Bouwtrefpunt.nl
home  |  adverteren  |  faq  |  links  |  sitemap  |  contact
  • Menu
    • Home
    • Bedrijvengids
    • Bouwproducten
    • Bouwvacatures
  • Extra
    • Begrippen
    • Hypotheken (tip)
    • Kennisbank
    • Leuke filmpjes
    • Vakbladen
  • Nieuws
    • Nieuwsbrief
    • Nieuwsarchief
    • Persberichten
    • RSS
  • Service
    • Adverteren
    • Contact
    • Favorieten
    • Startpagina
    • Tell-a-friend

Architectuur 1945-1965

Inleiding

Europa was er na de Tweede Wereldoorlog slecht aan toe. Zo erg zelfs, dat men er in 1947, twee jaar na het einde van de oorlog, nog aan twijfelde of Europa er ooit weer bovenop zou komen. De economieën van de grootste landen draaiden nog steeds slecht en nog steeds was er sprake van voedsel- en materiaalschaarste. De handel kwam maar niet op gang en steeds meer Europeanen kozen ervoor te emigreren naar rijke landen als de Verenigde Staten, Canada en Australië.

De sporen van de oorlog waren diep. In veel landen hadden de Duitsers bij hun terugtrekking havens en infrastructuur zoveel mogelijk geprobeerd te vernietigen. Ook de oorlogshandelingen van de geallieerden hadden heel veel schade aangericht, vooral in Duitsland waar elke stad van enige betekenis gebombardeerd werd. Er kwamen miljoenen mensen om, alleen in Nederland al 200.000. Veel dorpen en steden in gebieden waar zwaar gevochten werd, zoals Londen, Warschau en Rotterdam, werden geheel of gedeeltelijk gereduceerd tot ‘undifferentiated expanses of smoking rubble'. Door de economische crisis van de jaren dertig was er bovendien al lang niets gedaan aan wegen en water- en spoorwegen. Het totale Nederlandse waterwegennet, 8000 kilometer lang, was volledig onbruikbaar geworden. In Frankrijk waren de 115 grootste treinstations vernietigd en waren er nauwelijks nog treinen te vinden. Ook veel landbouwgrond was onbruikbaar geworden omdat er mijnenvelden lagen. Asfalt was uit de straten gesloopt en opgestookt, evenals houten onderdelen van de tramrails en veel bomen en struiken. In Nederland alleen al was de economie er in 1945 zo slecht aan toe, dat de econoom Jan Tinbergen het in 1945 aldus verwoordde: ‘Wanneer wij allen een jaar lang niet gewerkt hadden en in die vacantietijd 50 procent meer hadden verbruikt dan onze normale consumptie, hadden wij na thuiskomst een iets betere toestand aangetroffen dan de thans heersende.'

Om de Europese economieën weer draaiende te krijgen werd in de Verenigde Staten het Marshallplan bedacht. Dat hielp: met de financiële hulp van de VS, die in 1948 begon, kwam het herstel van Europa op gang. Het was expliciet niet de bedoeling het vooroorlogse Europa te herstellen. Er werd gemikt op een stabieler, welvarender Europa, zowel door de VS als (in de eerste jaren na de oorlog) door de Sovjetunie. In heel Europa brak een periode aan van voorspoedige economische ontwikkeling, die duurde tot het einde van de jaren zestig.

De ontwikkeling van Europa van een bijna volledig verwoest werelddeel in 1945 naar een continent van grotendeels welvaartstaten in 1965 ging niet zonder slag of stoot. Ook in de culturele ontwikkeling en in de architectuur is dat terug te zien. De gevestigde orde geloofde in de toekomst en in de vooruitgang, maar een steeds groter wordende groep van bijvoorbeeld jonge architecten geloofde daar niet in. Deze thesis gaat over de periode na de oorlog. In de Europese architectuur hebben veel veranderingen plaatsgevonden in die periode, en ongeacht de achterliggende ideologie, komen die veranderingen in veel Europese landen terug. Ook de maatschappij veranderde. Eerst was er woningnood en materiaalschaarste, maar langzamerhand veranderde dat in welvaart en luxe voor grote groepen mensen. Daarnaast werd het modernisme, dat voor de oorlog een hoogtepunt had beleefd, steeds minder toereikend geacht en steeds meer bekritiseerd. In deze thesis zal ik een situatieschets geven van de periode na de oorlog tot 1965. Daarbij zal de nadruk komen te liggen op de samenhang tussen architectuur en maatschappij, en de verdeeldheid die er bestond tussen verschillende generaties architecten: tijdens het onderzoek ontdekte ik dat veel van de tegenstellingen, discussies en debatten in de architectuur die in die tijd plaatshadden, teruggevoerd kunnen worden op een verschil in generatie: architecten die voor de oorlog al actief waren, waren na de oorlog minder enthousiast over nieuwe ontwikkelingen dan de jongere generatie architecten. Mijns inziens is dat, samen met de overlap tussen maatschappij en architectuur, de belangrijkste oorzaak voor de onoverzichtelijkheid van het tijdvak, en vooral van de onoverzichtelijkheid van de literatuur die dit tijdvak behandelt. Ook zijn dit aspecten van de naoorlogse periode die minder aandacht hebben gekregen. In deze thesis wil ik verschillende ontwikkelingen naast elkaar zetten, zodat een duidelijk beeld ontstaat van de gebeurtenissen in de maatschappij en in de architectuur, en duidelijk wordt wat de samenhang tussen de verschillende aspecten is.

Maatschappelijke ontwikkelingen

De wederopbouw zou al met al een grootschalig project moeten worden, waarbij niet het verwerken van het verleden, maar het materiële herstel voorrang kreeg. Ruïnes werden zo snel mogelijk verwijderd en ordening van de chaos werd het belangrijkst gevonden. Niet-materiële schade werd genegeerd, en ook op gekrenkte nationale trots werd waar mogelijk niet gelet. Frankrijk en Engeland waren hun belangrijke positie op het wereldtoneel verloren maar in bijvoorbeeld overheidspropaganda was dat niet terug te vinden. De blik was gericht op de toekomst zonder oorlog en armoede en het verleden werd genegeerd. Een goed voorbeeld van deze voortvarende houding is een rede van de Nederlandse architect J.F. Berghoef, die hij hield toen hij in oktober 1947 het ambt van hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft aanvaardde. Zijn studenten sprak hij als volgt toe:

‘In het laatste halve jaar leerde ik verscheidenen van U nader kennen; mij heeft daarbij verrast dat de meesten Uwer de verschrikkingen van de tijd, die achter ons ligt, verwerkt hebben en te boven gekomen zijn. Ook bij degenen, die gegrepen en weggevoerd geweest zijn, of nog ellendiger ervaringen opdeden, treft mij de spankracht en vooral het idealisme, dat ondanks alles niet verloren is gegaan. (...) Daarnaast sprak ik er onder U, die uiterst sceptisch tegenover de huidige wereld staan, die zo weinig vertrouwen hebben, dat zij zich afvragen of het de moeite loont zich voor de studie in te spannen. Hun vragen hebben mij aanvankelijk ontsteld; duidelijker dan ik wellicht op dat moment deed, wil ik thans zeggen dat wij allen de plicht hebben met inzet van alle krachten van hart en verstand, te streven naar een betere, menswaardige samenleving. De taak van ons architecten is plannen te maken, of die tot uitvoering komen wordt niet door ons beslist. Maar is men aan bouwen toe, dan moeten de plannen gereed liggen.'

Het was noodzakelijk voor de door oorlog getroffen landen om nieuwe waardigheid te krijgen: jarenlange bezetting en de geleden oorlogsschade deden de nationale ego's geen goed. De toekomst was echter hoopgevend en maakbaar. Voor inspiratie keek men veelal naar Amerika. Waar Amerika voor de oorlog neerbuigend werd beschouwd als een ex-kolonie zonder eigen geschiedenis en zonder goede smaak, werd het na de oorlog een culturele inspiratiebron, ook voor architecten. Amerika was als grootste winnaar uit de Tweede Wereldoorlog gekomen en verleende Europa zeer veel hulp bij de wederopbouw. Voor de oorlog voelden Amerikanen zich soms de mindere van Europa in cultureel opzicht, maar na de oorlog was men trots op ‘the American way'. De Verenigde Staten zag zichzelf als redder: groot, sterk, efficiënt en democratisch. In Italië en Duitsland kwam na de oorlog een nieuwe grondwet die geïnspireerd was op de Amerikaanse. Naar Amerikaans voorbeeld zou er veel hoogbouw moeten komen, en zou er veel gebruikt moeten worden gemaakt van geprefabriceerde onderdelen. Voor de oorlog was er nog weerstand geweest tegen standaardisatie en schaalvergroting, maar nu was de woningnood zo groot dat men er niet omheen kon. Het pro-amerikanisme was echter niet overal even sterk aanwezig. In de politiek bestond er zeker wel weerstand tegen de machtsovername van de VS, en de Europese culturele elite was niet overal even happig op de snel toenemende amerikanisatie van de cultuur. Ook in de VS was er kritiek. In de media werd bijvoorbeeld af en toe een poging gewaagd om het enthousiasme over Amerikaanse methoden te temperen, zoals in 1961 in de New York Times:

‘Arm onnozel Europa. Zijn eigen toekomst kan het nu al gaan zien in Los Angeles, Chicago en New York. Maar het is blind. Ze hebben ruimschoots de gelegenheid gehad te bestuderen wat een knoeiboel Amerika van allerlei zaken maakte. Een bezoek aan Europa levert echter de deprimerende conclusie op dat men daar niet alleen alles nadoet wat de Amerikanen jaren geleden verkeerd hebben gedaan, maar zich bovendien opmaakt om alles te gaan navolgen wat wij nu bezig zijn verkeerd te doen.'

Geloof in de toekomst, drang naar vernieuwing en blindelings vertrouwen in wetenschap en techniek waren kenmerkend voor de tijdgeest. Na de oorlog werd er in verschillende sectoren geroepen om voorspoed en harmonie, om een nieuwe economische structuur. Aan verspilling door vooroorlogse inefficiëntie zou een einde worden gemaakt. Velen waren van mening dat deze veranderingen onvermijdelijk waren: ‘Allen moeten overtuigd worden van... wat komen moet . Als arbeids- en woonomstandigheden goed georganiseerd zouden zijn zou het leven van de bevolking vanzelf radicaal veranderen. ‘Het leven zal ruimer, opener, worden; minder zorgelijk!'

Waarschijnlijk mede dank zij deze houding was de industriële productie in grote delen van Europa in 1948 weer op het peil van 1938. Het spoor- en waterwegennet werd in die tijd al bijna volledig hersteld. Steeds meer begonnen de Europese staten kenmerken te vertonen van welvaartsstaten: sterke inkomens- en consumptiestijging en een omvangrijk sociaal vangnet. Europa werd in rap tempo gemoderniseerd en geïndustrialiseerd. In de loop van de jaren zestig kreeg bijna iedereen, zeker in West-Europa, hier in meer of mindere mate mee te maken en dit had belangrijke gevolgen: door de nieuwe welvaart werd het individuele zelfbewustzijn gesterkt, waarbij consumptiegoederen en consumptiegedrag steeds belangrijker werden voor iemands identiteit en status. Door een groot verlangen naar democratisering werd er aangedrongen op meer medezeggenschap en invloed, en de tweede feministische golf ontstond. Aan de andere kant ontstond er ook verzet tegen de welvaartsstaat: provo's uitten hun weerzin tegen de ‘verslaafde consument' en probeerden op allerlei manieren de overheid en het politiekorps te provoceren. Steeds meer raakten de ideeën van de wederopbouw, en de sfeer van dat tijdperk, op de achtergrond. De maatschappij van het Europa van voor de oorlog was bijna helemaal verdwenen.

Sloop en herstel

De wederopbouw verliep al met al over het algemeen voorspoedig, maar het was een immense operatie. Zoals gezegd was de goede afloop ervan helemaal niet zeker. Niet alleen op economisch en organisatorisch vlak moest er veel gebeuren, maar ook op stedenbouwkundig en architectonisch vlak. Er was na de oorlog behoefte aan een duidelijke visie. Op de korte termijn moest er pragmatisch en efficiënt gehandeld worden, maar er moest ook aan de lange termijn gedacht worden omdat veel beslissingen blijvende invloed zouden hebben op bijvoorbeeld het uiterlijk van steden.

Er was een groot huisvestingsprobleem in naoorlogs Europa. Hele steden waren verwoest, bestaande huizen waren jarenlang niet onderhouden en er was jarenlang nauwelijks bijgebouwd. Veel van de huizen die nog wel stonden waren gebouwd in de negentiende eeuw volgens traditionele methoden. Deze huizen waren wel degelijk gebouwd, maar voldeden helemaal niet aan de moderne hygiënische standaarden. Nog in de jaren vijftig was in landen als Frankrijk, België, Italië en Oostenrijk maar 11 procent van de huizen voorzien van bad of douche. De enige oplossing was dat er heel snel, heel veel moderne woningen moesten worden bijgebouwd.

De aanpak van de historische binnensteden en de negentiende-eeuwse wijken, waar de traditioneel gebouwde huizen stonden, was een belangrijk onderdeel van de wederopbouwplannen. Veel Europese steden waren in de negentiende eeuw explosief gegroeid. Londen is daar het bekendste voorbeeld van, maar op kleinere schaal is het ook in Nederland voorgekomen. De groei van de steden ging op een zeer chaotische manier: waar grond vrij was, werden huizen gebouwd, zonder dat er bestemmingsplannen of andere richtlijnen werden opgesteld of nageleefd. De leefomstandigheden in deze stadsuitbreidingen waren abominabel en de sterftecijfers vele malen hoger dan gemiddeld. Na de Tweede Wereldoorlog werd er zeer negatief gedacht over de negentiende-eeuwse stadsuitbreidingen. Deze wijken werden over het algemeen onbewoonbaar geacht, omdat ze niet meer voldeden aan het moderne leven met zijn verkeer, hoge hygiënestandaarden en efficiency, ook waren er geen andere woningen voorhanden. In die tijd was men van mening dat steden moesten bestaan uit overzichtelijke woonwijken, met ieder zijn eigen voorzieningen zodat ze afzonderlijk als ‘levende stadsonderdelen' konden functioneren.

Na het einde van de wederopbouw werd Europa steeds rijker. Eén van de gevolgen van deze welvaartsstijging was het veranderende uiterlijk van steden en de conflicten die daardoor ontstonden: steeds meer mensen vonden werk in de dienstensector en om deze mensen te kunnen huisvesten moesten er kantoren gebouwd worden, bij voorkeur in de buurt van de binnensteden. Veel steden verwelkomden deze ontwikkeling, omdat kantoorbouw veel geld in

het laatje bracht. Daarnaast nam het autobezit snel toe, wat leidde tot verkeersproblemen. Men dacht die problemen op te kunnen lossen door snelwegen en grote parkeergarages te bouwen. De ruimte die al deze veranderingen opeisten, werd meestal gezocht in de negentiende-eeuwse woonwijken en de oude binnensteden. Dit leverde grote conflicten op met de bewoners van de oude buurten, die niet wilden dat hun woningen en de wijken gesloopt zouden worden. Zij wilden juist renovatie en verbetering. Met de aanpak van de binnensteden werd begonnen nadat de meest noodzakelijke herstelwerkzaamheden waren voltooid en de economie wat beter ging draaien. Deze aanpak bestond uit grootschalige saneringen en krotopruimingen. Door de grootschalige sloop werd het des te belangrijker dat de wederopbouw snel en efficiënt zou gebeuren. Ook daarom ontdeed men zich in de meeste gevallen nogal makkelijk van beschadigde gebouwen, want restaureren was vaak te kostbaar en tijdrovend. De blik was op de toekomst gericht, niet op het verleden. Om vooruit te kunnen moest er worden opgeruimd en vergeten. Te voorzichtige omgang met de oude vorm van een dorp of stad werd als ‘overdreven piëteit' afgedaan; dorpen en steden waren tenslotte geen museumstukken. Na de sloop van hun woning werden de binnenstadbewoners ondergebracht in nieuwe woonwijken, waar ondertussen huizen waren gebouwd die geschikt werden bevonden voor de eisen van het moderne leven.

Grote planningseuforie had zich meester gemaakt van stedenbouwkundigen en overheden in heel Europa. De planners wilden het liefst helemaal opnieuw beginnen, en de geruïneerde steden boden hiervoor de mogelijkheid. Hun ontwerpen voor de nieuwe steden, hierboven in het kort beschreven, waren utopieën: men was ervan overtuigd dat de indeling van de ruimtelijke omgeving direct samenhing met het wel en wee van de maatschappij. Hoe beter de indeling, des te beter de maatschappij in elkaar zou steken. En omdat deze stedelijke utopieën uitgetekend konden worden en de dagelijkse omgeving behelsden, leken ze op papier bijzonder realistisch. Hierin was er nauwelijks verschil tussen Oost- en West-Europa: in zowel steden in West-Europa zoals Rotterdam, Oost-Europese steden als Warschau en veel Duitse steden waar nog veel architecten en stedenbouwkundigen uit het Derde Rijk actief waren – overal werden in grote lijnen dezelfde ideeën en idealen aangehangen. De gebouwen werden ‘vertaald': symbolen van het nazisme werden weggehaald, of een gebouw waarmee begonnen was in fascistische stijl werd op een andere manier afgebouwd. Dit was het geval met het station Termini in Rome. De hoofdingang van dit gebouw werd voltooid in 1951 en is licht en open, maar de zijvleugels werden gebouwd onder Mussolini's regime en zijn veel strenger. Toch zijn de elementen goed geïntegreerd en lijken ze bij elkaar te horen.

Bovendien werd het, door de steeds verbeterende techniek en wetenschap, steeds makkelijker om utopische dromen te verwerkelijken. In alle regio's werd het beeld geschetst van de door de techniek bevrijde mens. Voor elk probleem kon een oplossing worden gevonden in het perfectioneren van de techniek en organisatie. Juist in de steden kon dat goed bewerkstelligd worden; daarom gold de stad als oord van ultieme bevrijding. De ideeën waren dan wel abstract maar de stad zelf was concreet, en de verschillende onderdelen van de geschetste utopieën ook: er kwamen voor iedereen herkenbare woningen, bedrijven en auto's in voor. De samenleving zou, dankzij en door de architectuur en technologie, volledig maakbaar worden. Ook in die overtuiging verschilden Oost en West nauwelijks. Zelfs de propaganda voor de wederopbouw en de nieuwe steden verschilde nauwelijks van elkaar: stralende bouwvakkers stonden op aanplakbiljetten in heel Europa. Deze nieuwe steden werden ontworpen door planners, die als belangrijkste doel hadden de organisatie gestroomlijnd te laten zijn en de middelen en doelen zo volmaakt mogelijk op elkaar af te stemmen. Zij waren ervan overtuigd dat een goed geplande stad kon leiden tot een hoger peil: niet de natuurkrachten van het Darwinisme zorgen voor vooruitgang, maar processen die bewust zijn uitgedacht en uitgewerkt. Voor het uitvoeren van utopieën moet er radicaal gebroken worden met het verleden. Dat het door de vooruitgang in de techniek mogelijk was geworden om utopieën uit te voeren, had daarom grote gevolgen voor de openbare ruimte. Overal in Europa werden er tot in de jaren zestig ongebreideld oude wijken gesloopt. Alleen de woningnood en materiaalschaarste vormden nog enigszins een rem op deze sloopwoede. Elke verandering in staatsideologie, wederom zowel in het westen als in het oosten van Europa, was terug te zien in de gebouwde omgeving. Na de periode van sloop bijvoorbeeld, begon er halverwege de jaren zestig een herwaardering voor de binnensteden te ontstaan en een afschuw voor van bovenaf opgelegde planologie. Juist de stad, die voor de meeste mensen herkenbaar is en waar zich zoveel alledaagse dingen afspelen, was een geschikte plaats om utopieën uit te proberen. Daardoor is er in een stad altijd een strijd gaande tussen oud en nieuw: de vroegere maatschappij is nog zichtbaar in gebouwen die niet gesloopt zijn, en de nieuwe maatschappij die de oude probeert te overstemmen, door groter en indrukwekkender te bouwen. Vaak hangen radicaliteit van de eigen utopie en bereidheid om oude stukken stad te slopen met elkaar samen: hoe rigoureuzer oude delen worden gesloopt, des te radicaler is de utopie, en des te fanatieker is de overheid in het opleggen van de eigen utopie.

Bijna alle wederopbouwplannen voor steden in Europa waren grootschaliger en ruimer opgezet dan de plaatsen ooit geweest waren. Rotterdam, Warschau en Dresden zijn totaal andere steden geworden. De straten werden breder, de pleinen groter, de gebouwen hoger en groter, en het verkeer kreeg alle ruimte. De geleden schade gaf de stadsbesturen de mogelijkheid om alle vooroorlogse problemen in één keer op te lossen. De stad kon zonder al te veel protesten opengebroken worden, alles wat de plannen in het kader van de wederopbouw in de weg stond werd zonder dralen gesloopt. De oorlog bood op dat gebied juist kansen, zoals de architect en bedenker van het nieuwe plan voor de Rotterdamse binnenstad Van Embden schreef in 1946:

‘Realiseert gij U, Rotterdammer, dat vele der dierbaarste herinneringen aan wat in de Meidagen verloren ging, zich juist vasthechtten aan wat, nuchter bezien, slechts tekortkomingen waren van onze oude stad? Aan het chaotische van den Coolsingel, aan de onmogelijke verkeerstoestanden, aan de ongevormdheid van het Hofplein, aan de provisorische Doelen, aan het merkwaardige vertier op den Dijk, aan het periodieke hooge water. De groote brand heeft met één klap al datgene opgeruimd wat wij, Rotterdammers, niet eerder hebben kunnen of willen ter zijde stellen, hoe weinig het ook strookte met de materieele eischen van het heden. Wanneer wij onze nieuwe stad herbouwd zullen hebben, dan zal zij evenwel moeten zijn als een geheel nieuw, goed passend kleed. Dat zal in het begin nog wat onwennig zitten, maar het zou dwaasheid zijn, om opzettelijk onvolkomenheden te gaan herstellen. Wij zijn het verplicht aan onszelf en aan de toekomst, om voor al wat wij scheppen de volmaakste, doeltreffendste, karakteristieke vorm te zoeken, ten einde het leven van vandaag, nu het eenmaal met geweld bevrijd is geworden van de boeien van het verleden, thans ook de volle voordelen van die vrijheid te gunnen.'

De idealen van de stedenbouwkundigen hadden in zowel Oost- als West-Europa ongeveer dezelfde vorm. De ideale naoorlogse stad was het tegenovergestelde van de chaotische, gecentraliseerde oude stad: hij zou gedecentraliseerd worden en moest bestaan uit verschillende zelfstandige zones. De stad kon zo altijd uitgebreid blijven worden omdat de eenheden tot in het oneindige herhaald konden worden. Deze eenheden bestonden uit monofunctionele zones. De oude steden waren compact, maar de nieuwe steden waren verspreid over een groot gebied, met veel ruimte tussen de verschillende zones. Eén van de redenen hiervoor was dat tijdens de Tweede Wereldoorlog was gebleken dat een compacte stad een makkelijk doelwit was voor bombardementen; een gelede, decentrale stad zou minder kwetsbaar zijn. De gebombardeerde steden Rotterdam en Warschau zijn na de oorlog allebei opgebouwd volgens deze ideeën. Om orde in de chaos te scheppen werden de belangrijkste functies van het stadsleven (wonen, werken, verkeer en recreatie) van elkaar gescheiden. Vroeger was dit ook al gebeurd, maar nu gebeurde dat radicaler dan ooit tevoren. De schaal van deze monofunctionele zones was veel groter. Op die manier zouden mensen elkaar in bijvoorbeeld het woon-werkverkeer niet meer in de weg zitten. De ruimtelijke indeling van de stad liet men samenvallen met het ritme van haar bewoners. Meer dan ooit werd de stad gezien, en ingericht, als een geoliede machine. Verder werden de woonwijken totaal anders opgebouwd dan in de negentiende eeuw gebruikelijk was. Door veel stadsparken en openbaar groen tussen de woonblokken aan te leggen wilde men de stad openbreken. Bovendien ontstond er, door alles ruim op te zetten, heel veel ruimte voor de automobilist, die een steeds grotere rol kreeg. Autogebruik door arbeiders werd in alle ideologieën gezien als een vorm van, en symbool voor, emancipatie.

De openheid van de nieuwe stad werd door bijna alle planners en architecten omarmd als passend bij de moderne tijd: onder de intellectuele elite heerste sterk het gevoel dat er een nieuwe tijd was aangebroken, en nieuwe tijden vroegen om nieuwe architectuur en stedenbouw. Verder riep dit nieuwe tijdperk het beeld op van een toekomst die open en onbegrensd was. De ruime opzet van steden werd dus, net als de wondermiddelen techniek en wetenschap, geassocieerd met vrijheid, vooruitgang en zelfontplooiing.

Tussen de vele overeenkomsten tussen stedenbouwkundige plannen in Oost- en West-Europa waren er ook enkele verschillen. Waar in de nieuwe communistische landen brede, monumentale boulevards werden aangelegd voor militaire parades, gold in West-Europa de functionele en onbekommerd consumentisme uitstralende Lijnbaan in Rotterdam als het summum van de naoorlogse architectuur. De Lijnbaan zelf was ontworpen door Rein Fledderus en Sam van Embden, en de winkels door architectenbureau Van den Broek en Bakema. Het ging hen om een positieve, onbekommerde uitstraling. Hun doel was niet om, zoals in Oost-Europa, imposant te bouwen.

De ingrepen die tijdens de wederopbouw werden gedaan in de oude steden waren veel rigoureuzer dan absoluut noodzakelijk was. Er werd veel meer gesloopt dan alleen door oorlogshandelingen beschadigde of tijdens de oorlog vervallen geraakte panden. Ook de doorbraken in de steden om het verkeer meer ruimte te geven, waren veel grootschaliger dan voor de oorlog was voorgesteld. Pas toen dit proces van ‘stedenschennis' al lang in gang was, werd onderkend dat historische binnensteden bijzonder zijn en een grote cultuurhistorische waarde bezitten: in Nederland werd bijvoorbeeld in 1961 de Monumentenwet van kracht. Daarna kostte het echter nog jaren om gebouwen als monument aan te wijzen en te registreren.

Ideeën over architectuur: brutalisme en postmodernisme

Tot ongeveer het jaar 1900 werd de Europese architectuur vaak gebaseerd op het verleden: de Karolingische renovatio greep terug op de oudheid, de Renaissance eveneens, en de negentiende-eeuwse neostijlen bootsten hun voorgangers na. Tot in de negentiende eeuw werd er gebouwd volgens de richtlijnen van de Romein Vitruvius en de klassieke zuilenorden. Iets voor het jaar 1900 ontstond echter de Art Nouveau , die wilde breken met al het voorgaande en alleen de eigen tijd wilde symboliseren. Enkele decennia later volgde het modernisme, ook wel het Nieuwe Bouwen genoemd, dat voor de toekomst wilde bouwen en eigenlijk bij voorkeur helemaal overnieuw zou willen beginnen, ten koste van de oude bebouwing. Alleen zo kon sociale vooruitgang worden bewerkstelligd. Het oude moest wijken voor het moderne leven; wanneer het oude onbruikbaar was geworden, moest het verdwijnen. Verder was er in de negentiende eeuw een groot vertrouwen in de kracht van architectuur tot het transformeren van de samenleving ontstaan. In de twintigste eeuw ontwikkelde zich dat verder, zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven. Als de architectuur klopte, zou de samenleving vanzelf beter worden. Bovendien konden plannen voor een ideale samenleving door de introductie van de bouwmaterialen glas en beton meer dan ooit worden uitgevoerd. Het leek erop dat de makkelijkste weg naar een betere samenleving de transformatie van de leefomgeving was. Eén van de beroemdste twintigste-eeuwse architecten, Le Corbusier, zag dit ook zo: hij streefde ernaar met zijn architectuur en stedenbouw een betere samenleving te vormen. De oude stedelijke chaos moest volgens hem plaatsmaken voor functionaliteit en rechtlijnigheid. De oude stad moest volledig verdwijnen.

In veel literatuur over architectuur uit de periode 1945-1965 wordt slechts een kant van het verhaal getoond. Soms wordt benadrukt hoeveel inspiratie de nieuwe generatie architecten uit de modernistische architectuur uit de jaren twintig en dertig haalden en hoe weinig creatief de architectuur was, soms wordt juist het vernieuwende en het shockerende van de architectuur van de jaren vijftig en zestig benadrukt. Het begin van de jaren zestig wordt tegenwoordig vaak gezien als het begin van de laatste fase van het modernisme. Rond 1980 zou het modernisme volledig ingestort zijn en werd de stijl vervangen door een tegenovergestelde stijl. Dat dit een te simpele voorstelling van zaken is, blijkt vaak uit stukken uit de tijd zelf. Er was veel debat over de stand van zaken in die tijd. Ook was men zich erg bewust van de veranderingen die zich in die periode voltrokken, en probeerde men zich een houding te geven met betrekking tot het modernisme en wat daarna zou komen. Niet alleen tussen ervaren en jonge architecten waren verschillen van mening over de architectuur, ook tussen architecten van dezelfde generatie. Een voorbeeld hiervan is de kwestie rond de munitiefabriek van Hispano Suiza in Breda. Dit gebouw komt uit 1953 en is ontworpen door het architectenbureau Van den Broek en Bakema. Aldo van Eyck, die net als Bakema lid was van Team 10, vond dat een moderne architect geen opdrachten mocht aanvaarden van een munitiefabriek, omdat dat onethisch was. De uitgangspunten van de moderne architectuur waren volgens hem niet te verenigen met de fabriek. Van den Broek en Bakema, die de opdracht hadden aangenomen, verdedigden zich hier echter tegen: volgens Van den Broek kon zelfs een gevangenis ontworpen worden volgens de principes van de moderne architectuur: de architect, zo vond Van den Broek, staat in dienst van de samenleving, en als er in die samenleving behoefte is aan gevangenissen of munitiefabrieken, dan moet de architect die ontwerpen.

In veel landen, waaronder Nederland en Groot-Brittannië, waren er in het tijdperk van de wederopbouw verschillende generaties architecten aan het werk: de groep die al voor de oorlog actief was geweest, een groep die kort voor of tijdens de oorlog werd opgeleid, en een groep die na de oorlog geschoold werd en pas in de laatste fase van de wederopbouw actief werd. Deze architecten probeerden allemaal met het schaarse materiaal dat voorhanden was een zo groot mogelijke variatie en groot gevoel van ruimtelijkheid te creëren. Al tijdens de bezetting hadden zij hierover uitgebreid nagedacht en gedebatteerd, niet alleen over de ontwerptechnische kant van de wederopbouw, maar ook over de sociaal-culturele kant. De architecten ontwierpen elk aspect van het leven van de bewoners; ‘van stoel tot stad', zoals Jaap Bakema het noemde. Het Nieuwe Bouwen van de jaren twintig en dertig werd gezien als een manier om de arbeiders een gezondere leefomgeving te geven, en hen te bevrijden van de bedompte negentiende-eeuwse steden. Daarnaast zagen overheden en deskundigen het als hun taak de hygiëne en ‘goede smaak' van de bevolking te bevorderen. De toekomstige bewoners van deze wederopbouwwijken werd overigens niets gevraagd. Meer dan ooit tevoren werd de vorm van de samenleving van bovenaf opgelegd; alles om een geordende, goed functionerende samenleving te vormen.

Opvallend was dat het aandeel van de architecten met een academische achtergrond in de loop van de jaren toenam. Dit paste bij de filosofie van het Nieuwe Bouwen: de nieuwe architectuur moet ontworpen zijn door architecten van een goede komaf, die eeuwige schoonheid kunnen creëren zonder zich te verschuilen achter modieuze versiering en opsmuk zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk was. Volgens dit idealistisch optimisme wist een goed opgeleid architect wat het beste was voor de arbeidersgemeenschap. Het hoge aandeel academici ging echter ten koste van de ‘ambachtelijke creativiteit': berekeningen, theorieën en kennis ging de praktijk overheersen. Bijkomende factor was de grote woningnood, die prefabricage, standaardisatie en normalisatie aanvaardbaarder maakte voor architecten. Dit zorgde voor een snellere groei van het woningbestand maar ging ten koste van de creativiteit. Sommige architecten probeerden daarvoor een oplossing te vinden door hun toevlucht te nemen tot de details en te proberen van de verschillende geprefabriceerde elementen een goed doordachte compositie te maken. Beton werd bijvoorbeeld bijgewerkt door toevoeging van andere materialen of het gebruik van borstels op nat beton. Traditionele materialen, zoals bak- en natuursteen, werden nog steeds veel gebruikt, afgewisseld met glazen bouwstenen, en bijvoorbeeld aluminium. Daarnaast gaven architecten een eigen karakter aan een gebouw door de luifels en ingangspartijen een zwierige, grootse vorm te geven. Beeldende kunstenaars werd de opdracht gegeven om de sobere nieuwbouw op te vrolijken met kunstwerken. De rijksbouwmeester van Nederland, G. Friedhoff, stimuleerde dat zelfs, door een bepaald percentage van de bouwsubsidie beschikbaar te maken voor kunst. Het was wel altijd kunst met een bedoeling: de opdracht was, uiting te geven aan het gevoel van vrijheid na de bezetting en aan het nieuwe gemeenschapsgevoel. De kunst moest de veerkracht van het volk tonen en was op die manier een middel om het oorlogsleed te overwinnen, samen met herstel van verwoeste monumenten. Veel van het tijdens de oorlog ontstane idealisme en de eendracht onder architecten bleef ook na de oorlog bestaan, zoals Berghoef in oktober 1947 signaleerde:

‘Thans zien wij oppervlakkig allerlei richtingen in onze architectuur en mocht men kranten en weekbladen geloven, dan zou de ene richting de andere te vuur en te zwaard willen uitroeien.(...) In feite wordt er binnenskamers door de aanhangers van de meest uiteenlopende richtingen, architecten en stedebouwkundigen, samengewerkt om, voor zover het tot hun competentie behoort, een menswaardige samenleving voor te bereiden. (...) Die architecten hebben elkaar gevonden in hun zorg voor een gaaf land, goed bewoonbare steden en dorpen en een goede woning voor ieder gezin; in wezen is dat de zorg voor de naaste.'

In Nederland was er vanaf 1945 een grote toename in de bouw van overheidsgebouwen: ook dat was voor de overheid een middel om te tonen dat Nederland eensgezind aan de wederopbouw werkte. Het was de bedoeling om het rijk degelijk en representatief te huisvesten. De gebouwen moesten sober zijn, maar ze moesten wel harmonie en grandeur uitstralen als symbool voor het gezag van de overheid.

In niet alle landen ging de wederopbouw even snel, maar in de meeste landen was er eind jaren vijftig sprake van het einde van de wederopbouwperiode. In diezelfde tijd ontstond er een nieuwe uitdaging voor architecten, namelijk een crisis in het modernisme. Direct na de oorlog was er al kritiek te horen op het werk van de modernisten, maar door de schade die de Tweede Wereldoorlog had werd modernistische architectuur massaal toegepast op huisvesting en stedenbouw, en waar het eerst een stijl van de elite was, werd het modernisme na de oorlog gemeengoed. Uiteindelijk leidde dat ertoe dat modernistische architectuur geïnstitutionaliseerd werd. Nu de wederopbouw min of meer was voltooid kon er weer nagedacht worden over abstractere dingen dan de woningnood. Steeds meer bleek dat het utopische denken van de modernisten niet goed aansloot bij de realiteit. Men realiseerde zich dat er een nieuwe periode was aangebroken. Veel architecten vonden dat de ideeën van het modernisme op zijn minst verwrongen waren en op de achtergrond waren geraakt, en er was een grote behoefte aan vernieuwing. Architectuurhistoricus John Jacobus schreef in 1966 in zijn boek Twentieth-Century Architecture dat de periode na de Tweede Wereldoorlog echte creativiteit miste en weinig goeds heeft voortgebracht. Stilistisch werd er teruggegrepen op de ideeën van een halve eeuw eerder, en voor de theoretische kant keek men zelfs nog verder terug. Architecten probeerden het gebrek aan kwaliteit in hun ontwerpen te maskeren door veel aandacht te besteden aan details, en door een overvloed aan materialen te gebruiken. Jacobus noemt dit ‘the proliferation and vulgarization of modernism as a fashion (...) vulgarizations by which opportunists (or fools) managed to dishonor a once-noble vision.' Architecten van de oude garde die vóór de oorlog waren opgeleid, breidden de ideeën uit vroeger tijden uit, maar, zo schrijft Jacobus, ‘unfortunately, the recent expansion of the modernist idiom has tended to procede without a clearly focused taste, and without a basic clarification of the unique principles of the new architecture. With only a few exceptions, contemporary architects have wavered, seemingly lost for want of a neat, concise set of laws (...) such as those previously furnished by the academic tradition.

Door sommigen, zoals Le Corbusier, werd geëxperimenteerd: tussen 1948 en 1954 bouwde hij in Marseille bijvoorbeeld een flatgebouw, de Unité d'Habitation . Dit gebouw bestaat uit 337 appartementen. Ook bevat het winkels, een sport- en medisch centrum en een hotel. Het was de bedoeling dat de flat op zichzelf een stadje zou vormen. Het gebouw lijkt niet, zoals veel andere gebouwen uit de jaren vijftig, op gebouwen van voor de oorlog. Het betonwerk van dit gebouw was nieuw, en wordt gezien als het beginpunt van de stijl die later bekend kwam te staan als het brutalisme. Voor de oorlog werd beton altijd bewerkt om het er gladder en mooier uit te laten zien. Le Corbusier was gedwongen dat bij de Unité alle overbodige bewerkingen achterwege te laten vanwege de economische malaise, en liet daarmee zien dat beton een grof, slordig materiaal was. De enige versiering was dat de betonplaten op zodanige wijze werden geplaatste, dat er een patroon ontstond. En zo is béton brut ontstaan. De omstandigheden van het betonexperiment van Le Corbusier waren ontmoedigend, maar de uitkomst ervan bood de nieuwe generatie architecten zicht op vernieuwing. Zeker in Groot-Brittannië was de Unité een groot voorbeeld en een belangrijke bron van inspiratie. Geïnspireerd door onder andere Le Corbusier begonnen architecten vanaf halverwege de jaren vijftig te experimenteren met nieuwe stijlen. Eén van de eerste gebouwen die hier in Groot-Brittannië uit voortkwam, was van het Britse architectenduo Alison en Peter Smithson en was een school in Hunstanton, Norfolk, die in 1954 voltooid werd. Dit gebouw was revolutionair en wordt tegenwoordig gezien als de eerste vertegenwoordiger van de stijl die in die tijd bekend begon te worden als brutalisme. De Smithsons golden in Groot-Brittannië als de avant-garde. Groot-Brittannië kende op het gebied van de architectuur veel van dezelfde kwesties waar in andere landen ook mee geworsteld werd. In veel westerse landen werd Le Corbusier gezien als grote inspirator. Ook in Nederland en Groot-Brittannië was dit het geval. Zoals overal ter wereld experimenteerden architecten met nieuwe ideeën. De Smithsons waren daarbij vanaf halverwege de jaren vijftig vooraanstaand. Ze waren trots op de vernieuwingen van het brutalisme: ‘What is new about New Brutalism amongst movements is that it finds its closest affinities not in a past architectural style, but in peasant dwelling forms, (...) which were never modish'. Brutalisme werd een eerlijke stijl gevonden. Eén van de belangrijkste vernieuwingen van de Smithsons was dan ook, dat ze de stalen onderdelen van het gebouw zoveel mogelijk in het zicht lieten en het niet probeerden te verbergen, ook al zou dat betekenen dat de bouw door de materiaalschaarste van na de oorlog jaren langer zou duren dan eigenlijk de bedoeling was. Verder wilden de architecten dat het een overzichtelijk en duidelijk gebouw zou worden, dat er geen twijfel zou bestaan over de functie ervan. Voor romantische ideeën of mysterie was geen plaats. Daarnaast kenmerkt het gebouw van de middelbare school in Hunstanton zich door een symmetrisch in- en exterieur. Dat heeft te maken met de in die tijd populaire ideeën van Rudolf Wittkower, de auteur van het boek Architectural Principles in the Age of Humanism uit 1949. Hij was ervan overtuigd dat Renaissance-architecten, en dan met name de grote namen zoals Palladio en Alberti, wiskundige modellen gebruikten bij hun ontwerpen, zodat elk aspect van het gebouw in verhouding was met andere aspecten. Wittkower wilde laten zien dat architecten in de Renaissance hun ontwerpen baseerden op verschillende proportiesystemen, onder andere die van de muziek, en dat die architecten op een rationele, goed doorwrochte manier ontwierpen. Daarmee ging hij in tegen het toen geldende denkbeeld dat architecten alleen keken naar wat mooi was. Het boek viel in goede aarde bij de nieuwe generatie Engelse architecten van na de Tweede Wereldoorlog. Ook Alison en Peter Smithson waren bekend met de theorieën van Wittkower en maakten er voor hun eigen ontwerpen dankbaar gebruik van.

In Nederland was het architectenbureau Van den Broek en Bakema een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het brutalisme. Internationaal gezien was hun bijdrage aan het brutalisme niet zo groot, maar voor Nederlandse architecten was de stijl van Van den Broek en Bakema een belangrijke inspiratiebron. Veelvoorkomende elementen uit de ontwerpen van andere architecten zijn vaak afgeleid van het werk van Van den Broek en Bakema: talloze kantoorgebouwen uit de jaren zestig en zeventig kenmerken zich bijvoorbeeld door de combinatie van baksteen en beton, een bunkerachtig uiterlijk met smalle ramen, transparante benedenverdiepingen met daarop een zware bovenbouw, duidelijk zichtbare trappenhuizen en verspringende verdiepingen. Voor Bakema en Van den Broek was de rol van de vormgeving echter ondergeschikt aan functionaliteit en aspecten zoals de organisatie van het bouwproces. Er was veel behoefte aan nieuwe ideeën, maar door de oudere generatie werd er wel steeds gehamerd op respect voor het modernisme van de jaren twintig en dertig. Niet alle architecten deden mee aan het brutalisme: Van Tijen was bijvoorbeeld niet zo enthousiast : ‘Ik geloof niet dat het [brutalisme] een sterke trek is, juist omdat het zo sterk dóet. Hoe eerder het uit de mode raakt, hoe beter m.i.'.

Sommigen waren het er misschien niet mee eens, maar dat de tijden veranderden kon niemand ontkennen. Hoogleraar in de bouwkunst Granpré-Molière was zich er in 1957 al van bewust:

‘De geschiedenis der mensen vaart door onderscheiden tijdperken. (…) De tijdperken hebben een zin en elk van hen draagt een naam. Ook tezamen hebben ze een zin: de zin der geschiedenis. De tijd achter ons draagt ook een naam: de naam die hij zichzelf gegeven heeft: “de moderne tijd”. (…) Welke naam zal de nieuwe tijd ontvangen? Ik weet het niet. (…) Wel is het eenzelfde drift, eenzelfde instinct of eenzelfde intuïtie, die ons allen drijft vanuit het modernisme naar een nieuwe periode der mensen. Maar deze is nog niet voldoende uit de schatkamers der geesten naar buiten getreden om een benoembare gestalte te vertonen. (…) Daarom draagt zij ook nog geen naam. Daarom zoekt met op vele wegen en stoot men op vele rotsen. Er is dus het begin van een nieuwe stroming, die meer gevoeld dan begrepen wordt. Daarom wordt ze door de jeugd beter verstaan: de jeugd wordt meer door de intuïtie geleid dan de gerijpte leeftijd.'

Hijzelf was niet zo enthousiast over de nieuwe stroming. De Unité van Le Corbusier kon zijn goedkeuring niet wegdragen: hij vroeg zich af, wanneer dit vernieuwende gebouw verouderd zou zijn, en wat dan de volgende stap zou worden. De Unité was een stadje in één gebouw; zouden er over enkele decennia vijftig stadjes in één gebouw worden ondergebracht? Toch probeerde Granpré Molière wel genuanceerd te blijven: ‘Het blijft inmiddels hachelijk om zich een oordeel te vormen over het heden. Zijn we over het hoogtepunt van het modernisme heen? Het is mode geworden om modern te zijn. Men durft niet goed anders. De pers kan niet goed anders, omdat ze nu eenmaal het nieuwe moet brengen.' Ook verbond hij de contemporaine architectuur met de toestand waarin de maatschappij verkeerde, zoals in de jaren vijftig steeds vaker gedaan werd door intellectuelen en architecten. ‘We hebben een architectuur van de onbehuisdheid, die de wanden van het huis openwerpt, die de woningen als bungalows rondzaait of ze met honderden samenbundelt in een torenhuis.' Granpré Molière zag hierin ontworteling en de ‘tragische symbolen van een maatschappij zonder vorm'. Maar hij vond dus ook, ondanks zijn kritiek op de nieuwe architectuur, dat de oude architectuur niet meer voldeed. Van Tijen, een architect die al voor de Tweede Wereldoorlog actief was geweest, zei in 1961 tijdens een discussieavond met andere architecten dat de twee heipalen voor de moderne architectuur De Stijl en de Zakelijkheid waren. Daarop moest de generatie van de jaren zestig op voortbouwen. Deze grondslagen waren zo solide dat de nieuwe generatie wat Van Tijen betrof mocht bouwen wat ze wilde zolang de fundering, die hij vergeleek met een bergbeekje, met respect zou worden behandeld.

‘Het pure begin was in de jaren '20 en '30; dat kan en hoeft niet herhaald. (…) Toen kon een pure, sterke figuur als Rietveld met enkele anderen bij de oorsprong van de bergbeek de richting daarvan persoonlijk beslissend beïnvloeden. Nu is de taak veel te groot geworden om vanuit een persoonlijk gezichtspunt te worden beheerst. Laat u op zoek naar een ‘eigen' uitgangspunt niet afleiden van de hoofdlijn (…). De hoofdstroom van de moderne architectuur omvat alle krachten en alle mogelijkheden die uw persoon en uw werk tot volle ontplooiing kunnen brengen en u en ons allen verder kunnen voeren. Daarnaast liggen alleen de ondiepe poelen, die bij de eerste weersverandering verdrogen en verdampen.'

Gerrit Rietveld was op diezelfde discussieavond als enige aanwezige optimistisch over de toekomst. Hij vond dat architecten geen politieke wereldhervormers hoefden te zijn en dat de jaren vijftig en zestig een overgangstijd vormden, waardoor men nog niet kon weten hoe de maatschappij zou uitvallen. Hij was ervan overtuigd dat na deze woelige overgangsperiode een tijd van rust zou komen, waarin de architectuur zich goed zou kunnen ontwikkelen. Veel tijdgenoten vonden hem echter veel te optimistisch en waren er niet zo zeker van dat het goed zou komen met de architectuur.

Achteraf kan worden gesteld dat uit deze woelige periode het postmodernisme ontsproten is, een stroming die zijn hoogtepunt had in de jaren tachtig en negentig en als belangrijkste kenmerk kritiek op het modernisme heeft. Het vernieuwende van de stijl van modernistische architecten verdween; gebouwen in modernistische stijl werden gangbaar en waren niet meer uitzonderlijk en opvallend. Moderne architectuur was volledig geïnstitutionaliseerd. Moderne architectuur was vanzelfsprekend geworden en van de vernieuwende kracht ervan was niets meer over. Voor architecten van twee generaties eerder waren het Nieuwe Bouwen en ideeën als het functionalisme een grote schok, maar voor de architecten van na de Tweede Wereldoorlog was dat oude koek. Daarom is het niet meer dan logisch dat zij ertegen rebelleerden.

Modernistische ideeën over bijvoorbeeld de schoonheid van gebouwen werden in de jaren vijftig, en vooral in de jaren zestig, steeds vaker bekritiseerd. Sommige architecten van vooral de jonge generatie, vonden dat schoonheid te subjectief was en dat de ideeën erover teveel uit een vast omschreven, vaak ondemocratisch kader kwamen. Deze ideeën vallen onder het anti-estheticisme: als reactie op de esthetische ideeën van een modernistische culturele elite vonden jonge architecten en kunstenaars dat estheticisme geen rol mocht spelen. De wereld veranderde snel in de jaren zestig en velen vonden dat het modernisme ‘dood' was. Een van de belangrijkste aspecten aan het modernisme was het geloof in vooruitgang. Maar in de jaren zestig bleek steeds meer dat de vooruitgang niet onbeperkt was en dat de nadruk op vooruitgang ten koste ging van tradities en lokale verschillen. Kenneth Frampton schreef in 1983 dat de architectuur van vooral de jaren zestig verantwoordelijk is voor het verdwijnen van de unieke identiteit van steden:

‘What were still essentially 19th-century city fabrics in the early 1960s have since become progressively overlaid by the two symbiotic instruments of Megalopolitan development - the freestanding high-rise and the serpentine freeway. (...) The typical downtown which, up to twenty years ago, still presented a mixture of residential stock with tertiary and secondary industry has now become little more than a burolandschaft city-scape: the victory of universal civilization over locally inflected culture.'

Deze ontwikkeling werd in de jaren zestig door steeds meer intellectuelen en architecten bekritiseerd. Veel architecten wilden kleinschaliger gaan bouwen, zodat de gebouwen zouden passen in het lokale landschap en de ‘couleur locale' van de omgeving niet verder zou verdwijnen.

Een ander onderdeel van de kritiek op het modernisme was het thema van de ‘speelse mens', dat vanaf eind jaren vijftig opkwam. Deze mens was bevrijd van alle oude waarden en leefde als een stadsnomade. Het thema kwam juist op in een tijd waarin er een proces gaande was van urbanisering en suburbanisering en de stedelijke omgeving sterk aan het veranderen was. De oude binnensteden raakten steeds meer ontvolkt door radicale sloop en sanering, en werden de plaats waar protestbewegingen zich in alle vrijheid konden ontwikkelen. De visies van deze protestbewegingen zoals de provo's stonden in scherp contrast met die van de overheid en hun stedenbouwkundigen: waar de provobeweging de nadruk legde op kleinschaligheid, vrije tijd en leefbaarheid, zagen de plannenmakers de stad als een functionalistisch geheel dat van bovenaf gereguleerd moest worden en ingedeeld kon worden zoals een machine of een fabriek. De visie van de provo's paste goed bij die van sommige architecten die het ook niet eens waren met de megastructuren die in die tijd vaak gebouwd werden. Deze architecten vonden dat het idealistische modernisme uit de jaren twintig en dertig aan de kant was geschoven, om plaats te maken voor een rationeel-functionalistische variant. De kritiek werd ook geuit op Nederlandse overheidsgebouwen, die na de oorlog in een traditionalistische stijl werden gebouwd en bedoeld waren om te imponeren en de optimistische geest van de wederopbouw uit te stralen. Aan het eind van de jaren '50 kwam er ineens heel veel kritiek op deze bouwstijl; het laatste ontwerp van rijksbouwmeester Friedhoff, het belastinggebouw aan de Wibautstraat in Amsterdam, werd in de media stalinistisch genoemd. Er ontstond een groeiende afkeer van het ‘paternalistisch exhibitionisme van de staat in het dagelijks leven'. Daardoor ontstond er ook een afkeer van de bouwtrant van de overheden. Na 1960 kwam er dan ook ander beleid, zowel voor eigen gebouwen als voor richtlijnen voor ruimtelijke ordening. Het duurde echter lang voordat het paternalistische afgeschud werd.

Eén van de ideeën van het postmodernisme was dat het onmogelijk was om een nieuwe stijl te bedenken in de kunst en in de architectuur. Elk nieuw idee was, volgens de postmodernisten, gebaseerd op een idee of op een stijl die al eerder bedacht was. De enige mogelijkheid die architecten en kunstenaars hadden was het imiteren van ‘dode' stijlen. Dit zou betekenen dat de belangrijkste boodschap van de kunst en architectuur was ‘the necessary failure of art and the aesthetic, the failure of the new, the imprisonment of the past'. Om nog van waarde te zijn, moest architectuur daarom betekenis krijgen door maatschappijkritisch en anti-esthetisch te zijn. Daarmee werd de nadruk gelegd op de boodschap van een gebouw, en was het niet belangrijk meer of een gebouw ook mooi was. De debatten over anti-estheticisme bereikten een hoogtepunt aan het einde van de jaren zestig. Deze debatten over de tegenstelling esthetisch en anti-esthetisch gingen in bredere zin over de tegenstelling tussen materialistisch en idealistisch denken. Esthetisch denken of plezier halen uit schoonheid ging, zo vonden de anti-estheten, niet samen met maatschappelijk engagement. Een kritische houding tegenover de maatschappij kon alleen verwoord worden zonder gebruik te maken van esthetische waarden. Anti-esthetiek en maatschappelijk engagement zijn allebei terug te vinden in de ontwerpen en in het denken van naoorlogse architecten. Het was niet de bedoeling van die architecten om een mooi gebouw neer te zetten: in de eerste plaats ging het erom dat het gebouw een gezonde omgeving voor zijn gebruikers zou vormen en paste bij de functie die het zou krijgen. Die aspecten vormden de schoonheid van een gebouw: een ‘goed' gebouw was een mooi gebouw.

De eerste naoorlogse internationale congressen over architectuur hadden als voornaamste thema's de wederopbouw en de humanisering van de industrialisatie. Er werd niet meer alleen gekeken naar functionele en rationele aspecten van de architectuur, maar ook naar zaken als het bevorderen van de gemeenschapszin en van een rijk stedelijk leven. Hiernaar werd gezocht door onder anderen een groep jonge, idealistische architecten, waaronder de twee Nederlanders Aldo van Eyck en Jaap Bakema. Deze groep werkte samen in voorbereiding op het tiende toonaangevende Congrès International d'Architecture Moderne (CIAM) en noemde zich Team 10. Jaap Bakema van architectenbureau Van den Broek en Bakema was één van de architecten die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief werd. Met zijn architectenbureau is hij vooral in Nederland productief geweest. Het bureau deed echter ook mee aan prijsvragen voor onder andere een nieuwe wijk in Tel Aviv, Israël, een stadsschouwburg in Zürich, Zwitserland, en het heeft verschillende gebouwen en wijken ontworpen in Duitsland. Verder is het bureau verantwoordelijk voor de Nederlandse ambassade in Riyad, Saudi-Arabië. Een beroemd gebouw in Nederland van Bakema's hand is de gereformeerde kerk in Nagele uit 1960. Zoals veel architecten van zijn generatie waren Bakema's ontwerpen vaak maatschappelijk geëngageerd: zo ontwierp hij, zonder dat hij daar opdracht voor had gekregen, een uitbreidingsplan voor Amsterdam op het eiland Pampus. Deze nieuwbouwwijk zou de vorm hebben van een megastructuur zoals in de jaren zestig populair was, een zou ideale woon-, werk- en recreëeromgeving vormen voor 350.000 mensen. In de jaren vijftig en zestig gold het bureau Van den Broek en Bakema als een van de belangrijkste bureaus van Nederland. Ook internationaal kregen ze veel aanzien, terwijl de Nederlandse architectuur in die tijd juist in een impasse was geraakt en niet meer, zoals voor de oorlog, toonaangevend was. Toen de wederopbouw van Nederland op gang kwam, stroomden de opdrachten voor het architectenbureau toe en daarom groeide ook het aantal medewerkers. Veel van de ontwerpen van het bureau zijn niet eens door Van den Broek of door Bakema bedacht, maar door één van hun medewerkers. De naam van deze medewerker werd, in tegenstelling tot wat toen gangbaar was, altijd vermeld. In de jaren vijftig groeide ook de persoonlijke faam van Bakema. Hij werd regelmatig uitgenodigd om lezingen te geven of gastdocentschappen te vervullen, vooral op Amerikaanse universiteiten. Ook was hij zoals hierboven vermeld betrokken bij CIAM. Bakema was zeer ideologisch ingesteld. Hij schreef gedreven teksten over onderwerpen die pasten in de tijdgeest: over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van architecten en over het belang van kwaliteit boven schoonheid. Hij was ervan overtuigd dat mensen zich beter zouden voelen in een goed gebouwde omgeving. Vanaf 1963 was Bakema hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft. Voor veel Nederlandse architecten was hij de belangrijkste inspirator. Zelf hechtte hij veel waarde aan het werk van Le Corbusier. Het verhaal gaat dat toen deze in 1965 overleed, Bakema de tekenzaal in Delft binnenstormde en riep: ‘Hebben jullie het gehoord? Corbu is dood… nou zullen we alles alleen moeten doen.'

De tijden veranderden dus, ook voor architecten. Begin jaren zestig was er zoveel veranderd sinds de bevrijding, dat architecten volgens de architect Van Tijen twee dingen konden doen: proberen te voldoen aan de eisen van het heden, met zijn nadruk op bezit, macht en ‘het apparaat' met daarnaast een machteloos individualistisch protest dat nauwelijks weerklank kon krijgen, of men kon de erfenis van Rietveld en anderen aanvaarden, en verbreden en verdiepen tot een belangrijke stroming in de architectuur. Voor Van Tijen was dat laatste de beste oplossing. Hij vond dat architectuur niet alleen bestaat uit ontwerpers en gebouwen, maar ook uit de gewoonten en mentaliteit van de ontwerpers en hun omgeving. Deze hadden volgens hem een grote invloed op de architectuur. Van Tijen signaleerde het probleem waar architecten uit zijn tijd mee te maken kregen: om niet onder te doen voor Le Corbusier en andere grote architecten gingen minder begenadigde architecten ook lange verhandelingen schrijven over architectuur, net als Le Corbusier. Zij overschatten hun eigen werk, deden niet aan zelfkritiek en hadden een eenzijdige visie dat alleen de stijl waarin zijzelf werkten de juiste stijl was, ‘alles tekenen van eenzijdigheid en onvolwassenheid, verwarrend voor de jongere generatie, schadelijk voor de zo nodige architectuur-verdieping. (…) Het is de gewoonte geworden dat een architect, die zichzelf respecteert, het gevoel heeft uitsluitend meesterwerken te moeten scheppen en dat ook te doen. Dit is onzinnig.'' Duidelijk is hier te zien hoe groot het verschil was tussen de oudere en jongere generatie in de architectuur.

Zeker onder de oudere generatie was er aan de andere kant nog steeds een groot vertrouwen in het eigen kunnen, de moderne tijd en de toekomst. Architectuur werd nog net zo hoopvol bejegend als vlak na de oorlog, waarbij het modernisme gold als oplossing van alle problemen. Begin jaren zestig bijvoorbeeld, begon tegelijk met de komst van de Monumentenwet de waardering voor de oude stadswijken toe te nemen, maar daar moest Van Tijen niets van hebben:

‘Wie zegt, dat men in de oude binnenstad beter woont dan in de moderne tuinwijken, weet van wonen niets. Het is in de mode om op deze nieuwe tuinsteden te schelden. Ik zet het iedereen om dat over tien jaar nog te doen, wanneer zij volgroeid zullen zijn met hun groen, (…) voorzieningen, grote wegen en al het andere. (…) Met functionele terreinbestemming met stadsgeleding en wijkvorming, met structurele helderheid en ruimtelijke verkaveling, met wisselwerking van intimiteit en grootsheid, met centrumvorming, met een groots modern wegennet en grootscheepse recreatievoorzieningen kunnen wij zonder twijfel de randstad tot een intens levend en groots geheel maken, een waar leefgebied voor de bewoners, een nieuwe stadsvorm onze oude steden waardig en in vele opzichten overtreffend.'

Het brutalisme en het grootschalige bouwen raakten eind jaren zestig steeds meer uit de mode. Het ging toen veel minder goed met de economie en zeker aan het begin van de jaren zeventig drong het besef door dat de toekomst er niet zo rooskleurig uitzag als men tien jaar geleden nog dacht. Er brak wederom een nieuwe periode in de architectuur aan. Het brutalisme was niet vernieuwend meer en vooruitstrevend meer; die positie in de architectuur werd overgenomen door het kleinschalige bouwen.

Conclusie

De eerste twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog waren turbulent. Europa was in elk opzicht geruïneerd. Tegen alle verwachtingen in, werd dat met behulp van de Marshallhulp en de juiste propaganda in ongeveer anderhalf decennium hersteld. In die tijd was, dankzij de wederopbouw waarbij gebruik werd gemaakt van prefabricatie en standaardisatie, modernistische architectuur een massaproduct geworden. Daardoor was er steeds meer kritiek tegen te horen. De architectuur van de eerste twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog wordt vaak afgedaan als weinig creatief, het modernisme was niet toen meer wat het geweest was. Gebleken is dat dat een vrij ongenuanceerde visie is: het brutalisme in het algemeen en het werk van onder meer Le Corbusier, de Smithsons en Bakema in het bijzonder laat zien dat men nog steeds in staat was iets nieuws te ontwikkelen. Het was de oudere generatie die de veranderingen van de jaren vijftig en zestig niet altijd kon waarderen en de vernieuwingen bekritiseerde. De jongere generatie vond juist dat het modernisme van de jaren twintig en dertig verlaten was en bekritiseerde het functionalisme van de oudere architecten. Zij wilden vernieuwing, met als basis de vroege jaren van het modernisme.

Daarentegen was vertrouwen in de toekomst en in de techniek en wetenschap bij iedereen aanwezig: de wederopbouw was voorspoedig verlopen en Europa was welvarender dan ooit. Tot ver in de jaren zestig bleef het goed gaan met de economie. Oude woonwijken konden opnieuw worden ingericht. Er werden grote gebouwen gebouwd, die vooruitgang en geloof in de toekomst uitstraalden. Autobezit werd gestimuleerd, de consumptiemaatschappij ontstond.

Deze nieuwe welvaartsstaten kregen te maken met nieuwe problemen: de utopische ideeën van stedenbouwkundigen en architecten bleken al gauw niet te werken. Bij veel gebouwen was niet nagedacht over wat de bewoners ervan zouden vinden. Binnensteden ontvolkten en protestbewegingen ontstonden. Ook het snel toenemende aantal auto's bleek niet zulke positieve effecten te hebben als men van te voren had verwacht. Kort daarna bleek dat de groei en vooruitgang niet oneindig door kon gaan. Veel landen kregen te maken met een teruglopende economische groei, en men werd pessimistischer. De opkomst van het postmodernisme hangt daarmee samen. Ook de manier van bouwen veranderde toen volkomen. Van het modernisme werd nu pas echt afstand gedaan. Brutalistische megastructuren en andere gebouwen die geïnspireerd waren op het modernisme waren uit de gratie en een nieuwe turbulente periode brak aan.

Advertentie


Buzz Bouwbuzz
Bouwbuzz is de plek voor informatie over kalkzandsteen. Filmpjes, foto's, interviews, tips.
E-nergie.nl E-nergie.nl
Vergelijk alle energie leveranciers en bespaar honderden euro's door gratis over te stappen.
Hypotheken vergelijken Bizzeker.nl
Bizzeker.nl verstrekt informatie op het gebied van hypotheken, lenen, verzekeren, sparen, pensioen en beleggen.
Wilt u ook hierboven staan?

Bouwnieuws

Geen posts gevonden.
rss

Poll

Ik zie het jaar 2010 vol vertrouwen tegemoet.

Zeer mee eens
Mee eens
Neutraal
Mee oneens
Zeer mee oneens

Nieuwsbrief

Wilt u onze gratis nieuwsbrief ontvangen?
Nieuwsbrief Vul hier uw e-mail adres in:


Laatst toegevoegde bedrijven

De Interieurstudio
TimmermanVacature.nl
GawaloVacature.nl
LaserNed.nl
Baksteencentrum Limburg BV

Bedrijf van de week

Bussman Verhuur B.V.
Categorie: Materieel & Verhuur
Mortelweg 10, 6551 AE
Weurt (Gelderland)

Partners

BouwVacatures op BouwPlanet

Copyright RealLogic © 2003-2008 | Alle rechten voorbehouden | rss
Bouwtrefpunt.nl