b. Werkgever: Afbouwbedrijf
c. Werknemer:
De persoon die een arbeidsovereenkomst is aangegaan met Afbouwbedrijf
d. Brutosalaris:
Het tussen werkgever en werknemer overeengekomen vaste garantieuurloon
(bruto uurloon inclusief prestatietoeslag).
e. Roostervrije dagen:

Het aantal dagen zoals dat door CAO-partijen is vastgesteld in artikel
32 lid 1 van de CAO.

f. Systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden:
Arbeidsvoorwaarden die kunnen worden ingeruild tegen andere arbeidsvoorwaarden
onder nader genoemde voorwaarden zoals vastgelegd
in de Raamregeling Flexibele Arbeidsvoorwaarden.
Artikel 2

Bronnen en doelen

Tijdbronnen

a. roostervrije dagen met een maximum van 3
b. bovenwettelijke vakantiedagen met een maximum van 5
De waarde van een roostervrije dag bij een 37 1/2 urige werkweek is –
in het kader van de pilot CAO à la carte – door CAO-partijen vastgesteld
op het vaste overeengekomen uurloon (bruto uurloon en prestatietoeslag),
vermenigvuldigd met 7 1/2 uren (werkdag) en 1,08 (vakantietoeslag).

Geldbronnen

a. brutosalaris
b. vergoeding voor overuren
c. vergoeding voor reisuren
d. vergoeding reiskosten
e. vakantiedagen
f. andere vergoedingen en/of toeslagen
Algemeen
De inzet van roostervrije dagen vindt plaats in overleg tussen werkgever
en werknemer. Er kunnen maximaal 3 roostervrije dagen worden
ingezet. Inzet van roostervrije dagen heeft geen gevolgen voor de
pensioenopbouw en voor de opbouw van het vakantiegeld. Ook kunnen
er gevolgen zijn voor het SV-loon, waardoor een eventuele SV-uitkering
lager kan uitvallen.

Tijddoelen
De tijdbron en geldbronnen kunnen worden ingewisseld voor de volgende
tijddoelen met inachtneming van de per doel nader aangegeven
beperkingen.

a. Verlofsparen
Voor langdurig betaald verlof kunnen binnen de kaders van de wettelijke
regeling inzake Verlofsparen kunnen de genoemde tijdbronnen
en geldbronnen worden ingewisseld.
b. Maximaal 5 extra vakantiedagen
Voor het kopen van maximaal 5 extra vakantiedagen kunnen de
genoemde geldbronnen en de roostervrije dagen worden ingewisseld.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Gelddoelen
De tijdbron en geldbronnen kunnen worden ingewisseld voor de volgende
gelddoelen met inachtneming van de per doel nader aangegeven
beperkingen.

a. Spaarloonregeling
Voor deze regelingen kunnen de geldbronnen bruto salaris, vergoedingen
voor overuren en reisuren, vakantiedagen, vergoeding reiskosten
alsmede roostervrije dagen worden ingewisseld.
b. PC-Prive
Voor deze regelingen kunnen de geldbronnen bruto salaris, vergoedingen
voor overuren en reisuren, vakantiedagen, vergoeding reiskosten
alsmede roostervrije dagen worden ingewisseld.
c. Kinderopvang:
Voor deze regelingen kunnen de geldbronnen bruto salaris, vergoedingen
voor overuren en reisuren, vakantiedagen, vergoeding reiskosten
alsmede roostervrije dagen worden ingewisseld.
d. Aanvullend pensioen:
Voor deze regelingen kunnen de geldbronnen bruto salaris, vergoedingen
voor overuren en reisuren, vakantiedagen, vergoeding reiskosten
alsmede roostervrije dagen worden ingewisseld.
Artikel 3

Rechten en plichten

a. De werknemer dient jaarlijks uiterlijk voor 1 oktober kenbaar te
maken of hij/zij van het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden
gebruik wil maken en zo ja van welke regelingen (de doelen) hij
gebruik wil maken, welke bronnen hij hiervoor wil inwisselen en
voor welk volume. De keuzen worden na accordering per 1 januari
daaropvolgend doorgevoerd, tenzij in de regelingen een ander tijdstip
wordt genoemd.
b. De werkgever toetst de aanvraag op financiële en organisatorische
mogelijkheden en toetst de aanvraag aan de voorwaarden zoals vastgelegd
in de Raamregeling Flexibele Arbeidsvoorwaarden en de bijbehorende
specifieke regelingen van Afbouwbedrijf ..................... en
de wettelijke bepalingen op arbeidsrechtelijk-, pensioen-, en fiscaal
terrein.
c. De werkgever geeft uiterlijk 6 weken na de uiterste indieningsdatum
uitsluitsel of de aanvraag van de werknemer wordt gehonoreerd.
d. De werkgever is verplicht de werknemer het daarvoor bestemde
voorlichtingsmateriaal te overhandigen inzake de gevolgen van de
door de werknemer te maken keuze(n).

e. De keuze(n) die de werknemer maakt, gelden voor de duur van een
kalenderjaar. Gedurende deze periode kan de keuze noch door de
werknemer noch door de werkgever worden gewijzigd, tenzij een
wijziging van de CAO of van invloed zijnde wetgeving daar aanleiding
toe geven.
f. De afspraken over deelname worden schriftelijk vastgelegd en door
de werkgever schriftelijk aan de werknemer bevestigd en gehecht
aan de arbeidsovereenkomst van werknemer.
g. Gemaakte afspraken over het meerkeuzesysteem blijven gelden bij
wisseling van functie tenzij anders wordt overeenkomsten.
h. Ten aanzien van de uitvoering van de verschillende keuzemogelijkheden
maakt de werkgever gebruik van de CAO-partijen
vastgestelde (en op te vragen) ruilvoeten inzake:
• verlofsparen (langdurig betaald verlof);
• kopen van vakantiedagen en verkopen van roostervrijedagen;
• spaarloonregeling;
• PC-Prive;
• kinderopvang;
• aanvullende verzekeringen voor ANW-gat/AOW-gat en/of lijfrente
en/of aanvullend pensioen (vroegpensioen en ouderdomspensioen
of nabestaandenpensioen).
Artikel 4

Flexibele arbeidstijden

Bedrijven die aan de Raamregeling Flexibele Arbeidsvoorwaarden meedoen
mogen de arbeidstijden ook vaststellen buiten het kader van de
CAO, maar wel binnen het kader van de Arbeidstijdenwet. Daarvoor zijn
de voorwaarden:

1. Bij de deelname van werknemers aan gewijzigde arbeidspatronen
staat vrijwilligheid van de werknemer en de werkgever voorop.
2. De werkweek omvat maximaal 5 werkdagen.
3. De zaterdag en zondag zijn geen normale werkdagen.
4. Werken op zaterdag kan alleen in een schema van 4 dagen van 9 uur,
dan wel 9 uur en 23 minuten.
5. De uren van 6.00–21.00 uur vormen het dagvenster waarbinnen de
normale arbeidsduur plaatsvindt.
6. Het normale arbeidspatroon en de normale arbeidsduur per dag, per
week en per 3 maanden wordt schriftelijk vastgelegd.
7. Voor werkgevers, ook die met minder dan 10 werknemers, geldt dat

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

de werkgever het verzoek van een werknemer om aanpassing van de
arbeidsduur inwilligt, voor zover het betreft het tijdstip van ingang
en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs-of
dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Voorbeelden van flexibele arbeidstijden zijn:

• een werkweek van 4 dagen met werkdagen van 9 uur en 23 minuten;
• een 4-daagse werkweek met werkdagen van 9 uur, door het inleveren
van roostervrije en verlofdagen;
• inleveren van verlof-en roostervrijedagen om een werkweek van
5 maal 7 uur mogelijk te maken;
schuiven met begin-en eindtijden met dien verstande dat alle medewerkers
gedurende bloktijden aanwezig zijn.
Daarbij moet steeds worden bedacht dat het niet altijd mogelijk is dat
iedere werknemer een ander arbeidstijdenpatroon kan kiezen.

Artikel 5

Gevolgen fiscus/sociale zekerheid/pensioen/andere
arbeidsvoorwaarden

Het toepassen van het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden kan
gevolgen hebben voor de loonheffing, sociale zekerheid en andere arbeidsvoorwaarden.
De gevolgen verschillen per bron en doel. In de specifieke
regelingen komt uitgebreid aan de orde wat de consequenties zijn
van het inwisselen van bronnen voor het doel dat in de betreffende
uitvoeringsregeling aan de orde is. In deze Raamregeling worden de
consequenties op hoofdlijnen behandeld.

a. Het inwisselen van roostervrije dagen voor een tijddoel (verlofsparen,
extra vakantiedagen) heeft als consequentie dat de roostervrije
dagen niet kunnen worden opgenomen.
b. Het inwisselen van een tijdbron voor een gelddoel heeft geen nadelige
gevolgen voor brutosalaris, sociale zekerheid, loonheffing,
pensioenopbouw, vakantie-opbouw en uitkeringen/toeslagen.
c. Het inwisselen van geldbronnen voor de verschillende gelddoelen en
roostervrije dagen heeft gevolgen voor de loonheffing, de sociale
zekerheid en andere arbeidsvoorwaarden. Het gaat om de volgende
consequenties die verder mede bepaald worden door de persoonlijke
omstandigheden van de werknemer:
• een verlaging van het brutosalaris of het inwisselen van andere

brutosalarisbestanddelen zoals de vergoeding voor overuren en
reisuren, heeft als consequentie dat de werknemer minder belasting
betaalt;

• een verlaging van het brutosalaris en de vakantiewaarde kan lei-
den tot een lagere uitkering WW en WIA/WAO.
• het inwisselen van het brutosalaris heeft als consequentie dat de
grondslag voor een aantal uitkeringen/toeslagen verlaagd wordt.
Het gaat onder meer om de vakantiewaarde, die weliswaar onaangetast
blijft maar daardoor niet wordt meegenomen in de ruilvoet,
en de vergoedingen voor overwerk en reisuren.
d. De werkgever dient er zorg voor te dragen dat de premies voor
bedrijfstakeigenregelingen, die bedoeld zijn voor enige uitkering aan
de werknemer, worden betaald op basis van het loon alsof niet
gebruik wordt gemaakt van deze regeling.
De specifieke consequenties voor de fiscus, uitkeringen en toeslagen en
sociale zekerheid bij de verschillende keuzemogelijkheden worden behandeld
in de specifieke regelingen.

Artikel 6

Arbeidsrecht

a. Op de arbeidsverhoudingen zijn wettelijke bepalingen van toepassing.
Het betreft onder meer de Wet Minimumloon, wettelijk minimum
vakantiedagen en de minimum vakantietoeslag. Met deze dwingende
wettelijke bepalingen zal bij de toepassing van het systeem
van flexibele arbeidsvoorwaarden rekening moeten worden gehouden.
b. Door de toepassing van het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden
veranderen de arbeidsvoorwaarden. De werkgever dient de werknemer
te wijzen op de consequenties van bepaalde keuzes. Verder
dient de tijdelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden in (een bijlage
bij) de arbeidsovereenkomst te worden vastgelegd.
Artikel 7

Organisatorische aspecten

Het kopen van vakantiedagen, het verkopen van roostervrije dagen of
het sparen voor langdurig betaald verlof (verlofsparen) hebben directe
consequenties voor de beschikbare capaciteit aan personeel. Hieruit kunnen
financiële en organisatorische problemen voortvloeien voor de werkgever.
De werkgever heeft om die reden het recht het verzoek van de
werknemer af te wijzen. Indien de werkgever de aanvraag afwijst dient
dit met redenen te worden omkleed. Op nadrukkelijke wens van de
werknemers zal de werkgever zoeken naar alternatieve mogelijkheden.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 8

Beter Pensioen

Het sparen voor een aanvullend pensioen verloopt via het Bedrijfstakpensioenfonds
voor de Bouwnijverheid. Waarbij het rendement op de
inleg gelijk is aan het rendement van het bedrijfstakpensioenfonds.
De waarde van de ingezette bron wordt door de werkgever overgemaakt
aan Cordares. Van tevoren kan via de pensioeninformatielijn
(020 – 583 40 40) informatie worden verkregen hoe hoog de aanvulling
op het pensioen gaat zijn. Zolang er sprake is van een pensioengat zal
de inzet de bron fiscaal aftrekbaar zijn.
Voor werknemers die niet vallen onder het bedrijfstakpensioenfonds treft
de werkgever een gelijke regeling bij een verzekeraar.

Artikel 9

Administratie van verloftegoed

Bij verlofsparen ontstaat voor de werknemer een verloftegoed. De werkgever
draagt zorg voor een deugdelijke administratie van het verloftegoed
en geeft de garantie dat wanneer ook de mogelijkheid wordt
geboden voor sparen in tijd, het sparen van een dag verlof recht geeft
op het opnemen van een extra verlofdag in de toekomst met doorbetaling
op basis van een actuarieel bepaalde ruilvoet, rekening houdend met o.a.
beleggingsopbrengst en sterfte. Dit laatste is collectief ondergebracht bij
het Vakantiefonds.

Artikel 10

Doorwerking van keuzen

Een belangrijk aspect van het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden
is dat de gemaakte keuzen gevolgen kunnen hebben voor andere arbeidsvoorwaarden,
sociale zekerheid, de loonheffing, het wel of niet verplicht
verzekerd zijn voor Ziekenfondswet, inkomensafhankelijke subsidies

e.d. De werkgever is verplicht de werknemer zo goed als mogelijk is te
wijzen op de consequenties van de gemaakte keuzen. De werknemer kan
eventuele negatieve consequenties niet verhalen op de werkgever.

Artikel 11

Consequenties voor huidige regelingen

Door de invoering van het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden
zullen de reeds aangegane verplichtingen met de medewerkers conform
de bestaande regelingen doorlopen. Nieuwe verplichtingen worden aangegaan
conform de in het kader van het systeem van flexibele arbeidsvoorwaarden
opgestelde regelingen.

Artikel 12

Klachtenregeling

Alle geschillen die mochten ontstaan omtrent de interpretatie/uitvoering
van deze Raamregeling zijn in eerste instantie onderworpen aan de
interne klachtenregeling van de werkgever. De werkgever en/of de werknemer
kan advies vragen aan de begeleidingscommissie CAO à la Carte,
bestaande uit twee vertegenwoordigers van de NOA, één van FNV
Bouw en één van Houten Bouwbond CNV.

Artikel 13

Hardheidsclausule

In situaties waarin onderhavige Raamregeling niet voorziet, beslist de
werkgever.

Artikel 14

Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als ,,Raamregeling Flexibele
Arbeidsvoorwaarden’’.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

BIJLAGE 7

Individugericht bedrijfsgezondheidszorgpakket

Het pakket individugerichte preventiezorg: de werkgever is vrij in de
keuze van de arbodienst voor de uitvoering van het individugerichte
pakket preventiezorg. Voorwaarde hierbij is, dat de arbodienst een
samenwerkingsovereenkomst heeft met Arbouw.

Het pakket individugerichte preventiezorg, als bedoeld in artikel 58A lid
3 omvat:

1. Een intredekeuring. De intredekeuring is een functiegericht onderzoek,
waarbij zorgvuldige afweging plaatsvindt van de belasting van
het werk en de belastbaarheid van de werknemer. Hierbij wordt
gebruik gemaakt van de bouwspecifieke beoordelingsrichtlijnen
,,Arbeidsgeschiktheid’’ van de Stichting Arbouw.
2. Het Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek voor Jongeren op vrijwillige
basis, een jaar na intrede in de bedrijfstak, waarbij de afweging
tussen de belasting van het werk en de belastbaarheid van de
werknemer zal plaatsvinden en de werknemer een gericht advies
krijgt met betrekking tot een gezonde en veilige invulling van de
functie.
3. Het Periodiek Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek (PAGO). Dit
PAGO vangt aan op de leeftijd van 16 jaar en vervolgens op de leeftijden
20, 24, 28, 32, 36, 40, 42, 44, 46, 48, 50, 52, 54, 56, 58, 60,
62 jaar. Daarna individueel op indicatie.
4. Een Arbo-spreekuur, dat de werknemer spontaan kan bezoeken.
5. Vervolgactiviteiten, voorzover de hiervoor genoemde activiteiten
daartoe aanleiding geven.
6. De activiteiten in het kader van het individugerichte pakket preventiezorg
worden uitgevoerd door gecertificeerde arbodiensten, die voldoen
aan door de Stichting Arbouw vastgestelde kwaliteitseisen. De
arbodiensten zijn verplicht de door hen verzamelde werknemersgegevens
door te geven aan de Stichting Arbouw op een wijze die
door de Stichting Arbouw is voorgeschreven. Voornoemde activiteiten
worden door de Stichting Arbouw aan de arbodienst vergoed op
basis van contractuele afspraken.

7. Periodiek onderzoek, gericht op beroepen, waaraan bijzondere
gezondheidsrisico’s zijn verbonden of waarbij de juiste taakuitoefening
van groot belang is voor de veiligheid van de betrokkene
en/of van andere werknemers.
Het GPO wordt met de extra frequentie in aanvulling op het PAGO
uitgevoerd. Daarbij kan de werknemer op de PAGO-gerechtigde
leeftijden op normale wijze van het PAGO gebruik maken, waarbij
rekening wordt gehouden met de gezondheidsrisico’s van de desbetreffende
beroepen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

BIJLAGE 8

Het arbobeleidsplan

1. Doel
Het bevorderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid
van de werknemers in verband met de arbeid als integraal
onderdeel van het bedrijfsbeleid.
2. Basis
Het Arbobeleidsplan wordt opgesteld op basis van een analyse van
binnen het bedrijf voorkomende risico’s in verband met de arbeid,
alsmede een analyse van op ziekte en ongevallen betrekking hebbende
verzuimgegevens binnen het bedrijf.
3. Maatregelen
• Het ontwikkelen van activiteiten ter bevordering van de veiligheid
en ter bescherming van de gezondheid door het treffen van
maatregelen van technische aard en/of organisatorische aard of
door het aanwenden van persoonlijke beschermingsmiddelen.
• Richten van het aankoopbeleid van materialen en materieel op
producten die voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers
niet of het minst schadelijk zijn.
• Het in verband met de zorg voor de veiligheid en de gezondheid
vastleggen van de onderscheiden bevoegdheden en verantwoordelijkheden
van de in dienst van het bedrijf en op het object
werkzame personen, rekening houdend met de betreffende taaken
functiebeschrijvingen.
• Het uitvoeren van systematische controle op de uitvoering van de
te treffen maatregelen en de werkmethoden, alsmede een juist
gebruik van materiaal en materieel.
• Het organiseren van introductie, voorlichting en onderricht van in
dienst zijnde en nieuwe werknemers met betrekking tot het veilig
en gezond uitvoeren van werkzaamheden, met speciale aandacht
voor de doelmatige begeleiding van jeugdige werknemers.
• Het treffen van voorzieningen opdat de werknemers in het bedrijf
gebruik kunnen maken van het door de Stichting Arbouw vastgestelde,
op het individu gerichte pakket bedrijfsgezondheidszorg.
• Het eventueel inschakelen van deskundigen voor de aanvang van
het werk of tijdens de werkzaamheden, wanneer sprake is van
een omvangrijk object of van een object met bijzondere
veiligheids-of gezondheidsrisico’s.
• Het opstellen van een objectplan bij grote objecten hetgeen

inhoudt het kiezen van een planmatige aanpak van de BGZ/BVZ
per afzonderlijke fase van het bouwproces alsmede het maken
van nadere afspraken/regelingen voor kleinere objecten.

• Het opstellen van een procedure met betrekking tot de controle
op, de uitvoering van en de rapportage over het arbobeleidsplan.

BIJLAGE 10

Persoonlijke Beschermingsmiddelen

GEHOOR-ADEM-HANDSCHOE-VEILIGHEIDS-BESCHER-VEILIGHEIDSBESCHERMING
BESCHERMING NEN BRIL MENDESCHOENENKLEDING

MINERAAL-Bij hakken enP3 stofmasker bijBij gebruik vanBij hakken, schu-KniebeschermersVeiligheids laarzenGEBONDENfrezen schuren, frezen enzoutzuur enren en frezen enof knielappen enof schoenen
VLOEREN aanmaken specie cement gebruik vanbeschermende

zoutzuur overall

KUNSTSTOF-Bij hakken,AP2 gas-of stof-Chemicaliënbe-Bij hakken enLange mouwen,Chemicaliënbesten-
GEBONDENfrezen en stralen masker tijdensstendige hand-frezen en wanneerkniebeschermersdige laarzen ofVLOEREN aanmaken enschoenen tijdensoogcontact moge-en beschermendeveiligheidsschoenen

aanbrengen (bijaanmaken enlijk is met agres-overall

oplosmiddelvrijeaanbrengen sieve stoffen

kunststoffen is

geenfiltermasker

nodig) en P3

stofmasker bij

hakken etc.

HANDMATIGBij hakken,P2 stofmasker bijBij hakken frezenBij hakken,Veiligheidsschoenen
STUKADO-frezen en slopen aanmaken specieen slopen werk-frezen en slopen
REN en P3 stofmaskerhandschoenen

bij hakken, enz.

SPUITEN VANBij spuiten metP2 stofmasker bijBeschermendeOogbeschermingBeschermendeVeiligheidsschoenen
WANDEN ENhoge druk aanmaken enhandschoenen toepassen overall
PLAFONDS spuiten

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

134

GEHOOR-ADEM-HANDSCHOE-VEILIGHEIDS-BESCHER-VEILIGHEIDSBESCHERMING
BESCHERMING NEN BRIL MENDESCHOENENKLEDING

DROOG-Bij mechanischP2 stofmaskerWerkhand-Bij zagen Lange mouwen Veiligheidsschoenen
BOUW ENzagen, boren entijdens zagen P3schoenen
GLAS-/vastzetten stofmasker tijdensSTEENWOL boren

BETON-Bij breekhamer AP2 maskerChemicaliënbe-Bij sloopwerk-BeschermendeVeiligheidsschoenen
REPARATIE/tijdens verwer-stendige hand-zaamheden enoverall
IMPREGNE-king 2-componen-schoenen (soortwanneer erREN tenprodukten enafhankelijk vanoogcontact

P3 stofmasker bijproduct) mogelijk is
hakken, enz.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

BIJLAGE 12

Reglement fysiotherapie

Artikel 1

Werkingssfeer

Werkgevers waarop de CAO Afbouw van toepassing is hebben een collectieve
verzekering behandelingen fysiotherapie afgesloten voor de
periode 1 januari 2006 tot 1 januari 2008.
Iedere werknemer waarop de CAO Afbouw van toepassing is en waarvoor
de premie voor de verzekering behandelingen fysiotherapie wordt
afgedragen heeft met inachtneming van de bepalingen van dit reglement
recht op volledige vergoeding van behandelingen fysiotherapie door een
fysiotherapeut.

Artikel 2

Voorwaarden

De volledige vergoeding voor behandelingen fysiotherapie wordt toegekend
indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de behandelingen moeten op medische indicatie zijn voorgeschreven
door een arts of medisch-specialist;
b. de behandelingen moeten worden uitgevoerd door een fysiotherapeut
die als zodanig geregistreerd staat in het register zoals bedoeld in
artikel 3 van de wet BIG, dan wel door een heilgymnast masseur die
geregistreerd staat in het register zoals bedoeld in artikel 108 wet
BIG;
c. de aanspraak op vergoeding van kosten van fysiotherapie, wordt naar
inhoud en omvang bepaald door de wetenschap en praktijk, dan wel,
bij het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het
betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en
diensten. De verzekerde heeft slechts recht op zorg voor zover hij
daarop naar de mening van de arts of medisch-specialist naar inhoud
en omvang redelijkerwijs is aangewezen;
d. de behandelingen moeten hebben plaatsgevonden gedurende zowel
het dienstverband met een werkgever waarop de CAO Afbouw van
toepassing is als de looptijd van dit reglement.

Artikel 3

Uitgesloten van vergoeding

Er zal geen vergoeding worden gegeven indien:

a. behandelingen fysiotherapie vallen onder de Basisverzekering volgens
de Zorgverzekeringswet;
b. behandelingen fysiotherapie vallen onder een door de werknemer
vrijwillig gekozen eigen risico van de Basisverzekering volgens de
Zorgverzekeringswet;
c. behandelingen fysiotherapie (tevens) voor vergoeding in aanmerking
komen op grond van enige wet of (sociale) voorziening of een
andere (aanvullende of speciale) door of ten behoeve van de werknemer
afgesloten verzekering, al dan niet van oudere datum, of voor
vergoeding onder een andere verzekering in aanmerking zouden
komen indien de door de werkgevers afgesloten collectieve verzekering
fysiotherapie niet zou hebben bestaan.
Artikel 4

Aanvraagprocedure

1. Aanvragen voor vergoeding behandelingen fysiotherapie dienen door
de werknemer te worden ingediend bij:
WUTHRICH
Afdeling Variaschade
Postbus 14092
3508 SC UTRECHT
Fax: 030-2549107
E-mail: fysiotherapiewuthrich.nl
2. Aanvragen dienen door de werknemer te worden ingediend met
behulp van het officiële aanvraagformulier vergoeding behandelingen
fysiotherapie. Dit formulier kan worden gedownload via
www.wuthrich.nl/fysio of worden aangevraagd bij CAO-partijen. De
werknemer is gehouden de volgende bewijsstukken met het door de
werknemer volledig ingevulde en ondertekende formulier aanvraag
vergoeding behandelingen fysiotherapie mee te sturen:
a. verklaring (kopie uitkeringsbericht) van de zorgverzekeraar(s)
dat kosten van behandelingen fysiotherapie niet voor vergoeding
in aanmerking komen op de Basisverzekering volgens de Zorgverzekeringswet
en/of een eventueel afgesloten andere (aanvullende
of speciale) verzekering;
b. voldoende gespecificeerde originele factuur van de behandelend
fysiotherapeut; uit deze factuur dienen in ieder geval te blijken
het aantal behandelingen, de behandelingsdata, het gehanteerde
tarief en de volledige NAW-gegevens van de behandelend fysiotherapeut.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

3. Indien door WUTHRICH in aanvulling op de stukken zoals vermeld
in lid 2 van dit artikel voor de beoordeling van de aanvraag nadere
gegevens of inlichtingen worden verlangd, is de werknemer gehouden
deze informatie te verstrekken voor zover de aanvraag verband
houdt met het verzoek over te gaan tot vergoeding van de behandelingen.
4. Aanvragen voor vergoeding kunnen worden ingediend tot uiterlijk 6
maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de behandeling heeft
plaatsgehad.
Artikel 5

Uitbetalingsvergoeding

De vergoeding wordt, nadat de aanvraag door WUTHRICH akkoord is
bevonden, binnen drie weken door WUTHRICH betaalbaar gesteld op
het door de werknemer aangegeven bank-of gironummer van de werknemer.

Artikel 6

Sanctiemaatregelen

Indien uit onderzoek van WUTHRICH (of een door haar aangewezen
externe deskundige) dan wel werkgevers-of werknemersorganisaties
welke partij zijn bij de CAO Afbouw blijkt dat een werknemer vergoeding
voor behandelingen fysiotherapie heeft gevorderd, terwijl niet aan
de voorwaarden is voldaan, zal, indien de vergoeding daarvoor reeds
heeft plaatsgevonden, terugvordering daarvan geschieden, zulks met
inbegrip van de kosten van het onderzoek en de wettelijke rente over
hetgeen wordt teruggevorderd.

Artikel 7

Slotbepaling

2. Geschillen voortvloeiende uit dit reglement zullen – alvorens te worden
voorgelegd aan de bevoegde rechter te Utrecht – worden voorgelegd
aan een commissie bestaande uit sociale partners en verzekeraar.
De commissie beslist bij unanimiteit van stemmen.

BIJLAGE 15

Van toepassing zijnde bepalingen inzake artikel 2A

1. Maximale werktijden en minimale rusttijden
Artikel 13

De arbeidsduur

• Lid 1, lid 2a, lid 2b, lid 4 en lid 5.
• Voor lid 4 is de toestemming van de ondernemingsraad niet aan de
orde.
Artikel 14

Overwerk

• De toestemming van de ondernemingsraad is niet aan de orde.
Artikel 34
Korte verzuimen

Het hele artikel is van toepassing, met uitzondering van onderstaande:

• Lid 1o voor zover het de medische keuring in het kader van de
WAO/WIA betreft.
• Lid 1p.
Artikel 41
Reisuren

Het hele artikel is van toepassing. Voor lid 2 geldt de volgende verduidelijking:

• Onder de duur van de reis als bedoeld in lid 1 wordt verstaan de
tijdsduur welke wordt gereid van de tijdelijke verblijfplaats in Nederland
tot het werk en terug.
2. Minimum aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting van de werkgever om loon te betalen bestaat
Artikel 31

Vakantie, snipper-en feestdagen

• Lid 1 t/m lid 6, lid 8, lid 10.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

• Lid 9, voor zover het gaat om het recht op 3 weken aaneengesloten
vakantie.
Artikel 32

Roostervrije dagen

Artikel 33

Vergoeding Verlofdagen en dagen vrijaf

• Lid 1 en lid 3.
Artikel 36B
Palliatief verlof

3. Minimumlonen, daaronder begrepen vergoedingen voor overwerk en daaronder niet begrepen aanvullende bedrijfspensioenregelingen
Artikel 16

Algemeen

• Lid 1.
Artikel 17
Groepsindeling en functieomschrijvingen

Artikel 18

Garantielonen

Het hele artikel is van toepassing, met uitzondering van onderstaande:

• Lid 2a.
Artikel 19
Aanvullende loonbepalingen

• Lid 1.

Artikel 20

Prestatiebeloning

Artikel 21

Toeslagen op lonen

• Lid 1 en Lid 2.
Artikel 22
Beloning overwerk of compensatie in vrije tijd
Artikel 23
Beloning verschoven arbeidstijd
Artikel 24
Beloning werken op zaterdagen, zondagen en feestdagen
Artikel 25
Minimumloon

4. Voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werknemers in
het bijzonder voor uitzendbedrijven
Voor de arbeidsvoorwaarden voor ter beschikking gestelde werknemers
wordt verwezen naar artikel 2B van deze CAO en naar de CAO
voor Uitzendkrachten 2004–2009.

5. Gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk
Artikel 15

Tochtvrije arbeid

• Lid1en2.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 26

Lichtverzuim

Artikel 27

Onwerkbaar weer

Het hele artikel is van toepassing, met uitzondering van lid 2b.
Voor lid 2a geldt dat alleen onderstaande tekst geldt:

• In geval van werkverhindering door vorst zal de werkgever de werknemer
100% van het in deze overeenkomst vastgestelde vast overeengekomen
loon betalen.
Artikel 57

Verpakkingsmaterialen en asbest

Artikel 58

Stichting Arbouw

• Lid 2 en lid 4.
Artikel 60
Bijzondere bepalingen

• Lid 1 t/m lid 6.
• Lid 8.
6. Beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van zwangere of pas bevallen vrouwen, kinderen en jongeren
Geen artikelen van toepassing.

7. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede andere
bepalingen inzake niet-discriminatie
Geen artikelen van toepassing.
Voor UTA-personeel zijn de onderstaande bepalingen van toepassing.

1. Maximale werktijden en minimale rusttijden
Artikel 67

Arbeidsduur

Artikel 69

Overwerk

• De toestemming van de ondernemingsraad is niet aan de orde.
Artikel 76
Kort verzuim

Het hele artikel is van toepassing, met uitzondering van onderstaande:

• Lid 5.
• Lid 7 voor zover het de medische keuring in het kader van de WAO/
WIA betreft.
2. Minimum aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting van de werkgever om loon te betalen bestaat
Artikel 70

Vakantie-en feestdagen

• Lid 1 t/m lid 7, lid 12 en lid 13.
Artikel 71
Roostervrije dagen

Het hele artikel is van toepassing, met uitzondering van onderstaande:

• In lid 2 vervalt de verplichting om te voldoen aan de bijdrage en
premieverplichtingen.
Artikel 78B

Palliatief verlof

3. Minimumlonen, daaronder begrepen vergoedingen voor overwerk en daaronder niet begrepen aanvullende bedrijfspensioenregelingen

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 68A

Lonen

• Lid 3 t/m lid 9 en lid 13.
Artikel 68B
Functie-en beloningsstructuur

4. Voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werknemers in
het bijzonder voor uitzendbedrijven
Voor de arbeidsvoorwaarden voor ter beschikking gestelde werknemers
wordt verwezen naar artikel 2B van deze CAO en naar de CAO
voor Uitzendkrachten 2004–2009.

5. Gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk
Geen artikelen van toepassing.

6. Beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van zwangere of pas bevallen vrouwen, kinderen en jongeren
Geen artikelen van toepassing.

7. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede andere
bepalingen inzake niet-discriminatie
Geen artikelen van toepassing.
Inzake naleving zijn onderstaande bepalingen van toepassing:
Individuele arbeidsovereenkomst
Artikel 10

lid 2

Arbeid

Artikel 12

lid 7a t/m d

Loon
Artikel 16

lid 4a

Artikel 20

lid 9

Arbeidsomstandigheden
Artikel 58A
Artikel 59A

Arbeidsvoorwaarden UTA personeel

Artikel 64

144

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

STATUTEN STICHTING VAKANTIEFONDS AFBOUW

Artikel 1

Naam en zetel

1. De stichting draagt de naam: Stichting Vakantiefonds Afbouw.
2. De stichting is gevestigd te Rijswijk.
Artikel 2

Definities

In deze statuten wordt verstaan onder:

a. Vakantiefonds: de in artikel 1 genoemde stichting;
b. cao: collectieve arbeidsovereenkomst Afbouw;
c. werkgever: de werkgever in de zin van de cao Afbouw;
d. werknemer: de werknemer in de zin van de cao Afbouw;
e. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 10 van de statuten;
f. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 14 van de statuten;
g. administratie: het door het bestuur aangewezen administratiekantoor
ter uitvoering van dit reglement.
Artikel 3

Doel

Het Vakantiefonds heeft ten doel in overeenstemming met de desbetreffende
bepalingen in artikel 4 van de cao en/of loonregelingen en overeenkomstig
bij reglement vast te stellen bepalingen, aan de werknemers
vergoeding te verschaffen wegens loonderving bij vakantiedagen en
algemeen erkende feestdagen en daarmee bij cao gelijkgestelde dagen,
vakantietoeslag alsmede eventuele andere daarmee verband houdende
uitkeringen te doen en het geven en/of doen geven van voorlichting over
doelstellingen en activiteiten van het fonds.

Artikel 4

Werkingssfeer

1. In het Vakantiefonds wordt deelgenomen door de werkgevers en de
werknemers waarop de CAO van toepassing is.

2. De statuten en de op basis van de statuten vastgestelde reglementen
worden geacht onderdeel te zijn van de cao.
Artikel 5

Duur

Het Vakantiefonds is opgericht voor onbepaalde tijd.

Artikel 6

Geldmiddelen

De geldmiddelen van het Vakantiefonds bestaan uit:

a. het stichtingskapitaal;
b. de door de werkgevers in het Vakantiefonds gestorte bedragen bedoeld
in artikel 7;
c. de opbrengst van de in artikel 7 bedoelde opslag voor administratiekosten;
d. de opbrengst van de in artikel 8 bedoelde inhouding voor administratiekosten;
e. renten;
f. andere baten.
Artikel 7

Bijdrageverplichtingen

1. Ter uitvoering van het doel worden de door partijen bij de in artikel
4 genoemde cao vast te stellen bedragen voor de opbouw van
vakantiewaarden – al dan niet verhoogd met een opslag voor administratiekosten
– door de werkgever aan het Vakantiefonds betaald.
2. Indien in enig boekjaar de opbrengst van de in het vorige lid
bedoelde middelen groter is dan het totaal van de uitgaven van het
fonds dan wordt het overschot ten gunste van het volgende boekjaar
gebracht.
3. Indien in enig boekjaar de opbrengst van de in het eerste lid van dit
artikel bedoelde middelen kleiner is dan het totaal van de uitgaven
van het fonds dan wordt het nadelig verschil ten laste van het volgende
boekjaar gebracht.
4. Bij de jaarlijkse vaststelling van de in artikel 4 bedoelde bedragen
bestemd voor de opbouw van de vakantiewaarden wordt rekening
gehouden met het saldo van het Vakantiefonds zoals dat blijkt uit de
laatstelijk vastgestelde balans.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 8

Uitkeringen

De geldswaarde van de opgebouwde vakantiewaarden wordt – al dan
niet onder inhouding van een bij reglement vast te stellen bijdrage voor
administratiekosten – aan de werknemer uitbetaald.

Artikel 9

Administratie

Het Vakantiefonds draagt zijn administratie op aan de administratie.
Artikel 10

Bestuur

1. Het bestuur van het Vakantiefonds bestaat uit zes leden. De benoeming
geschiedt als volgt:
– drie door de NOA
– twee door FNV Bouw;
– een door de Hout-en Bouwbond CNV.
2. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door overlijden, door in-
trekking van de benoeming door het orgaan dat het betrokken bestuurslid
heeft aangewezen of door het bedanken van betrokkene.
3. Ter vervanging van elk bestuurslid kan een plaatsvervangend lid
benoemd worden. Hetgeen is bepaald ten aanzien van bestuursleden
geldt evenzeer voor plaatsvervangende leden.
4. De leden van het bestuur en de directie mogen niet deelnemen aan
leveringen of aannemingen ten behoeve van het Vakantiefonds of
belang hebben bij de belegging van zijn gelden.
Artikel 11

Besluitvorming en quorum

1. Het aantal stemmen dat elk bestuurslid uitbrengt wordt zodanig
bepaald dat het aantal stemmen aan werkgeverszijde even groot is als
het aantal stemmen aan werknemerszijde.

2. Is het aantal ter vergadering aanwezige bestuursleden aan
werkgeverszijde niet even groot als het aantal ter vergadering aanwezige
bestuursleden aan werknemerszijde dan brengen de leden van
die groep waarvan het grootste aantal ter vergadering aanwezig is
ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van
de andere groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.
De leden van de andere groep brengen in dat geval ieder
evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de grootste groep
ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.
3. Voorzover in deze statuten niet anders is bepaald kunnen geldige
besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid van de
geldig uitgebrachte stemmen.
4. Door het bestuur worden geen beslissingen genomen indien niet
meer dan de helft van het aantal bestuursleden aanwezig is. Indien
het vereiste aantal bestuursleden in een vergadering niet aanwezig is
kan in een volgende vergadering, ongeacht het aantal aanwezige
bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen
waarover wegens het ontbreken van het quorum in eerstbedoelde
vergadering geen besluit kan worden genomen.
5. Het bestuur kan slechts besluiten nemen indien ter vergadering ten
minste één lid van werkgeverszijde en één lid van werknemerszijde
aanwezig is.
Artikel 12

Delegatie

Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan
de administratie en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn
midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies
toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te stellen
richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen aan de
administratie. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies
en de administratie uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid
van het bestuur.

Artikel 13

Voorzitter en secretarissen

1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde; deze vertegenwoordigen
tezamen het Vakantiefonds in en buiten rechte.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar
als voorzitter en als tweede voorzitter op.
3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde. Indien als voorzitter
een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris
de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.
Artikel 14

Reglementen

1. Het bestuur stelt een of meer reglementen vast waarin wordt geregeld
de wijze waarop het doel van het Vakantiefonds zal worden
bereikt alsmede die zaken die nadere voorziening behoeven. Het
bestuur is zelfstandig bevoegd wijzigingen in een reglement aan te
brengen.
2. Het reglement en eventuele wijzigingen daarin treedt niet in werking
alvorens, krachtens goedkeuring door de partijen bij de in artikel 4
van deze statuten genoemde cao.
3. Ter verkrijging van de in het voorgaande lid bedoelde goedkeuring
wordt het reglement (of worden de wijzigingen) toegezonden aan de
organisaties die partij zijn bij de cao. Een organisatie wordt geacht
goedkeuring te hebben verleend indien die organisatie niet binnen
acht weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen
blijken door het insturen van op schrift gestelde bezwaren.
4. Een reglement en de in een reglement aangebrachte wijzigingen zullen
niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die
stukken, of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het
bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie
van het kantongerecht te Den Haag.
Artikel 15

Beheer

1. Het bestuur is belast met het beheer van het Vakantiefonds. Het is
bevoegd uit naam van het Vakantiefonds alle handelingen te verrichten
die met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij

of krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken
zijn.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 291 tweede lid van Boek 2
BW omvat de bevoegdheid van het bestuur mede het sluiten van
overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen
en het sluiten van overeenkomsten waarbij het Vakantiefonds
zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich
voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een
schuld van een derde verbindt.
3. De beleggingen van het Vakantiefonds zullen door het bestuur op een
zodanige wijze geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en
interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen.
4. De aan het Vakantiefonds toebehorende zaken worden als zij niet ten
kantore worden gehouden in bewaring gegeven bij een ingevolge de
Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.
Artikel 16

Boekjaar, accountant en jaarverslag

1. Het boekjaar van het Vakantiefonds loopt van één januari tot en met
een en dertig december.
2. Het bestuur benoemt een externe registeraccountant of een daartoe
gekwalificeerde accountant-administratieconsulent aan wie de controle
van de jaarrekening wordt opgedragen.
3. De registeraccountant of de daartoe gekwalificeerde accountantadministratieconsulent
is gerechtigd tot inzage van alle boeken en
bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten
hem desgevraagd worden getoond.
4. De registeraccountant of de daartoe gekwalificeerde accountantadministratieconsulent
brengt ten minste eenmaal per jaar aan het
bestuur verslag uit van zijn bevindingen.
5. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording aan partijen bij

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

de cao af door middel van een verslag. Het verslag is gespecificeerd
volgens de bestedingsdoelen en activiteiten van het fonds en wordt
gecontroleerd door de externe registeraccountant, uit welke stukken
moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen zijn gedaan.

6. Het in het vijfde lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting
gedurende het afgelopen boekjaar;
b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting,
bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten,
vergezeld van een verklaring van de registeraccountant of de
daartoe gekwalificeerde accountant-administratieconsulent terzake
van zijn bevindingen bij de controle opgedaan;
c. in voorkomende gevallen, mededelingen omtrent de wijzigingen
die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.
7. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan
de werkgevers-en werknemersorganisaties betrokken bij de cao.
8. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van
de bij het Vakantiefonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd:
a. ten kantore van het Vakantiefonds;
b. op een of meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
9. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag aan
de bij het Vakantiefonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
10. Jaarlijks wordt door het bestuur voor aanvang van het volgende
boekjaar een begroting opgesteld van de in het volgende boekjaar te
verwachten inkomsten en uitgaven ingericht en gespecificeerd volgens
de bestedingsdoelen van het Vakantiefonds. Deze begroting ligt
voor bij het Vakantiefonds betrokken werkgevers en werknemers ter
inzage ten kantore van het Vakantiefonds en wordt op aanvraag aan
de bij het Vakantiefonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 17

Wijziging Statuten

1. Wijzigingen in de statuten kunnen worden aangebracht bij besluit
van het bestuur.
2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere
daartoe uitgeschreven vergadering waarop ten minste twee
werkgevers-en ten minste twee werknemerslid van het bestuur aanwezig
is. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel
uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden
worden toegezonden.
3. Indien op een vergadering waarin een statutenwijziging zal worden
behandeld niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal
leden aanwezig is zal binnen een maand nadien een tweede vergadering
worden gehouden. De uitnodiging voor deze vergadering
moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering
aan de bestuursleden worden toegezonden. Het bestuur is bevoegd
tot het nemen van een besluit ongeacht het ter vergadering aanwezige
aantal leden.
4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een
meerderheid van twee derde der uitgebrachte geldige stemmen.
5. Een statutenwijziging treedt in werking indien deze krachtens goedkeuring
door de partijen bij de cao is aanvaard. Ter verkrijging van
de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties
die partij zijn bij de cao. Een organisatie wordt geacht goedkeuring
te hebben verleend indien die organisatie niet binnen acht weken na
de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het
insturen van op schrift gestelde bezwaren.
6. De statuten en de in de statuten aangebrachte wijzigingen zullen niet
in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken,
of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het bestuur
ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het
kantongerecht te Den Haag.
Artikel 18

Ontbinding van de stichting

1. Voor een besluit tot ontbinding van het Vakantiefonds gelden dezelfde
bepalingen als voor een besluit tot wijziging van de statuten.
2. In geval van ontbinding zal het bestuur – met een meerderheid en op

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

een wijze als genoemd in lid 5 van het voorgaande artikel met de
liquidatie zijn belast, tenzij de organisaties die partij zijn bij de cao
een ander besluit nemen.

3. Het bestuur beslist over de bestemming van een batig saldo. Een
batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt
met het doel van het Vakantiefonds. Een nadelig saldo dient
door de werkgevers te worden opgebracht.
Artikel 19

Ministerieel vertegenwoordiger

Als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe de wens
te kennen geeft wordt in overleg tussen de minister en het bestuur een
waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd alle vergaderingen
van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt daartoe alle voor
het bestuur bestemde stukken.

Artikel 20

Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de
stichting is voorzien beslist het bestuur.

REGLEMENT VAKANTIEFONDS

HOOFDSTUK I

BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

In dit reglement wordt verstaan onder:

– het Vakantiefonds:
de Stichting Vakantiefonds Afbouw, gevestigd te Rijswijk;
– de statuten:
de statuten van het Vakantiefonds;
– het bestuur:
het bestuur van het Vakantiefonds;
– de CAO:
de CAO Afbouw;
– de werkgever:
de werkgever op wie de bepalingen van één van de CAO van toe-
passing zijn;
– de werknemer:
de werknemer op wie de bepalingen van één van de CAO van toe-
passing zijn verlofdagen: de in de CAO bedoelde vakantiedagen,
feestdagen en daarmee gelijkgestelde dagen.
– het rechtjaar:
de periode die begint met ingang van de zeventiende week van het
kalenderjaar en eindigt aan het einde van de zestiende week van het
daaropvolgende kalenderjaar;
– het loon:
het vast overeengekomen loon als omschreven in de CAO;
– het vakantiewaardepercentage:
het vastgestelde percentage voor de opbouw van de loonderving tijdens
de verlofdagen en de vakantietoeslag (in de CAO aangeduid als
,,uniform percentage’’);
– de vakantiewaarde:
het ten gunste van een werknemer bij het Vakantiefonds in diens
tegoed geboekte geldbedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging
van het voor die werknemer geldende vakantiewaardepercentage
met het loon;
– het vakantiebijdragepercentage:
het percentage van het loon dat de werkgever periodiek aan het
Vakantiefonds dient af te dragen;
– het kortingspercentage:
het verschil tussen het vakantiewaarde-percentage en het vakantiebijdragepercentage;
– de loonkosten:

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

het loon, alsmede de werkgeversbijdrage sociale verzekeringswetten
en de premies en bijdragen ingevolge de CAO.

HOOFDSTUK II

INNEN EN UITBETALEN VAN DE VAKANTIEWAARDEN

Artikel 2

De aan het Vakantiefonds verschuldigde bijdragen

1. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting op. Deze begroting wordt
aan belanghebbenden op verzoek ter inzage beschikbaar gesteld.
2. Het vakantiewaardepercentage, het vakantiebijdragepercentage en
het kortingspercentage worden jaarlijks door het bestuur vastgesteld
na goedkeuring door partijen bij de CAO.
4. Het vakantiebijdragepercentage is door de werkgever verschuldigd
over het loon.
Artikel 3

Wijze van betalen

1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient binnen veertien
dagen na een periode van vier weken te hebben plaatsgevonden.
2. Indien deze betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is de werkgever
in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
Artikel 4
De vakantiewaarden

De vakantiewaarden zijn bestemd ter financiering van de verlofdagen en
van de vakantietoeslag.

Artikel 4a

Rechten werknemers

Indien door de werkgever geen betalingen voor een bij hem in dienst
zijnde werknemer zijn verricht, vindt over maximaal twee perioden bijboeking
van rechten plaats met dien verstande dat de bijboeking wordt
gestaakt op het moment dat die werkgever meer dan twee perioden
betalingsachterstand heeft. De werknemer verleent het Vakantiefonds
een onherroepelijke last om de door de werkgever ter zake van deze
rechten verschuldigde bijdrage namens hem in te vorderen. De last aan
het Vakantiefonds omvat mede het invorderen van deze bijdrage bij verzekeraars
of derden anders dan de werkgever, die naar de mening van
het Vakantiefonds verplicht zijn om deze bijdrage of (schade)vergoeding
in verband met deze bijdrage te voldoen. Uitdrukkelijk is hierin begrepen
het Uitvoeringbesluit Werknemersverzekeringen (UWV) bedoeld in
artikel 61 e.v. WW.

Artikel 5

Uitbetalen vakantiewaarden

1. Het dagbedrag dat de werknemer ter gelegenheid van de verlofdagen
uit zijn tegoed kan opnemen wordt jaarlijks door het bestuur vastgesteld.
2. Voor een verlofdag wordt slechts tot uitbetaling overgegaan indien
een schriftelijke verklaring van de werkgever wordt overlegd waaruit
blijkt dat deze met het opnemen van de verlofdag akkoord gaat
en mits het tegoed van de werknemer toereikend is.
3. Verzoeken tot uitbetaling van dagbedragen dienen door de werknemer
op een door het bestuur aan te geven wijze en plaats te worden
ingediend.
4. De niet eerder uitbetaalde vakantiewaarden worden vóór de jaarlijkse
zomervakantie giraal aan de werknemer uitbetaald.
5. De werknemer heeft het recht om maximaal zes vakantiedagen mee
te nemen naar het volgende jaar.
Artikel 6

Beschikken over het tegoed

1. Vóór het tijdstip waarop uitbetaling van vakantiewaarden mogelijk
is, is de aanspraak van de werknemer op zijn tegoed onvervreemdbaar
en niet vatbaar voor verpanding of belening.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is uitbetaling van
vakantiewaarden mogelijk:
– op het moment dat de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd
bereikt, tenzij de werknemer in dienstbetrekking blijft werken;

– indien de werknemer gebruik maakt van een regeling voor vervroegde
uittreding (vut)of vroegpensionering;
– indien de werknemer emigreert;
– indien de werknemer overlijdt;
– indien aan de werknemer een uitkering wordt toegekend krachtens
de Wet op de Arbeidsongeschiktsheidsverzekering naar een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 procent;
– indien de werknemer definitief vertrekt uit de bedrijfstak.
Artikel 7

Verjaring uitbetalingstermijn

De vakantiewaarden zullen door het Vakantiefonds aan de werknemers
worden uitbetaald tot maximaal vijf jaar na afloop van het rechtjaar. Na
afloop van voormelde termijn zal uitbetaling niet meer geschieden.

HOOFDSTUK III

UITKERINGEN AAN WERKNEMERS BIJ CURSUS

Artikel 8

Aanvullende uitkeringen

1. Werknemers die als gevolg van het volgen van een omscholings-of
herscholingscursus aan een centrum voor vakopleiding van volwassenen
of het afleggen van een examen aan een centrum voor vakopleiding
van volwassenen, gedurende de loop van een rechtjaar
vakantiewaarden derven hebben recht op een uitkering van het
Vakantiefonds.
2. De werknemer dient in het jaar direct voorafgaande aan de onderbreking
van zijn werkzaamheden wegens scholing of het afleggen
van een examen ten minste 65 dagen als werknemer te hebben
gewerkt.

3. Het dienstverband mag tijdens de vakantieperiode niet verbroken
zijn.
4. De hoogte van deze uitkering wordt door het bestuur bepaald.
5. De hoogte van de aanvullende uitkeringen kan ten aanzien van elk
van de hiervoor genoemde groepen van werknemers verschillen.
HOOFDSTUK IV

DECLARATIEREGELING EXTRA VERLOFDAGEN

Artikel 9

Extra verlofdagen oudere werknemers

1. Overeenkomstig het bepaalde in de CAO hebben oudere werknemers
recht op extra verlofdagen met behoud van loondoorbetaling door de
werkgever.
2. Aan de werkgever worden onder de voorwaarden die de CAO stelt
de loonkosten over deze dagen vergoed.
3. De werkgever dient deze loonkosten uiterlijk binnen zes maanden na
het opnemen van de extra verlofdag bij het Vakantiefonds te declareren.
4. Na deze termijn ontvangen aanvragen worden niet vergoed.
5. De over enig rechtjaar opgebouwde extra verlofdagen dienen uiterlijk
op de laatste dag van het kalenderjaar waarin dat rechtjaar eindigt
te zijn opgenomen. Nadien opgenomen dagen komen niet voor
vergoeding door het Vakantiefonds in aanmerking.
6. De werknemer wiens dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid
wordt beëindigd heeft recht op uitbetaling van het loon over de opgebouwde
maar niet opgenomen extra verlofdagen.
7. Laatstbedoelde werknemer dient daartoe binnen zes maanden na
beëindiging van het dienstverband een verzoek in te dienen bij zijn
werkgever. Het ingevolge de eerste volzin aan de werknemer uitbetaalde
loon kan de werkgever bij het Vakantiefonds declareren.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK V

DECLARATIEREGELING SCHOOLVERLATERS

Artikel 10

Loondervingsuitkering schoolverlaters

1. Bij een bedrijfssluiting als gevolg van vakantie heeft de werknemer
die na het verlaten van een school niet kan beschikken over voldoende
vakantierechten recht op doorbetaling van het loon en kan de
werkgever de loonkosten en de bedrijfstakeigenregelingenbijdragen
die hij daarnaast dient te betalen, declareren bij het Vakantiefonds,
indien:
– een werknemer jonger is dan 22 jaar en
– hij een leer-/arbeidsovereenkomst of praktijk-/arbeidsovereenkomst
heeft en
– hij voorafgaande aan die arbeidsovereenkomst volledig dagonderwijs
genoot en
– het dienstverband tijdens de vakantiebedrijfssluiting niet is verbroken
en
– de werknemer ten minste vijf weken direct voorafgaande aan de
bedrijfssluiting heeft gewerkt en
– de werknemer in de periode tussen het verlaten van de school en
het aangaan van het dienstverband niet werkzaam is geweest in
een andere bedrijfstak dan die van het stukadoors-, afbouw-en
terrazzo/vloerenbedrijf.
2. Aan de werkgever worden de loonkosten over deze dagen vergoed.
3. De werkgever dient deze loonkosten uiterlijk binnen zes maanden na
de bedrijfssluiting bij het Vakantiefonds te declareren.

HOOFDSTUK VI

VERREKENING EN SANCTIES

Artikel 11

Verrekening

Als de werkgever ten tijde van de vaststelling van de vergoedingen ingevolge
de artikelen 9 en 10 van het reglement door het Vakantiefonds een
opeisbare schuld aan het fonds heeft wordt deze schuld met de te betalen
bedragen verrekend.

Artikel 12

Sanctie bij onjuiste declaratie

1. Indien de werkgever desverlangd de juistheid van een door het
Vakantiefonds betaalbaar gestelde declaratiestaat niet aantoont, dient
hij het betrokken bedrag aan het Vakantiefonds terug te betalen.
2. Het bestuur kan bovendien beslissen dat de werkgever een boete aan
het Vakantiefonds verschuldigd is.
3. In geval van opzet en grove schuld van de werkgever geldt bij een
eerste overtreding een boete van 25% van het betrokken bedrag, bij
een tweede overtreding een boete van 50% van het in het betrokken
bedrag en bij een derde en volgende overtreding een boete van 100%
van het betrokken bedrag.
4. Bij elke ernstige of omvangrijke fraude van de werkgever geldt een
boete van 100% van het betrokken bedrag.
5. Het bestuur kan de vordering verhogen met de wettelijke rente vanaf
het tijdstip van betaling van dat bedrag aan de werkgever.
HOOFDSTUK VII

VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN

Artikel 13

Verstrekken van inlichtingen

De werkgever en werknemer zijn verplicht aan het bestuur of een schriftelijk
door hem gemachtigd persoon alle opgaven en inlichtingen te verstrekken
die van hen worden verlangd ten behoeve van de uitvoering van

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

de taak van het Vakantiefonds. De werkgever is desverlangd gehouden
inzage van zijn boeken, bescheiden of andere stukken te geven, voor
zover die betrekking hebben op de arbeid en het loon van de werknemer.

Artikel 14

Controle declaraties

De werkgever is gehouden om op verzoek van het bestuur de juistheid
van de ingediende declaratiestaat aan te tonen, bijvoorbeeld door over-
legging van administratieve bescheiden.

HOOFDSTUK VIII

BUITENLAND

Artikel 15

Werken in het buitenland

1. Bij arbeid buiten Nederland, waarop de Nederlandse sociale verzekeringswetten
van toepassing zijn, terwijl de bepalingen van de Cao
en loonregelingen van toepassing zouden zijn geweest, indien overeenkomstige
werkzaamheden in Nederland verricht zouden zijn, kunnen
de werkgever en de werknemer overeenkomen dat vakantiewaarden
worden opgebouwd met inachtneming van de bepalingen
van dit reglement.
2. Voor de bepaling van het loon waarover vakantiewaarden worden
opgebouwd wordt uitgegaan van het loon dat de werknemer zou verdienen
indien hij gelijksoortige arbeid in Nederland verricht.

HOOFDSTUK IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Hardheidsclausule

Het bestuur is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen
tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich bij
de toepassing van dit reglement voordoen.

Artikel 17

Slotbepalingen

Teneinde een efficiënte werking van het Vakantiefonds te verzekeren,
kunnen door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden, in overeenstemming
met de bepalingen der statuten en van dit reglement, mits
deze voorschriften niet in strijd komen met één of meer bepalingen van
de Cao.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

STATUTEN STICHTING RISICOFONDS AFBOUW

Artikel 1

Naam en zetel

1. De stichting draagt de naam: ,,Stichting Risicofonds Afbouw’’.
2. De stichting is gevestigd te Rijswijk.
Artikel 2

Definities

In deze statuten wordt verstaan onder:

a. Risicofonds de in artikel 1 genoemde stichting;
b. cao: collectieve arbeidsovereenkomst Afbouw;
c. werkgever: de werkgever in de zin van de cao;
d. werknemer: de werknemer in de zin van de cao;
e. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 10 van de statuten;
f. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 14 van de statuten;
g. administratie: het door het bestuur aangewezen administratiekantoor
ter uitvoering van deze regeling.
Artikel 3

Doel

Het Risicofonds Afbouw heeft ten doel:

a. in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in de cao en
volgens het (de) in artikel 14 lid 1 genoemde reglement(en), loonderving
bij verzuim wegens vorst of de directe gevolgen daarvan in
het Afbouwbedrijf in Nederland te bestrijden;
b. geldelijke steun te verlenen aan instellingen op het terrein van het
Afbouwbedrijf die zich ten doel stellen:
1. het doen ontwikkelen, bestuderen en propageren van middelen
ter bestrijding van verlet wegens vorst of de directe gevolgen
daarvan, en
2. het geven van bijdragen aan werkgevers, die maatregelen treffen
om in de genoemde omstandigheden het personeel te doen doorwerken;
c. het doen van uitkeringen in verband met loonderving als gevolg van
Rouwverlof, Palliatief verlof en Kortdurend verlof;

d. het geven en/of doen geven van voorlichting over doelstellingen en
activiteiten van het fonds.
De subsidie-verzoekende instellingen moeten een begroting indienen
gespecificeerd naar de activiteiten genoemd onder b.
De subsidie-ontvangende instellingen dienen jaarlijks een door een registeraccountant
of accountant-administratieconsulent met certificerende
bevoegdheid gecontroleerde verklaring te overleggen over de besteding
van de gelden, welke verklaring (ten minste) moet zijn gespecificeerd
volgens de onder b genoemde activiteiten en ze dienen geïntegreerd
onderdeel uit te maken van het (financieel) jaarverslag.

Artikel 4

Werkingssfeer

1. In het Risicofonds wordt deelgenomen door de werkgevers en de
werknemers waarop de cao van toepassing is.
2. De statuten en de op basis van de statuten vastgestelde reglementen
worden geacht onderdeel te zijn van de in het eerste lid van dit artikel
genoemde cao.
Artikel 5

Duur

Het Risicofonds is opgericht voor onbepaalde tijd.

Artikel 6

Geldmiddelen

De geldmiddelen van het Risicofonds bestaan uit:

a. het stichtingskapitaal;
b. de bijdragen die ter uitvoering van het doel van het Risicofonds jaarlijks
door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als nader
bij reglement(en) is bepaald;
c. renten;
d. eventuele overheidssubsidies;
e. geldleningen;
f. eventuele andere baten.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 7

Bijdrageverplichtingen

De werkgever is ten aanzien van zijn werknemer over iedere werkdag
een bijdrage aan het Risicofonds verschuldigd zoals nader is aangegeven
in het reglement.

Artikel 8

Uitkeringen

De overeenkomstig artikel 4 in het Risicofonds deelnemende werknemers
hebben recht op uitkering in de gevallen, onder de voorwaarden en
op de wijze als in de reglementen is vastgesteld.

Artikel 9

Administratie

Het Risicofonds draagt zijn administratie op aan de administratie.

Artikel 10

Bestuur

1. Het bestuur van het Risicofonds bestaat uit zes leden. De benoeming
geschiedt als volgt:
– drie door de NOA;
– twee door FNV Bouw;
– één door de Hout-en Bouwbond CNV.
2. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door overlijden, door in-
trekking van de benoeming door het orgaan dat het betrokken bestuurslid
heeft aangewezen of door het bedanken van betrokkene.
3. Ter vervanging van elk bestuurslid wordt een plaatsvervangend lid
benoemd. Hetgeen is bepaald ten aanzien van bestuursleden geldt
evenzeer voor plaatsvervangende leden.
4. De leden van het bestuur en de directie mogen niet deelnemen aan
leveringen of aannemingen ten behoeve van het Risicofonds of
belang hebben bij de belegging van zijn gelden.

Artikel 11

Besluitvorming en quorum

1. Het aantal stemmen dat elk bestuurslid uitbrengt wordt zodanig
bepaald dat het aantal stemmen aan werkgeverszijde even groot is als
het aantal stemmen aan werknemerszijde.
2. Is het aantal ter vergadering aanwezige bestuursleden aan
werkgeverszijde niet even groot als het aantal ter vergadering aanwezige
bestuursleden aan werknemerszijde dan brengen de leden van
die groep waarvan het grootste aantal ter vergadering aanwezig is
ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van
de andere groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.
De leden van de andere groep brengen in dat geval ieder
evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de grootste groep
ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.
3. Voorzover in deze statuten niet anders is bepaald kunnen geldige
besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid van de
geldig uitgebrachte stemmen.
4. Door het bestuur worden geen beslissingen genomen indien niet
meer dan de helft van het aantal bestuursleden aanwezig is. Indien
het vereiste aantal bestuursleden in een vergadering niet aanwezig is
kan in een volgende vergadering, ongeacht het aantal aanwezige
bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen
waarover wegens het ontbreken van het quorum in eerstbedoelde
vergadering geen besluit kan worden genomen.
5. Het bestuur kan slechts besluiten nemen indien ter vergadering ten
minste één lid van werkgeverszijde en één lid van werknemerszijde
aanwezig is.
Artikel 12

Delegatie

Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan
de administratie en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn
midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies
toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te stellen
richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen aan de
administratie. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies
en de administratie uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid
van het bestuur.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 13

Voorzitter en secretarissen

1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde; deze vertegenwoordigen
tezamen het Risicofonds in en buiten rechte.
2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar
als voorzitter en als tweede voorzitter op.
3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: een van
werkgeverszijde en een van werknemerszijde. Indien als voorzitter
een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris
de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.
Artikel 14

Reglementen

1. Het bestuur stelt een of meer reglementen vast waarin wordt geregeld
de wijze waarop het doel van het Risicofonds zal worden
bereikt alsmede die zaken die nadere voorziening behoeven. Het
bestuur is zelfstandig bevoegd wijzigingen in een reglement aan te
brengen.
2. Het reglement en eventuele wijzigingen daarin treedt niet in werking
alvorens, krachtens goedkeuring door de partijen bij de cao, de tekst
van het reglement is aanvaard.
3. Ter verkrijging van de in het voorgaande lid bedoelde goedkeuring
wordt het reglement (of worden de wijzigingen) toegezonden aan de
organisaties die partij zijn bij de cao. Een organisatie wordt geacht
goedkeuring te hebben verleend indien die organisatie niet binnen
acht weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen
blijken door het insturen van op schrift gestelde bezwaren.
4. Een reglement en de in een reglement aangebrachte wijzigingen zullen
niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die
stukken, of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het
bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie
van het kantongerecht te Den Haag.

Artikel 15

Beheer

1. Het bestuur is belast met het beheer van het Risicofonds. Het is
bevoegd uit naam van het Risicofonds alle handelingen te verrichten
die met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij of
krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken
zijn.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 291 tweede lid van Boek 2
BW omvat de bevoegdheid van het bestuur mede het sluiten van
overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen
en het sluiten van overeenkomsten waarbij het Risicofonds
zich als borg of hoofdelijk mede-schuldenaar verbindt, zich voor een
derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van
een derde verbindt.
3. De beleggingen van het Risicofonds zullen door het bestuur op een
zodanige wijze geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en
interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen.
4. De aan het Risicofonds toebehorende zaken worden als zij niet ten
kantore worden gehouden in bewaring gegeven bij een ingevolge de
Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.
Artikel 16

Boekjaar, accountant en jaarverslag

1. Het boekjaar van het Risicofonds loopt van 1 januari tot en met
31 december.
2. Het bestuur benoemt een externe registeraccountant aan wie de controle
van de jaarrekening wordt opgedragen.
3. De registeraccountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en
bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten
hem desgevraagd worden getoond.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

4. De registeraccountant brengt ten minste eenmaal per jaar aan het
bestuur verslag uit van zijn bevindingen.
5. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording aan partijen bij
cao af door middel van een verslag. Het verslag is gespecificeerd
volgens de bestedingsdoelen en activiteiten van het fonds en wordt
gecontroleerd door de externe registeraccountant, uit welke stukken
moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen zijn gedaan.
6. Het in het vijfde lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting
gedurende het afgelopen boekjaar;
b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting,
bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten,
vergezeld van een verklaring van de registeraccountant terzake
van zijn bevindingen bij de controle opgedaan;
c. in voorkomende gevallen, mededelingen omtrent de wijzigingen
die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.
7. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan
de werkgevers-en werknemersorganisaties betrokken bij de cao.
8. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van
de bij het Risicofonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd:
a. ten kantore van het Risicofonds;
b. op een of meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
9. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag aan
de bij het Risicofonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
10. Jaarlijks wordt door het bestuur voor aanvang van het volgende
boekjaar een begroting opgesteld van de in het volgende boekjaar te
verwachten inkomsten en uitgaven ingericht en gespecificeerd volgens
de bestedingsdoelen van het Vorstrisicofonds. Deze begroting
ligt voor bij het Vorstrisicofonds betrokken werkgevers en werknemers
ter inzage ten kantore van het Vorstrisicofonds en wordt op aanvraag
aan de bij het Vorstrisicofonds betrokken werkgevers en werknemers
toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 17

Wijziging Statuten

1. Wijzigingen in de statuten kunnen worden aangebracht bij besluit
van het bestuur.
2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere
daartoe uitgeschreven vergadering waarop ten minste twee
van de werkgevers-en ten minste twee van de werknemersleden van
het bestuur aanwezig is. De uitnodiging voor deze vergadering moet
met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de
bestuursleden worden toegezonden.
3. Indien op een vergadering waarin een statutenwijziging zal worden
behandeld niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal
leden aanwezig is zal binnen een maand nadien een tweede vergadering
worden gehouden. De uitnodiging voor deze vergadering
moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering
aan de bestuursleden worden toegezonden. Het bestuur is bevoegd
tot het nemen van een besluit ongeacht het ter vergadering aanwezige
aantal leden.
4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een
meerderheid van twee derde der uitgebrachte geldige stemmen.
5. Een statutenwijziging treedt in werking indien deze krachtens goedkeuring
door de partijen bij de cao is aanvaard. Ter verkrijging van
de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties
die partij zijn bij de cao. Een organisatie wordt geacht goedkeuring
te hebben verleend indien die organisatie niet binnen acht weken na
de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het
insturen van op schrift gestelde bezwaren.
6. De statuten en de in de statuten aangebrachte wijzigingen zullen niet
in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken of
onderscheidenlijk van wijzigingen daarin door het bestuur ondertekend
voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht
te Den Haag.
Artikel 18

Ontbinding van de stichting

1. Voor een besluit tot ontbinding van het Risicofonds gelden dezelfde
bepalingen als voor een besluit tot wijziging van de statuten.
2. In geval van ontbinding zal het bestuur – met een meerderheid en op

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

een wijze als genoemd in lid 5 van het voorgaande artikel – met de
liquidatie zijn belast, tenzij de organisaties die partij zijn bij de cao
een ander besluit nemen.

3. Het bestuur beslist over de bestemming van een batig saldo. Een
batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt
met het doel van het Risicofonds. Een nadelig saldo dient
door de werkgevers te worden opgebracht.
Artikel 19

Ministerieel vertegenwoordiger

Als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe de wens
te kennen geeft wordt in overleg tussen de minister en het bestuur een
waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd alle vergaderingen
van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt daartoe alle voor
het bestuur bestemde stukken.

Artikel 20

Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de
stichting is voorzien beslist het bestuur.

VORSTUITKERINGSREGLEMENT

Reglement van de stichting Risicofonds Afbouw, geldend voor de deelnemers
als bedoeld in de Collectieve Arbeidsovereenkomst Afbouw.

HOOFDSTUK I

BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

– het Risicofonds:
de Stichting Risicofonds Afbouw, gevestigd te Rijswijk;
– de statuten:
de statuten van het Risicofonds;
– het bestuur:
het bestuur van het Risicofonds;
– de CAO:
de CAO Afbouw;
– de werkgever:
de werkgever op wie de bepalingen van de CAO van toepassing zijn;
– de werknemer:
de werknemer op wie de bepalingen van de CAO van toepassing
zijn;
Als werknemer wordt tevens beschouwd degene die op basis van een
overeenkomst met een uitzendburo werkzaamheden verricht als bedoeld
in de Cao en voor wie krachtens de bepalingen van die Cao
het uitzendburo gehouden is bijdragen te betalen aan het Risicofonds.
– de administrateur:
het door het bestuur aangewezen administratiekantoor ter uitvoering
van het in dit reglement bepaalde;
– het rechtjaar:
de periode die begint met ingang van de zeventiende week van het
kalenderjaar en eindigt aan het einde van de zestiende week van het
daarop volgende kalenderjaar;
– de bijdrage:
de door de werkgever aan het Risicofonds over het loon verschuldigde
betaling;
– het loon:
het vast overeengekomen loon als omschreven in de CAO;
– vorst:
de weersomstandigheid waarbij de door het KNMI gemeten luchttemperatuur,
in een door het bestuur bepaald weergebied, op een dag:

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

– om 7.00 uur – 3,5° Celsius of lager is;

– om 7.00 uur en om 10.00 daaropvolgend – 0,5° Celsius of lager
is;

– of om 10.00 – 1,5° Celsius of lager is; en, uitsluitend voor de
periode na de laatste vrijdag van maart tot en met de laatste vrijdag
in april:

– om 7.00 uur – 3,5° Celsius of lager is en de middag daaropvolgend
om 13.00 uur niet hoger is dan – 0,5° Celsius.

Met vorst wordt gelijkgesteld de situatie waarbij op het werk:

– een niet met eenvoudige middelen te verwijderen sneeuwdek
aanwezig is, dan wel
– zich directe gevolgen van vorst ten aanzien van materialen, materieel
of de bodemgesteldheid ter plaatse van het werk voordoen.
– de declaratieperiode:
– de periode die aanvangt op de eerste maandag van november en
eindigt op de laatste vrijdag in maart;
– of, eindigt op de laatste vrijdag in april indien in die laatste
periode gedurende twee of meer aaneengesloten etmalen sprake
is van vorst.

– vorstgevoelige werkzaamheden:
– stukadoren en pleisteren in de open lucht;
– het monolithisch afwerken van betonvloeren in de open lucht;
– het repareren en verwerken van oppervlakken met kunstharsen en
kunstharsmortel;
– het in de buitenlucht mengen van specie ten behoeve van afschotlagen
en het smeren van afschotlagen (vloeren, daken, galerijen
e.d.).
HOOFDSTUK II

DE VERSCHULDIGDE BIJDRAGE

Artikel 2

De aan het Risicofonds verschuldigde bijdrage

1. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting op. Deze begroting wordt
aan belanghebbenden op verzoek ter inzage beschikbaar gesteld.
2. De bijdrage wordt jaarlijks door het bestuur vastgesteld en ter goedkeuring
voorgelegd aan partijen bij de CAO.

3. De werkgever is gehouden tot het betalen van de bijdrage aan het
Risicofonds volgens de voorwaarden van de CAO.
4. De bijdrage is door de werkgever verschuldigd over het loon.
5. De bijdrage is in december terstond en ineens opeisbaar.
Artikel 3
Premierestitutie

1. Indien de omvang van de vermogensreserve van het Risicofonds
naar de opvatting van het bestuur daartoe aanleiding geeft is het
bestuur bevoegd te besluiten over te gaan tot premierestitutie aan de
deelnemende werkgevers.
2. Een besluit tot premierestitutie behoeft de goedkeuring van de organisaties
van werkgevers en werknemers die partij zijn bij de CAO.
Artikel 4

Vorderingstermijnen

1. De vaststelling van de hoogte van de bijdrage alsmede de betaling
van de verschuldigde bijdrage dienen binnen de in de CAO genoemde
termijnen te hebben plaatsgevonden.
2. Indien vaststelling van de hoogte van de bijdrage niet tijdig heeft
kunnen plaatsvinden door toedoen van de werkgever en/of de werkgever
te laat de bijdragen heeft betaald is de werkgever in verzuim.
3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
HOOFDSTUK III

DE AANSPRAAK

Artikel 5

Bepaling aanspraak – Referteperiode

De werknemer heeft aanspraak op een uitkering van het Risicofonds tijdens
de declaratieperiode indien voor hem in de periode van 1 augustus

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

tot en met 31 juli voorafgaand aan de declaratieperiode over ten minste
90 dagen bijdragen zijn betaald.

Artikel 6a

Aanspraken werkgever tijdens vorstverlet

1. De werkgever heeft, indien en voor zover de financiële positie van
het Risicofonds dit toelaat en met inachtneming van het overigens in
dit reglement bepaalde, tegenover het Risicofonds aanspraak op een
vergoeding ter (gedeeltelijke) compensatie van de door hem aan zijn
werknemer verstrekte uitkering.
2. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde vergoeding aan de werkgever
is gelijk aan het gemiddelde van het bij de administrateur
laatst-bekende loon (waaronder begrepen loonsverhogingen krachtens
de Cao) van zijn werknemer. Dit gemiddelde wordt berekend
over een periode van acht weken voorafgaand aan de periode waarover
vorst-verlet wordt gedeclareerd.
3. Als over de laatstbekende loonperiode van acht weken, als bedoeld
in het tweede lid van dit artikel, minder dan acht weken loon is genoten,
dan is de vergoeding gelijk aan het gemiddelde over die kortere
periode.
4. De werkgever ontvangt tevens een vergoeding voor de bedragen, die
door hem verschuldigd zijn ter zake van premies en bijdragen ingevolge
de sociale verzekeringswetten en ingevolge de CAO, over de
in het eerste lid bedoelde betaling.
5. Het bestuur is bevoegd de kosten van de premie-en bijdrageverplichtingen
ingevolge de sociale verzekeringswetten en de CAO
te begroten en bindend vast te stellen op een percentage van het in
dit artikel bedoelde, door het Risicofonds uit te betalen bedrag.
6. De werkgever kan zijn in dit artikel bedoelde aanspraken slechts dan
geldend maken, indien deze berusten op een arbeidsovereenkomst
die ten tijde van het intreden van de vorst reeds was aangegaan.
7. Bij de vaststelling van het totaal aantal per week voor declaratie in
aanmerking komende uren wordt een gedeelte van een uur naar
beneden op een kwartier afgerond.

Artikel 6b

Aanspraken werkgever ingeval van WW vanwege onwerkbaar
weer

1. De werkgever heeft, indien en voor zover de financiële ositie van het
fonds dit toelaat en met inachtneming van het overige op dit punt in
dit reglement bepaalde, tegenover het fonds aanspraak op een vergoeding
ter compensatie van het verschil tussen het door hem aan
een werknemer die niet onder artikel 5 valt over een periode van
onwerkbaar weer doorbetaalde loon en de van UWV ontvangen
WW-uitkering over deze periode.
2. De bovenstaande aanspraak ontstaat uitsluitend indien het recht van
de werknemer op die werkloosheidsuitkering vanwege onwerkbaar
weer aantoonbaar door UWV is vastgesteld en uitgekeerd aan de
werkgever nadat dezehet loon over de periode van onwerkbaar weer
heeft doorbetaald en bij UWV heeft gedeclareerd.
3. De aanspraak bestaat uit een aanvulling van 30/70 van de door UWV
vanwege vorst vastgestelde werkloosheidsuitkering van desbetreffende
werknemer of uit een aanvulling van 10/70 van de door UWV
vanwege overig onwerkbaar weer vastgestelde werkloosheidsuitkering
van desbetreffende werknemer.
HOOFDSTUK IV

VERREKENING

Artikel 7

Uitbetaling vergoedingen Risicofonds

Ingeval de werkgever ten tijde van de vaststelling van de vergoedingen
door het Risicofonds een opeisbare schuld aan het fonds heeft, wordt
deze schuld met openstaande vorderingen van het fonds verrekend.

HOOFDSTUK V

TEMPERATUURNORMEN

Artikel 8

Temperatuurnormen

1. De werkgever heeft over dagen waarop wegens vorst geen werk

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

zaamheden verricht worden eerst aanspraak op vergoeding van zijn
declaratie door het Risicofonds indien voldaan is aan de in de volgende
leden gestelde voorwaarden.

2. In het door het bestuur vastgestelde rayon, waarin het werk is gelegen,
moet zijn voldaan aan de voor vorst geldende temperatuurnormen.
Hiervoor is de door het KNMI-station in het betreffende
rayon gemeten temperatuur bepalend.
3. In afwijking van het in het vorige lid bepaalde kan het bestuur vorstgevoelige
werkzaamheden aanwijzen, waarvoor bovengenoemde
temperatuurnormen niet gesteld worden.
4. De vaststelling of wegens vorst geen werkzaamheden verricht had-
den kunnen worden, geschiedt door of namens het bestuur.
HOOFDSTUK VI

VERPLICHTE MAATREGELEN

Artikel 9

Verplichte vorstmaatregelen

1. Om voor vergoeding van een declaratie door het Risicofonds in aanmerking
te komen dient de werkgever in ieder geval de volgende
maatregelen ter voorkoming van vorstverlet te hebben getroffen:
– het beschermen van materieel ter handhaving van de bedrijfsvaardigheid;
– het met doeltreffende middelen beschermen van bouwmaterialen
die verwerkt moeten worden;
– het zoveel mogelijk te werk stellen van de werknemers op die
plaatsen waar de minste hinder wordt ondervonden van de ongunstige
weers-omstandigheden en in het algemeen het treffen
van zodanige maatregelen, dat werknemers zo min mogelijk door
ongunstige weersomstandigheden in hun werk worden belemmerd.
Het bestuur kan ter zake aanvullende voorwaarden stellen.

2. Geen aanspraak tegenover het Risicofonds heeft de werkgever die
niet heeft kunnen laten werken door kennelijk uitvoeringstechnische
nalatigheid.

Artikel 10

Verplichte vorstmaatregelen bij onderaanneming

1. Ingeval een werkgever in gebreke is gebleven de verplichte vorstmaatregelen
te treffen en dientengevolge op een werkobject wegens
vorst geen arbeid kan worden verricht door werknemers in dienst van
een andere werkgever, heeft die andere werkgever slechts dan aanspraken
jegens het Risicofonds, indien die andere werkgever niet
mede verantwoordelijk is voor het achterwege blijven van de maatregelen
en hij de eerstbedoelde werkgever tijdig schriftelijk heeft
gemaand om de maatregelen te treffen.
2. Indien het Risicofonds, in een situatie als in het eerste lid omschreven,
de aanspraken van de daar bedoelde andere werkgever heeft
voldaan, is het Risicofonds bevoegd het betrokken bedrag terug te
vorderen van de werkgever, die in gebreke is gebleven de vereiste
maatregelen te treffen.
HOOFDSTUK VII

MELDING VORSTVERLET

Artikel 11

Melding vorstverlet

De werkgever dient tijdens de declaratieperiode op de dag, waarop hij
wegens vorst de werkzaamheden heeft gestaakt, daarvan mededeling te
doen aan het Risicofonds op de door het bestuur aangegeven wijze. Deze
mededeling behoort voor elk werk afzonderlijk te worden gedaan.
Indien geen tijdige mededeling is gedaan als bedoeld in dit artikel vervalt
in beginsel de aanspraak van de werkgever tegenover het Risicofonds
over de dagen voorafgaande aan die mededeling.

HOOFDSTUK VIII

DE DECLARATIESTAAT

Artikel 12

Declaratiestaat

De werkgever kan zijn aanspraak tegenover het Risicofonds slechts geldend
maken door middel van een door of vanwege het Risicofonds ter

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

beschikking gestelde of goedgekeurde declaratiestaat of andere gegevensdrager.

Artikel 13

Indiening declaratiestaat

1. Om voor volledige vergoeding van de declaratie in aanmerking te
komen dient de werkgever de declaratiestaat binnen zes weken na
het einde van de week waarop de staat betrekking heeft op een door
het bestuur aangewezen adres in te dienen.
2. Indien de declaratiestaat niet is ingediend binnen zes weken wordt
op het bij tijdige inlevering verschuldigde bedrag een korting toegepast
overeenkomstig de navolgende regels:
– indien de declaratiestaat wordt ingeleverd in de 7e tot en met de
8e week na het einde van de week waarop deze betrekking heeft,
wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 95%;
– indien de declaratiestaat wordt ingeleverd in de 9e tot en met de
13e week na het einde van de week waarop deze betrekking
heeft, wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 75%;
– indien de declaratiestaat wordt ingeleverd in de 14e tot en met de
26e week na het einde van de week waarop deze betrekking
heeft, wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 50%.
3. Indien de declaratiestaat wordt ingeleverd later dan de 26e week na
het einde van de week waarop deze betrekking heeft, vervalt de aanspraak.
HOOFDSTUK IX

VERGOEDING AAN WERKGEVER

Artikel 14

Uitbetaling vergoeding aan werkgever

1. Het Risicofonds zal binnen één week na ontvangst van een volledig
ingevulde en ondertekende declaratiestaat de vergoeding aan de
werkgever uitbetalen.
2. Indien het bestuur aanleiding ziet om aan de uitbetaling van de

declaratie een onderzoek naar de juistheid daarvan te doen voorafgaan
vindt de uitbetaling eerst plaats zodra en voor zo ver uit het
onderzoek is gebleken, dat de gedeclareerde bedragen als juist kunnen
worden erkend. Het Risicofonds stelt de werkgever in kennis
van het instellen van een onderzoek.

HOOFDSTUK X

TERUGVORDERING

Artikel 15

1. In situaties waarin de werkgever de juistheid van de door hem ingediende
en door het Risicofonds betaalbaargestelde declaraties niet
aantoont, vordert het bestuur het betaalbaargestelde bedrag terug.
2. Het bestuur is bevoegd in de in het eerste lid bedoelde situaties het
teruggevorderde bedrag te verhogen met een bedrag ter hoogte van
10% van het betaalbaargestelde bedrag.
3. Tevens is het bestuur bevoegd de wettelijke rente te vorderen vanaf
het tijdstip van betaling van het aan de werkgever betaalbaar gestelde
bedrag.
HOOFDSTUK XI

SANCTIEBEPALINGEN

Artikel 16

Sanctie bij onjuiste declaratie

1. In geval vast komt te staan dat een declaratie opzettelijk of wegens
grove schuld van de werkgever onjuist is opgemaakt, geldt bij een
eerste overtreding een boete van 10% van het ten onrechte gedeclareerde
bedrag.
2. Bij een tweede overtreding geldt een boete van 50% van het in het
eerste lid bedoelde bedrag en bij een derde en volgende overtreding
een boete van 100% van het in het eerste lid bedoelde bedrag.
3. Bij ernstige en omvangrijke fraude van de werkgever geldt bij een
eerste overtreding en bij volgende overtredingen een boete van 100%
van het betrokken bedrag.
4. Tevens kan het bestuur van de werkgever ter zake van het in het eer

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

ste lid bedoelde bedrag de wettelijke rente vorderen vanaf het tijdstip
van betaling van dat bedrag aan de werkgever.

HOOFDSTUK XII

RESTITUTIEREGELING

Artikel 17

Restitutieklassen

1. Met inachtneming van het in de volgende leden bepaalde heeft de
werkgever, die heeft voldaan aan zijn jegens het Risicofonds bestaande
betalings-verplichting, aanspraak op restitutie van een gedeelte
van de aan het Risicofonds betaalde bijdrage over het direct
daaraan voorafgaande rechtjaar.
2. Indien gedurende drie opeenvolgende declaratie-perioden (inclusief
de laatst verstreken declaratieperiode) niet is gedeclareerd, bedraagt
de restitutie 95% van de aan het Risicofonds betaalde bijdrage over
het voorgaande rechtjaar met ingang van rechtjaar 2003/2004.
3. Indien gedurende de laatst verstreken declaratie-periode niet is gedeclareerd
en geen declaraties betaalbaar zijn gesteld, maar wel is
gedeclareerd over één of meer van de vier direct daaraan voorafgaande
declaratieperioden, bedraagt de restitutie 60% van de aan het
Risicofonds betaalde bijdrage over het voorgaande rechtjaar.
4. Indien gedurende de laatst verstreken declaratie-periode niet meer is
gedeclareerd en betaalbaar is gesteld dan 20% van de betaalde bijdrage,
bedraagt de restitutie 60% van de aan het Risicofonds betaalde
bijdrage over het voorgaande rechtjaar.
5. Indien gedurende de laatst verstreken declaratie-periode meer is
gedeclareerd en betaalbaar gesteld dan 20% van de betaalde bijdrage,
maar minder dan 40% van de betaalde bijdrage, bedraagt de restitutie
40% van de aan het Risicofonds betaalde bijdrage over het voorgaande
rechtjaar.
6. Indien gedurende de laatst verstreken declaratieperiode meer is gedeclareerd
en betaalbaargesteld dan 40% van de betaalde bijdrage,
maar minder dan 60% van de betaalde bijdrage, bedraagt de restitu

tie 20% van de aan het Risicofonds betaalde bijdrage over het voorgaande
rechtjaar.

7. Geen restitutie wordt verleend indien over de laatst verstreken
declaratieperiode meer dan 60% van de aan het Risicofonds betaalde
bijdrage is gedeclareerd en betaalbaar gesteld.
8. De werkgever die over de laatstverstreken declaratieperiode voor het
eerst aan de Vorstrisicoregeling deelneemt komt voor 80% restitutie
in aanmerking indien over deze declaratieperiode niet is gedeclareerd.
Artikel 18

Berekening hoogte restitutie

1. Voor de berekening van de hoogte van de restitutie wordt verstaan
onder ,,de aan het Risicofonds betaalde bijdrage’’: het totaalbedrag
van de over het betrokken rechtjaar door de werkgever aan dit fonds
tijdig betaalde bijdragen.
2. Indien Artikel 17 lid 3,4,5 en 6 van toepassing is en de gemiddelde
personeelsbezetting in de maanden december, januari en februari vallende
in het rechtjaar, lager is geweest dan die over het gehele rechtjaar
wordt de in de maanden december, januari en februari betaalde
bijdrage herleid naar een rechtjaar en dit herleide bedrag wordt in dat
geval als grondslag gehanteerd.
3. De gemiddelde personeelsbezetting wordt berekend door het totaal
aantal dagen waarover bijdrage is betaald te delen door het maximum
aantal dagen waarover door de werkgever voor een werknemer
van 18 jaar of ouder bijdrage in dat tijdvak verschuldigd was.
4. Ingeval het Risicofonds constateert dat het door of namens een werkgever
bij het Risicofonds gedeclareerde bedrag te hoog blijkt te zijn,
blijft dit bedrag maatgevend bij de beoordeling van de aanspraak op
restitutie. Het bestuur kan beslissen, dat het gecorrigeerde bedrag
voor het gedeclareerde bedrag in de plaats treedt.
5. Het aan de werkgever toekomende restbedrag wordt door het Risicofonds,
eventueel na verrekening met openstaande schulden aan het
Risicofonds, binnen 6 maanden na afloop van het rechtjaar uitgekeerd.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK XIII

VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN

Artikel 19

1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
een schriftelijk door hem gemachtigd persoon inzage te verlenen in
alle bescheiden, die direct of indirect betrekking hebben op de beta-
ling van de bijdrage, de loonbetalingen en/of de declaraties, en
voorts alle overige inlichtingen te verschaffen, die ten behoeve van
de uitvoering van het bepaalde in de statuten en in dit reglement worden
gevraagd.
2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten of in dit
reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan men het vertrouwelijk
karakter moet begrijpen is daarover tegenover derden tot
geheimhouding verplicht.
HOOFDSTUK XIV

HARDHEIDSCLAUSULE

Artikel 20

Het bestuur is bevoegd tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende
aard die zich bij de toepassing van dit reglement voordoen.

HOOFDSTUK XV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 21

Nadere voorschriften

Teneinde een efficiënte werking van het Risicofonds te verzekeren, kunnen
door het bestuur nadere voor-schriften gegeven worden in overeenstemming
met de bepalingen van de statuten en van dit reglement, mits
deze voorschriften niet in strijd komen met de bepalingen van de CAO.

Artikel 23

Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als Vorst-uitkeringsreglement Afbouw
2001.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

VERLOFREGLEMENT RISICOFONDS AFBOUW

Artikel 1

Rouwverlof, Palliatief verlof en Kortdurend zorgverlof

1. De werkgever, die zijn werknemer het loon heeft doorbetaald over
een periode van rouwverlof in verband met het overlijden van de
echtgenote of daarmee conform artikel 1 lid 11 van de CAO gelijkgestelde
partner of een (pleeg)kind tot en met 27 jaar van de werknemer
heeft recht op een vergoeding van de loonkosten over in totaal
maximaal tien dagen na de dag van overlijden ten laste van het
fonds.
2. De werkgever, die zijn werknemer het loon heeft doorbetaald over
een periode van palliatief verlof voor stervensbegeleiding van een
terminaal zieke echtgenote of daarmee conform artikel artikel 1 lid
11 van de CAO gelijkgestelde partner, (pleeg)kind of ouder heeft
recht op een vergoeding van de loonkosten over in totaal maximaal
tien dagen per jaar ten laste van het fonds.
3. De dagen palliatief verlof kunnen in overleg tussen werkgever en
werknemer al dan niet aaneengesloten of in gedeelten van dagen
worden opgenomen. De vergoeding vanuit het fonds bedraagt de
loonwaarde over maximaal 10 dagen. Voor parttimers geldt dit naar
rato.
4. De werkgever, die zijn werknemer het loon heeft doorbetaald over
een periode van kortdurend zorgverlof voor het bieden van hulp aan
een inwonende zieke echtgenote of daarmee conform artikel artikel
1 lid 11 van de CAO gelijkgestelde partner, inwonende zieke ouder
of inwonend ziek (pleeg)kind, heeft recht op vergoeding van de
maximaal 10 dagen per jaar dat conform de wet het loon doorbetaald
moet worden en conform de Cao wordt aangevuld (1e drie dagen
100% resterende 7 dagen 70%).
5. Voor alle in dit artikel genoemde regelingen geldt dat jaarlijks een
budget wordt vastgesteld.
Artikel 2

Wijze van declaratie rouwverlof

1. Om voor een vergoeding ten laste van het fonds in aanmerking te
komen, dient de werkgever binnen 8 weken na het einde van de

periode van rouwverlof, waarvoor vergoeding wordt gewenst, het
volledig ingevulde en zowel door werkgever als werknemer ondertekende
door A&O Services voorgeschreven declaratieformulier in te
zenden vergezeld van een kopie van de overlijdensakte.

2. Aanvragen die niet binnen 8 weken na afloop van het rouwverlof
door A&O Services zijn ontvangen worden niet in behandeling genomen.
3. Door ondertekening van het formulier geeft de werknemer aan A&O
Services een machtiging af om de vermelde gegevens te controleren
bij de GBA. Indien het formulier niet wordt ondertekend wordt de
vergoeding uitgekeerd maar kan A&O Services actie ondernemen
om de vermelde gegevens op andere wijze te controleren.
Artikel 3

Wijze van declaratie palliatief verlof

1. Om voor een vergoeding ten laste van het fonds in aanmerking te
komen, dient de werkgever binnen 8 weken na afloop van het palliatief
verlof waarvoor vergoeding wordt gewenst het volledig ingevulde
en zowel door de werkgever als de werknemer ondertekende
door A&O Services voorgeschreven declaratieformulier in te zenden,
vergezeld van een kopie van een doktersverklaring of een kopie van
de overlijdensakte.
2. Aanvragen die niet binnen 8 weken na afloop van het palliatief verlof
door A&O Services zijn ontvangen worden niet in behandeling
genomen.
3. Door ondertekening van het formulier geeft de werknemer aan A&O
Services een machtiging af om de vermelde gegevens te controleren
bij de GBA. Indien het formulier niet wordt ondertekend door de
werknemer wordt de vergoeding uitgekeerd maar kan A&O Services
actie ondernemen om de vermelde gegevens op andere wijze te controleren.
Artikel 4

Wijze van declaratie kortdurend zorgverlof

1. Om voor een vergoeding ten laste van het fonds in aanmerking te
komen, dient de werkgever binnen 8 weken na afloop van de periode
van het kortdurend zorgverlof, waarvoor vergoeding wordt gewenst,
het volledig ingevulde en zowel door de werkgever als de werknemer
ondertekende door A&O Services voorgeschreven declaratieformulier
in te zenden, vergezeld van een kopie van een verklaring

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

waarin een naar het oordeel van het fonds en/of A&O Services deskundige
derde de noodzaak van het kortdurend zorgverlof bevestigt.

2. Aanvragen die niet binnen 8 weken na afloop van het kortdurend
zorg verlof door A&O Services zijn ontvangen worden niet in behandeling
genomen.
3. Door ondertekening van het formulier geeft de werknemer aan A&O
Services een machtiging af om de vermelde gegevens te controleren
bij de GBA. Indien het formulier niet wordt ondertekend wordt de
vergoeding uitgekeerd maar kan A&O Services actie ondernemen
om de vermelde gegevens op andere wijze te controleren.
Artikel 5

Hoogte van de vergoeding

1. De vergoeding bedraagt per uur, waarvoor recht op vergoeding
bestaat, het vast overeengekomen uurloon en de verschuldigde bijdrage
aan het Vakantiefonds, plus een opslag in de vorm van een
gemiddeld percentage ter compensatie van de over dat uurloon verschuldigde
werkgeversdelen van de premies.
2. Op de vergoeding worden uitkeringen in verband met rouwverlof,
palliatief verlof of kortdurend zorgverlof uit anderen hoofde in mindering
gebracht.
Artikel 6

Uitbetaling

De vergoeding wordt nadat A&O Services de declaratie akkoord heeft
bevonden binnen vier weken betaalbaar gesteld op het bij A&O Services
bekende bank-of gironummer van de werkgever.

Artikel 7

Informatieverstrekking

1. De werkgevers en werknemers zijn verplicht aan het Fonds desverlangd
inzage te verlenen van gegevens, die direct of indirect betrekking
hebben op grond van dit reglement verstrekte of te verstrekken

uitkeringen, en alle inlichtingen te verschaffen, die ten behoeve van
de uitvoering van de statuten en van dit reglement worden gevraagd.

2. Degene, die bij de uitoefening van de in dit artikel omschreven
bevoegdheden enig bedrijfsgegeven ter kennis komt, is deswege
jegens derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 8

Sanctiemaatregelen

1. Indien uit een onderzoek, ingesteld door het Fonds blijkt, dat een
werkgever uitkeringen van het Fonds heeft gevorderd, hoewel niet
aan de voorwaarden is voldaan, zal, zo het Fonds de uitkeringen
reeds heeft uitbetaald, terugvordering daarvan geschieden, terwijl,
zulks ter beoordeling van het Bestuur, de kosten van het onderzoek
en rente aan de werkgever in rekening kunnen worden gebracht.
2. Indien uit een onderzoek, ingesteld door het Fonds blijkt, dat een
werkgever uitkeringen van het Fonds heeft gevorderd, hoewel niet
aan de voorwaarden is voldaan, kunnen, zo het Fonds de uitkeringen
nog niet heeft uitbetaald, ter beoordeling van het Bestuur de kosten
van het onderzoek aan de werkgever in rekening gebracht worden.
3. Het Fonds behoudt zich het recht voor, indien, bij vordering door de
werkgever, niet aan de voorwaarden is voldaan, deze handeling aan
het oordeel van de rechter te doen onderwerpen.
Artikel 9

Slotbepaling

Nadere voorschriften, teneinde een efficiënte werking van het Fonds te
verzekeren, kunnen door het Bestuur, in overeenstemming met de bepalingen
der statuten en van dit reglement, gegeven worden, mits deze
voorschriften niet in strijd komen met één of meer bepalingen van de in
artikel 1 genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten of bindende regelingen
van lonen en andere arbeidsvoorwaarden.
Dit reglement kan worden aangehaald onder de naam ,,Verlofreglement
Risicofonds Afbouw’’.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

STATUTEN STICHTING OPLEIDINGS-EN ONTWIKKELINGSFONDS AFBOUW

DEEL I VAN DE STICHTING

Artikel 1

Naam en Zetel

De stichting draagt de naam: Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds
Afbouw, verder te noemen O&O Afbouw en is gevestigd te
Amsterdam.

Artikel 2

Doel

1. De stichting heeft ten doel: het financieren van opleidingsen
ontwikkelingsactiviteiten en van activiteiten die gericht zijn op het
bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in het stukadoors-,
afbouw-, terrazzo-en vloerenbedrijf. De stichting tracht dit doel te
bereiken door gelden te innen bij ondernemingen in het stukadoors-,
afbouw-en terrazzo-/ vloerenbedrijf en deze, met andere baten van
de stichting, aan te wenden voor de financiering van activiteiten als
bedoeld in dit artikel.
Deze activiteiten zijn:

a. de financiering van opleidingen voor het stukadoors-, afbouwen
terrazzo-/vloerenbedrijf;
b. de bestrijding van verletkosten van in opleiding zijnde werknemers,
onder meer door het zonodig vestrekken van vergoedingen
aan werkgevers bij wie betrokken werknemers in dienst zijn;
c. subsidiëren van onderzoeksactiviteiten voor het bevorderen van
goede arbeidsverhoudingen in het belang van de bedrijfstak;
d. de uitgifte van brochures, CAO-boekjes, periodieken en kennisdragers
ten behoeve van alle werknemers en werkgevers in het
stukadoors-, afbouw-en terrazzo-/vloerenbedrijf in het belang
van de arbeidsverhoudingen in het stukadoors-, afbouw-en
terrazzo-/vloerenbedrijf;
e. het stimuleren en subsidiëren van de reïntegratie van arbeidsongeschikte-
of met werkloosheid bedreigde werknemers in het
stukadoors-, afbouw-en terrazzo-/vloerenbedrijf;

f. financiering dan wel subsidiëring van de Stichting Arbouw, voorzover
het betreft het doen van onderzoek en het ontwikkelen van
projecten ten behoeve van de arbeidsomstandigheden en de bevordering
en bescherming van de gezondheid in de bouwnijverheid.
2. De gefinancierde en gesubsidieerde verenigingen, instellingen en
personen dienen vooraf een begroting in te dienen welke moet zijn
ingericht en gespecificeerd volgens de bestedingsdoelen en activiteiten
als hiervoor in lid 1 genoemd. Jaarlijks wordt door deze verenigingen,
instellingen en personen een door een registeraccountant of
accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid
gecontroleerde verklaring overlegd over de besteding van de gelden,
welke verklaring (ten minste) is gespecificeerd naar genoemde
bestedingsdoelen en activiteiten.
DEEL II

VAN HET BESTUUR

Artikel 3

Bestuur

1. Het bestuur bestaat uit twaalf leden. De benoeming geschiedt als
volgt:
– zes door de Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven
(NOA);
– vier door FNV Bouw;
– twee door de Hout-en Bouwbond CNV.
2. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door overlijden, door in-
trekking van de benoeming door het orgaan dat het betrokken bestuurslid
heeft aangewezen of door het bedanken van betrokkene.
3. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het
kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen en tot het
sluiten van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of
hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt
of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.
Artikel 4

Adviseurs en waarnemers

Het bestuur kan zich ter vergadering laten bijstaan door adviseurs.
Indien door betrokken overheidsinstanties de wens daartoe te kennen

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

wordt gegeven, wordt in overleg tussen het bestuur en de bedoelde
instanties een waarnemer toegelaten. Waarnemers zijn gerechtigd tot het
bijwonen van alle bestuursvergaderingen.
Waarnemers ontvangen alle ter zake dienende stukken.

Artikel 5

Voorzitter

Elk jaar wijst het bestuur uit haar midden een voorzitter aan met dien
verstande dat de voorzitter wordt aangewezen uit de leden benoemd
door de Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven
(NOA). Tevens wijst het bestuur elk jaar uit haar midden een vicevoorzitter
aan met dien verstande dat de vice-voorzitter wordt aangewezen
uit de leden benoemd door FNV Bouw of de Hout-en Bouwbond
CNV.
Het bestuur, dan wel de voorzitter en vice-voorzitter dan wel twee
andere daartoe speciaal aangewezen bestuursleden waarvan één wordt
aangewezen uit de leden benoemd door de Nederlandse Ondernemersvereniging
voor Afbouwbedrijven (NOA) en één wordt aangewezen uit
de leden benoemd door FNV Bouw of de Hout-en Bouwbond CNV vertegenwoordigen
de stichting in en buiten rechte.

Artikel 6

Quorum en stemming

1. Voor het houden van vergaderingen en het nemen van besluiten is de
aanwezigheid vereist van ten minste vier bestuursleden en/of plaatsvervangende
bestuursleden. Bij vergaderingen dienen ten minste
twee leden van werkgeverszijde en twee leden van werknemerszijde
aanwezig te zijn.
2. De leden van het bestuur hebben in de vergadering van het bestuur
ieder één stem indien de aantallen ter vergadering aanwezige
werkgeversleden en werknemersleden even groot zijn. Indien ter vergadering
meer leden van werkgeverszijde dan van werknemerszijde
aanwezig zijn, of omgekeerd, brengen de leden van de groep waarvan
het grootste aantal aanwezig is, ieder evenveel stemmen uit als
van de andere groep leden aanwezig zijn. De leden van de andere
groep brengen alsdan ieder evenveel stemmen uit als van de grootste
groep waarvan leden aanwezig zijn.

Artikel 7

Staken der stemmen

Bij het staken der stemmen wordt in een volgende vergadering, welke
ten hoogste één maand later plaatsvindt, andermaal over hetzelfde onderwerp
gestemd. Staken de stemmen in tweede instantie wederom, dan
wordt het in stemming gebrachte voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

Artikel 8

Huishoudelijk Reglement

Het bestuur kan een huishoudelijk reglement vaststellen.
Bepalingen in dit huishoudelijk reglement mogen niet in strijd zijn met
deze statuten.

Artikel 9

Bureau en secretariaat

Het bestuur kan, al dan niet uit het bestuur, een secretaris benoemen die
het bestuur kan adviseren. Het bestuur kan de administratie van het
fonds uitbesteden aan een administratiekantoor.

DEEL III

VAN DE FINANCIERING

Artikel 10

Ontvangsten en uitgaven

De middelen van de stichting bestaan uit:

a. het stichtingskapitaal;
b. bijdragen die door de ondernemers in de sector worden verstrekt
ingevolge het bepaalde in een collectieve arbeidsovereenkomst of
loonregeling, geldend in de sector;
c. eventuele andere baten.
Artikel 11

Financieringsreglement

Het bestuur stelt, de betrokken CAO-partijen gehoord hebbende, een
financieringsreglement vast, waarin ten minste zijn geregeld de vaststel

 

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

ling en de hoogte van de bijdrage en de wijze van incasseren daarvan.
Bepalingen in dit financieringsreglement mogen niet in strijd zijn met
deze statuten.

Artikel 12

Beheer en administratie

1. De gelden van de stichting worden door het bestuur beheerd. Het
bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan
een door CAO-partijen aan te wijzen instantie en/of aan door het
bestuur al dan niet geheel uit zijn midden benoemde paritaire commissies.
De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies
en een door CAO-partijen aan te wijzen instantie uitgeoefend onder
toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
2. De beleggingen zullen door het bestuur op een zodanige wijze
geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico van de bezittingen en
interesten wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen.
3. De aan de stichting toebehorende zaken worden als zij niet ten kantore
worden gehouden in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet
Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
4. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.
5. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
6. Het bestuur benoemt een externe registeraccountant aan wie de controle
van de jaarrekening wordt opgedragen.
7. De registeraccountant is gerechtigd tot inzage in alle boeken en
bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten
hem desgevraagd worden getoond.
8. De registeraccountant brengt ten minste een maal per jaar aan het
bestuur verslag uit van zijn bevindingen.

9. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording af aan de in artikel
3 lid 1 van deze statuten genoemde partijen.
10. Het in het negende lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting
gedurende het afgelopen boekjaar dat is gespecificeerd volgens
de in artikel 2 genoemde bestedingsdoelen en activiteiten;
b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting,
bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten,
gespecificeerd volgens de in artikel 2 genoemde bestedingsdoelen
en activiteiten en vergezeld van een verklaring van de
registeraccountant terzake van zijn bevindingen bij de controle
opgedaan, uit welke stukken blijkt dat de uitgaven conform de
bestedingsdoelen zijn gedaan;
c. de in artikel 2, lid 2 genoemde verklaringen van subsidieontvangende
verenigingen, instellingen of personen worden integraal
in het financieel jaarverslag opgenomen;
d. in voorkomende gevallen, mededelingen omtrent de wijzigingen
die in de statuten en/of reglementen hebben plaatsgehad.
11. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers-en werknemersorganisaties
genoemd in artikel 3 van deze statuten.
12. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van
de bij het O&O Afbouw betrokken werkgevers en werknemers gelegd:
a. ten kantore van het O&O Afbouw;
b. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
13. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag aan
de bij het O&O Afbouw betrokken werkgevers en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
Jaarlijks wordt door het bestuur voor aanvang van het volgende
boekjaar een begroting opgesteld van de in het volgende boekjaar te
verwachten inkomsten en uitgaven ingericht en gespecificeerd volgens
de bestedingsdoelen van de Stichting. Deze begroting ligt voor
bij de Stichting betrokken werkgevers en werknemers ter inzage ten
kantore van de Stichting en wordt op aanvraag aan de bij de Stichting
betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen beta-
ling van de daaraan verbonden kosten.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 13

Beroep

Op beslissingen van het bestuur omtrent de financierings-en subsidieaanvragen
kan geen beroep worden ingesteld, onverlet de mogelijkheid
een nieuwe aanvraag in te dienen.

Artikel 14

Rekening en verantwoording

Jaarlijks legt het bestuur omtrent het gevoerde en te voeren beleid rekening
en verantwoording af aan de in artikel 3 genoemde organisaties.

DEEL IV

SLOTBEPALINGEN

FINANCIERINGSREGLEMENT VAN DE STICHTING OPLEIDINGS-EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET STUKADOORS-, AFBOUW-EN TERRAZZO/VLOERENBEDRIJF

Vastgesteld op 23 juni 2000

Artikel 1

Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

– de stichting:
de Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor het Stukadoors-,
Afbouw-en Terrazzo/Vloerenbedrijf;
– de statuten:
de statuten van de stichting voornoemd;
– de werkgever:
de werkgever als bedoeld in de CAO voor het Stukadoors-, Afbouwen
Terrazzo/Vloerenbedrijf voor zover deze CAO de werkgevers
verplicht tot bijdragen aan de Stichting;
Artikel 2

Bijdrageverplichting

De werkgever is aan de stichting een bijdrage verschuldigd voor de
financiering van de in de statuten omschreven doelstelling. De bijdrage
wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het door de werkgever
aan zijn werknemers, vallende onder een CAO die de werkgever
verplicht tot bijdragen aan de Stichting, uitbetaalde loon. Als loon wordt
aangemerkt het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

De bijdrage is verschuldigd over maximaal anderhalf maal het maximumpremieloon
in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijdrage, alsmede de verdeling over
de fondsen als genoemd in artikel 12, lid 2 van de statuten, wordt – na
overleg met CAO-partijen – jaarlijks door het bestuur van de stichting
vastgesteld.

Het bestuur is bevoegd, na overleg met CAO-partijen, met inachtneming
van hetgeen in het eerste lid is bepaald een incidentele bijdrage conform
de CAO te heffen. Deze incidentele bijdrage kan direct en ineens invorderbaar
worden verklaard.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 3

Invordering

De invordering van de in artikel 2 bedoelde bijdrage wordt opgedragen
aan een daartoe door het bestuur, na overleg met CAO-partijen, aan te
wijzen instelling.

De werkgever wordt ten aanzien van de bijdrageverplichting gekweten
door betaling van het verschuldigde bedrag aan de daartoe door het
bestuur aangewezen instelling.

De bijdrage wordt in december terstond en ineens opeisbaar.

Artikel 4

Betaaltermijnen

De betaling van de verschuldigde bijdrage dient per loonbetalingstijdvak,
maar ten minste een maal per maand plaats te vinden.

Indien de betaling niet binnen veertien dagen na afloop van elke hiervoor
bedoelde periode heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.

Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.

Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.

Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.

Een door het bestuur, na overleg met partijen, aan te wijzen instelling is
bevoegd tot uitvoering van het bepaalde in de leden 3 en 5.

STATUTEN STICHTING AANVULLINGSFONDS WERKNEMERSVERZEKERINGEN AFBOUW

Artikel 1

Naam en zetel

1. De stichting draagt de naam: Stichting Aanvullingsfonds Werknemersverzekeringen
Afbouw (hierna verder ook te noemen: ,,het
Fonds’’).
2. Zij is gevestigd in de gemeente Rijswijk (Zuid-Holland).
Artikel 2

Doel

Het Fonds heeft ten doel het direct dan wel indirect verstrekken van suppleties
op door werknemers te ontvangen sociale verzekeringsuitkeringen
alsmede het bevorderen en/of doen bevorderen van reïntegratieactiviteiten
alsmede het geven en/of doen geven van voorlichting over
doelstellingen en activiteiten van het fonds, met inachtneming van hetgeen
in de Collectieve Arbeidsovereenkomst Afbouw, of enige andere
daarvoor in de plaats tredende regeling van lonen en arbeidsvoorwaarden,
is bepaald, alsmede in de hierna bedoelde nadere voorwaarden, mits
evengenoemde Collectieve Arbeidsovereenkomst van toepassing zou
zijn op vorenbedoelde werknemers, indien dezen de arbeid zouden verrichten
in dienstbetrekking.
Subsidie-verzoekende instellingen moeten een begroting indienen gespecificeerd
naar de activiteiten.
Subsidie-ontvangende instellingen dienen jaarlijks een door een register-
accountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid
gecontroleerde verklaring te overleggen over de besteding
van de gelden, welke verklaring (ten minste) moet zijn gespecificeerd
naar de activiteiten en ze dienen geïntegreerd onderdeel uit te maken van
het (financieel) jaarverslag.
De nadere voorwaarden, waaronder de hiervoor bedoelde doelstellingen
worden nagestreefd, alsmede de wijze waarop zulks geregeld is, zijn
vastgelegd in één of meerdere reglementen.

Artikel 3

Middelen

Het Fonds tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

a. betalen van aanvullende uitkeringen;
b. andere wettige middelen, die voor het gestelde doel bevorderlijk zijn.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 4

Deelnemers

Deelnemende organisaties aan het Fonds zijn:

a. de vereniging:
De Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven, (bij
afkorting geheten NOA), gevestigd te Utrecht;
b. de vereniging:
De Nederlandse Bond voor de Bouw-en Houtnijverheid (bij afkorting
geheten: FNV Bouw), gevestigd te Woerden;
c. de vereniging:
De Nederlandse Christelijke Bond van Werknemers in de Hout-en
Bouwnijverheid (bij afkorting geheten: de Hout-en Bouwbond
CNV), gevestigd te Odijk.
Artikel 5

Verplichtingen

1. In het Fonds wordt deelgenomen door de werkgevers en werknemers
op wie de Collectieve Arbeidsovereenkomst Afbouw van toepassing
is, dan wel een zodanig andere arbeidsovereenkomst of bindend
opgelegde regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden, die
voor evenbedoelde Collectieve Arbeidsovereenkomst in de plaats zal
treden.
2. De werkgevers en werknemers als bedoeld in het vorige lid zijn verplicht
tot naleving van de bij of krachtens deze statuten en het hierna
in artikel 13 bedoelde reglement te hunnen aanzien gemaakte bepalingen.
Vorenbedoelde naleving kan, ook voor wat de betaling van
de in artikel 6 sub a bedoelde bedragen betreft, in rechte gevorderd
worden.
Artikel 6

Geldmiddelen

Het vermogen van het Fonds wordt gevormd door:

a. de jaarlijks volgens deze statuten vast te stellen door de werkgevers
te storten werkgeversen werknemersbijdragen als bedoeld in de Collectieve
arbeidsovereenkomst Afbouw, dan wel een zodanig andere

arbeidsovereenkomst of bindende regeling van arbeidsvoorwaarden,
die voor deze Collectieve arbeidsovereenkomst in de plaats treedt;

b. (overheids)subsidies, donaties en renten;
c. hetgeen het Fonds door, erfstelling, legaat, schenking of op enigerlei
andere wijze verkrijgt.
Artikel 7

Bestuur

1. Het bestuur van het Fonds bestaat uit zes leden, te benoemen door
de in artikel 4 genoemde deelnemende organisaties van werkgevers
en werknemers en wel:
– drie door NOA;
– twee door FNV Bouw;
– één door de Hout-en Bouwbond CNV.
2. Elk van de in het vorige lid genoemde organisaties benoemt een
plaatsvervanger, die bij afwezigheid van het bestuurslid, aangewezen
door dezelfde organisatie, gerechtigd is diens plaats in te nemen.
3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee voorzitters en twee secretarissen,
en wel één voorzitter en één secretaris uit de werkgeversbestuursleden
en één voorzitter en één secretaris uit de werknemersbestuursleden.
De beide voorzitters hebben afwisselend gedurende
een kalenderjaar de leiding van de bestuursvergaderingen. Is de voorzitter
een werkgeversbestuurslid, dan zal de secretaris een
werknemersbestuurslid zijn en omgekeerd.
4. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door intrekking van de
benoeming door de organisatie, die het betrokken bestuurslid heeft
benoemd, dan wel het bedanken van betrokkene. De organisatie
draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk in de ontstane vacature
wordt voorzien.
5. Onverminderd het bepaalde in lid 4 van dit artikel, eindigt het lidmaatschap
van het bestuur door overlijden, door onder curatele stelling,
alsmede door ontslag door de Rechtbank.
6. De leden van het bestuur hebben recht op een – nader vast te stellen
– vergoeding voor de door hen in hun uitoefening van hun functie
gemaakte verblijf-, reis-en vacatiekosten.
Artikel 8

Bestuursbevoegdheid

1. Het bestuur is belast met het beheer van het Fonds. Behoudens de

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

beperkingen volgens deze statuten is het bestuur bevoegd tot alle
handelingen, welke tot het bereiken van het statutaire doel kunnen
leiden.

2. Het bestuur is, na goedkeuring door de deelnemende organisaties
bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging,
vervreemding of bezwaring van registergoederen, alsmede tot
het aangaan van overeenkomsten, waarbij het Fonds zich als borg of
hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt
of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt.
3. De beleggingen van het Fonds zullen door het bestuur op een zodanige
wijze geschieden dat gelet op de verplichtingenstructuur:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en
interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen.
4. De aan het Fonds toebehorende zaken worden als zij niet ten kantore
worden gehouden in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet
Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar, tenzij
het bestuur anders besluit.
6. Het bestuur is bevoegd één of meer reglementen vast te stellen, die
niet in strijd met deze statuten mogen zijn.
Artikel 9

Vertegenwoordiging

Het Fonds wordt vertegenwoordigd door het bestuur. De vertegenwoordigingsbevoegdheid
komt tevens toe aan:

– de voorzitter (werkgeversbestuurslid) en de secretaris (werknemersbestuurslid),
mits zij gezamenlijk handelen;
– de voorzitter (werknemersbestuurslid) en de secretaris (werkgeversbestuurslid),
mits zij gezamenlijk handelen.
In geval van ontstentenis of belet van één hunner wordt – voor zover
nodig – door het bestuur in de vervanging voorzien, zulks met inachtneming
van het hiervoor aan artikel 7 lid 3 ten grondslag liggende
pariteitsbeginsel.

Artikel 10

Administratie

1. De administratie van het Fonds wordt opgedragen aan een door het
bestuur aangewezen administratiekantoor.
2. In verband met het hiervoor bepaalde in lid 1 is het bestuur bevoegd
bepaalde hem krachtens deze statuten en/of reglement(en) toekomende
bevoegdheden aan het bestuur, de directie en/of andere functionarissen
van een door het bestuur aangewezen administratiekantoor,
alsmede aan bestuurscolleges van bij dit administratiekantoor
aangesloten instellingen te mandateren, onder blijvende verantwoordelijkheid
van het bestuur.
Artikel 11

Bestuursvergaderingen en bestuursbesluiten

1. Het bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dat nodig acht of
dit door ten minste de helft van het aantal bestuursleden – blijkens
schriftelijke mededeling aan de voorzitter – wenselijk wordt geacht,
in welk geval de voorzitter verplicht is binnen veertien dagen na ontvangst
van deze mededeling een vergadering van het bestuur te
beleggen.
2. In een bestuursvergadering kunnen geen geldige besluiten worden
genomen, wanneer niet ten minste de helft van de leden, behorende
tot de kring van de werkgevers en de helft van de leden behorende
tot de kring van de werknemers, aanwezig is.
In een volgende vergadering, die gehouden wordt ten minste één
week na de laatste vergadering, kunnen geldige besluiten worden
genomen ten aanzien van de geagendeerde onderwerpen in laatstbedoelde
vergadering, óók wanneer niet wordt voldaan aan de quorum
eis als bedoeld in de vorige volzin.
3. Daargelaten het hierna bepaalde in lid 5, heeft ieder bestuurslid recht
tot het uitbrengen van één stem. Voor zover deze statuten geen grotere
meerderheid voorschrijven, worden alle bestuursbesluiten genomen
met gewone meerderheid van stemmen. Bij stemming over personen
worden leden, die briefjes van onwaarde hebben ingeleverd,
geacht niet aan de stemming te hebben deelgenomen voor de toepassing
van het hierna in lid 4 bepaalde.
4. Stemming over zaken geschiedt hoofdelijk en mondeling. Stemming
over personen geschiedt bij gesloten en ongetekende briefjes, tenzij
de verkiezing bij acclamatie plaats vindt.
Blanco stemmen zijn van onwaarde.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Indien bij een voorstel de stemmen staken of niet de volstrekte meerderheid
wordt verkregen, wordt de beslissing uitgesteld tot in een
volgende vergadering. Indien in de volgende vergadering wederom
niet de volstrekte meerderheid wordt verkregen, dan wordt het voorstel
geacht te zijn verworpen, met dien verstande dat bij stemming
personen bij het staken van de stemmen het lot zal beslissen.

5. Ter vergadering heeft ieder lid behorende tot de kring van werkgevers
het recht op het uitbrengen van een zodanig aantal stemmen als
ter vergadering leden behorende tot de kring der werknemers vertegenwoordigd
zijn. Omgekeerd heeft ieder lid behorende tot de kring
van werknemers ter vergadering het recht om een zodanig aantal
stemmen uit te brengen als leden behorende tot de kring van werkgevers
ter vergadering vertegenwoordigd zijn.
6. Onverminderd het gesteld in de vorige leden heeft unanieme schriftelijke
verklaring van de gezamenlijk in functie zijnde bestuursleden
dezelfde rechtskracht als een besluit , genomen met algemene stem-
men in een bestuursvergadering waarin alle fungerende bestuursleden
aanwezig zijn.
7. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen of in gevallen
waarin geen twijfel mogelijk is, door de beide voorzitters voorlopige
beslissingen en maatregelen worden genomen die in de eerstvolgende
vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden voorgedragen.
Artikel 12

Boekjaar en jaarrekening

1. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Per het einde van het boekjaar worden de boeken afgesloten.
Daaruit wordt een balans en een staat van lasten en baten over het
geëindigde boekjaar opgemaakt, welke jaarstukken, vergezeld van
een rapport van een externe register-accountant, binnen zes maanden
na afloop van het boekjaar aan het bestuur worden aangeboden.
3. De jaarstukken worden door het bestuur vastgesteld. Uit deze stukken
stelt het bestuur een verslag op, dat een getrouw beeld geeft van
de grootte en de samenstelling van het vermogen van het Fonds en

van de ontwikkelingen daarvan gedurende het boekjaar. Het bestuur
legt in het verslag rekenschap af van het gevoerde beleid.

4. Het verslag wordt ter inzage van de bij het Fonds betrokken werkgevers
en werknemers neergelegd
– ten kantore van de administratie van het Fonds;
– op een of meer door de Minister van Sociale Zaken aan te wijzen
plaatsen.

5. Het verslag wordt op aanvraag aan de bij het Fonds betrokken werkgevers
en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan
verbonden kosten.
6. Uiterlijk binnen negen maanden na het einde van het boekjaar worden
de deelnemende organisaties in het bezit gesteld van de jaarstukken.
Overigens worden deze organisaties alle gegevens verstrekt die
zij verlangen.
7. Jaarlijks wordt door het bestuur voor aanvang van het volgende
boekjaar een begroting opgesteld van de in het volgende boekjaar te
verwachten inkomsten en uitgaven. Deze begroting ligt voor bij het
Fonds betrokkenen ter inzage ten kantor van het Fonds.
8. Het bestuur stelt, in overleg met en na goedkeuring van de in artikel
4 genoemde organisaties, tweemaal per kalenderjaar de bijdrage vast
welke de werkgevers en/of de werknemers verschuldigd zijn en wel
zo, dat het totaal aan bijdragen en andere inkomsten de uitgaven,
zijnde het totaal aan uitkeringen, vermeerderd met de administratiekosten,
zoveel mogelijk precies dekt.
In geval het totaal van de geheven bijdragen hoger dan wel lager
blijkt te zijn dan het voor de uitvoering van de regeling benodigde
bedrag, wordt het verschil ten gunste respectievelijk ten laste van het
volgende boekjaar gebracht. De Stichting is gerechtigd voorschotten
ter zake te doen invorderen.
Artikel 13

Reglement

1. Het bestuur is bevoegd één of meer reglementen vast te stellen,
waarin die onderwerpen worden geregeld, welke niet in deze statu-
ten zijn voorzien.
2. Het reglement casu quo de reglementen mag/mogen niet met de wet
of deze statuten in strijd zijn.
3. Het bestuur is te allen tijde bevoegd het reglement casu quo de reglementen
te wijzigen of op te heffen.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

4. Op vaststelling, wijziging en opheffing van het reglement casu quo
de reglementen is het bepaalde in artikel 14, leden 1, 5 en 6 van toe-
passing.
Artikel 14

Statutenwijziging en ontbinding

1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen. Het besluit daartoe
zal slechts kunnen worden genomen met algemene stemmen in een
vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn. Zijn in de hiervoor
bedoelde bestuursvergadering niet alle bestuursleden aanwezig,
dan zal tot hetzelfde doel een tweede vergadering worden bijeen
geroepen, te houden binnen een maand na de eerste vergadering, in
welke vergadering, ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden een
besluit tot statutenwijziging, een gewone meerderheid van stemmen
kan worden genomen. In deze tweede vergadering geldt het bepaalde
in artikel 11 lid 3 juncto artikel 11 lid 5.
2. De wijziging moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot
stand komen. De bestuurders zijn verplicht een authentiek afschrift
van de akte van wijziging alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen
bij het handelsregister.
3. Het bestuur is bevoegd het Fonds te ontbinden. Op het daartoe te
nemen besluit is toepasselijk hetgeen hiervoor in lid 1 van dit artikel
is bepaald aangaande een besluit tot wijziging van de statuten.
4. Het Fonds wordt bovendien ontbonden:
– door insolventie nadat zij in staat van faillissement is verklaard
of door opheffing van het faillissement wegens de toestand van
de boedel;
– door rechterlijke uitspraak in de bij de wet genoemde gevallen.
5. Besluiten tot statutenwijziging of ontbinding van het Fonds zijn pas
van kracht, nadat de besturen van alle deelnemende organisaties
daaraan hun goedkeuring hebben gehecht.
6. De statuten en de in de statuten aangebrachte wijzigingen zullen niet
in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken,
of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het bestuur
ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het
kantongerecht te Den Haag.

Artikel 15

Vereffening

1. De vereffening geschiedt door het bestuur.
2. Het Fonds blijft na haar ontbinding voortbestaan indien en voor
zover dit voor de vereffening van haar zaken nodig is.
3. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van de statuten voor
zoveel mogelijk en nodig van kracht.
4. Tenzij de deelnemende organisaties gemeenschappelijk een ander
besluit nemen, bepaalt het bestuur in overleg met en na goedkeuring
van de deelnemende organisaties welke bestemming, na betaling van
alle schulden, aan de overgebleven bezittingen van het Fonds zal
worden gegeven, met dien verstande, dat het batig saldo moet worden
bestemd voor een doel, hetwelk het doel van het Fonds zoveel
mogelijk nabij komt.
Artikel 16

Slotbepaling

In alle gevallen waarin door de wet en de statuten van het Fonds niet is
voorzien, beslist het bestuur.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

AANVULLINGSREGLEMENT WERKNEMERSVERZEKERINGEN AFBOUW

Als bedoeld in artikel 13 van de statuten van de Stichting Aanvullings-
fonds Werknemersverzekeringen Afbouw.
Laatstelijk gewijzigd bij bestuursbesluit van 26 september 2006.

HOOFDSTUK 1

ALGEMEEN

Artikel 1

Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

– het fonds:
de Stichting Aanvullingsfonds Werknemersverzekeringen Afbouw;
– de statuten:
de statuten van het fonds;
– het bestuur:
het bestuur van het fonds;
– CAO:
Landelijke Collectieve Arbeidsovereenkomst Afbouw;
– premieloon:
het loonbedrag per werknemer per kalenderjaar waarover op grond
van de WW premie wordt geheven, alsmede het bedrag dat op grond
van artikel 9, lid 4 CSV buiten aanmerking wordt gelaten bij de berekening
van het loon waarnaar de premie op grond van de WW wordt
geheven;
– de werkgever:
de werkgever in de zin van de CAO;
– de werknemer:
de werknemer in de zin van de CAO, alsmede degene die op de eerste
dag van ongeschiktheid tot werken in de zin van de Ziektewet
werknemer was in de zin van de CAO, alsmede degene die op de
eerste dag van ongeschiktheid tot werken in de zin van de Ziektewet
recht had op een werkloosheidsuitkering terwijl voorafgaand aan de
werkloosheid de CAO van toepassing was, alsmede degene die laatstelijk
voordat er krachtens de artikelen 15,16,17,52a en 52b WW
een recht op uitkering ontstond, werknemer was in de zin van de
CAO;

– de werkloze werknemer:
de werknemer die van de uitvoeringsinstelling op de eerste
werkloosheidsdag en loongerelateerde uitkering als bedoeld in artikel
42 lid 1 WW ontvangt of in plaats daarvan op de eerste
werkloosheidsdag een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt of
een kortdurende uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 52b WW
of uitsluitend op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid,
onder b of c ZW over de eerste twee dagen van de ongeschiktheid
tot werken geen uitkering ontvangt.
– vakantietoeslag:
de vakantiebijslag zoals bedoeld in artikel 11 AD-ZW en artikel 33
van de WW.
– vakantiefonds:
de Stichting Vakantiefonds Afbouw;
– pensioenpremie:
de betaling ter voortzetting van de pensioen-opbouw bij het pensioenfonds
waarbij de werknemer was aangesloten, conform het
daarover bepaalde bij of krachtens de CAO;
– eindejaarsuitkering:
jaarlijkse betaling van een bedrag aan WAO/WIA uitkeringsgerechtigden
op wie bij werken de CAO van toepassing zou zijn geweest;
– loongerelateerde uitkering:
uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIa van de WW;
– kortdurende uitkering:
uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIb van de WW;
–de WW:
de Werkloosheidswet;
–de ZW:
de Ziektewet;

– de WAO:
de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering;
– de WIA:
de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen
– de CSV:
de Coördinatiewet Sociale Verzekering;
– de IWS:
de Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid;

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK 2

FINANCIERING

Artikel 2

Bijdrage

De werkgever is aan het fonds per het einde van het jaar een bijdrage
verschuldigd, tenzij in de CAO anders is overeengekomen en naar
genoegen van het bestuur op een andere wijze in de financiering is voorzien.
De hoogte van de bijdrage wordt, na overleg met partijen bij de CAO,
jaarlijks door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt in een percentage van
het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage voor enig kalenderjaar
houdt het bestuur rekening met het overschot of het tekort volgens
de balans over het voorafgaande kalenderjaar.
Het bijdragepercentage wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 3

Loonopgave

De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdragen. Als de werkgever in
gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken, wordt de heffingsgrondslag
ambtshalve vastgesteld.

Artikel 4

Heffing bijdrage

De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak
of na iedere periode van vier weken.
De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te vinden
na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.
Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is verschuldigd,
wordt het verschil nagevorderd. Teveel geheven bijdrage
wordt aan de werkgever terugbetaald.
De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle op
de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de werkge

 

ver inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie die voor
deze controle nodig worden geacht.

Artikel 5

Invordering bijdrage

Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdragen te betalen,
zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.

Artikel 6

Rentebepaling

Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot niet
binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn heeft
plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim. Als de betaling van de in
artikel 3, tweede lid bedoelde bijdrage niet binnen veertien dagen na de
datum van ontvangst van de verzamelnota heeft plaatsgevonden, is de
werkgever in verzuim.
Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen
over de achterstallige betalingen.
De in het derde lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de wettelijke
rente.
Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk
af te zien.

HOOFDSTUK 3

DE EINDEJAARSUITKERING

Artikel 7

Een werknemer die op 1 november van het kalenderjaar waarin de
eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld, een WAO/WIA-uitkering
ontvangt, heeft recht op een eindejaarsuitkering, tenzij hij voor de WAO
is ingedeeld in één van de twee laagste arbeidsongeschiktheidsklassen.

De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt bepaald door de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld op
1 november van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar
wordt gesteld.
De eindejaarsuitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

HOOFDSTUK 4

UITKERINGEN WERKLOZEN

Artikel 8

Aanvulling op de WW/ZW-uitkering

1. De werkloze werknemer als bedoeld in artikel 1 die in de drie jaren
voor de werkloosheid 420 dagen werkzaam is geweest in een dienstverband
vallend onder de CAO heeft bij ontstaan van recht op een
loongerelateerde WW uitkering of ingeval van ziekte op de eerste
werkloosheidsdag bij het ontstaan van recht op een ZW-uitkering in
plaats van deze loongerelateerde WW-uitkering jegens het fonds
recht op betaling van een aanvulling op de WW/ZW-uitkering in de
vorm van een éénmalige uitkering van € 455,–.
2. De werkloze werknemer als bedoeld in artikel 1 die in het jaar voor
de werkloosheid 120 dagen werkzaam is geweest in een dienstverband
vallend onder de CAO heeft bij ontstaan van recht op een kortdurende
WW uitkering of ingeval van ziekte op de eerste
werkloosheidsdag bij het ontstaan van recht op een ZW-uitkering in
plaats van deze kortdurende WW-uitkering jegens het fonds recht op
betaling van een aanvulling op de WW/ZW-uitkering in de vorm van
een éénmalige uitkering van € 350,–.
3. De werkloze werknemer als bedoeld in artikel 1 die in het jaar voor
de werkloosheid 60 dagen voor het eerst werkzaam is geweest in een
dienstverband vallend onder de CAO heeft bij ontstaan van recht op
een kortdurende WW uitkering of ingeval van ziekte op de eerste
werkloosheidsdag bij het ontstaan van recht op een ZW-uitkering in
plaats van deze kortdurende WW-uitkering jegens het fonds recht op
betaling van een aanvulling op de WW/ZW-uitkering in de vorm van
een éénmalige uitkering van € 350,–.
4. Het recht genoemd in lid 1 kan voor een werknemer slechts opnieuw
ontstaan indien na een betaling van een in lid 1 genoemde éénmalige
uitkering aan desbetreffende werknemer weer 100 dagen in de
sector gewerkt is.

Artikel 9

Aanvulling op het als vakantietoeslag te betalen deel van de
WW/ZW-uitkering

1. Een werkloze werknemer als bedoeld in artikel 1 die in de drie jaren
voor de werkloosheid 420 dagen werkzaam is geweest in een dienstverband
vallend onder de CAO en die, als hij niet werkloos zou zijn
geworden, jegens zijn werkgever recht zou hebben gehad op betaling
van vakantietoeslag, heeft bij ontstaan van recht op een loongerelateerde
WW uitkering of ingeval van ziekte op de eerste
werkloosheidsdag bij het ontstaan van recht op een ZW-uitkering in
plaats van deze loongerelateerde WW-uitkering jegens het fonds
recht op betaling van een aanvulling op de vakantietoeslag in de
WW/ZW-uitkering in de vorm van een éénmalige uitkering van
€ 110,–
2. Het recht genoemd in lid 1 kan voor een werknemer slechts opnieuw
ontstaan indien na een betaling van een in lid 1 genoemde éénmalige
uitkering aan desbetreffende werknemer weer 100 dagen in de
sector gewerkt is.
Artikel 10

De vakantiewaarde

1. Een werkloze werknemer als bedoeld in artikel 1 die in de drie jaren
voor de werkloosheid 420 dagen werkzaam is geweest in een dienstverband
vallend onder de CAO en die, als hij niet werkloos zou zijn
geworden,jegens zijn werkgever recht zou hebben gehad op een
vakantiewaarde,heeft bij ontstaan van recht op een loongerelateerde
WW uitkering of ingeval van ziekte op de eerste werkloosheidsdag
bij het ontstaan van recht op een ZW-uitkering in plaats van deze
loongerelateerde WW-uitkering jegens het fonds recht op betaling
van een vast bedrag van € 150,– bij aanvang van de werkloosheid.
Indien de werknemer vervolgens 8 weken onafgebroken werkloos
blijft heeft de werknemer jegens het fonds recht op een vast bedrag
van € 300,–
2. Het recht op het desbetreffende deel van de uitkering genoemd in lid
1 kan voor een werknemer slechts opnieuw ontstaan indien na beta-
ling van een in lid 1 genoemd deel van de uitkering door desbetreffende
werknemer weer 100 dagen in de sector gewerkt is.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 11

Pensioenpremie

1. Een werkloze werknemer als bedoeld in artikel 1 heeft jegens het
fonds over elke dag dat hij een loongerelateerde WW uitkering of
ingeval van ziekte op de eerste werkloosheidsdag een ZW-uitkering
in plaats van deze loongerelateerde WW-uitkering heeft gedurende
maximaal een half jaar recht op financiering van voortzetting van
zijn pensioenopbouw door het Aanvullingsfonds.
2. De voortgezette pensioenopbouw kan alleen plaatsvinden bij het
BPF Bouw.
3. Het recht genoemd in lid 1 kan voor een werknemer slechts opnieuw
voor de maximale periode van 130 dagen ontstaan indien na het
stoppen van de in lid 1 genoemd voortzetting wegens beëindiging
van de uitkering aan desbetreffende werknemer weer 100 dagen in
de sector gewerkt is.
4. Indien er sprake is van herleving van de uitkering heeft desbetreffende
werknemer recht op voortzetting over maximaal 130 dagen
minus het aantal dagen dat de werknemer tijdens eerdere perioden
waarover de herleefde uitkering werd verstrekt het reeds recht had
op voortzetting.
5. Een werkloze werknemer heeft geen recht op de in het eerste lid van
dit artikel bedoelde financiering vanuit het fonds, als tijdens werkloosheid
sprake is van een recht op pensioenopbouw via het Fonds
Voorheffing Pensioenverzekering.
6. Een werkloze werknemer als bedoeld in artikel 1 die is aangewezen
op een Ziektewetuitkering heeft na het verstrijken van het eerste
halfjaar recht op basis van artikel 8 lid 1 indien intreding in de WIA
volgt tevens recht op voortzetting van de pensioenopbouw over de
periode tussen het eerste halfjaar van artikel 8 ld 1 en de intreding
in de WIA

HOOFDSTUK 5

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 12

Verstrekken van inlichtingen

De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan
degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen
is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle
overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de uitvoering
van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit reglement.
Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het
fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan hij
het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover derden
tot geheimhouding verplicht.

Artikel 13

Voorschriften

Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn
voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming
zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit
reglement.

Artikel 14

Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen

Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan,
worden teruggevorderd.
Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur beslui-
ten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 15

Bijzondere gevallen

Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën
van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan
het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de
bedoelingen van de aanvullingsregeling.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 16

Intern beroep

Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een beslissing
die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met het verzoek
terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.
Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis
gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement
die hem betreft.
Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en vermeldt
de gronden waarop de beslissing berust.

Artikel 17

Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement
werknemersverzekeringen Afbouw.

REGLEMENT STIMULERING REINTEGRATIE

Als bedoeld in artikel 13 van de statuten van de Stichting Aanvullingsfonds
Werknemersverzekeringen Afbouw.

Artikel 1

Werkingsfeer

Iedere werknemer waarop de CAO Afbouw van toepassing is heeft ter
aanvulling van zijn loon in het 2e ziektejaar onder voorwaarden en voorzover
de door partijen vastgestelde middelen toereikend zijn, recht op
een vergoeding in de vorm van een vast bedrag per dag over de dagen
waarop de werknemer reïntegratie-activiteiten en/of arbeidstherapie verricht.

Artikel 2

Definities

1. Een reïntegratie-activiteit is een door een gecertificeerde verzuimbegeleider
geaccordeerde behandeling, training, cursus of aanpassing
van werk die past binnen het vastgestelde plan van aanpak en is
gericht op herinschakeling in het arbeidsproces.
2. Er is sprake van arbeidstherapie als na een periode van verzuim voor
een beperkt aantal uren per week in het bedrijf arbeid wordt verricht
die door een gecertificeerde verzuimbegeleider als arbeidstherapie
wordt aangemerkt.
Artikel 3

Vergoeding

1. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag per dag ter hoogte van het
verschil tussen enerzijds het totaal van het normale dagloon, de nor-
male pensioenpremie en de normale vakantiewaarde en anderzijds
het totaal van het dagloon in het 2e ziektejaar, de daarop gebaseerde
pensioenpremie en de daarop gebaseerde vakantiewaarde op basis
van het verlaagde tarief. De vergoeding wordt door CAO-partijen
vastgesteld.
2. Voor werknemers met een leeftijd van 16 tot en met 21 jaar bedraagt
de vergoeding 70% van de in artikel 1 vastgestelde vergoeding.
3. Werknemers van wie de afgesproken normale arbeidstijd minder dan
7,5 uur per dag bedraagt ontvangen een vergoeding naar rato van de
afgesproken normale arbeidstijd per dag.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

4. De vergoeding wordt in opdracht van het Aanvullingsfonds Afbouw
verstrekt op basis van een (digitale) aanvraag en door werknemer
ingediende declaraties.
5. Op de vergoeding worden uitkeringen en/of andere vergoedingen in
verband met reïntegratie-activiteiten of arbeidstherapie uit anderen
hoofde in mindering gebracht.
6. De vergoeding wordt in eerste instantie voor maximaal 3 maanden
verstrekt. Als het traject langer duurt moet er een nieuwe aanvraag
worden gedaan
7. Declareren is slechts mogelijk over periodes van 4 weken zoals die
ook voor de inning van de premies worden gehanteerd.
8. Aanvragen worden slechts gehonoreerd indien en voorzover er nog
budget voor deze regeling beschikbaar is.
9. Indien de werknemer voorafgaande aan de definitieve aanvraag informeert
of er voldoende budget aanwezig is ontstaat recht op vergoeding
op het moment dat het Fonds per e-mail of brief bevestigt
dat er voldoende budget is om een gehele of gedeeltelijke vergoeding
te verstrekken.
10. Indien bij de definitieve aanvraag blijkt dat niet aan de voorwaarden
die het reglement stelt om in aanmerking te komen voor de vergoeding
wordt voldaan vervalt het in lid 6 genoemde recht.
11. Het budget voor de regeling wordt elk jaar voor een periode van één
jaar door het bestuur van het Aanvullingsfonds Afbouw vastgesteld
Artikel 4

Aanvraagprocedure

1. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding dient de werknemer
met instemming van de werkgever voor aanvang van de
reïntegratie-activiteit of arbeidstherapie bij het Fonds een aanvraag
in te dienen onder vermelding van de datum van aanvang en het vermoedelijke
aantal uren per week en de duur van de reïntegratieactiviteit
of arbeidstherapie.
2. De vergoeding wordt in eerste instantie over maximaal 3 maanden

verstrekt. Als het traject langer duurt moet er een nieuwe aanvraag
worden gedaan.

3. Het Fonds stuurt de werknemer een definitieve bevestiging van de
toekenning van de vergoeding of een deel van de vergoeding.
4. Door indiening van de (digitale)aanvraag geven de werknemer en de
werkgever aan het Fonds een machtiging af om de vermelde gegevens
te controleren.
Artikel 5

Aanvraagprocedure zonder instemming werkgever

1. Indien de werkgever aantoonbaar weigert in te stemmen met het
indienen van een aanvraag voor de vergoeding terwijl er nog voldoende
budget voor deze regeling beschikbaar is en de werknemer
aantoonbaar reïntegratie-activiteiten en/of arbeidstherapie verricht
kan de werknemer zonder instemming van de werkgever de vergoeding
aanvragen.
2. Indien de werkgever weigert mee te werken aan reïntegratieactiviteiten
en/of arbeidstherapie en weigert in te stemmen met het
indienen van een aanvraag voor de vergoeding terwijl er nog voldoende
budget voor deze regeling beschikbaar is en de werknemer
zich tot Keerpunt heeft gewend voor het realiseren van een
reïntegratietraject of arbeidstherapie kan de werknemer eveneens
zonder instemming van de werkgever de vergoeding aanvragen.
3. Indien lid 2 van toepassing is wordt de dag van melding bij Keerpunt
als dag van ingang van de vergoeding aangemerkt.
Artikel 6

Uitbetaling

De vergoeding wordt nadat het Fonds een declaratie akkoord heeft
bevonden binnen vier weken betaalbaar gesteld op het bij het Fonds
bekende bank-of gironummer van de werknemer.

Artikel 7

Bezwaar en beroep

Indien een werknemer meent dat het Fonds op grond van de normale
eisen van redelijkheid en billijkheid niet tot een specifiek besluit op een
aanvraag zou hebben mogen komen kan desbetreffende werknemer bezwaar
aantekenen bij het bestuur van het Fonds.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 8

Informatieverstrekking

1. De werkgevers en werknemers zijn verplicht aan het Fonds desverlangd
inzage te verlenen van gegevens, die direct of indirect betrekking
hebben op grond van dit reglement verstrekte of te verstrekken
uitkeringen, en alle inlichtingen te verschaffen, die ten behoeve van
de uitvoering van de statuten en van dit reglement worden gevraagd.
2. Degene, die bij de uitoefening van de in dit artikel omschreven
bevoegdheden enig bedrijfsgegeven of medisch gegevens ter kennis
komt, is deswege jegens derden tot geheimhouding verplicht.
Artikel 9

Sanctiemaatregelen

1. Indien uit een onderzoek, ingesteld door het Fonds blijkt, dat een
werknemer uitkeringen van het Fonds heeft gevorderd, hoewel niet
aan de voorwaarden is voldaan, zal, zo het Fonds de uitkeringen
reeds heeft uitbetaald, terugvordering daarvan geschieden, terwijl,
zulks ter beoordeling van het Bestuur, de kosten van het onderzoek
en rente aan de werknemer in rekening kunnen worden gebracht.
2. Indien uit een onderzoek, ingesteld door het Fonds blijkt, dat een
werknemer uitkeringen van het Fonds heeft gevorderd, hoewel niet
aan de voorwaarden is voldaan, kunnen, zo het Fonds de uitkeringen
nog niet heeft uitbetaald, ter beoordeling van het Bestuur de kosten
van het onderzoek aan de werknemer in rekening gebracht worden.
3. Het Fonds behoudt zich het recht voor, indien, bij vordering door de
werknemer, niet aan de voorwaarden is voldaan, deze handeling aan
het oordeel van de rechter te doen onderwerpen.
Artikel 10

Slotbepaling

Nadere voorschriften, teneinde een efficiënte werking van het Fonds te
verzekeren, kunnen door het Bestuur, in overeenstemming met de bepalingen
der statuten en van dit reglement, gegeven worden, mits deze
voorschriften niet in strijd komen met één of meer bepalingen van de in

artikel 1 genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten of bindende regelingen
van lonen en andere arbeidsvoorwaarden.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

STATUTEN STICHTING VRIJWILLIG VERVROEGD UITTREDEN AFBOUW

Artikel 1

Naam en zetel

a. De stichting draagt de naam: ,,Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden
Afbouw’’.
Zij wordt bij afkorting ook genoemd: VUT-Afbouw.
b. De stichting is gevestigd te Amsterdam.
Artikel 2

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen wordt verstaan
onder:

– Stichting:
de in artikel 1 genoemde stichting;
– CAO:
de geldende collectieve arbeidsovereenkomst Afbouw met inbegrip
van de daarvan deel uitmakende bijlagen en voorwaarden;
– Bedrijfstak:
de bedrijfstak waarin ondernemingen, waarop de CAO van toepassing
is, actief zijn;
– Bestuur:
het bestuur van de stichting als bedoeld in artikel 10;
– Organisaties:
de organisaties van werkgevers en werknemers, partij bij de CAO;
– Werkgeverslid:
het bestuurslid aangewezen of door de Nederlandse Ondernemersvereniging
voor Afbouwbedrijven, gevestigd te Veenendaal, of door
hun respectievelijke dan wel gezamenlijke rechtsopvolgers, namens
de werkgeversorganisaties, partij bij de CAO;
– Werknemerslid:
het bestuurslid aangewezen of door FNV Bouw, gevestigd te Woerden,
of door de Hout-en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk, of
door hun respectievelijke dan wel gezamenlijke rechtsopvolgers,
namens de werknemersorganisaties, partij bij de CAO;
– Vrijwillig Vervroegd Uittreden:
het vrijwillig vervroegd beëindigen van een dienstbetrekking in de

bedrijfstak door een werknemer overeenkomstig het bepaalde in de
CAO;

– Deelnemer:
deelnemer aan de regeling is de werknemer die gebruik maakt van
de mogelijkheid om vrijwillig vervroegd uit het arbeidsproces te treden
overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de CAO;
– Statuten:
deze statuten;
– Reglementen:
de reglementen als bedoeld in artikel 18.
Artikel 3

Doel

De stichting heeft ten doel om aan degenen die uit de bedrijfstak uittreden
een uitkering te doen overeenkomstig de voorwaarden van de CAO
en bijbehorende reglementen, alsmede het geven en/of doen geven van
voorlichting over doelstellingen en activiteiten van het fonds.

Artikel 4

Middelen tot bereiking van het doel

De stichting tracht haar doel te bereiken door:

a. het innen en beheren van gelden in overeenstemming met het bepaalde
in de statuten en reglementen;
b. het doen van uitkeringen aan uitkeringsgerechtigden overeenkomstig
het gestelde in de statuten en reglementen;
c. andere wettige middelen, die tot het doel bevorderlijk kunnen zijn.
Artikel 5

Duur

De stichting is opgericht op één juli negentienhonderd vijfennegentig en
voor onbepaalde tijd.

Artikel 6

Geldmiddelen van de stichting

De geldmiddelen van de stichting zullen worden gevormd door:

a. de door de werkgevers te storten werkgevers-en werknemersbijdragen
als bedoeld in de CAO;
b. bijdragen van de Overheid, indien en voor zover zij worden verleend;
c. alle overige haar toevallende baten en inkomsten.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 7

Bijdrageplichtigen

Bijdrageplichtigen zijn degenen, die krachtens een bepaling van de CAO
of anderszins verplicht zijn tot het geven van bijdragen aan de stichting.

Artikel 8

Bijdragen

1. De methode van berekening van de bijdrage als bedoeld in artikel 7,
alsmede de wijze van incassering daarvan, worden bij reglement, als
bedoeld in artikel 18, vastgesteld.
2. De hoogte van de in het vorige lid bedoelde bijdragen wordt telkenjare
door het bestuur van de stichting aan de hand van een begroting
geschat en (voorlopig) vastgesteld. Deze begroting wordt direct ter
beschikking gesteld van partijen bij de CAO. De hoogte wordt pas
definitief vastgesteld door het bestuur, nadat daaromtrent door partijen
bij de CAO overeenstemming is bereikt.
3. Het bestuur is bevoegd, na toestemming van de organisaties, een
incidentele premie conform de CAO te heffen. Deze incidentele heffing
kan direct en ineens invorderbaar worden verklaard.
4. Tot gerechtelijke invordering der bijdragen wordt niet overgegaan
dan krachtens besluit van het bestuur.
Artikel 9

Uitkeringen

De uitkeringen aan de deelnemers geschieden op basis van de voorwaarden
die door partijen in de CAO zijn vastgesteld.

Artikel 10

Bestuur

1. Het bestuur van de VUT-Afbouw bestaat uit zes leden.
2. De bestuursleden worden benoemd als volgt:

a. drie leden door de Nederlandse Ondernemersvereniging voor
Afbouwbedrijven, gevestigd te Veenendaal;
b. twee leden door FNV Bouw. Gevestigd te Woerden;
c. één lid door de Hout-en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk.
3. Iedere in het vorige lid genoemde organisatie kan één plaatsvervangend
bestuurslid aanwijzen, die de hoedanigheid heeft van bestuurslid
indien een bestuurslid, zoals bedoeld in lid 2, van dezelfde aanwijzende
organisatie, niet in staat of bij machte is deze taak uit te
voeren.
4. De benoeming van een bestuurslid geschiedt voor onbepaalde tijd.
5. De organisatie die een bestuurslid benoemde, kan te allen tijde die
benoeming intrekken en een ander in diens plaats tot bestuurslid
benoemen.
6. Het bestuurslidmaatschap eindigt:
a. door overlijden;
b. door schriftelijk bedanken;
c. door ondercuratelestelling of faillissement;
d. door vervanging door de organisatie die het desbetreffende bestuurslid
benoemde.
Artikel 11

Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, secretaris

1. De werkgevers-en werknemersleden van het bestuur wijzen elk uit
hun midden een lid aan die bij toerbeurt volgens een door het bestuur
op te maken rooster, als voorzitter en plaatsvervangend voorzitter
van het bestuur optreden.
2. De werkgevers-en werknemersleden van het bestuur wijzen elk uit
hun midden een lid aan die bij toerbeurt volgens een door het bestuur
op te maken rooster, als secretaris en plaatsvervangend secretaris van
het bestuur optreden.
Artikel 12

Taak en bevoegdheden van het bestuur

1. Het bestuur heeft de gehele leiding van zaken en is bevoegd tot alle
handelingen, de zaken van de stichting betreffende, voor zover daaromtrent
bij of krachtens statuten en reglement(en) niet anders is
bepaald.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2. Het bestuur is belast met het beheer van de bezittingen van de stichting
en met de uitvoering van de statuten en reglement(en).
3. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het
kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen.
4. Het bestuur kan de uitoefening van onderdelen van zijn taak delegeren
aan een dagelijks bestuur, bestaande uit één of twee werkgeversbestuursleden
en een gelijk aantal werknemersbestuursleden.
5. Het bestuur is niet bevoegd om middelen die geacht kunnen worden
te zijn verkregen voor een bepaald doel, dan wel daaraan moeten
worden toegerekend, aan te wenden voor een ander doel. Indien niet
vastgesteld kan worden aan welk doel een bepaald middel moet worden
toegerekend, is het bestuur bevoegd om de bestemming daarvan
te bepalen naar evenredigheid van de voor het lopende boekjaar
voorziene uitgaven voor elk doel.
6. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de
voorzitter en plaatsvervangend voorzitter.
Artikel 13

Beheer

1. De beleggingen van de stichting zullen door het bestuur op zodanige
wijze geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en
interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen.
Daarenboven zal door het bestuur uit vermogenswinsten en/of opbrengsten
een reserve worden gevormd ter dekking van het overblijvende
risico van vermogensverliezen.

2. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten
kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de
Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
3. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van lasten en baten over dat boekjaar.

4. Het bestuur kan zich terzake van het beheer laten adviseren.
Artikel 14

Vergaderingen

1. Het bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee
bestuursleden dit nodig oordeelt/oordelen, doch tenminste één keer
per jaar.
2. De convocatie voor vergaderingen van het bestuur geschiedt, behoudens
in spoedeisende gevallen ter beoordeling van de voorzitter,
schriftelijk op een termijn van tenminste veertien dagen.
Artikel 15

Besluitvorming

1. Opdat de stemverhouding tussen de twee in het bestuur vertegenwoordigde
groeperingen, zijnde werkgevers-en werknemerszijde, zo
gelijk mogelijk blijft, kan het bestuur alleen besluiten nemen in een
vergadering waarin van beide groeperingen ten minste één vertegenwoordigd
bestuurslid aanwezig is. Een besluit als bedoeld in artikel
19 lid 1 kan slechts genomen worden met instemming van alle
bestuursleden.
2. De bestuursleden brengen in beginsel ieder een gelijk aantal stem-
men ter vergadering uit. Wanneer een of meer bestuursleden ter vergadering
afwezig is (zijn), brengt (brengen) het (de) andere bestuurslid
(leden), dezelfde groepering als de afwezige vertegenwoordigend,
uit eigen hoofde de stem(men) van de afwezige(n) mede uit.
3. Voor zover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige
besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid der gel-
dig uitgebrachte stemmen.
4. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt schriftelijk gestemd.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering
opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen wederom,
dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
6. Indien een bestuurslid niet ter vergadering aanwezig kan zijn, kan hij
een medebestuurslid machtigen zijn stem uit te brengen door middel
van een schriftelijke volmacht.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 16

Administratie

De stichting kan haar administratieve en uitvoerende taken aan A&O
services te Rijswijk opdragen of aan een andere organisatie, dan wel in
eigen beheer houden.
In alle gevallen geschiedt de uitvoering van zowel de administratieve en
uitvoerende taken als het geldelijk beheer onder de blijvende verantwoordelijkheid,
toezicht en in opdracht van het bestuur van de stichting.

Artikel 17

Boekjaar, accountant en jaarverslag

1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar. In
afwijking daarvan zal het eerste boekjaar eindigen op éénendertig
december negentienhonderd zesennegentig.
2. De boekhouding van de stichting wordt onder toezicht van een
externe register-accountant gesteld, aan te wijzen door het bestuur.
Deze accountant brengt elk jaar, of zoveel vaker als het bestuur
nodig zal oordelen, verslag uit. De accountant is gerechtigd tot
inzake van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden
van de stichting moeten hem desverlangd worden getoond.
3. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording aan partijen
betrokken bij de cao af door middel van een (financieel) verslag. Het
verslag is gespecificeerd volgens de bestedingsdoelen en activiteiten
van het fonds en wordt gecontroleerd door de externe registeraccountant,
uit welke stukken moet blijken dat de uitgaven conform de
bestedingsdoelen zijn gedaan.
4. Het in het vorige lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting
gedurende het afgelopen boekjaar;
b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting,
bestaande uit een balans en een staat van lasten en baten
vergezeld van een verklaring van de externe register-accountant
terzake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan. In de
rekening en verantwoording zal voor elk doel afzonderlijk ver

meld worden welke middelen en welke uitgaven aan dat doel
moeten worden toegerekend;

c. in voorkomende gevallen, mededeling omtrent de wijzigingen
die in de statuten en/of reglement hebben plaatsgehad.
5. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden toegezonden aan
de werkgevers-en werknemersorganisaties, die partij zijn bij de
CAO.
6. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van
de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:
a. ten kantore van de stichting;
b. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
7. Het jaarverslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag aan
de bij de stichting betrokken bedrijven en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
8. Jaarlijks wordt door het bestuur voor aanvang van het volgende
boekjaar een begroting opgesteld van de in het volgende boekjaar te
verwachten inkomsten en uitgaven ingericht en gespecificeerd volgens
de bestedingsdoelen van het VUT-fonds. Deze begroting ligt
voor bij het VUT-fonds betrokken werkgevers en werknemers ter
inzage ten kantore van het VUT-fonds en wordt op aanvraag van de
bij het VUT-fonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden
tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.
Artikel 18

Reglementen

1. Het bestuur kan een of meer reglementen vaststellen; deze behoeven
goedkeuring van de in artikel 10 genoemde organisaties.
2. De bepalingen van de reglementen mogen niet in strijd zijn met de
bepalingen van deze statuten of met de wet.
Artikel 19

Wijziging statuten en reglementen/ontbinding van de stichting

1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen of de stichting te
ontbinden na verkregen goedkeuring van partijen betrokken bij de
CAO.
2. Een besluit als onder lid 1 bedoeld, kan slechts worden genomen met
instemming van alle bestuursleden.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

3. Een statutenwijziging treedt in werking nadat hiervan een notariële
akte is opgemaakt.
4. a. De leden van het bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift
van de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen
ten kantore van het openbaar handelsregister, gehouden bij de
Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam.
b. Reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte
wijzigingen zullen niet in werking treden alvorens een
volledig exemplaar van die stukken, onderscheidenlijk de wijzigingen
daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter
inzage is neergelegd ter griffie van het kantongerecht binnen
welks ressort de stichting is gevestigd.
5. Bij ontbinding van de stichting is het bestuur belast met de vereffening.
Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten
zoveel mogelijk van kracht.
6. Het besluit tot ontbinding van de stichting moet inhouden de bestemming
van een eventueel batig saldo, met dien verstande dat een batig
saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt
met het doel van de stichting.
Artikel 20

Waarnemers

Indien door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de wens
daartoe te kennen wordt gegeven, wordt in overleg tussen de Minister
en het bestuur een waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd
alle vergaderingen van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt
alle voor het bestuur bestemde stukken.

Artikel 21

Slotbepaling

In alle gevallen, waarin niet door deze statuten of de reglementen van
de stichting is voorzien, beslist het bestuur.

STATUTEN STICHTING KINDEROPVANG VOOR HET
AFBOUWBEDRIJF

Artikel 1

Naam en Zetel

1. De stichting draagt de naam:
Stichting Kinderopvang voor het Afbouwbedrijf.
2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Rijswijk (Zuid-Holland).
Artikel 2

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen wordt verstaan
onder:

– Stichting:
de in artikel 1 genoemde stichting;
– CAO:
de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor het Afbouwbedrijf
met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bijlagen en voorwaarden;
– Bedrijfstak:
de bedrijfstak waarin ondernemingen, waarop de CAO van toepassing
is, actief zijn;
– Bestuur:
het bestuur van de stichting als bedoeld in artikel 10;
– Organisaties:
de organisaties van werkgevers en werknemers, partij bij de CAO;
– Werkgeverslid:
het bestuurslid aangewezen of door de Nederlandse Ondernemersvereniging
voor Afbouwbedrijven (NOA), gevestigd te Veenendaal,
of door haar rechtsopvolger, namens de werkgeversorganisatie, partij
bij de CAO;
– Werknemerslid:
het bestuurslid aangewezen of door de Bouw-en Houtbond FNV,
gevestigd te Woerden, of door de Hout-en Bouwbond CNV, gevestigd
te Odijk, of door hun respectievelijke dan wel gezamenlijke
rechtsopvolgers, namens de werknemersorganisaties, partij bij de
CAO;
– Statuten:
deze statuten;
– Reglementen:
de reglementen als bedoeld in artikel 17.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 3

Doel

Het doel van de stichting is het financieren en stimuleren van kinderopvang
overeenkomstig de voorwaarden van de CAO.

Artikel 4

Middelen tot bereiking van het doel

De stichting tracht haar doel te bereiken door:

a. het innen en beheren van gelden in overeenstemming met het bepaalde
in de statuten en reglementen;
b. het doen van uitkeringen aan uitkeringsgerechtigden overeenkomstig
het gestelde in de statuten en reglementen;
c. andere wettige middelen, die tot het doel bevorderlijk kunnen zijn.
Artikel 5
Geldmiddelen van de stichting

De geldmiddelen van de stichting zullen worden gevormd door:

a. de door de werkgevers te storten werkgevers-en werknemersbijdragen
als bedoeld in de CAO;
b. bijdragen van de Overheid, indien en voor zover zij worden verleend;
c. alle overige haar toevallende baten en inkomsten.
Artikel 6
Bijdrageplichtigen

Bijdrageplichtigen zijn degenen, die krachtens een bepaling van de CAO
of anderszins verplicht zijn tot het geven van bijdragen aan de stichting.

Artikel 7

Bijdragen

1. De methode van berekening van de bijdrage als bedoeld in artikel 6,
alsmede de wijze van incassering daarvan, worden bij reglement, als
bedoeld in artikel 17, vastgesteld.

2. De hoogte van de in het vorige lid bedoelde bijdragen wordt telkenjare
door het bestuur van de stichting aan de hand van een begroting
geschat en (voorlopig) vastgesteld. Deze begroting wordt direct ter
beschikking gesteld van partijen bij de CAO. De hoogte wordt pas
definitief vastgesteld door het bestuur, nadat daaromtrent door partijen
bij de CAO overeenstemming is bereikt.
3. Het bestuur is bevoegd, na toestemming van de organisaties, een
incidentele premie conform de CAO te heffen. Deze incidentele heffing
kan direct en ineens invorderbaar worden verklaard.
4. Tot gerechtelijke invordering der bijdragen wordt niet overgegaan
dan krachtens besluit van het bestuur.
Artikel 8

Bestuur

1. Het bestuur van Stichting Kinderopvang voor het Afbouwbedrijf
bestaat uit zes leden, met uitzondering van het eerste bestuur dat uit
vier bestuursleden bestaat.
2. De bestuursleden worden benoemd als volgt, met inachtneming van
het in lid 1 bepaalde en het bepaalde aan het slot van de onderhavige
akte:
a. drie leden door de Nederlandse Ondernemersvereniging van
Afbouwbedrijven (NOA), gevestigd te Veenendaal;
b. twee leden door de Bouw-en Houtbond FNV, gevestigd te Woerden;
c. één lid door de Hout-en Bouwbond CNV, gevestigd te Odijk.
3. Iedere in het vorige lid genoemde organisatie kan één plaatsvervangend
bestuurslid aanwijzen, die de hoedanigheid heeft van bestuurslid
indien een bestuurslid, zoals bedoeld in lid 2, van dezelfde aanwijzende
organisatie, niet in staat of bij machte is deze taak uit te
voeren.
4. De benoeming van een bestuurslid geschiedt voor onbepaalde tijd.
5. De organisatie die een bestuurslid benoemde, kan te allen tijde die
benoeming intrekken en een ander in diens plaats tot bestuurslid
benoemen.
6. Het bestuurslidmaatschap eindigt:
a. door overlijden;
b. door schriftelijk bedanken;
c. door ondercuratelestelling of faillissement;

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

d. door vervanging door de organisatie die het desbetreffende bestuurslid
benoemde.
Artikel 9

Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, secretaris,
plaatsvervangend secretaris

a. De werkgevers-en werknemersleden van het bestuur wijzen elk uit
hun midden een lid aan die bij toerbeurt volgens een door het bestuur
op te maken rooster, als voorzitter en plaatsvervangend voorzitter
van het bestuur optreden.
b. De werkgevers-en werknemersleden van het bestuur wijzen elk uit
hun midden een lid aan die bij toerbeurt volgens een door het bestuur
op te maken rooster, als secretaris en plaatsvervangend secretaris van
het bestuur optreden.
Artikel 10

Taak en bevoegdheden van het bestuur

1. Het bestuur heeft de gehele leiding van zaken en is bevoegd tot alle
handelingen, de zaken van de stichting betreffende, voor zover daaromtrent
bij of krachtens statuten en reglement(en) niet anders is
bepaald.
2. Het bestuur is belast met het beheer van de bezittingen van de stichting
en met de uitvoering van de statuten en reglement(en).
3. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten
tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen.
4. Het bestuur kan de uitoefening van onderdelen van zijn taak delegeren
aan een dagelijks bestuur, bestaande uit één of twee werkgeversbestuursleden
en een gelijk aantal werknemersbestuursleden.
5. Het bestuur is niet bevoegd om middelen die geacht kunnen worden
te zijn verkregen voor een bepaald doel, dan wel daaraan moeten
worden toegerekend, aan te wenden voor een ander doel. Indien niet
vastgesteld kan worden aan welk doel een bepaald middel moet worden
toegerekend, is het bestuur bevoegd om de bestemming daarvan

te bepalen naar evenredigheid van het voor het lopende boekjaar
voorziene uitgaven voor elk doel.

6. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het
bestuur, alsmede door de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter
tezamen.
Artikel 11

Beheer

1. De beleggingen van de stichting zullen door het bestuur op zodanige
wijze geschieden dat:
a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en
interessen wordt verkregen;
b. een optimaal rendement wordt verkregen;
c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt
gelopen. Daarenboven zal door het bestuur uit vermogenswinsten
en/of opbrengsten een reserve worden gevormd ter dekking van
het overblijvende risico van vermogensverliezen.
2. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten
kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de
Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.
3. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten
laste van de rekening van lasten en baten over dat boekjaar.
4. Het bestuur kan zich terzake van het beheer laten adviseren.
Artikel 12

Vergaderingen

1. Het bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee
bestuursleden dit nodig oordeelt/oordelen, doch ten minste één keer
per jaar.
2. De convocatie voor vergaderingen van het bestuur geschiedt, behoudens
in spoedeisende gevallen ter beoordeling van de voorzitter,
schriftelijk op een termijn van tenminste veertien dagen.
Artikel 13

Besluitvorming

1. Opdat de stemverhouding tussen de twee in het bestuur vertegenwoordigde
groeperingen, zijnde werkgevers-en werknemerszijde, zo

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

gelijk mogelijk blijft, kan het bestuur alleen besluiten nemen in een
vergadering waarin van beide groeperingen ten minste één vertegenwoordigd
bestuurslid aanwezig is. Een besluit als bedoeld in artikel
18 lid 1 kan slechts genomen worden met instemming van alle
bestuursleden.

2. De bestuursleden brengen in beginsel ieder een gelijk aantal stem-
men ter vergadering uit. Wanneer een of meer bestuursleden ter vergadering
afwezig is (zijn), brengt (brengen) het (de) andere bestuurslid
(leden), dezelfde groepering als de afwezige vertegenwoordigend,
uit eigen hoofde de stem(men) van de afwezige(n) mede uit.
3. Voor zover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige
besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid der gel-
dig uitgebrachte stemmen.
4. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt schriftelijk gestemd.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering
opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen wederom,
dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
6. Indien een bestuurslid niet ter vergadering aanwezig kan zijn, kan hij
een medebestuurslid machtigen zijn stem uit te brengen door middel
van een schriftelijke volmacht.
Artikel 14

Administratie

De stichting kan haar administratieve en uitvoerende taken aan het
Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud te Rijswijk (Zuid-Holland)
opdragen of aan een andere organisatie, dan wel in eigen beheer houden.
In alle gevallen geschiedt de uitvoering van zowel de administratieve en
uitvoerende taken als het geldelijk beheer onder de blijvende verantwoordelijkheid,
toezicht en in opdracht van het bestuur van de stichting.

Artikel 15

Boekjaar, accountant en jaarverslag

1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar. In

afwijking daarvan zal het eerste boekjaar eindigen op éénendertig
december tweeduizenden drie.

2. De boekhouding van de stichting wordt onder toezicht van een
externe register-accountant gesteld, aan te wijzen door het bestuur.
Deze accountant brengt elk jaar, of zoveel vaker als het bestuur
nodig zal oordelen, verslag uit.
3. De accountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden
van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desverlangd
worden getoond.
4. Het bestuur brengt na afloop van het boekjaar schriftelijk een jaarverslag
uit.
5. Het in het vorige lid bedoelde verslag bevat:
a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting
gedurende het afgelopen boekjaar;
b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting
bestaande uit een balans en een staat van lasten en baten vergezeld
van een verklaring van de externe register-accountant terzake
van zijn bevindingen bij de controle opgedaan. In de
rekening en verantwoording zal voor elk doel afzonderlijk vermeld
worden welke middelen en welke uitgaven aan datt doel
moeten worden toegerekend;
c. in voorkomende gevallen, mededeling omtrent de wijzigingen
die in de statuten en/of reglement hebben plaatsgehad.
6. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers-en werknemersorganisaties,
die partij zijn bij de CAO.
7. Het jaarverslag wordt ter inzage van de bij de stichting betrokken
werkgevers en werknemers neergelegd:
a. ten kantore van de stichting;
b. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aan te wijzen plaatsen.
8. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij de stichting betrokken
bedrijven en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan
verbonden kosten.
Artikel 16

Reglementen

1. Het bestuur kan een of meer reglementen vaststellen; deze behoeven
goedkeuring van de in artikel 9 genoemde organisaties.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

2. De bepalingen van de reglementen mogen niet in strijd zijn met de
bepalingen van deze statuten of met de wet.
Artikel 17

Wijziging statuten en reglementen/ontbinding van de stichting

1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen of de stichting te
ontbinden na verkregen goedkeuring van partijen betrokken bij de
CAO.
2. Een besluit als onder lid 1 bedoeld, kan slechts worden genomen met
instemming van alle bestuursleden.
3. Een statutenwijziging treedt in werking nadat hiervan een notariële
akte is opgemaakt.
4. De leden van het bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van
de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore
van het openbaar handelsregister, gehouden bij de Kamer van
Koophandel en Fabrieken te ’s-Gravenhage.
5. Reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte
wijzigingen zullen niet in werking treden alvorens een volledig
exemplaar van die stukken, onderscheidenlijk de wijzigingen daarin,
door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd
ter griffie van het kantongerecht binnen welks ressort de stichting is
gevestigd.
6. Bij ontbinding van de stichting is het bestuur belast met de vereffening.
Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten
zoveel mogelijk van kracht.
7. Het besluit tot ontbinding van de stichting moet inhouden de bestemming
van een eventueel batig saldo, met dien verstande dat een batig
saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt
met het doel van de stichting.

Artikel 18

Waarnemers

Indien door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de wens
daartoe te kennen wordt gegeven, wordt in overleg tussen de Minister
en het bestuur een waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd
alle vergaderingen van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt
alle voor het bestuur bestemde stukken.

Artikel 19

Slotbepaling

In alle gevallen, waarin niet door deze statuten of de reglementen van
de stichting is voorzien, beslist het bestuur.

Afbouw 2007
Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Dictum II
De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend ver-
klaard tot en met 31 december 2007.

Dictum III
Voorzover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of
krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

Dictum IV
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag-
tekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met
ingang van 1 januari 2008 en heeft geen terugwerkende kracht.

Dictum V
Dit besluit zal in een bijvoegsel bij de Staatscourant worden geplaatst.
Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

’s-Gravenhage, 1 februari 2007

De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,

Namens deze,

De directeur Uitvoeringstaken
Arbeidsvoorwaardenwetgeving,

Mr. M. H. M. van der Goes.

Advertentie


Buzz Bouwbuzz
Bouwbuzz is de plek voor informatie over kalkzandsteen. Filmpjes, foto's, interviews, tips.
E-nergie.nl E-nergie.nl
Vergelijk alle energie leveranciers en bespaar honderden euro's door gratis over te stappen.
Hypotheken vergelijken Bizzeker.nl
Bizzeker.nl verstrekt informatie op het gebied van hypotheken, lenen, verzekeren, sparen, pensioen en beleggen.
Wilt u ook hierboven staan?

Bouwnieuws

Geen posts gevonden.
rss

Poll

Ik zie het jaar 2010 vol vertrouwen tegemoet.

Zeer mee eens
Mee eens
Neutraal
Mee oneens
Zeer mee oneens

Nieuwsbrief

Wilt u onze gratis nieuwsbrief ontvangen?
Nieuwsbrief Vul hier uw e-mail adres in:


Laatst toegevoegde bedrijven

De Interieurstudio
TimmermanVacature.nl
GawaloVacature.nl
LaserNed.nl
Baksteencentrum Limburg BV

Bedrijf van de week

Bussman Verhuur B.V.
Categorie: Materieel & Verhuur
Mortelweg 10, 6551 AE
Weurt (Gelderland)

Partners

BouwVacatures op BouwPlanet

Copyright RealLogic © 2003-2008 | Alle rechten voorbehouden | rss
Bouwtrefpunt.nl