Steenachtige onderconstructies
Acceptatie van ondergronden
Steenachtige onderconstructies
Steenachtige onderconstructies zijn meestal vervaardigd van beton of cellenbeton.
Beton is heden ten dage, mede door de vele verschijningsvormen en toepassingen, niet meer weg te denken als bouwmateriaal. Het gebruik van beton gaat ver terug in de tijd.
De Egyptenaren, de Babyloniërs, de Grieken en de Romeinen kenden reeds de voordelen van het gebruik van beton. De Romeinen gebruikten het bij de bouw van bruggen en, omdat beton ook onder water uithardt, ook bij de bouw van aquaducten. Bij de bouw van het Collosseum en het Pantheon werd door de Romeinen eveneens beton toegepast. Later is deze betontechniek echter in onbruik geraakt. Pas na de ontdekking in 1850 van portlandcement werd het gebruik van beton opnieuw veralgemeend.
In dit artikel zullen de meest voorkomende steenachtige onderconstructies worden behandeld.
Voorts wordt ingegaan op de belangrijkste kenmerken van deze ondergronden en wordt gekeken naar de mogelijke uitvoeringsrisico's inzake de acceptatie van de ondergrond door het dakbedekkingsbedrijf. In een vervolgartikel zullen de minder vaak voorkomende steenachtige ondergronden, zoals bijvoorbeeld houtwolcement gebonden platen, de aandacht krijgen.
Soort onderconstructiesIn principe kunnen de steenachtige onderconstructies worden onderverdeeld in monoliet gestort beton of prefab betonnen elementen. Voor dakconstructies wordt veel gebruik gemaakt van prefab betonnen elementen welke voorzien zijn van een voorspanwapening. Hierdoor wordt aan het beton een bijkomende eigenschap toegekend waardoor het naast zijn grote druksterkte ook grote trekkrachten kan verwerken.
De volgende onderconstructies worden het meest toegepast voor daken:
- monoliet gestort beton
- kanaalplaatvloerelementen
- cellenbetonelementen
VerschijningsvormOnder monoliet gestort beton wordt verstaan het in het werk storten (één arbeidsgang) van een betonnen vloer, op een bekisting en wapeningsnet. Bij grote vloeroppervlakten wordt de betonmortel in betoncentrales onder beheersbare omstandigheden geproduceerd. Door het bindmiddel door toevoeging van water te verharden - meestal is dit cement - en een of meerdere andere bestanddelen zoals zand en grind toe te voegen ontstaat beton. Een juiste verhouding water/cement bepaald uiteindelijk de kwaliteit (hardheid) van het beton.
Een variant op de monoliet gestorte vloer is de breedplaatvloer.
De breedplaatvloer is opgebouwd uit geprefabriceerde betonplaten (veelal 50 mm dik) voorzien van tralieliggers die dienst doen als blijvende bekisting en deel uit maken van de totale dikte van de betonvloer. Op de ruwe bovenzijde van de breedplaat wordt een bovenwapening aangebracht en komt een laag op-te-storten beton.
Een voorbeeld van prefab betonnen elementen zijn kanaalplaatvloeren. Deze vloerelementen zijn in de lengterichting voorzien van ronde holle kanalen hetgeen, in tegenstelling tot eerder genoemde onderconstructies, een aanzienlijke gewichtsbesparing oplevert. Boven en onder ‘de kanalen' is een voorspanwapening aanwezig. Eventueel kunnen de kanaalplaten, af fabriek, worden voorzien van ontwateringsgaten. Afhankelijk van de uitvoering en de overspanning kan het noodzakelijk zijn de elementen te voorzien van een druklaag met wapening (constructieve druklaag). Indien geen afwerklaag/druklaag wordt toegepast zullen de plaatnaden met isolatieschuim en specie worden dichtgezet.
Een ander soort prefab beton element betreft de cellenbetonelementen of gasbetonelementen. Laatstgenoemden zijn massief uitgevoerd en voorzien van een onder en een bovenwapening van betonstaal. Deze wapening maakt onderdeel uit van een gelast wapeningsnet. Omdat de omgevingslucht een wezenlijk bestanddeel vormt van cellenbeton, is het isolerend vermogen aanzienlijk en doorgaans veel groter dan alle andere steenachtige ondergronden.
Bovendien zijn deze elementen relatief licht van gewicht. De onderlinge langsaansluitingen van de elementen wordt gerealiseerd door een tong- en groefsysteem of een specienaad.
De bovenzijde van de elementen zijn glad afgewerkt.
Algemene eisenDe sterkte en de stijfheid van steenachtige onderconstructies dient te worden bepaald overeenkomstig NEN 6700, NEN 6702 en NEN 6720.
Bovendien geldt dat prefab betonnen elementen moeten voldoen aan de specifieke materiaalgebonden normen op basis van BRL 0203 ‘Vrijdragende systeemvloeren van
vooraf vervaardigd constructief beton'.
Voorts zal bij het in het werk monoliet storten van beton controles op de kwaliteit van het beton worden uitgevoerd conform de daarvoor geldende normen.
Aanvullend dient, ter beperking van mogelijke vochtinsluiting in de dakconstructie, een dampremmende laag ontworpen te worden.
Condities ondergrondenDat de ondergrond waarop een dakbedekkingsconstructie wordt aangebracht vlak, gaaf,
droog en schoon moet zijn is algemeen bekend. Met betrekking tot de vlakheid van steenachtige onderconstructies geldt een tolerantie van de onderconstructie, gemeten onder een stalen rei, van ca. 3-4 mm/m 1 . Opgemerkt dient te worden dat met name de keuze van de toe te passen isolatiemateriaal invloed kan hebben op de uiteindelijke vlakheid- en gaafheideisen.
Onder gaaf wordt verstaan dat het oppervlak van de onderconstructie zodanig is dat deze de materialen van de dakbedekkingsconstructie niet beschadigen of nadelig beïnvloeden.
In dit verband valt te denken aan: raveelijzers, stortankers, bouten en moeren en hoekijzers van bijvoorbeeld prefab betonnen gevelelementen en dergelijke. Ook grindnesten en betonwapening kunnen de dampremmende/noodlaag of het isolatiemateriaal beschadigen.
Vooral bij het aanbrengen van een relatief dun dakbedekkingssysteem direct op de onderconstructie, bijvoorbeeld EPDM of PVC, moet de onderconstructie voldoende vlak en gaaf zijn om beschadiging te voorkomen. Bij lichte onvolkomenheden op de onderconstructie moet in deze situatie een dik polyestervlies worden aangebracht als beschermingslaag tussen de dakbedekking en de onderconstructie.
De praktijk laat echter zien dat bij steenachtige ondergronden, behoudens gasbeton, veelal
een afwerklaag noodzakelijk is. Deze laag kan desgewenst worden gecombineerd met een afschotlaag.
Bij steenachtige onderconstructies wordt meestal gebruik gemaakt van een zandcement afwerk- c.q. afschotlaag. Doordat deze laag zeer poreus is, kan deze veel vocht opnemen
dat kan worden ingesloten wanneer de dakbedekkingsconstructie is aangebracht. Om vochtinsluiting te beperken gaat de voorkeur uit naar het uitvoeren van een afwerklaag in de vorm van fijn grindbeton, bijvoorbeeld Spramex. Een ander aspect betreft de aanwezigheid van elektra-leidingen op de vloer c.q. in de afwerklaag. In deze situatie kan geen mechanisch bevestigd systeem toegepast worden. Bij een onvoldoende uitvoering van de afwerklaag, of het ontbreken hiervan, heeft het dakbedekkingsbedrijf een meldingsplicht; beginnen is accepteren.
Aanvullend dienen steenachtige onderconstructies/afwerklagen ‘winddroog' te zijn teneinde een goede hechting te verkrijgen bij gekleefde dakbedekkingsconstructies. Beton is voldoende winddroog als het oppervlak een verkleuring laat zien. Geadviseerd wordt om bij twijfel, steekproefsgewijs, de hechting van een proefstuk op de ondergrond te beoordelen. Hierdoor kan meer zekerheid worden verkregen inzake de hechting van de verschillende materialen op de ondergrond. Het uitharden van beton is iets anders dan voldoende droog zijn !
Veelal zijn bovengenoemde condities van steenachtige ondergronden opgenomen in de KOMO-attesten-met-productcertificaat van isolatiematerialen. Voor het dakbedekkingsbedrijf is het dus belangrijk, onder meer vanwege aansprakelijkheden, deze aanwijzingen te kennen en op te volgen.
Overige aandachtspuntenWanneer een monoliet gestorte betonvloer aanwezig is zal eerst de eventuele cementfilmlaag verwijderd moeten worden (uitaard afhankelijk van ontwerp).
Bij het toepassen van kanaalplaatvloerelementen dienen de kopeinden te worden dichtgezet (door de aannemer). Dit om eventuele bouwfysische problemen, door luchtstroming in de kanalen, te voorkomen. Een ander aandachtspunt betreft het aanbrengen van mechanische bevestigers in kanaalplaten. Kanaalplaatvloeren vragen in dit kader extra aandacht omdat de uittrekwaarde afhankelijk is van de positionering van de bevestiger. Bij het boren van een gat boven een kanaal zal een deel van het beton aan de binnenzijde afbrokkelen, hetgeen een aanzienlijke vermindering geeft van de uittrekwaarde. Derhalve wordt geadviseerd om het type bevestiger én de rekenwaarde hiervan proefondervindelijk, in het werk, te laten vaststellen door uw leverancier.
Het onderling wisselen tussen prefab vloerelementen moet zijn uitgesloten door het toepassen van tong- en groefsysteem of een V-naad.
In verband met mogelijke beschadiging van het dakbedekkingsmateriaal gaat de voorkeur uit naar een dampremmende laag uitgevoerd in een gebitumineerde polyestermat.
Voorts zullen steenachtige onderconstructies veelal aan de buitenzijde worden voorzien van isolatiemateriaal, ter beperking van uitzetting en krimp als gevolg van grote verschillen in temperatuur. Indien gekleefde dampremmende lagen c.q. gekleefde dakbedekkingssystemen toegepast worden wordt geadviseerd om losse zones of constructieve dilataties op te nemen.
Tot slotHet moge duidelijk zijn dat de mate waarin steenachtige constructies moeten voldoen aan de eisen van vlak, gaaf, droog en schoon sterk afhankelijk is van het ontwerp van de uiteindelijk toe te passen dakbedekkingsconstructie.
Wij zijn van mening dat de vlakheid/gaafheid van de onderconstructie uitsluitend visueel beoordeeld kan worden door het dakbedekkingsbedrijf. Een lichte helling of zelfs lichte doorbuiging van de onderconstructie is veelal niet visueel waarneembaar en dus een verantwoordelijkheid van de aannemer.
Mocht u een steenachtige ondergrond aangeboden krijgen waarbij u als dakbedekkingsbedrijf
- risico loopt op mogelijke beschadiging van de dakbedekkingsmaterialen;
- nadien risico loopt inzake eventuele plasvorming op het dak;
- mogelijk bouwfysische problemen verwacht,
dan heeft u op basis van uw deskundigheid een waarschuwingsplicht richting uw opdrachtgever.
Wij adviseren u om dergelijke situaties schriftelijk vast te leggen.
Geraadpleegde bronnen:
- Vakrichtlijn “Gesloten Dakbedekkingssystemen”, uitgave 00.12.01.
- BDA Dakboekje 2004
- Handboek Daken.
- Nederlandse Cellenbeton Vereniging




