Pensioenreglement Bouw
• 23 februari 2006
Ingangsdatum:
• 1 januari 2006
Nadien gewijzigd bij bestuursbesluit van:
• 29 juni 2006
• 12 oktober 2006
Inhoudsopgave
Artikel 1 Deelnemers/Aanmelding
Artikel 2 Overige deelnemers
Artikel 3 Begripsbepalingen
Artikel 4 Aanspraken
Artikel 5 Premie
Artikel 6 Wijze van premiebetaling
Artikel 7 Ouderdomspensioen
Artikel 8 Nabestaandenpensioen
Artikel 9 Bijzonder nabestaandenpensioen
Artikel 10 Wezenpensioen
Artikel 11 Verevening ouderdomspensioen na scheiding
Artikel 12 Flexibele pensioendatum
Artikel 13 [vervallen]
Artikel 14 Uitruil op de pensioendatum
Artikel 15 Pensioenopbouw naast een pensioenuitkering
Artikel 16 Uitkering bij overlijden
Artikel 17 [vervallen]
Artikel 18 Premievrije bijboeking
Artikel 19 Premie en aanspraken bij een kortere dan de normale arbeidsduur
Artikel 20 Geen aanspraak op pensioen
Artikel 21 Premievrije aanspraken
Artikel 22 Waarde-overdracht
Artikel 23 Aanvraag en toekenning van een pensioenuitkering
Artikel 24 Uitkering van pensioen
Artikel 25 Indexering van ingegane pensioenen en premievrije aanspraken
Artikel 26 Extra uitkeringen
Artikel 27 Vrijwillige voortzetting/pensioenopbouw en verlof
Artikel 28 Vrijwillige deelneming
Artikel 29 Vrijstelling krachtens het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
Artikel 30 Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren
Artikel 31 Verbreking financieel evenwicht
Artikel 32 Intrekking verplichting tot deelneming
Artikel 33 Garantiebepalingen geldend voor degene die op 31 december 1986 deelnemer was van het fonds
Artikel 34 Minimum aanspraken
Artikel 35 Begrenzing bodemloon
Artikel 36 Informatie aan de deelnemer
Artikel 37 Informatie aan het fonds
Artikel 38 Bijzondere gevallen
Artikel 39 Overgangsbepalingen
Artikel 40 Aanvullingsregeling voor deelnemers die op 1 januari 2005 jonger zijn dan 55 jaar
Artikel 41 Bijzondere regelingen
Artikel 42 Fiscaal slotartikel
Artikel 43 Inwerkingtreding
Artikel 1 Deelnemers/Aanmelding
1. a. Deelnemers zijn, voor zover zij de pensioendatum nog niet hebben bereikt:
1. de werknemers, die werkzaam zijn in de bouwnijverheid, met uitzondering van direct- en indirect-grootaandeelhouders van naamloze vennootschappen en/of besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet verder te noemen deelnemers-werknemers;
2. de zelfstandigen, die werkzaamheden verrichten op het gebied van het:
- Afbouwbedrijf;
- Natuursteenbedrijf;
verder te noemen deelnemers-zelfstandigen.
b. Tot 1 januari 2000 geldt dat de deelnemers beperkt deelnemer zijn zolang zij in de periode van
1 januari 1987 tot 1 januari 2000 de leeftijd van 22 jaar nog niet hadden bereikt. Ten aanzien van de in de vorige volzin bedoelde deelnemer bestaat bij overlijden aanspraak op weduwe-/weduwnaarpensioen, partnerpensioen en wezenpensioen overeenkomstig het in die periode geldende reglement voor de nabestaanden van de overleden deelnemer of echtgenote/echtgenoot of partner en tijdens leven aanspraak op de in artikel 4 lid 1 sub f en sub g bedoelde pensioenen.
c. In afwijking van het in sub a van dit lid bepaalde zijn tot 1 januari 1987 deelnemers de mannelijke respectievelijk de vrouwelijke werknemers, als bepaald in sub a van dit lid, vanaf 19-jarige leeftijd respectievelijk vanaf 25-jarige leeftijd, en de zelfstandigen als bepaald in sub a van dit lid, vanaf 19-jarige leeftijd, inclusief zij die werkzaam zijn in het timmerbedrijf.
d. Tot 1 januari 1996 moet voor de in sub a van dit lid bedoelde ‘direct- en indirect-grootaandeelhouders’ worden gelezen ‘directeuren van naamloze vennootschappen en van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid’ en ten aanzien van de werkzaamheden van de zelfstandigen moet worden gelezen ‘die werkzaamheden verrichten op het gebied van het stukadoors-, steengaasstellers-, natuursteen-, steenhout-, graniet- en kunststeenbedrijf’.
e. Om voor de opbouw van pensioenaanspraken in aanmerking te komen geldt tot 17 mei 1990 de voorwaarde dat werkzaamheden worden verricht gedurende ten minste 40% van de normale arbeidsduur.
2. Aanmelding
a. De deelnemer is gehouden zich ter inschrijving bij het fonds aan te melden. Het fonds verstrekt een aanmeldingsformulier.
b. Na ontvangst van het volledig ingevulde en ondertekende aanmeldingsformulier zendt het fonds aan de deelnemer een schriftelijke bevestiging van de inschrijving. Deze bevestiging geldt als bewijs van de inschrijving.
Artikel 2 Overige deelnemers
1. Met inachtneming van het in artikel 1 bepaalde zijn ook deelnemers:
a. degenen, voor wie ingevolge één der sociale verzekeringswetten premie aan het fonds wordt betaald;
b. degenen, voor wie op grond van één van de door het fonds vastgestelde pensioenreglementen zonder premiebetaling pensioenaanspraken worden bijgeboekt;
c. degenen, voor wie ingevolge een bedrijfstakeigen regeling premie aan het fonds wordt betaald;
d. degenen, die door het bestuur op gedaan verzoek tot groepsgewijze of individuele deelneming, met inachtneming van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, zijn toegelaten;
e. degenen voor wie bij of krachtens wettelijke regeling in pensioenopbouw bij het fonds wordt voorzien.
2. Degenen die, conform het in lid 1 van dit artikel en artikel 1 bepaalde deelnemers zijn, blijven, nadat de verplichting tot premiebetaling te hunnen aanzien eindigt, de hoedanigheid van deelnemer behouden, indien en voor zolang zij gebruik maken van het recht tot voortzetting van de premiebetaling als in de pensioenreglementen nader omschreven.
Artikel 3 Begripsbepalingen
In dit pensioenreglement gelden de definities die opgenomen zijn in artikel 2 van de statuten van het fonds. Verder wordt, voor zover van toepassing in afwijking van de statuten, verstaan onder:
a. pensioenleeftijd:
de eerste dag van de maand waarin de deelnemer respectievelijk gewezen deelnemer 65 jaar wordt of zou zijn geworden;
b. pensioendatum:
de pensioenleeftijd, of zoveel eerder of later dan voortvloeiend uit de keuze als bepaald in artikel 12;
c. gepensioneerde:
degene van wie het ouderdomspensioen is ingegaan;
d. VUT-fonds en/of vroegpensioenfonds:
de fondsen die regelingen uitvoeren inzake vervroegd uittreden en/of pensioneren die van toepassing zijn op de deelnemers van het fonds;
e. deelnemingsjaar:
Een deelnemingsjaar bestaat uit twee deelnemingshalfjaren, te weten de periode van 1 januari tot 1 juli en de periode van 1 juli tot 1 januari. Een deelnemingshalfjaar valt samen met een kalenderhalfjaar en is volledig als pensioenaanspraken zijn verworven over het maximale aantal loondagen. Pensioenaanspraken kunnen alleen worden verworven over loondagen als bepaald in lid f van dit artikel. Indien niet over alle loondagen van een deelnemings(half)jaar pensioenaanspraken zijn verworven telt dat deelnemings(half)jaar voor een evenredig deel mee.
f. loondag:
1. een dag waarover de deelnemer aanspraak heeft op loon dan wel doorbetaling van loon door de werkgever en waarover premie is betaald;
2. een dag waarover ten aanzien van de deelnemer premie is betaald door de werkgever in geval van bijzonder verlof wegens activiteiten van de werknemersorganisatie van de deelnemer;
3. een dag waarover ten aanzien van de deelnemer premie is betaald:
- uit hoofde van een bedrijfstakeigenregeling;
- ingevolge het reglement van een VUT- of vroegpensioenfonds;
- conform één der sociale verzekeringswetten;
- conform de reglementen van de Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering (FVP);
- ingevolge het bepaalde in artikel 27 of 28 van dit reglement;
4. een dag waarover premie wordt geacht te zijn betaald ingevolge het bepaalde in artikel 18 van dit reglement.
Het aantal loondagen per deelnemingsjaar is gemaximeerd tot het totaal aantal dagen in het kalenderjaar verminderd met de zaterdagen en zondagen.
g. normale arbeidsduur:
de op grond van de CAO als bedoeld in artikel 3 lid l, sub 1, van dit reglement voor de deelnemer geldende normale arbeidsduur;
h. scheidingsdatum:
1. in geval van echtscheiding: de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
2. in geval van scheiding van tafel en bed: de datum van inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
3. in geval van beëindiging van het geregistreerde partnerschap: de datum van inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de verklaring van de betrokken partijen dan wel de rechterlijke uitspraak met betrekking tot beëindiging van de registratie van de partnerrelatie;
4. In geval van een ongeregistreerde partner: de datum waarop geen sprake meer is van een samenlevingsovereenkomst als bedoeld in lid z van dit artikel en/of indien blijkens een aan het fonds bekend gemaakte mutatie afkomstig van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) geen sprake meer is van samenwoning.
i. gewezen partner:
1. de vrouw respectievelijk de man wier respectievelijk wiens huwelijk met de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is geëindigd door echtscheiding anders dan wegens dood of vermissing, danwel door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, op een scheidingsdatum gelegen na 8 februari 1973;
2. de vrouw respectievelijk de man wier respectievelijk wiens geregistreerd partnerschap met de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is beëindigd op de scheidingsdatum anders dan wegens dood of vermissing;
j. arbeidsongeschiktheid:
de situatie waarin een aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) dan wel de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bestaat;
k. loontrend:
het op basis van het aantal deelnemers gewogen gemiddelde van de samengestelde wijzigingen in een in dit reglement bepaalde periode van de garantielonen voor (vak)volwassenen c.q. de salarissen voor werknemers van 22 jaar en ouder conform de CAO voor de Bouwnijverheid, de CAO Afbouw, de CAO voor het Natuursteenbedrijf en de CAO voor de Timmerfabrieken. Bij toepassing van de vorige volzin blijven de eventueel inbegrepen functieherwaarderingen buiten beschouwing;
l. overeengekomen vast loon:
1. voor de werknemer, die onder het werknemersbegrip valt van de laatst geldende:
- CAO voor de Bouwnijverheid: het vast overeengekomen loon als bedoeld in die CAO (inclusief de krachtens die CAO geldende vakantietoeslag), vermeerderd met de resultaten van een prestatiebevorderend systeem voortvloeiend uit die CAO;
- CAO Afbouw: het rechtens geldend loon als bedoeld in die CAO (inclusief de geldende vakantietoeslag);
- CAO voor het Natuursteenbedrijf: het individueel geldend loon als bedoeld in die CAO (inclusief de krachtens die CAO geldende vakantietoeslag);
- CAO voor de Timmerfabrieken: het individueel overeengekomen loon als bedoeld in die CAO (inclusief de krachtens die CAO geldende vakantietoeslag);
2. voor de werknemer voor wie het loon niet krachtens één van de in sub 1 van dit lid genoemde CAO's is vastgesteld:
het vast overeengekomen loon krachtens zijn arbeidsovereenkomst inclusief vakantietoeslag;
3. voor degene die een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt:
het in de periode direct voorafgaand aan de uitkeringsperiode geldende gemiddeld pensioenloon;
4. mede in aanmerking wordt genomen een met de werkgever schriftelijk overeengekomen vaste jaarlijkse uitkering onder welke benaming dan ook, zoals een dertiende maand, een vaste eindejaarsuitkering, gegarandeerde tantième e.d.;
5. overuren en reisuren buiten de normale werktijd behoren niet tot het overeengekomen vast loon;
m. pensioenloon:
1. - voor de deelnemer-werknemer:
het in enig kalenderjaar over het maximaal bereikbare aantal loondagen te verwerven overeengekomen vast loon. Ten aanzien van de werknemers vallende onder CAO Afbouw: vermeerderd met de in dat kalenderjaar geldende loonderving voor verlof- en feestdagen;
- voor de deelnemer-zelfstandige:
het door de zelfstandige jaarlijks opgegeven inkomen;
- voor de vrijwillige deelnemer:
het door de vrijwillige deelnemer jaarlijks opgegeven inkomen;
- voor de arbeidsongeschikte:
het pensioenloon als bepaald in artikel 18 lid 2;
2. Het pensioenloon bedraagt met ingang van 1 januari 2006 maximaal € 46.720,12. Het maximum pensioenloon wordt vervolgens jaarlijks aangepast aan de loontrend, als bedoeld in lid k van dit artikel, in het voorafgaande kalenderjaar;
n. gemiddeld pensioenloon:
het gemiddeld pensioenloon wordt per 1 januari en per 1 juli van enig jaar bepaald als het gewogen gemiddelde van het pensioenloon over de loondagen, met uitzondering van de loondagen genoemd in lid f, sub 3, vierde gedachtenstreepje, en lid f, sub 4 van dit artikel in de daaraanvolgende periode van 1 januari tot 1 juli respectievelijk van 1 juli tot 1 januari;
o. bodemloon:
onder bodemloon wordt verstaan 10/7 maal de AOW-uitkering als bedoeld in lid t van dit artikel. Het bodemloon wordt vervolgens aangepast overeenkomstig de wijziging van de in de vorige volzin bedoelde AOW-uitkering:
a. voor de premiegrondslag: jaarlijks per 1 januari van het jaar waarover de premie wordt geheven;
b. voor de pensioengrondslag: halfjaarlijks per 1 juli en 1 januari voor de daaraanvolgende periode in dat kalenderjaar;
p. premiegrondslag:
het pensioenloon als bedoeld in lid m, sub 1 en 2, van dit artikel verminderd met het bodemloon;
q. pensioengrondslag:
het gemiddeld pensioenloon als bedoeld in lid n, van dit artikel verminderd met het bodemloon.
De pensioengrondslag wordt vastgesteld bij de aanvang van de deelneming en zolang de deelneming voortduurt telkens op 1 januari en 1 juli daarop volgend;
r. gewezen deelnemer:
degene wiens deelneming aan de pensioenregeling van het Bpf-bouw is geëindigd anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum en wiens pensioen niet is afgekocht;
s. wettelijk minimumloon:
het minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag;
t. AOW-uitkering:
het bruto ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 9, lid 1 aanhef en onder b van de Algemene Ouderdomswet (AOW) dat aan een gehuwde per jaar wordt toegekend vermeerderd met de ingevolge die wet op het moment van vaststelling van de pensioengrondslag geldende vakantietoeslag;
u. beschikbare overrente:
de opbrengsten, exclusief vermogensresultaten, volgens de wettelijke staat ‘Beleggingen en opbrengsten' in enig boekjaar, verminderd met de interesttoevoeging voorziening pensioenverplichtingen eigen rekening volgens de wettelijke staat ‘Actuarieel verslag';
v. kinderen:
de wettige of wettig erkende kinderen van de deelnemer of gewezen deelnemer;
w. pensioenuitkering:
de betaling of nog te verrichten betaling van pensioen of enige andere uitkering door het fonds bij of krachtens de reglementen van het fonds;
x. pensioenaanspraak:
het uitzicht op een pensioenuitkering;
y. geregistreerde partner:
de persoon die het partnerschap met de (gewezen) deelnemer of de gepensioneerde heeft laten registreren conform de bij of krachtens het Burgerlijk Wetboek gestelde regels;
z. ongeregistreerde partner:
de ongehuwde persoon met wie de ongehuwde, (gewezen) deelnemer of de gepensioneerde, blijkens een door het fonds ontvangen notarieel verleden akte, een samenlevingsovereenkomst is aangegaan, mits tussen hen in de opgaande of neergaande rechte lijn geen bloedverwantschap bestaat. De samenlevingsovereenkomst dient vast te leggen dat zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren. Tevens moet de samenlevingsovereenkomst de verplichting bevatten om gezamenlijk te voorzien in huisvesting en in elkaars verzorging en dient samenwoning te blijken uit de Gemeentelijke Basis Administratie.
Artikel 4 Aanspraken
1. De deelneming kan, onder nader in het reglement aangegeven voorwaarden, aanspraak geven op:
Ouderdomspensioen
a. ouderdomspensioen ten behoeve van de deelnemer of gewezen deelnemer;
b. aanvullend ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 40 ten behoeve van deelnemers;
(Bijzonder) nabestaandenpensioen
c. nabestaandenpensioen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e)/on)geregistreerde partner van de (gewezen) deelnemer dan wel de gepensioneerde;
d. bijzonder nabestaandenpensioen ten behoeve van de gewezen partner;
Wezenpensioen
e. wezenpensioen ten behoeve van de kinderen van de (gewezen) deelnemer dan wel de gepensioneerde;
Premievrije bijboeking
f. premievrije bijboeking bij arbeidsongeschiktheid ten behoeve van de deelnemer;
Invaliditeitspensioen
g. invaliditeitspensioen en voortzetting zonder premiebetaling van het invaliditeitspensioen.
2. De pensioenaanspraken worden gefinancierd op basis van het tijdsevenredige recht, met uitzondering van de aanspraken waarop geen recht meer bestaat bij beëindiging van de deelneming.
3. De pensioenaanspraken krachtens dit reglement kunnen niet worden afgekocht, vervreemd, of prijsgegeven, dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid worden, anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet.
Artikel 5 Premie
1. Over iedere loondag is, met inachtneming van het in artikel 19 bepaalde, premie verschuldigd conform dit artikel.
2. De premie bedraagt een percentage van de premiegrondslag. De premie voor de aanvullingsregeling als bedoeld in artikel 40 van dit reglement wordt per CAO als bedoeld in artikel 3 lid l van dit reglement vastgesteld. De premiepercentages worden jaarlijks voor aanvang van het kalenderjaar vastgesteld door het bestuur gehoord de actuaris. Indien de benodigde premie als bedoeld in de eerste volzin van dit lid hoger uitkomt dan …% van de premiegrondslag, is het bepaalde in artikel 31 van toepassing.
3. De in lid 2 van dit artikel bedoelde premie is verschuldigd overeenkomstig de in de van toepassing zijnde CAO als bedoeld in artikel 3, lid l, sub 1, van dit reglement bepaalde verdeling tussen de werkgever en de werknemer. Voor de werknemer voor wie het loon niet krachtens één van de in artikel 3 lid l bedoelde CAO’s is vastgesteld, is het aan de werkgever en werknemer om de verdeling van het aandeel in de premie te regelen in de voor de werknemer van toepassing zijnde arbeidsovereenkomst. De werkgever mag het werknemersdeel van de door hem verschuldigde premie inhouden op het door hem aan de werknemer verschuldigde loon.
4. Er is geen premie verschuldigd:
a. indien de verplichting tot deelneming is geëindigd, tenzij anders is overeengekomen;
b. voor zover de deelnemer conform artikel 29 van de verplichting tot deelneming is vrijgesteld;
c. met ingang van de pensioenleeftijd.
Artikel 6 Wijze van premiebetaling
1. De werkgever is verplicht voor de bij hem in dienst zijnde werknemer voor elke loonperiode, maar minstens éénmaal per vier weken/maand, over elke loondag waarover door hem ingevolge dit reglement premie verschuldigd is, de in artikel 5, lid 2, van dit reglement bedoelde premie met inbegrip van het werknemersdeel, op een door het bestuur aan te geven wijze te betalen.
2. De deelnemer-zelfstandige en de vrijwillige deelnemer zijn verplicht, op een door het bestuur aan te geven wijze, premie te betalen.
3. Ingeval een werkgever, een deelnemer-zelfstandige of een vrijwillige deelnemer door of namens het fonds schriftelijk is aangemaand tot voldoening van een achterstallig premiebedrag, is het bepaalde in lid 1 sub a en lid 2 van dit artikel ten aanzien van de betrokken premieschuld niet langer van toepassing. In dat geval kan de voldoening alleen nog geschieden op de in de aanmaning aangegeven wijze.
4. Is een premie niet tijdig voldaan, dan is door de premie-debiteur(en) tevens de wettelijke rente over het premiebedrag verschuldigd. Bovendien worden de achterstallige premies en de daarop in rekening gebrachte rente vermeerderd met een door het bestuur vast te stellen boetepercentage. Voorts zijn aan het fonds verschuldigd alle overige kosten die door het fonds zijn gemaakt ter invordering van niet-tijdig betaalde premies. Het bestuur is bevoegd in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk af te zien van het in rekening brengen van de rente en/of boete en/of overige invorderingskosten.
5. Is een premie, verschuldigd voor en/of door een deelnemer, onbetaald gebleven tot 1 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarin de premienota is opgelegd, dan kan betaling van die premie niet meer leiden tot het verwerven of het toekennen van pensioenaanspraken in wat voor zin dan ook, behoudens het bepaalde in artikel 18. Het bestuur is bevoegd in bijzondere gevallen van het in dit lid bepaalde af te wijken.
6. Slechts indien en voor zover de voor en/of door de deelnemer verschuldigde premie volledig is voldaan, bestaat de aanspraak op de in dit reglement genoemde aanspraken. Indien niet volledig aan de premiebetalingsverplichting is voldaan worden pensioenaanspraken verstrekt naar rato van de in totaal voor en door de deelnemer betaalde premie. Hiervan wordt slechts afgeweken onder de in artikel 18 genoemde voorwaarden en op de daar aangegeven wijze.
7. Indien de in artikel 5 lid 2 bedoelde premie, voor een deelnemer-werknemer wordt voldaan door een andere premiebetaler dan bedoeld in lid 1 en lid 2 van dit artikel, worden conform dit lid pensioenaanspraken verstrekt naar rato van de hoogte van de door de premiebetaler afgedragen premie.
8.a. De werknemer voor wie buiten zijn schuld geen premie wordt afgedragen en voor wie als gevolg daarvan geen pensioenaanspraken worden geboekt, kan in principe aanspraak maken op bijboeking van die pensioenaanspraken.
b. Indien er sprake is van toepasselijkheid van artikel 61 van de Werkloosheidswet bestaat geen aanspraak op de in sub a van dit lid bedoelde bijboeking.
c. Om in aanmerking te komen voor de in sub a van dit lid bedoelde bijboeking dient de werknemer een daartoe strekkende aanvraag bij het fonds in te dienen. De aanvraag dient binnen drie maanden na het tijdstip waarop de werknemer van het niet door zijn werkgever nakomen van de verplichtingen kennis heeft kunnen nemen, te worden ingediend.
d. De werknemer dient ten genoegen van het bestuur van het fonds aan te tonen, danwel te doen aantonen:
- het bestaan van het dienstverband waaraan hij zijn aanspraken ontleent;
- de omvang van zijn aanspraken jegens het fonds uit dit dienstverband;
- dat hij zijn werkgever bij aangetekend schrijven tot nakoming van diens verplichtingen ter zake heeft aangemaand en in rechte heeft aangesproken.
e. De aanspraken worden maximaal bijgeboekt over een periode van:
- acht weken per kalenderjaar en per dienstverband als de verplichtingen van de werkgever betrekking hebben op het loontijdvak beginnend bij de aanvang van het dienstverband;
- zes weken per kalenderjaar en per dienstverband in de overige gevallen, met dien verstande dat bijboeking van aanspraken niet geschiedt indien over dat kalenderjaar reeds aanspraken over voldoende dagen zijn bijgeboekt.
f. Geen recht op de in sub a van dit lid van dit artikel bedoelde bijboeking heeft de werknemer voor zover het een deelnemingsperiode voor 1 januari 1987 betreft.
Artikel 7 Ouderdomspensioen
1. De aanspraak op ouderdomspensioen per deelnemingsjaar vanaf 1 januari 2006 bedraagt 2,25% van de som van:
- het deelnemingshalfjaar in de eerste helft van het kalenderjaar vermenigvuldigd met de pensioengrondslag op 1 januari; en
- het deelnemingshalfjaar in de tweede helft van het kalenderjaar vermenigvuldigd met de pensioengrondslag op 1 juli;
met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, lid e, van dit reglement.
2. In afwijking van het in lid 1 van dit artikel bepaalde geldt, voor ouderdomspensioen opgebouwd van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006, een opbouwpercentage van 1,95% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag (dan wel 2,2% over de periode(n) waarin werd afgezien van het weduwe-/weduwnaars-/partnerpensioen) overeenkomstig de tot 1 januari 2006 geldende pensioenregeling.
3. In afwijking van het in lid 1 van dit artikel bepaalde geldt, voor ouderdomspensioen opgebouwd van 1 januari 1987 tot 1 januari 2000, een opbouwpercentage van 1,75% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag overeenkomstig de tot 1 januari 2000 geldende pensioenregeling. (…)
4. In afwijking van het in lid 1 van dit artikel bepaalde geldt, voor ouderdomspensioen opgebouwd tot 1 januari 1987, de volgende wijze van berekening. Voor de berekening van het ouderdomspensioen worden twee tijdvakken onderscheiden:
Eerste tijdvak, zijnde het tijdvak, gelegen voor 3 juni 1962.
Tweede tijdvak, zijnde het tijdvak van 3 juni 1962 tot 1 januari 1987.
Per tijdvak wordt het jaarbedrag van het in dat tijdvak opgebouwde ouderdomspensioen vastgesteld op het aantal van de over bedoeld tijdvak bij het fonds als betaald geboekte premies, vermenigvuldigd met respectievelijk 18,55961 eurocent (eerste tijdvak) of 22,00834 eurocent (tweede tijdvak).
5. Het ouderdomspensioen gaat in bij het bereiken van de pensioenleeftijd, tenzij de (gewezen) deelnemer gebruik heeft gemaakt van de in artikel 12 bedoelde keuzemogelijkheid, in welk geval het ouderdomspensioen ingaat op de daarbij gekozen pensioendatum. Het ouderdomspensioen eindigt op de laatste dag van de maand waarin de gepensioneerde overlijdt.
6. Het ouderdomspensioen zal niet uitstijgen boven hetgeen is toegestaan krachtens artikel 18a, van de Wet op de loonbelasting 1964 en zal bij ingang niet meer bedragen dan 100% van het pensioengevende loon als bedoeld in dat artikel. Het in de vorige volzin genoemde maximum van 100% mag worden overschreden indien en voor zover sprake is van waardeoverdracht in de zin van artikel 22 of pensioenuitstel in de zin van artikel 12 van dit reglement of indien een in aanvang tijdelijk hogere ouderdomspensioenuitkering als omschreven in artikel 24 lid 6 van dit reglement van toepassing is.
Artikel 8 Nabestaandenpensioen
1. Met ingang van 1 januari 2006 bedraagt het nabestaandenpensioen 70% van het volgens artikel 7 lid 1 van dit reglement opgebouwde ouderdomspensioen, onverminderd de eventuele aanspraken als bedoeld in de volgende leden van artikel 8, op het moment van overlijden op of na 1 januari 2006 van de (gewezen) deelnemer c.q. de gepensioneerde en onverminderd het bepaalde in artikel 9 van dit reglement.
In geval van overlijden van de deelnemer op of na 1 januari 2006 bedraagt het nabestaandenpensioen ten minste 17% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag. Gedurende de periode van deelneming als bedoeld in artikel 34 lid 1, van dit reglement wordt bij de toepassing van de vorige volzin een pensioengrondslag gehanteerd welke gebaseerd is op het garantieloon van een vakvolwassene c.q. het salaris voor werknemers van 22 jaar en ouder, dat geldt voor de functie waarin hij/zij tot het overlijden werkzaam was.
Het bepaalde in de tweede volzin van dit artikel is alleen van toepassing indien de deelnemer niet binnen 1 jaar is overleden na de datum waarop het huwelijk is voltrokken, respectievelijk het geregistreerd partnerschap is gesloten dan wel in geval van ongeregistreerd partnerschap de samenlevingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3, lid z, van dit reglement is gesloten.
2. Ten aanzien van de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 geldt dat onverminderd de eventuele aanvullende aanspraken als bedoeld in lid 3 en lid 4 van dit artikel het weduwe-/weduwnaarspensioen/partnerpensioen bij overlijden in die periode van de deelnemer voor de pensioendatum, ten hoogste 23,5% bedraagt van de laatst vastgestelde pensioengrondslag met inachtneming van daarbij geldende voorwaarden krachtens het in die periode geldende reglement . Ten aanzien van de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 bestaat aanspraak op weduwe-/weduwnaarspensioen bij overlijden in die periode van de gepensioneerde voor zover hij/zij overeenkomstig het toen geldende reglement op de pensioendatum had gekozen voor het verzekeren van weduwe-/weduwnaarspensioen. In de in de vorige volzin bedoelde periode werd met “weduwe/weduwnaar” gelijk gesteld de achterblijvende geregistreerde partner. Ten aanzien van bedoelde periode bestond tevens aanspraak op partnerpensioen bij overlijden in die periode van de gepensioneerde.
3. Ten aanzien van de periode van 1 januari 1987 tot 1 januari 2000 geldt dat onverminderd de eventuele aanvullende aanspraken als bedoeld in lid 1, 2 en 4 van dit artikel het eventueel opgebouwde weduwe-/weduwnaarspensioen tot de eerste dag van de maand waarin de weduwe/weduwnaar de 65-jarige leeftijd bereikt 80% en nadien 70% bedraagt van het conform het in die periode geldende reglement bereikbare ouderdomspensioen. Bij overlijden van de (gewezen) deelnemer voor 1 januari 2000 wordt de nog niet verstreken pensioenaanspraakgevende periode overeenkomstig het in die periode geldende reglement meegeteld met inachtneming van de krachtens dat reglement geldende parttime-breuk (…).
Met ingang van 1 januari 1998 wordt ten aanzien van de periode 1 januari 1987 tot 1 januari 2000 met “weduwe/weduwnaar” gelijk gesteld de achterblijvende geregistreerde partner.
In de periode van 1 januari 1987 tot 1 januari 2000 bestond tevens aanspraak op partnerpensioen voor de ongeregistreerde partner overeenkomstig het in die periode geldende reglement.
4. In aanvulling op het in de vorige leden bepaalde geldt voor het eventueel opgebouwde weduwe- en weduwnaarspensioen over de periode tot 1 januari 1987 overeenkomstig het in die periode geldende reglement de volgende wijze van berekening. Voor de berekening van het weduwe- en weduwnaarspensioen worden de in artikel 7 lid 4 bedoelde twee tijdvakken onderscheiden. Per tijdvak wordt het jaarbedrag van het in dat tijdvak opgebouwde weduwe- en weduwnaarspensioen vastgesteld op het aantal van de over bedoeld tijdvak bij het fonds als betaald geboekte premies, vermenigvuldigd met 12,97811 eurocent. Het aldus berekende weduwe- en weduwnaarspensioen dat ten aanzien van de (gewezen) deelnemers, geboren in 1902 tot en met 1925, wordt verhoogd door het pensioen te vermenigvuldigen met 40. Het resultaat wordt vervolgens gedeeld door het aantal van de jaren, gelegen tussen de in 1951 gelegen verjaardag van de (gewezen) deelnemer en diens 65ste verjaardag. Het alsdan geldende pensioen wordt daarop verhoogd met een aantal van de over het tweede tijdvak bij het fonds als betaald geboekte premies, vermenigvuldigd met 2,40504 eurocent. Indien de deelneming in het fonds tengevolge van het overlijden is geëindigd en het overlijden heeft plaatsgevonden voor het einde van het tweede tijdvak, wordt het weduwe- en weduwnaarspensioen verhoogd tot het bedrag, dat op grond van de voorgaande alinea's zou zijn verworven, indien de deelneming tot het begin van het rechtjaar waarin premie wordt betaald, dat zou aanvangen in het kalenderjaar waarin de 65-jarige leeftijd zou worden bereikt, zou hebben voortgeduurd en de (gewezen) deelnemer nadien zou zijn overleden.
Sinds 1 januari 1998 wordt voor de toepassing van dit lid met “weduwe/weduwnaar” gelijk gesteld de achterblijvende geregistreerde partner.
5. Indien de echtgenote/echtgenoot/(on)geregistreerde partner meer dan 10 jaar jonger is dan de (gewezen) deelnemer of de gepensioneerde, zal het conform lid 1, lid 2 en lid 3 van dit artikel berekende pensioen worden verminderd met 2½% voor ieder vol jaar, waarmee het leeftijdsverschil de 10 jaar overtreft.
6. Het nabestaandenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die, waarin de (gewezen) deelnemer, c.q. gepensioneerde overlijdt.
Het nabestaandenpensioen eindigt op de laatste dag van de maand waarin de gerechtigde op nabestaandenpensioen overlijdt.
7. Het nabestaandenpensioen zal niet uitstijgen boven hetgeen is toegestaan krachtens artikel 18b, van de Wet op de loonbelasting 1964 en zal bij ingang niet meer bedragen dan 70% van het pensioengevende loon als bedoeld in dat artikel.
8. Indien de deelnemer, ten aanzien van wie het in lid 1 van dit artikel genoemde percentage van 17 van toepassing is, op het moment van overlijden op of na 1 januari 2006 minder dan 10 jaar en 9 maanden na 1 januari 2000 deelnemer was, respectievelijk dit aantal had kunnen bereiken op de pensioenleeftijd, wordt dat percentage verlaagd met 1,58%punt voor elk vol jaar, respectievelijk bij een niet vol jaar met een evenredig gedeelte van 1,58%punt, minder dan 10 jaar en 9 maanden. Onder het in de vorige volzin bedoelde aantal wordt tevens verstaan een deelnemingsjaar c.q. een gedeelte daarvan verworven door waardeoverdracht. Onder de voorwaarden genoemd in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 9 augustus 2001 (nr. RTB2001/2390M) kan ook diensttijd vóór 1 januari 2000 in acht worden genomen indien wordt aangetoond dat sprake is van een pensioentekort van de deelnemer. Indien het bepaalde in de vorige volzin toepassing vindt, bedraagt het percentage genoemd in het zevende lid van dit artikel 50.
Artikel 9 Bijzonder nabestaandenpensioen
1. Indien de deelnemer of gewezen deelnemer na aanvang van zijn deelneming één of meermalen gehuwd dan wel als partner geregistreerd is geweest of een samenlevingsovereenkomst heeft gehad als bedoeld in artikel 3 lid z van dit reglement met een gewezen partner als bedoeld in artikel 3 lid i van dit reglement, zijn met betrekking tot het bijzonder nabestaandenpensioen en het conform artikel 8 lid 1, 2, 3 en 4 en artikel 14 vastgestelde nabestaandenpensioen de volgende bepalingen van toepassing.
2. Het jaarlijkse nabestaandenpensioen van een gewezen partner is gelijk aan het jaarlijkse premievrije nabestaandenpensioen, waarop voor haar/hem aanspraak zou hebben bestaan, indien de deelneming zou zijn geëindigd op de scheidingsdatum. Indien de scheidingsdatum ligt na de datum waarop de deelneming is geëindigd, treedt de beëindigingsdatum voor de toepassing van dit artikel voor de scheidingsdatum in de plaats.
a. Voor de tot 1 januari 1987 opgebouwde aanspraken geldt dat alle ten gunste van de (gewezen) deelnemer bij het fonds geboekte premies, tot en met het (…) kalenderjaar waarin de scheidingsdatum is gelegen, geacht worden betrekking te hebben op de periode voor de scheidingsdatum.
b. Voor de van 1 januari 1987 tot 1 januari 2000 opgebouwde aanspraken geldt de laatst bij het fonds bekende pensioengrondslag op de scheidingsdatum. In verband hiermee kunnen de gewezen echtgenoten uiterlijk binnen 1 jaar na de scheidingsdatum per aangetekende brief opgeven dat de op die datum conform artikel 3 lid q vastgestelde pensioengrondslag geldt.
3. Op het bijzonder nabestaandenpensioen is het bepaalde in artikel 8 lid 5 en lid 6 van overeenkomstige toepassing.
4. De aanspraak op nabestaandenpensioen van elke opvolgende gerechtigde op nabestaandenpensioen wordt vastgesteld conform
artikel 8 met uitzondering van het bepaalde in de tweede volzin van lid 1 van dat artikel. Deze aanspraak wordt echter eerst verlaagd met de aanspraak, c.q. aanspraken, waarop conform lid 2 van dit artikel recht zal bestaan voor de gewezen partner(s) indien deze met de deelnemer is of zijn gehuwd dan wel als partner geregistreerd is of zijn geweest voor het begin van haar/zijn deelneming en het bepaalde in artikel 8 lid 5 op deze aanspraak niet van toepassing is geweest en de scheidingsdatum is gelegen na 8 februari 1973.
De aanspraak op nabestaandenpensioen wordt ook verlaagd indien een echtgenote/echtgenoot/geregistreerde partner, aan wie een aanspraak op bijzonder nabestaandenpensioen toekwam, inmiddels is overleden.
Het bepaalde in dit lid is niet van toepassing indien het nabestaandenpensioen van de opvolgende echtgenote/echtgenoot /(on)geregistreerde partner wordt vastgesteld conform artikel 8 lid 2.
5. Aan de gerechtigde op bijzonder nabestaandenpensioen verschaft het fonds een bewijs van deze aanspraak.
6. Het in lid 2 tot en met lid 4 met uitzondering van de laatste volzin, van dit artikel bepaalde vindt geen toepassing, indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden dan wel voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een geschrift gesloten overeenkomst, met het oog op de scheiding, anders overeen zijn gekomen. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van het fonds is gehecht, dat het fonds bereid is een uit de afwijking voortvloeiend pensioenrisico te dekken.
De aanspraak op nabestaandenpensioen ten behoeve van de echtgenote/echtgenoot/(on)geregistreerde partner van een deelnemer of gewezen deelnemer kan zonder haar/zijn toestemming niet bij overeenkomst tussen haar/zijn echtgenote/echtgenoot/(on)geregistreerde partner en het fonds of de werkgever worden verminderd anders dan bij afkoop als bepaald in artikel 24 lid 3.
Artikel 10 Wezenpensioen
1. Indien een (gewezen) deelnemer of gepensioneerde op of na 1 januari 2006 overlijdt, is het bedrag van het wezenpensioen met inbegrip van het eventuele wezenpensioen als bedoeld in lid 2 van dit artikel voor elk kind 6,5% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag.
2. Ten aanzien van de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 geldt dat onverminderd de eventuele aanvullende aanspraken als bedoeld in lid 3 en lid 4 van dit artikel (…) het wezenpensioen voor elk kind bij overlijden van een (gewezen) deelnemer ten hoogste 9% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag bedraagt overeenkomstig het in die periode geldende reglement.
3. In aanvulling op het in lid 1 en 2 van dit artikel bepaalde bedraagt het wezenpensioen voor elk kind 16% van het eventueel in de periode met ingang van 1 januari 1987 tot 1 januari 2000 conform artikel 7 lid 3 opgebouwde ouderdomspensioen.
4. In aanvulling op het in lid 1, 2 en 3 van dit artikel bepaalde bedraagt het wezenpensioen voor elk kind 20% van het eventueel in de periode tot 1 januari 1987 conform het in die periode geldende reglement. opgebouwde weduwe-/weduwnaarspensioen of verzekerde partnerpensioen.
5. Wezenpensioenen, welke worden uitgekeerd aan volle wezen, worden verdubbeld. Volle wezen zijn de kinderen van de deelnemer of gewezen deelnemer, die door haar/zijn overlijden ouderloos zijn geworden. Als volle wezen worden ook beschouwd de kinderen van de (gewezen) deelnemer waarover de moeder/vader na het overlijden van de (gewezen) deelnemer de voogdij niet uitoefent wegens ontzetting of eerdere ontzetting uit de ouderlijke macht, of de kinderen van de (gewezen) deelnemer waarvan na het overlijden van de (gewezen) deelnemer ook de andere ouder komt te overlijden.
6. a. Het wegens overlijden van een (gewezen) deelnemer uit te betalen wezenpensioen conform lid 1 van dit artikel bedraagt in totaal bij vier of meer kinderen hoogstens 26% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag.
b. Het wegens overlijden van een (gewezen) deelnemer uit te betalen wezenpensioen conform lid 2 van dit artikel bedraagt in totaal bij vier of meer kinderen hoogstens 36% van de laatst vastgestelde pensioengrondslag overeenkomstig het in die periode geldende reglement .
c. Het wegens overlijden van een (gewezen) deelnemer uit te betalen wezenpensioen conform lid 3 van dit artikel is in totaal bij vier of meer kinderen hoogstens 64% van bereikbare ouderdomspensioen overeenkomstig het in die periode geldende reglement .
d. Het wegens overlijden van een (gewezen) deelnemer uit te betalen wezenpensioen conform lid 4 van dit artikel, is in totaal ten hoogste gelijk aan het bedrag van het weduwe-/weduwnaars-/ partnerpensioen overeenkomstig het in die periode geldende reglement, dat wegens bedoeld overlijden wordt uitbetaald. Voor volle wezen is het wezenpensioen ten hoogste gelijk aan het dubbele van het weduwe-/weduwnaars-/partnerpensioen, dat wegens het overlijden van een (gewezen) deelnemer wordt uitbetaald.
7. Het wezenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die, waarin de (gewezen) deelnemer overlijdt.
Het wezenpensioen eindigt op de laatste dag van de maand, waarin het kind de 18-jarige leeftijd bereikt, of zoveel later, doch uiterlijk op de laatste dag van de maand waarin de 27-jarige leeftijd wordt bereikt indien en zolang diens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of een opleiding voor een beroep.
Het bepaalde in de vorige volzin is alleen van toepassing indien het overlijden van de (gewezen) deelnemer plaatsvindt op of na
1 januari 1987.
Het wezenpensioen eindigt in ieder geval op de laatste dag van de maand, waarin het kind overlijdt.
8. Indien er sprake is van een maximum als bepaald in lid 6 van dit artikel hebben de kinderen die op grond van dit artikel op enig moment op wezenpensioen recht kunnen doen gelden, recht op een gelijk deel van het totaal aan wezenpensioen als bepaald in lid 6 van dit artikel.
9. Het wezenpensioen zal niet uitstijgen boven hetgeen is toegestaan krachtens artikel 18c, van de Wet op de loonbelasting 1964 en met inbegrip van eventueel wezenpensioen uit hoofde van deelnemingsperioden van vóór 1 januari 2006 bij ingang nooit meer bedragen dan 14% (in geval van volle wezen als bedoeld in lid 4: 28%) van het pensioengevende loon als bedoeld in dat artikel. Indien de deelnemer op het moment van overlijden minder dan 20 jaar en 4 maanden na 1 januari 2006 deelnemer was, respectievelijk dit aantal had kunnen bereiken op de pensioenleeftijd, wordt het wezenpensioen verworven over de deelnemingsperiode na 1 januari 2006 verlaagd met 0,32%punt voor elk vol jaar, respectievelijk bij een niet vol jaar met een evenredig gedeelte van 0,32%punt, minder dan 20 jaar en 4 maanden. Indien het bepaalde in het vierde lid van toepassing is, wordt dit percentage verdubbeld. Onder het in de voorvorige volzin bedoelde aantal wordt tevens verstaan een deelnemingsjaar c.q. een gedeelte daarvan verworven door waardeoverdracht.
Artikel 11 Verevening ouderdomspensioen na scheiding
1. Onder scheiding wordt in dit artikel verstaan echtscheiding, scheiding van tafel en bed en beëindiging van het geregistreerd partnerschap, anders dan door dood of vermissing. Dit artikel is van toepassing indien en voorzover de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is.
2. De gewezen partner krijgt een aanspraak op uitbetaling van een gedeelte van elke uit te betalen termijn van het jaarlijkse ouderdomspensioen, mits het fonds binnen twee jaar na de scheidingsdatum de wettelijk voorgeschreven meldingsformulieren heeft ontvangen.
3. Het gedeelte bedoeld in lid 2 van dit artikel bedraagt de helft van het ouderdomspensioen waarop volgens dit reglement aanspraak zou hebben bestaan indien de (gewezen) deelnemer/gepensioneerde uitsluitend gedurende de periode van deelneming tussen de huwelijkssluiting en de scheidingsdatum zou hebben deelgenomen aan het fonds, vermeerderd met de daarop verleende verhogingen ingevolge artikel 25 van dit reglement. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met een mogelijke verhoging van het ouderdomspensioen als gevolg van inruil van na de scheidingsdatum opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen.
4. Bij huwelijkse voorwaarden in geval van huwelijk dan wel voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of in een schriftelijke overeenkomst met het oog op de scheiding kan worden afgeweken van het gestelde in lid 2 van dit artikel wat betreft de periode van deelneming die bij de berekening in aanmerking wordt genomen en wat betreft het percentage dat aan de gewezen partner wordt toegekend. Dit binnen het kader van de in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding gestelde voorwaarden.
5. Bij huwelijkse voorwaarden in geval van huwelijk dan wel voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de scheiding kan worden overeengekomen dat het recht van de gewezen partner op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen tezamen met het recht op bijzonder nabestaandenpensioen wordt geconverteerd in een recht op eigen ouderdomspensioen op naam van de gewezen partner, onder de voorwaarden als omschreven in artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Deze overeenkomst is slechts geldig indien het fonds zijn schriftelijke goedkeuring aan de overeenkomst hecht. De conversie moet voor het fonds verzekeringstechnisch neutraal zijn. Het bestuur van het fonds kan aan zijn goedkeuring voorwaarden verbinden.
Artikel 12 Flexibele pensioendatum
1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 3 lid b, kan een (gewezen) deelnemer het pensioen in laten gaan voor of na de pensioenleeftijd met ingang van de eerste dag van enige maand doch uiterlijk met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij de 70-jarige leeftijd bereikt. Eerdere pensionering is alleen toegestaan indien de (gewezen) deelnemer gelijktijdig daarmee het dienstverband beëindigt. De (gewezen) deelnemer dient dit bij de aanvraag tot vervroeging uitdrukkelijk te verklaren. Indien gelijktijdig met de eerdere pensionering een vroegpensioenuitkering wordt ontvangen, zal de totale uitkering niet meer bedragen dan 85% van het laatstelijk vastgestelde gecorrigeerde pensioenloon. Indien latere pensionering plaatsvindt, kan het ouderdomspensioen niet later ingaan dan met ingang van het moment waarop:
a. de (gewezen) deelnemer zijn dienstverband (naar rato) beëindigt; of
b. het recht op ouderdomspensioen de grens van 100% bedoeld in artikel 7, lid 6, van dit reglement bereikt.
2. Bij eerdere of latere pensionering van de (gewezen) deelnemer, zal de hoogte van het pensioen actuarieel worden herberekend op basis van de actuariële grondslagen en methoden die op het moment van pensionering bij het fonds in gebruik zijn. De thans geldende procentuele korting of vermeerdering van de hoogte van het pensioen is opgenomen in een bijlage bij dit reglement.
Vervroegen van de pensioendatum mag er niet toe leiden dat het totale jaarlijkse pensioen lager wordt dan het bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet vastgestelde bedrag inzake afkoop.
3. Indien de (gewezen) deelnemer gebruik maakt van de mogelijkheid zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, is de toestemming van de echtgeno(o)t(e)/geregistreerde partner van de (gewezen) deelnemer vereist tenzij het recht op pensioenverevening is uitgesloten overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. De gemaakte keuze is onherroepelijk.
4. De deelnemer kan het ouderdomspensioen gedeeltelijk laten ingaan indien met inachtneming van de wetgeving daaromtrent overeenstemming bestaat tussen de werkgever en de werknemer over de invulling van de periode van deeltijdpensionering.
Artikel 13 [vervallen]
Artikel 14 Uitruil op de pensioendatum
1. De (gewezen) deelnemer kan op de pensioendatum de keuze maken:
a. voor uitruil van (een deel van) het met ingang van 1 januari 2006 opgebouwde nabestaandenpensioen voor een verhoging van het ouderdomspensioen onder de voorwaarde van instemming van diens echtgeno(o)t(e)/(on)geregistreerde partner; of
b. voor uitruil van een deel van het in de periode vanaf 1 januari 2000 opgebouwde ouderdomspensioen voor een nabestaandenpensioen.
De gemaakte keuze is onherroepelijk. Uitruil geschiedt op basis van de actuariële grondslagen en methoden die op het moment van uitruil bij het fonds in gebruik zijn. Het in verband met de keuze onder b ten aanzien van het ouderdomspensioen geldende kortingspercentage wordt door het fonds vastgesteld.
2. Indien de (gewezen) deelnemer 3 maanden voor de pensioendatum geen keuze voor één van de twee in lid 1 genoemde varianten aan het fonds kenbaar maakt, is de variant genoemd in lid 1, sub b, van toepassing onder gelijktijdige toepassing van artikel 24, lid 6, van dit reglement met inachtneming van de volgende volzin. Na de toepassing van de keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 24, lid 6, van dit reglement dient op de pensioenleeftijd een uit alle deelnemingsperioden verkregen ouderdomspensioenuitkering vermeerderd met tweemaal de AOW-uitkering als bedoeld in artikel 3, sub t, van dit artikel te resteren van ten minste 70% van het gemiddelde pensioenloon in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de pensioendatum in combinatie met een meeverzekerd nabestaandenpensioen ter grootte van 70% van dat ouderdomspensioen. Het resterende deel van het ouderdomspensioen wordt vervroegd.
3. Het nabestaandenpensioen als bedoeld in lid 1 sub b van dit artikel gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gepensioneerde overlijdt. Het in de voorgaande volzin bedoelde nabestaandenpensioen eindigt op de laatste dag van de maand, waarin de gerechtigde op nabestaandenpensioen overlijdt.
4.. Indien de echtgenote/echtgenoot/(on)geregistreerde partner meer dan 10 jaar jonger is dan de deelnemer, zal het conform lid 1 sub a van dit artikel berekende pensioen worden verminderd met 2½% voor ieder vol jaar, waarmee het leeftijdsverschil de 10 jaar overtreft.
5. Het bepaalde in dit artikel is alleen van toepassing indien de gepensioneerde niet binnen 1 jaar na de datum waarop het huwelijk is voltrokken of de samenlevingsovereenkomst notarieel is verleden, is overleden.
Artikel 15 Pensioenopbouw naast een pensioenuitkering
1. Indien een deelnemer gelijktijdig een pensioenuitkering van het fonds ontvangt, geldt ten aanzien van deze deelneming het in het reglement bepaalde, tenzij in dit artikel anders wordt bepaald.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde deelneming kan aanspraak geven op pensioen als bedoeld in artikel 4 lid 1 met uitzondering van het aldaar in sub b, f en sub g bepaalde.
3. De door de deelnemer gemaakte keuzen op grond van het bepaalde in artikel 14 en artikel 24 lid 6 ten aanzien van de ingegane pensioenuitkering gelden onverkort voor de deelneming als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
4. De in lid 1 van dit artikel bedoelde deelneming geeft geen recht op het in artikel 27 en artikel 28 bepaalde.
5. Uitkeringen voortvloeiend uit de in lid 1 van dit artikel bedoelde deelneming worden alsdan tot één uitkering samengevoegd met de in lid 1 van dit artikel bedoelde bestaande pensioenuitkering.
Artikel 16 Uitkering bij overlijden
1. Indien een (gewezen) deelnemer is overleden voor de eerste van de maand, waarin hij de 65-jarige leeftijd zou hebben bereikt en indien voor hem tot uiterlijk 1 januari 1987 ten minste 250 dagpremies bij het fonds als betaald zijn geboekt, wordt aan de weduwe/weduwnaar of partner een aanspraak toegekend op een uitkering ineens. In geval van ontstentenis van een weduwe/weduwnaar of partner wordt de aanspraak op een éénmalige uitkering gezamenlijk toegekend aan de kinderen beneden de
19-jarige leeftijd.
2. Het bedrag van de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitkering wordt bepaald door het bij het fonds als betaald geboekte aantal premies te vermenigvuldigen met € 0,07. Bedraagt de dienovereenkomstig berekende uitkering minder dan € 22,69, dan wordt de uitkering-ineens op € 22,69 gesteld.
Artikel 17 [vervallen]
Artikel 18 Premievrije bijboeking
1. Indien en voor zolang een deelnemer een uitkering krachtens de WIA dan wel de WAO ontvangt, worden op zijn aanvraag aanspraken zonder premiebetaling toegekend ter hoogte van:
a. 100% van de aanspraken die zouden zijn verkregen bij de voor hem geldende normale arbeidsduur bij een arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA dan wel de WAO van 65% of meer;
b. 50% van de aanspraken die zouden zijn verkregen bij de voor hem geldende normale arbeidsduur bij een arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA dan wel de WAO van 45% of meer, maar minder dan 65%;
c. 25% van de aanspraken die zouden zijn verkregen bij de voor hem geldende normale arbeidsduur bij een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer in de zin van de WIA, dan wel bij een arbeidsongeschiktheid van 25% of meer in de zin van de WAO, maar minder dan 45%.
Er worden geen aanspraken toegekend over een periode die ligt voor 1 jaar vóór de ontvangst van de aanvraag.
Indien geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid en de deelneming om die reden eindigt, bestaat premievrije aanspraak op de opgebouwde aanspraken overeenkomstig het bepaalde in artikel 21 van dit reglement.
Indien de overeengekomen arbeidsduur minder bedraagt dan de normale arbeidsduur vindt vaststelling van de aanspraken plaats met inachtneming van het bepaalde in artikel 19.
Het recht op de in dit lid bedoelde aanspraken bestaat niet eerder dan 2 jaar na aanvang van de deelneming.
2. Met ingang van de dag dat aan de deelnemer, die een uitkering krachtens de WIA dan wel de WAO ontvangt, aanspraken worden toegekend zonder dat premie aan het fonds is verschuldigd, geldt als pensioenloon het laatst vastgestelde pensioenloon dat halfjaarlijks per 1 januari en 1 juli wordt herzien met de loontrend. In de periode van deelneming, als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b, wordt in de voornoemde herziening mede begrepen de loonsverhogingen waarop betrokkene nog aanspraak zou hebben gehad tot en met het niveau van vakvolwassene voor de functie waarin hij tot voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid werkzaam was. Ten aanzien van de aanspraken op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen verworven over de periode vanaf 1 januari 2006 geldt dat deze worden verminderd tot 48% daarvan onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 8, lid 1, tweede en vierde volzin, van dit reglement.
3. Het in de voorgaande leden bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene, die geen aanspraak op een uitkering, als in lid 1 van dit artikel bedoeld, heeft in verband met de omstandigheid, dat hij niet ingevolge de WIA dan wel de WAO is verzekerd, maar wel wegens arbeidsongeschiktheid, als in lid 1 van dit artikel bedoeld, aanspraak heeft op een uitkering krachtens de voormalige Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) of krachtens een niet bij wet geregelde verzekering tegen inkomensverlies wegens arbeidsongeschiktheid. Het bestuur kan, wanneer het zulks nodig acht, in verband met het in de vorige volzin bepaalde een geneeskundig of een loonkundig onderzoek doen instellen, zowel binnen als buiten Nederland. De aanvrager is verplicht aan een zodanig onderzoek zijn volledige medewerking te verlenen.
De aanvrager die aanspraak heeft op een uitkering krachtens een niet bij de wet geregelde verzekering tegen inkomensverlies wegens arbeidsongeschiktheid, is verplicht, zo dikwijls het bestuur zulks nodig oordeelt, een bewijs van de mate van arbeidsongeschiktheid over te leggen. Bij niet-nakoming van deze verplichting verliest hij zijn recht op bijboeking van pensioenaanspraken als in dit artikel bepaald.
4. Het bestuur is bevoegd om in bijzondere gevallen aan een deelnemer, die een uitkering krachtens de WIA dan wel de WAO ontvangt, maar die aan het bepaalde in lid 1 tot en met lid 3 van dit artikel geen aanspraak op voortzetting van opbouw van pensioenaanspraken zonder premiebetaling kan ontlenen, dit recht niettemin geheel of ten dele toe te kennen.
5. Voortzetting van de deelneming en opbouw van pensioenaanspraken zonder premiebetaling, als bedoeld in lid 1 tot en met lid 4 van dit artikel, vindt niet plaats, wordt gestaakt of verminderd, indien en voor zover uit anderen hoofde bij het fonds of elders opbouw van pensioenaanspraken plaatsvindt.
6. Indien de aanspraak op voortzetting zonder premiebetaling is ontstaan na 1 januari 2000 en voor 1 januari 2006 worden, zolang de arbeidsongeschiktheid van de deelnemer voortduurt:
- de aanspraken tot 1 januari 2006 vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7 lid 2 en/of artikel 8 lid 2 en/of artikel 10 lid 2 en het bepaalde in lid 1 tot en met lid 4 en lid 11 van dit artikel;
- de aanspraken met ingang van 1 januari 2006 vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1 en lid 2 sub b, artikel 10, lid 1, en het bepaalde in lid 1, tweede volzin, tot en met lid 5 en lid 10 van dit artikel waarbij de aldus berekende aanspraken op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen verworven over de periode vanaf 1 januari 2006 worden verminderd tot 48% daarvan onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 8, lid 1, tweede en vierde volzin, van dit reglement.
7. Indien de aanspraak op voortzetting zonder premiebetaling is ontstaan na 1 januari 1987 en voor 1 januari 2000 worden, zolang de arbeidsongeschiktheid van de deelnemer voortduurt:
- de aanspraken tot 1 januari 2000 vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7 lid 3 en/of artikel 8 lid 3 en/of artikel 9 lid 1 en lid 2 sub b en/of artikel 10 lid 3 en het bepaalde in lid 1 tot en met lid 4 en lid 11 van dit artikel;
- de aanspraken met ingang van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 worden vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7 lid 2 en/of artikel 8 lid 2 en/of artikel 9 lid 1 en lid 2 sub b en/of artikel 10 lid 1 sub b en het bepaalde in lid 1, eerste volzin, tot en met lid 5 en lid 10 van dit artikel;
- de aanspraken met ingang van 1 januari 2006 vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1 en lid 2 sub b, artikel 10, lid 1, en het bepaalde in lid 1, tweede volzin, tot en met lid 5 en lid 10 van dit artikel waarbij de aldus berekende aanspraken op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen verworven over de periode vanaf 1 januari 2006 worden verminderd tot 48% daarvan onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 8, lid 1, tweede en vierde volzin, van dit reglement.
8. Voortzetting van de deelneming en opbouw van pensioenaanspraken zonder premiebetaling vindt niet plaats over tijdvakken gelegen voor 1 januari 1987, tenzij de aanspraak op deze voortzetting zonder premiebetaling is ontstaan voor 1 januari 1987. In dit laatste geval vindt die bijboeking van pensioenaanspraken zonder premiebetaling wegens arbeidsongeschiktheid plaats conform het bepaalde in lid 1, met uitzondering van sub c, lid 4 en lid 5 van dit artikel, en indexatie conform lid 8 van dit artikel. Het bestuur is bevoegd in bijzondere gevallen van het in dit lid bepaalde af te wijken.
9. Voor een deelnemer voor wie tot 1 januari 1987 bijboeking van pensioenaanspraken zonder premiebetaling wegens arbeidsongeschiktheid plaats heeft gevonden worden, zolang de arbeidsongeschiktheid van de deelnemer voortduurt:
- de aanspraken tot 1 januari 2000 vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7 lid 4 en/of artikel 8 lid 4 en/of artikel 9 lid 1 en lid 2 sub a en/of artikel 10 lid 4 en het bepaalde in lid 1, eerste volzin, sub a en sub b, lid 9 en lid 10 van dit artikel. De door bedoelde deelnemer verworven aanspraken op pensioen worden geïndexeerd conform het bepaalde in artikel 25. De uitkering bij overlijden als bedoeld in artikel 16 blijft echter gebaseerd op de tot 1 januari 1987 geboekte premies;
- de aanspraken met ingang van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 worden vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7 lid 2 en/of artikel 8 lid 2 en/of artikel 9 lid 1 en lid 2 sub b en/of artikel 10 lid 1 sub b, en het bepaalde in lid 1 tot en met lid 5 en lid 10 van dit artikel. Ten aanzien van de in de vorige volzin genoemde periode geldt dat de hierbij van toepassing zijnde pensioengrondslag resulteert in een pensioen dat ten minste zou zijn opgebouwd indien de pensioenregeling per 1 januari 2000 niet zou zijn gewijzigd. Het gecorrigeerd pensioenloon wordt jaarlijks tot 1 januari 2006 geïndexeerd met de loontrend;
-- de aanspraken met ingang van 1 januari 2006 vastgesteld conform het bepaalde in artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1 en lid 2 sub a, artikel 10, lid 1, en het bepaalde in lid 1 tot en met lid 5 en lid 10 van dit artikel waarbij de aldus berekende aanspraken op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen verworven over de periode vanaf 1 januari 2006 worden verminderd tot 48% daarvan onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 8, lid 1, tweede en vierde volzin, van dit reglement.
10. Voor degene, die
- werknemer/zelfstandige in de bouwnijverheid is geweest èn
- voor het bereiken van de 19-jarige leeftijd arbeidsongeschikt is geworden èn
- geen opbouw van pensioenaanspraken had voor 1 januari 1987 èn
- een uitkering ingevolge de WAO ontvangt op 31 december 1986
vindt met ingang van 1 januari 1987, respectievelijk de latere datum waarop de 19-jarige leeftijd wordt bereikt, bijboeking van pensioenaanspraken plaats, conform het bepaalde in lid 1 eerste volzin sub a en sub b en lid 8 van dit artikel.
11. De deelneming en opbouw van pensioenaanspraken zonder premiebetaling wordt beëindigd indien de deelnemer gebruik maakt van het recht op waarde-overdracht conform het bepaalde in
artikel 22.
Artikel 19 Premie en aanspraken bij een kortere dan de normale arbeidsduur
1. Indien de tussen de deelnemer en werkgever overeengekomen arbeidsduur minder bedraagt dan de normale arbeidsduur, zijn de navolgende bepalingen van toepassing. Dit artikel is uitsluitend van toepassing voor de met ingang van 1 januari 1987 opgebouwde aanspraken en de daarvoor verschuldigde premie.
2. Bij het van toepassing worden van het bepaalde in lid 1 van dit artikel en bij iedere wijziging in de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur of van de normale wekelijkse arbeidsduur wordt voor de betrokken deelnemer de parttime-breuk vastgesteld. De teller van deze breuk is gelijk aan de op de vaststellingsdatum voor de deelnemer geldende wekelijkse arbeidsduur en de noemer aan de normale wekelijkse arbeidsduur.
3. De premie is gelijk aan het product van:
a. de parttime-breuk en
b. de premie, die ten aanzien van de deelnemer conform artikel 5 verschuldigd is, indien voor de berekening van die bijdrage uitgegaan wordt van de voor hem geldende normale arbeidsduur en het daarbij behorende pensioenloon.
4. Voor de berekening van de conform artikel 4 lid 1 verzekerde pensioenen van een deelnemer als bedoeld in dit artikel wordt uitgegaan van de pensioengrondslag behorende bij de normale arbeidsduur vermenigvuldigd met de in lid 2 van dit artikel bedoelde parttime-breuk.
5. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien ingevolge de arbeidsovereenkomst door de werkgever over minder uren wordt uitbetaald dan arbeid wordt verricht. Het aantal per week uitbetaalde uren treedt dan in de plaats van de in lid 2 van dit artikel bedoelde geldende wekelijkse arbeidsduur.
6. Bij de vaststelling van het nabestaandenpensioen als bepaald in artikel 8 lid 1, het wezenpensioen als bepaald in artikel 10 en het recht op voortzetting deelneming zonder premiebetaling in verband met arbeidsongeschiktheid als bepaald in artikel 18, is de parttime-breuk, in afwijking van het bepaalde in de vorige leden van dit artikel, gelijk aan de gemiddelde diensttijd van de deelnemer over een referteperiode die wordt ontleend aan en vastgesteld op basis van de bij de administratie vastgelegde gegevens.
Artikel 20 Geen aanspraak op pensioen
1. Degene die door haar/zijn medeplichtigheid opzettelijk het leven heeft beroofd van haar/zijn echtgenote/echtgenoot, ouder, (on)geregistreerde partner of gewezen echtgenote/echtgenoot heeft geen aanspraak op nabestaanden-, wezen-, of bijzonder nabestaandenpensioen.
2. In het geval de door dit reglement en de statuten opgelegde voorschriften niet worden nageleefd door deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, gaat het recht op pensioenaanspraken en pensioenuitkeringen voor deze teniet, tenzij het bestuur op verzoek van de betrokkene anders beslist.
Artikel 21 Premievrije aanspraken
1. Voor de met ingang van 1 januari 2006 opgebouwde aanspraken geldt dat, indien de deelneming eindigt anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum, de gewezen deelnemer premievrije aanspraak behoudt op de opgebouwde aanspraken bedoeld in artikel 4 lid 1, sub a, en c tot en met e van dit reglement alsmede op de aanspraak bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b van dit reglement die definitief is toegekend op basis van artikel 40 van dit reglement.
2. Voor de met ingang van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 opgebouwde aanspraken geldt dat, indien de deelneming eindigt anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum, de gewezen deelnemer premievrije aanspraak behoudt op de opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen en wezenpensioen overeenkomstig het in die periode geldende reglement.
3. Voor de met ingang van 1 januari 1987 tot 1 januari 2000 opgebouwde aanspraken geldt dat, indien de deelneming eindigt anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum, de gewezen deelnemer premievrije aanspraken behoudt op het ouderdomspensioen, het (bijzonder) weduwe-/weduwnaars en het wezenpensioen overeenkomstig het in die periode geldende reglement.
4. Ten aanzien van de gewezen deelnemer:
- die de deelneming door uittreding heeft beëindigd voor 1 januari 1987;
- die voorts op 2 mei 1977 nog niet pensioengerechtigd of overleden was;
- en voor wie het jaarlijkse ouderdomspensioen, bereikt op de einddatum van het premiebetalingstijdvak, waarin de uittreding plaats vond, lager was dan € 54,45 worden in afwijking van het in artikel 7 bepaalde pensioenrechten berekend op basis van de volgende methode.
Voor de bepaling van het ouderdomspensioen wordt het jaarbedrag vastgesteld op het aantal bij het fonds geboekte premies vermenigvuldigd met onderstaande factoren:
rechtjaren waarover premie wordt betaald
02-07-1951/ 04-06-1962/
02-06-1962 02-05-1977
in Eurocent
Uittredingsperiode
01-01-1977/31-12-1978 11,52602 14,97475
01-01-1979/31-12-1979 13,20500 16,65373
01-01-1980/31-12-1980 13,97643 17,42516
01-01-1981/31-12-1981 15,11088 18,55961
01-01-1982/31-12-1982 16,06382 19,51255
01-01-1983/31-12-1984 17,37978 20,82851
01-01-1985/31-12-1985 18,10583 21,55456
01-01-1986/31-12-1986 18,55961 22,00834
Voor de bepaling van het weduwepensioen wordt het jaarbedrag vastgesteld op het aantal bij het fonds geboekte premies vermenigvuldigd met onderstaande factoren:
rechtjaren waarover premie wordt betaald
02-07-1951/ 04-06-1962/
02-06-1962 02-05-1977
in Eurocent
Uittredingsperiode
01-01-1977/31-12-1978 8,07729 10,48233
01-01-1979/31-12-1979 9,25712 11,66216
01-01-1980/31-12-1980 9,80165 12,20669
01-01-1981/31-12-1981 10,57308 12,97811
01-01-1982/31-12-1982 11,25375 13,65879
01-01-1983/31-12-1984 12,16131 14,56635
01-01-1985/31-12-1985 12,66047 15,06551
01-01-1986/31-12-1986 12,97811 15,38315
Het vastgestelde pensioen wordt verhoogd met 7,5% vakantietoeslag.
Voor de in dit lid genoemde einddatum treedt 2 mei 1977 in de plaats indien de uittreding reeds voor die datum heeft plaatsgevonden.
5. Het in lid 4 van dit artikel bepaalde is niet van toepassing zodra de som van de jaarlijkse ouderdomspensioenen uit deelnemingsperioden voor en na 1 januari 1987 € 54,45 of hoger is.
6. Indien de deelneming binnen 1 jaar na de aanvang is beëindigd, anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum, en de deelneming niet binnen twee jaar na beëindiging is hervat, zal het fonds het werknemersdeel van de premie terstond daarna aan de gewezen deelnemer restitueren. Daarmee vervallen alle aanspraken op grond van deze pensioenregeling. Mocht de pensioendatum binnen twee jaar na beëindiging van de deelneming vallen dan is deze datum de uiterste datum van premierestitutie.
Het bepaalde in dit lid vindt geen toepassing als gedurende de deelneming voor betrokkene waarde-overdracht naar het fonds heeft plaatsgevonden of als de gewezen deelnemer na beëindiging van de deelneming bij het fonds heeft verzocht om waarde-overdracht en deze ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
7. Tenzij de deelnemer na beëindiging van deelneming gebruik heeft gemaakt van het recht op waarde-overdracht conform het bepaalde in artikel 22, wordt de toepassing van dit artikel niet geacht te hebben plaatsgevonden indien de deelneming na beëindiging binnen een termijn van twee jaar vóór 1 januari 2006 wordt hervat.
8. Dit artikel is, met uitzondering van lid 4 van dit artikel, niet van toepassing op de deelnemers als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b.
Artikel 22 Waarde-overdracht
Uitgaande waarde-overdracht
1. In de gevallen van individuele beëindiging van de deelneming, anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum, zal op verzoek van de gewezen deelnemer de waarde van de pensioenaanspraken door het fonds worden overgedragen. Deze waarde wordt berekend op basis van de actuariële grondslagen en methoden die op het tijdstip van overdracht bij het fonds in gebruik zijn. De waarde wordt berekend met inachtneming van het bepaalde in artikel 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet en het Besluit reken- en procedureregels recht op waarde-overdracht.
De waarde wordt door het fonds overgedragen aan de instelling waar de nieuwe onderneming, waaraan de werknemer verbonden is, de toezegging omtrent pensioen ter uitvoering heeft ondergebracht, waar de aanspraken op pensioen worden verworven en:
- waarop De Nederlandsche Bank toezicht houdt, of
- die bij ministeriële regeling is aangewezen, of
- die heeft voldaan aan de in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland, of
- die, met een zetel in het buitenland, heeft voldaan aan de in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste procedure betreffende dienstverrichting naar Nederland.
2. Het fonds is niet verplicht de waarde van de pensioenaanspraken over te dragen indien de financiële toestand van het fonds dit, naar het oordeel van De Nederlandsche Bank, niet toelaat of indien niet wordt voldaan aan de met betrekking hiertoe in de Pensioen- en spaarfondsenwet gestelde voorwaarden.
Inkomende waarde-overdracht
3. Het fonds zal de door de in lid 1 van dit artikel bedoelde instellingen aan het fonds overgedragen waarde van pensioenaanspraken aanwenden voor verwerving van aanspraken op pensioen overeenkomstig het in de Pensioen- en spaarfondsenwet bepaalde. Het bepaalde in de tweede en derde volzin van lid 1 van dit artikel is van overeenkomstige toepassing. Om in aanmerking te komen voor waarde-overdracht naar het fonds dient de deelnemer de wens daartoe schriftelijk kenbaar te maken aan het fonds binnen twee maanden na aanvang van de deelneming in het fonds.
Inkomende en uitgaande waarde-overdracht
4. Het fonds is bevoegd overeenkomsten inzake de overdracht van de waarde van pensioenaanspraken aan te gaan met andere pensioenuitvoeringsorganen of groepen van pensioenuitvoeringsorganen, zulks met inachtneming van de wettelijke bepalingen. Overdracht vindt dan plaats met toepassing van de bepalingen van deze overeenkomsten, onverminderd het in lid 1 tot en met lid 3 van dit artikel bepaalde.
5. Het fonds is bevoegd medewerking aan waarde-overdracht te weigeren, indien deze niet plaatsvindt conform het in de Pensioen- en spaarfondsenwet genoemde recht op waarde-overdracht of conform een in lid 4 van dit artikel bedoelde overeenkomst.
Artikel 23 Aanvraag en toekenning van een pensioenuitkering
1. Het bestuur kent de pensioenuitkering toe uiterlijk 3 maanden voor de pensioendatum op basis van een door of vanwege rechthebbende schriftelijk in te dienen aanvraag, onder bijvoeging van de door het bestuur voor de toekenning van de pensioenuitkering nodig geoordeelde stukken.
2. Het bestuur is bevoegd een pensioenuitkering eigener beweging toe te kennen, indien de aanvraag om pensioen achterwege is gebleven.
3. Indien een pensioenuitkering niet binnen 5 jaar, nadat de aanspraak op uitkering is ontstaan, is aangevraagd, vervallen alle aanspraken op deze pensioenuitkering. Het in dit lid bepaalde is niet van toepassing op de aanspraken van de op 1 januari 1995 bestaande gewezen deelnemers. Het bestuur is bevoegd in bijzondere gevallen van het in dit lid bepaalde af te wijken.
Artikel 24 Uitkering van pensioen
1. Een jaarlijks pensioen wordt in twaalf gelijke maandelijkse termijnen uitgekeerd aan de pensioengerechtigde of aan degene, die bevoegd is in rechte daarvoor kwijting te verlenen. De uitkering geschiedt aan het eind van iedere kalendermaand waarover aanspraak op pensioen bestaat.
2. Een (gewezen) deelnemer, een andere rechthebbende, alsmede het fonds hebben het recht tot afkoop van een pensioen en de daarbij behorende vakantietoeslag indien het totale jaarlijkse pensioen het bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet vastgestelde bedrag inzake afkoop niet te boven gaat. De afkoopsom is gelijk aan de contante waarde van het betreffende pensioen welke wordt berekend op grond van de actuariële grondslagen en methoden die op het tijdstip van het ontstaan van het recht op de pensioenuitkering bij het fonds in gebruik zijn, aan de hand van door het fonds vast te stellen formules.
3. Indien het in lid 2 van dit artikel bepaalde toepassing vindt ten aanzien van ouderdomspensioen, worden de eventueel meeverzekerde aanspraken op (bijzonder) nabestaandenpensioen en/of meeverzekerde aanspraken op (bijzonder) weduwe-/weduwnaars afgekocht op voet van het aldaar bepaalde en vervallen de eventuele aanspraken op wezenpensioen.
4. Indien een betaalbaar gestelde pensioenuitkering niet in ontvangst is genomen binnen een termijn van 1 jaar na de betaalbaarstelling, vervalt het recht tot invordering. De afkoopsom als bedoeld in lid 2 van dit artikel en de uitkeringen als bedoeld in artikel 16 en artikel 26 worden ten dezen met pensioenuitkeringen gelijkgesteld.
Het bestuur is bevoegd op grond van bijzondere omstandigheden het in dit lid bepaalde buiten toepassing te laten.
5. In afwijking van het in lid 4 van dit artikel bepaalde, geldt voor de op 1 januari 1995 bestaande gewezen deelnemers een termijn van 5 jaar.
6. Indien de pensioendatum is gelegen voor de pensioenleeftijd heeft de (gewezen) deelnemer de mogelijkheid te kiezen voor een in aanvang tijdelijk hogere ouderdomspensioenuitkering. De keuze is beperkt tot een geheel aantal jaren. De op de pensioendatum gemaakte keuze is onherroepelijk.
7. Als voorwaarde bij de in lid 6 van dit artikel genoemde keuze geldt dat de lagere jaarlijkse uitkering met inbegrip van tweemaal de AOW-uitkering als bedoeld in artikel 3, lid t, van dit reglement niet minder mag zijn dan 75% van de hogere uitkering.
8. Voor alle pensioenuitkeringen als bedoeld in dit reglement geldt bij een samenloop met een uitkering uit hoofde van een vroegpensioenregeling of een daarmee vergelijkbare andere regeling wegens vrijwillig vervroegd uittreden, dat de pensioenuitkering zodanig wordt vastgesteld dat het bedrag van de gezamenlijke uitkeringen niet hoger zal zijn dan 100% van het pensioengevend loon als bedoeld in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964. Bij de toepassing van dit lid wordt in geval van een ouderdomspensioen het bepaalde in artikel 18d, lid 1, onder b. van de Wet op de loonbelasting 1964 in acht genomen.
8. Uitsluitend voor de herberekening van het pensioen ten gevolge van de toepassing van het bepaalde in artikel 12 en/of artikel 14 en/of lid 6 en lid 7 van dit artikel, vindt het bepaalde in lid 8 van dit artikel geen toepassing, onverminderd de gelding van lid 8 van dit artikel op de hoogte van het uit de herberekening voortvloeiende pensioen.
10. Degene, die aanspraak heeft op een pensioenuitkering ingevolge dit reglement, voortvloeiende uit deelneming tot 1 januari 2006, heeft tevens aanspraak op vakantietoeslag. De vakantietoeslag wordt jaarlijks vastgesteld op basis van 12 maal de pensioenuitkering over de maand mei en tezamen met de pensioenuitkering over deze maand uitgekeerd. Het percentage van de toeslag is gelijk aan dat van de per 1 januari van het betreffende jaar geldende CAO voor de Bouwnijverheid. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin wordt indien over een kortere periode dan 12 maanden (mei tot en met april daaropvolgend) pensioen is uitgekeerd een evenredig deel van de vakantietoeslag toegekend. Bij beëindiging van de pensioenuitkering na 1 juni en voor 1 mei van het volgende jaar, wordt de aan die periode toe te kennen vakantietoeslag alsdan uitgekeerd.
11. In verband met het bepaalde in lid 1 en lid 10 van dit artikel wordt de aanspraak op een pensioenuitkering voortvloeiende uit deelneming met ingang van 1 januari 2006 uitgekeerd in 12 gelijke termijnen met een vakantietoeslag in mei.
Artikel 25 Indexering van ingegane pensioenen en premievrije aanspraken
1. Met inachtneming van de hierna volgende bepalingen worden met ingang van 1 januari 1995 ingegane pensioenen en premievrije aanspraken waaronder te verstaan aanspraken als bedoeld in artikel 21 lid 3 en de tot 1 januari 1987 opgebouwde aanspraken, jaarlijks geïndexeerd indien en voor zover de financiële middelen als bedoeld in lid 2 van dit artikel dat naar het oordeel van het bestuur toelaten. In afwijking van het in de vorige volzin bepaalde worden niet geïndexeerd de met ingang van 1 januari 1992 ingegane pensioenen tot € 54,45 per jaar en de premievrije aanspraken waarvan het ouderdomspensioen kleiner is dan € 54,45.
2. De indexeringen vinden jaarlijks plaats op en met ingang van
1 januari ten laste van de ultimo het voorgaande jaar in de Voorziening Pensioenverbetering beschikbare middelen en voor zover deze dat toelaten. Onverminderd het bepaalde in de vorige volzin wordt geïndexeerd met de loontrend in het voorgaande kalenderjaar.
De middelen die na onttrekking van de lasten wegens indexering in enig jaar resteren in de Voorziening Pensioenverbetering blijven bestemd voor toekomstige indexeringen.
3. Aan de Voorziening Pensioenverbetering (VPB) wordt/worden jaarlijks op 31 december toegevoegd:
- het driejaars gemiddelde van het aan de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken toe te rekenen deel van de beleggingsopbrengsten in de voorgaande drie kalenderjaren, naar rato van de daarvoor vastgestelde Voorziening Pensioenverplichtingen eigen rekening (VPV) en onder aftrek van de interesttoevoeging aan dat deel van de VPV volgens de wettelijke staat ‘Actuarieel verslag’; en
- de beleggingsopbrengsten over de VPB uit voorafgaande jaren.
De toevoeging aan de VPB zal nimmer tot gevolg hebben dat deze meer bedraagt dan 15% van de VPV voor zover betrekking hebbend op de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken.
4. Ingeval een negatieve loontrend als bedoeld in lid 2 van dit artikel leidt tot verlaging van ingegane pensioenen respectievelijk premievrije aanspraken is het bestuur bevoegd op die verlaagde pensioenen respectievelijk verlaagde aanspraken een voorwaardelijke toeslag te verlenen, met dien verstande dat onvoorwaardelijk aanvulling zal worden verleend tot het pensioen dat gold op de dag van ingang respectievelijk tot het niveau van de aanspraken op de dag van de beëindiging van de deelneming. De toepassing van de voorgaande volzin heeft geen gevolgen voor de in eerdere kalenderjaren toegekende indexeringen. Indien het bepaalde in de eerste volzin toepassing heeft gevonden, wordt daarmee met indexeringen in volgende kalenderjaren rekening gehouden.
Artikel 26 Extra uitkeringen
Het bestuur is bevoegd tot vaststelling en betaalbaarstelling van extra uitkeringen, indien de financiële positie van het fonds zulks toelaat.
Artikel 27 Vrijwillige voortzetting/pensioenopbouw en verlof
1. Indien de verplichte deelneming van een deelnemer eindigt anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum kan het bestuur op verzoek van de gewezen deelnemer toestaan dat hij de deelneming direct aansluitend vrijwillig voortzet voor een periode van maximaal 3 jaar.
2. De in het eerste lid genoemde maximale voortzettingstermijn van 3 jaar is niet van toepassing indien sprake is:
a. van arbeidsongeschiktheid. In dat geval duurt de vrijwillige voortzetting voort zolang de arbeidsongeschiktheid voortduurt;
b. van een uitkering die bedoeld is de inkomsten uit het beëindigde dienstverband te vervangen, en de uitkering voortvloeit uit een regeling die is afgesproken tussen werkgever(s) en werknemer(s). In dat geval duurt de vrijwillige voortzetting voort zolang de uitkering voortduurt;
c. van FVP-voortzetting. In dat geval duurt vrijwillige voortzetting voort zolang het FVP een voortzettingsbijdrage verstrekt.
3. Indien en voorzover de deelnemer op grond van de Wet arbeid en zorg gebruik maakt van zijn recht op verlof kan het bestuur op verzoek van de deelnemer toestaan dat aanspraken worden verleend over de verlofperiode indien en voorzover de premie door de deelnemer aan het fonds wordt voldaan. Gedurende het verlof wordt dan uitgegaan van een pensioen- en premiegrondslag zoals die zou hebben gegolden indien er sprake zou zijn van de wekelijkse arbeidsduur die gold direct voorafgaande aan het verlof.
4. Het bestuur kan, onverminderd het hierna bepaalde, voorwaarden verbinden aan het inwilligen van het in lid 1 van dit artikel bedoelde verzoek. Het verzoek tot vrijwillige voortzetting dient binnen drie maanden na de beëindiging van de verplichte deelneming schriftelijk bij het bestuur te zijn ingediend.
5. De vrijwillige voortzetting als bedoeld in lid 1 van dit artikel kan door een deelnemer, of het bestuur, worden beëindigd door een aangetekende schriftelijke mededeling dienaangaande aan het bestuur, c.q. de deelnemer. De beëindiging gaat in met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de mededeling is ontvangen. De vrijwillige voortzetting als bedoeld in lid 1 van dit artikel eindigt in ieder geval indien de deelnemer, op grond van de wet of een overeenkomst, verplicht is tot deelneming in een pensioenfonds of een andere regeling. De vrijwillige voortzetting als bedoeld in lid 1 van dit artikel en pensioenopbouw als bedoeld in lid 3 van dit artikel eindigt voorts bij het bereiken van de pensioendatum dan wel, wat betreft de vrijwillige voortzetting als bedoeld in lid 1 van dit artikel, het eventuele eerdere moment waarop niet meer sprake is van de omstandigheid als bedoeld in het tweede lid.
6. Indien de vrijwillige voortzetter binnen 3 maanden niet volledig heeft voldaan aan de verplichting tot premiebetaling van een opgelegde nota, wordt de deelneming geacht te zijn beëindigd en worden de verworven aanspraken op pensioen vastgesteld conform het bepaalde in artikel 21.
Artikel 28 Vrijwillige deelneming
Het bestuur is bevoegd vrijwillige deelneming toe te staan aan werknemers die niet verplicht zijn deel te nemen in de regeling van het fonds onder door het bestuur te stellen voorwaarden en met inachtneming van het daaromtrent bepaalde bij of krachtens de wet.
Artikel 29 Vrijstelling krachtens het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
Vrijstelling in verband met bestaande pensioenregeling
1. Door het bestuur wordt, op verzoek van een werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op de werkgever van toepassing wordt, aan alle of aan een deel van de werknemers van de werkgever vrijstelling van de verplichting tot deelneming in het fonds en van de verplichting tot premiebetaling aan het fonds verleend, indien de werknemers van de werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die reeds gold zes maanden voor het moment van indienen van het in behandeling genomen verzoek, als bedoeld in artikel 2 lid 1 van Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 respectievelijk indien de werkgever voor alle werknemers een pensioenvoorziening heeft getroffen die reeds gold zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op de werkgever van toepassing wordt.
Vrijstelling in verband met concernvorming
2. Op verzoek van een werkgever wordt door het bestuur aan alle of aan een deel van de werknemers van de werkgever vrijstelling verleend indien de werkgever deel uitmaakt of deel is gaan uitmaken van een concern en waarbij:
a. bij de concernvorming, zowel de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van de werkgever betrokken vakorganisaties als de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van het concern betrokken vakorganisaties, betrokken zijn geweest; en
b. het concern al een pensioenvoorziening heeft, die in overleg met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties tot stand is gekomen; en
c. bij het concern op de dag waarop het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten minste 100 werknemers werkzaam zijn die niet in het fonds deelnemen; en
d. het aantal actieve deelnemers waarop de pensioenvoorziening van het concern van toepassing is, op de dag waarop het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten minste 25% dan wel ten minste 50 actieve deelnemers meer bedraagt, dan het aantal werknemers waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd; en
e. het verzoek om vrijstelling tevens wordt gedaan door of namens het concern en de vakorganisaties, bedoeld in sub b van dit lid.
3. Onder concern als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt verstaan een aantal juridisch zelfstandige ondernemingen dat aan een gemeenschappelijke leiding is onderworpen.
Vrijstelling in verband met cao
4. Op verzoek van een werkgever wordt door het bestuur aan alle of aan een deel van de werknemers van de werkgever vrijstelling verleend voor zover een besluit tot algemeen verbindend verklaring van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst op die werkgever niet van toepassing is of indien dat besluit wel op hem van toepassing is, voor zover hij hiervan dispensatie heeft gekregen en met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties een afzonderlijke pensioenvoorziening is overeengekomen.
Het verzoek om vrijstelling wordt mede door of namens de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties gedaan.
Vrijstelling in verband met onvoldoende beleggingsrendement
5. Op verzoek van een werkgever wordt door het bestuur aan alle of aan een deel van de werknemers van de werkgever vrijstelling verleend indien:
a. uit de performancetoets, uitgevoerd over een periode van 5 kalenderjaren aan de hand van hetgeen daaromtrent bepaald in bijlage 1 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, blijkt dat het feitelijk behaalde beleggingsrendement van het fonds in negatieve zin aanzienlijk afwijkt van het rendement van de door het fonds vastgestelde normportefeuille zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 waarbij van een aanzienlijke afwijking in negatieve zin sprake is indien de uitkomst van de berekening van de performancetoets minder is dan - 1,28; of
b. indien blijkt dat het fonds niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan het bepaalde in lid 6 of lid 7 van dit artikel; of
c. blijkt dat het fonds, indien de laatste twee volzinnen van lid 7 van dit artikel zijn toegepast, niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan het daarin bepaalde.
6. Ten behoeve van de performancetoets, bedoeld in lid 5 sub a van dit artikel, wordt door het bestuur van het fonds jaarlijks het beleggingsbeleid voor het daarop volgende kalenderjaar vastgesteld waarbij een adequate verdeling van de beleggingen is gemaakt in vastrentende en zakelijke waarden. Van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden is sprake indien aannemelijk gemaakt kan worden dat die verdeling:
a. is bepaald in samenhang met het financieringsbeleid en is afgestemd op de pensioenverplichtingen, daarbij inbegrepen de reglementaire indexatieverplichtingen, rekening houdend met het tot dan toe ter zake gevoerde beleid, zodanig dat dit over een lange termijn leidt tot een lage premie en een stabiel premieverloop;
b. is gekozen op basis van projecties die gebaseerd zijn op realistische en onderling consistente veronderstellingen; en
c. de toets op toereikendheid ten aanzien van de continue dekking van de verworven aanspraken, uitgaande van prudente veronderstellingen, heeft doorstaan.
7. De normportefeuille, bedoeld in lid 5 sub a van dit artikel, wordt jaarlijks door het bestuur van het fonds voor het daarop volgende kalenderjaar vastgesteld en is gebaseerd op de in lid 6 van dit artikel bedoelde verdeling van beleggingen in vastrentende en zakelijke waarden, waarbij deze verdeling verder onderverdeeld wordt naar beleggingscategorieën en landen of sectoren waarin belegd wordt en waarbij deze onderverdeling voorzien wordt van herbeleggingsindices voor het daarop volgende jaar die breed samengesteld, belegbaar en objectief meetbaar zijn. Indien geen representatieve openbare herbeleggingsindex bestaat of van toepassing is, kan een representatieve lokale rentemarktindex vermeerderd met 1 procentpunt of een representatieve niet-openbare herbeleggingsindex worden gebruikt.
In afwijking van het bepaalde in lid 6 en de vorige twee volzinnen kan het bestuur van het fonds een eenmaal vast¬gesteld beleggingsbeleid respectievelijk vastgestelde normportefeuille in de loop van een jaar voor het dan nog resterende deel van dat jaar eenmalig opnieuw vaststellen indien door een onvoorziene substantiële wijziging in de verplichtingenstructuur of door een substantiële wijziging in de waarde van de beleggingen niet langer sprake is van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden als bedoeld in lid 6 en de eerste en tweede volzin van lid 7. De noodzaak tot het op korte termijn opnieuw vaststellen blijkt uit een na 1 november van het voorafgaande kalenderjaar opgestelde Asset Liability Managementstudie, uitgevoerd naar aanleiding van de gewijzigde verplichtingenstructuur of de gewijzigde waarde van de beleggingen, en uit een verklaring van een externe deskundige die niet bij die studie betrokken is geweest, waarin de uitkomst van die studie wordt onderschreven.
8. Het bestuur van het fonds:
a. deelt op verzoek vanaf 1 april van het desbetreffende jaar schriftelijk mee welk beleggingsbeleid als bedoeld in lid 6 van dit artikel het heeft gekozen, waarbij de gemaakte keuzes met een toelichting zijn onderbouwd;
b. overlegt op verzoek vanaf 1 april van het desbetreffende jaar een door een externe accountant opgestelde verklaring die voldoet aan artikel 393 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat de normportefeuille als bedoeld in lid 7 van dit artikel is vastgesteld en voorzien van een toelichting waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd;
c. deelt op verzoek vanaf 1 januari schriftelijk mee welke normportefeuille als bedoeld in lid 7 van dit artikel het over het daaraan voorafgaande jaar heeft gekozen waarbij de gemaakte keuzes met een toelichting zijn onderbouwd;
d. stelt op verzoek vanaf 1 april de over het voorafgaande jaar gehanteerde niet-openbare herbeleggingsindices bedoeld in lid 7 van dit artikel ter beschikking zonder hiervoor op enigerlei wijze kosten in rekening te brengen;
e. deelt op verzoek vanaf 1 april schriftelijk het feitelijk rendement van het fonds en het rendement van de gekozen normportefeuille als bedoeld in punt 3 van bijlage 1 bij het Vrijstellingbesluit Wet Bpf 2000 mee;
f. deelt op verzoek vanaf 1 april schriftelijk mee de uitkomst van de berekening, als bedoeld in lid 5 sub a van dit artikel; en
g. doet, in het geval het beleggingsbeleid en de normportefeuille opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in de laatste twee volzinnen van lid 7 van dit artikel:
1° de mededeling, bedoeld sub a, vanaf de 15e dag na totstandkoming van het nieuwe beleggingsbeleid;
2° de verklaring, bedoeld sub b, vanaf de 15e dag na totstandkoming van het nieuwe normportefeuille;
3° een mededeling van het opnieuw vaststellen van het beleggingsbeleid en de norm¬portefeuille in de Staatscourant uiterlijk de 15e dag na de vaststelling; en
4° doet aan de aangesloten werkgevers binnen 2 maanden na het opnieuw vaststellen van het beleggingsbeleid en de normportefeuille een schriftelijke mededeling toekomen.
9. Het in lid 5 tot en met 8 van dit artikel bepaalde is niet van toepassing voor zover het fonds herverzekerd is zonder een gesepareerd beleggingsdepot. Indien het fonds gedeeltelijk herverzekerd is zonder een gesepareerd beleggingsdepot is dit artikel niet van toepassing op dit herverzekerde gedeelte. In die gevallen geval wordt, in afwijking van lid 5 van dit artikel, aan een werkgever slechts vrijstelling verleend indien het bestuur van het fonds bij het sluiten van de herverzekeringsovereenkomst niet of onvoldoende heeft getoetst of het beleggingsbeleid van de verzekeraar voldoet aan het in lid 6 van dit artikel bepaalde.
Vrijstelling om andere redenen
10. Het bestuur is bevoegd op verzoek van een werkgever aan alle of aan een deel van de werknemers van de werkgever, om andere redenen dan bepaald in lid 1, lid 2, lid 4 en lid 5 van dit artikel, vrijstelling te verlenen.
Fusie werkgevers met vrijstellingen verleend door het fonds
11. Na een fusie tussen oude werkgevers aan wie voor hun werknemers door het fonds een verplichte vrijstelling is verleend, gaan de verleende vrijstellingen over op de nieuwe werkgever en blijven deze in stand zolang voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in de leden 17 tot en met 19 van dit artikel. De nieuwe werkgever deelt het fonds mee dat de voor de fusie bestaande pensioenregelingen worden voortgezet en welke pensioenregeling van toepassing zal zijn op na de fusie in dienst tredende werknemers. In afwijking van de eerste volzin van dit lid wordt op verzoek van de nieuwe werkgever in de situatie dat voor alle werknemers van de nieuwe werkgever dezelfde bestaande pensioenregeling gaat gelden, de daarvoor verleende vrijstelling, met de voorschriften, bedoeld in de leden 17 tot en met 21 en de leden 23 tot en met 26 van dit artikel, van toepassing op alle huidige en toekomstige werknemers van die nieuwe werkgever.
Fusie werkgevers met en zonder vrijstellingen verleend door het fonds
12. Na een fusie tussen oude werkgevers op wie de verplichtstelling van het fonds van toepassing is en waarbij niet aan alle oude werkgevers een verplichte vrijstelling is verleend, vervallen de vrijstellingen. In afwijking van de vorige volzin wordt op verzoek van de nieuwe werkgever van wie ten minste 50% van de werknemers voor de fusie in dienst was bij een of meer oude werkgevers aan wie een verplichte vrijstelling was verleend:
a. de vrijstelling uitgebreid tot alle huidige en toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever, of
b. de vrijstelling gehandhaafd voor de op het tijdstip van fusie in dienst zijnde werknemers van de oude werkgever of oude werkgevers met een vrijstelling.
Indien de nieuwe werkgever een verzoek doet tot uitbreiding van de vrijstelling, bedoeld in de vorige volzin, onderdeel a, kan het fonds daaraan de voorwaarde verbinden dat de nieuwe werkgever een financiële bijdrage betaalt ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het fonds hierdoor lijdt. De hoogte van deze bijdrage wordt berekend volgens bijlage 2 bij het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, tenzij partijen anders overeenkomen.
In geval van uitbreiding of handhaving van de vrijstelling, bedoeld in de eerste volzin van dit lid, blijven de voorschriften, bedoeld in de leden 17 tot en met 21 en de leden 23 tot en met 26, van toepassing en wordt de vrijstelling vanaf het tijdstip van fusie geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgever.
Fusie werkgevers met en zonder vrijstellingen verleend door verschillende bedrijfstakpensioenfondsen
13. Op verzoek van een nieuwe werkgever die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie verschillende verplichtstellingen van toepassing waren, en op wie na de fusie één verplichtstelling van toepassing wordt, wordt een aan een oude werkgever in het kader van dezelfde verplichtstelling verleende vrijstelling uitgebreid tot alle huidige en toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever. Op verzoek van een nieuwe werkgever die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie verschillende verplichtstellingen van toepassing waren en op wie na de fusie één verplichtstelling van toepassing wordt, wordt een aan één of meer oude werkgevers in het kader van dezelfde verplichtstelling verleende vrijstelling gehandhaafd voor alle werknemers van die oude werkgever.
Op verzoek van een nieuwe werkgever die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie verschillende verplichtstellingen van toepassing waren en op wie na de fusie verschillende verplichtstellingen van toepassing blijven, wordt een aan één of meer oude werkgevers verleende vrijstelling gehandhaafd voor alle werknemers van die oude werkgever en voor de toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever die onder dezelfde verplichtstelling vallen. In geval van uitbreiding of handhaving van de vrijstelling, bedoeld in de eerste, tweede en derde volzin van dit lid, blijven de voorschriften, bedoeld in de leden 17 tot en met 26 van dit artikel, van toepassing en wordt de vrijstelling vanaf het tijdstip van fusie geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgever.
Vrijstelling na splitsing
14. In dit lid wordt verstaan onder:
a. zuivere splitsing: een zuivere splitsing als bedoeld in artikel 334a, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. afsplitsing: een afsplitsing als bedoeld in artikel 334a, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. oude werkgever: de voor een zuivere splitsing of afsplitsing bestaande werkgever;
d. nieuwe werkgever: de na een zuivere splitsing of afsplitsing ontstane werkgever.
In geval van zuivere splitsing blijft op verzoek van de nieuwe werkgevers een aan een oude werkgever verleende verplichte vrijstelling met de daarbij behorende voorschriften, bedoeld in de leden 17 tot en met 21 en de leden 23 tot en met 26, in stand, indien op de nieuwe werkgevers dezelfde verplichtstelling van toepassing blijft. De nieuwe werkgevers delen het fonds mee welke werknemers bij hen in dienst zijn. De vrijstelling wordt vanaf het tijdstip van de splitsing geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgevers en geldt voor de huidige en toekomstige werknemers. In geval van een afsplitsing blijft een aan een oude werkgever verleende verplichte vrijstelling met de daarbij behorende voorschriften, bedoeld in de leden 17 tot en met 21 en de leden 23 tot en met 26, in stand, indien de voor de afsplitsing bestaande pensioenregeling wordt voortgezet. De oude werkgever deelt dit mede aan het fonds. In geval van een afsplitsing wordt op verzoek van een nieuwe werkgever, die onder dezelfde verplichtstelling valt als de oude werkgever, aan de nieuwe werkgever een vrijstelling verleend voor zijn huidige en toekomstige werknemers onder dezelfde voorwaarden als welke zijn verbonden aan de aan de oude werkgever verleende vrijstelling. Deze vrijstelling wordt vanaf het moment van afsplitsing geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgever.
Vrijstelling na doorstart
15. Op verzoek van een werkgever op wie de verplichtstelling van toepassing is, wordt een verplichte vrijstelling gehandhaafd die is verleend aan een gefailleerde werkgever wiens activiteiten hij geheel of nagenoeg geheel voortzet in het kader van een doorstart, mits:
a. de doorstart plaatsvindt binnen één jaar na het faillissement, en
b. ten minste 50% van de werknemers van de gefailleerde werkgever in dienst is gekomen bij die werkgever.
Bij de handhaving van de vrijstelling, bedoeld in de vorige volzin, blijven de voorschriften, bedoeld in de leden 17 tot en met 21 en de leden 23 tot en met 26, van toepassing en wordt de vrijstelling vanaf het tijdstip van doorstart geacht te zijn verleend aan de werkgever die de doorstart maakt voor zijn huidige en toekomstige werknemers.
Voorwaarden bij het verzoek om vrijstelling
16. Het verzoek om vrijstelling dient schriftelijk te worden gedaan door de werkgever.
Voorschriften bij het verlenen van vrijstelling
17. Aan de vrijstelling kunnen door het fonds voorschriften worden verbonden ter verzekering van een goede uitvoering van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Indien aan een voorschrift dient te worden voldaan bij ingang van de vrijstelling heeft de werkgever drie maanden na ingang de gelegenheid om met terugwerkende kracht aan het voorschrift te voldoen. Bij overschrijding is sprake van het niet voldoen aan de voorschriften.
18. Aan de vrijstelling wordt het voorschrift verbonden dat de werkgever of, in het geval pensioenrechten worden ontleend aan een ondernemingspensioenfonds of een ander bedrijfstakpensioenfonds, het bestuur van het desbetreffende fonds, aan De Nederlandsche Bank en aan het bestuur van het fonds dat vrijstelling verleent, inlichtingen zal verstrekken, die De Nederlandsche Bank of het bestuur ter verzekering van een goede uitvoering van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 verlangt.
De inlichtingen worden desverlangd schriftelijk en door middel van ingevulde en ondertekende formulieren binnen een door De Nederlandsche Bank onderscheidenlijk door bedoeld bestuur, schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
19. Aan de vrijstelling wordt het voorschrift verbonden dat de werkgever een andere pensioenvoorziening heeft (…) en deze heeft ondergebracht bij een ander bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of een verzekeraar als bedoeld in artikel 2 lid 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet dan wel dat de werkgever binnen 12 maanden na het moment waarop de vrijstelling wordt verleend een andere pensioenvoorziening zal treffen en deze zal onderbrengen bij een ander bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of een verzekeraar als bedoeld in artikel 2 lid 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet.
20. Aan de vrijstelling, bedoeld in lid 2, lid 4, lid 5 en lid 10 van dit artikel kan
het fonds het voorschrift verbinden dat de werkgever een financiële bijdrage betaalt ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het fonds bij vrijstelling lijdt.
De hoogte van deze bijdrage wordt berekend volgens bijlage 2 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, tenzij partijen anders overeenkomen.
21. Aan de vrijstelling, bedoeld in lid 1 en lid 10 van dit artikel wordt het voorschrift verbonden dat de pensioenregeling van de werkgever volgens de berekening aan de hand van hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 3 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 te allen tijde ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan die van het fonds. Deze gelijkwaardigheid wordt eens in de 5 jaar getoetst.
22. Aan de vrijstelling, bedoeld in lid 5 en 10 van dit artikel wordt het voorschrift verbonden dat aan de pensioenregeling van de werkgever voor alle werknemers ten minste dezelfde aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het fonds.
23. Aan de vrijstelling wordt het voorschrift verbonden dat de werknemers van de werkgever die vervroegd uittreden tot de pensioendatum deelnemer blijven in de pensioenregeling van de werkgever.
24. Aan de vrijstelling wordt het voorschrift verbonden dat de werkgever ten aanzien van de pensioenregeling onverwijld kennis geeft aan het fonds van een eventueel voornemen tot wijziging van het pensioenreglement, de statuten of de overeenkomst met de verzekeraar.
25. Aan de vrijstelling wordt het voorschrift verbonden dat de werkgever - per deelnemer – de volgende gegevens vastlegt:
het registratienummer, de naam, het adres, de woonplaats en in chronologische volgorde: de diensttijd, de factor parttime en het vast overeengekomen loon. Het fonds dient op ieder moment inzage in deze gegevens te kunnen krijgen.
26. Aan de vrijstelling wordt het voorschrift verbonden dat de werkgever garandeert dat de verzekeraar c.q. het ondernemingspensioenfonds, na afloop van de periode van 3 maanden nadat een premietermijn is vervallen en deze door de werkgever niet is betaald, hiervan onverwijld melding te doen aan het fonds.
Intrekking van de vrijstelling
27. Een vrijstelling kan door het fonds worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in lid 1, lid 2 of lid 4 van dit artikel, indien niet meer wordt voldaan aan de reden tot vrijstelling, bedoeld in lid 10 van dit artikel of indien wordt gehandeld in strijd met een of meer aan de vrijstelling verbonden voorschriften.
28. De vrijstelling, bedoeld in lid 5 van dit artikel wordt uitsluitend op verzoek van de werkgever ingetrokken.
29. In afwijking van lid 28 van dit artikel kan de vrijstelling, bedoeld in lid 5 van dit artikel, door het fonds worden ingetrokken indien wordt gehandeld in strijd met de voorschriften die aan de vrijstelling verbonden zijn.
Uitzondering op de vrijstelling
30. Vrijstelling is niet mogelijk ten aanzien van de aanvullingsregeling als bedoeld in artikel 40 van dit reglement.
Artikel 30 Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren
1.a. Van de verplichting tot naleving van het bij of krachtens de statuten en reglementen bepaalde kan, op zijn verzoek, door het bestuur worden vrijgesteld degene, die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, alsmede de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige bezwaren hebben.
b. Het verzoek geschiedt door indiening van een door verzoeker ondertekende verklaring. Deze verklaring houdt ten minste in, dat degene, die de verklaring indient, overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, dat hij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Uit een door een werkgever ingediende verklaring moet voorts blijken of deze gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.
c. Wanneer het verzoek een rechtspersoon betreft, wordt de verklaring ingediend door het ingevolge de wet of de statuten van die rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan.
d. Onverminderd het bepaalde in sub b van dit lid houdt de verklaring, als bedoeld in sub c van dit lid, tevens in, dat de natuurlijke personen, die behoren tot het orgaan dat ingevolge de wet of de statuten bevoegd is te besluiten de vrijstelling aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.
e. Bij het verzoek, als bedoeld in sub c van dit lid worden gevoegd:
1. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon en
2. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering, waarin het besluit tot het aanvragen van de vrijstelling is genomen.
f. Het bestuur verleent, indien de verklaring naar zijn mening overeenkomstig de waarheid is, de vrijstelling. Aan een vrijstelling kunnen voorwaarden worden verbonden, welke noodzakelijk zijn in verband met de administratie van het fonds.
g. Aan een werkgever die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen, kan op die grond een vrijstelling van de hem, anders dan in zijn hoedanigheid van werkgever, opgelegde verplichtingen niet worden geweigerd.
h. Van de verleende vrijstelling wordt door het bestuur een bewijs uitgereikt. Ieder, die vrijgesteld is van zijn verplichtingen als werkgever, is verplicht te zorgen, dat het hem uitgereikte bewijs van vrijstelling of een afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats, welke vrij toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen te komen, op zodanige wijze, dat van hetgeen op het desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden kennis genomen.
2. Ieder, die vrijstelling heeft, is verplicht dezelfde bijdragen, welke hij verschuldigd zou zijn, indien hij geen vrijstelling had, aan het fonds te betalen in de vorm van spaarbijdragen. Dit geldt mede voor een werkgever, die geen vrijstelling heeft met betrekking tot de bijdrage, welke hij verschuldigd is voor een werknemer, die wel vrijstelling heeft. Een werknemer, die geen vrijstelling heeft en in dienst is van een werkgever, die wel vrijstelling heeft, betaalt de door hem verschuldigde werknemersbijdragen rechtstreeks aan het fonds, welke bijdragen per week met betrekking tot zijn uit dit reglement voortvloeiende aanspraken als premies gelden.
3. Conform het in lid 2, eerste volzin, van dit artikel bepaalde worden ten behoeve van een bedrijfsgenoot betaalde spaarbijdragen, onder aftrek van 3% voor administratiekosten, door of namens het fonds geboekt op een die bedrijfsgenoot betreffende spaarrekening.
Het spaartegoed op deze rekening wordt jaarlijks verhoogd met het percentage dat voortvloeit uit de in artikel 25 bedoelde indexering van ingegane pensioenen en premievrije aanspraken vermeerderd met het percentage interesttoevoeging aan de Voorziening Pensioenverplichtingen eigen rekening volgens de wettelijke staat ‘Actuarieel Verslag’.
Het spaartegoed wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt maandelijks, in gelijke termijnen en gedurende 15 jaar, uiterlijk tot diens overlijden, uitgekeerd.
Bij overlijden van de werknemer vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt het spaartegoed aangewend voor een uitkering aan de echtgeno(o)t(e) van de werknemer, in gelijke termijnen gedurende 15 jaar uiterlijk tot diens overlijden. Bij onstentenis van de echtgeno(o)t(e) wordt het spaartegoed uitgekeerd aan het kind in gelijke termijnen tot de laatste dag van de maand waarin het kind de 18-jarige leeftijd bereikt, of zoveel later, doch uiterlijk op de laatste dag van de maand waarin de 27-jarige leeftijd wordt bereikt, indien en zolang diens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of een opleiding voor een beroep. Bij ontstentenis van het kind wordt het spaartegoed uitgekeerd aan de wettige erfgenamen in een eenmalige uitkering onder inhouding van de verschuldigde belastingen overeenkomstig artikel 18a, lid 9, van de Wet op de loonbelasting 1964.
Bij overlijden van de werknemer ná het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt de uitbetaling van de vastgestelde uitkering voortgezet voor de resterende duur ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) van de werknemer, bij ontstentenis daarvan het kind. Bij ontstentenis van de echtgeno(o)t(e) of het kind als hiervoor bedoeld wordt het spaartegoed uitgekeerd aan de wettige erfgenamen in een eenmalige uitkering onder inhouding van de verschuldigde belastingen overeenkomstig artikel 18a, lid 9, van de Wet op de loonbelasting 1964.
Het bestuur kan wegens de geringe hoogte van het spaartegoed aan het maandelijks uit te keren bedrag een minimum verbinden dat is afgeleid van het grensbedrag voor afkoop wegens gering pensioen als bedoeld in artikel 32, lid 5, PSW, waardoor het aantal uitkeringsjaren lager kan zijn.
4. Indien een werknemer, die geen vrijstelling heeft, uit de dienst treedt van een werkgever, die wel vrijstelling heeft en niet opnieuw bij een zodanige werkgever in dienst treedt, wordt te zijnen aanzien de pensioenregeling volledig van kracht. Het te zijnen name geboekte en door de werkgever betaalde spaarsaldo wordt, onder terugboeking van de vergoede rente, als te zijnen behoeve betaalde premie beschouwd.
5. Een vrijstelling wordt door het bestuur ingetrokken:
a. op verzoek van hem, aan wie de vrijstelling is verleend;
b. indien naar het oordeel van het bestuur de gemoedsbezwaren, op grond waarvan de vrijstelling is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.
6. Het bestuur is bevoegd een vrijstelling in te trekken, indien de betrokkene de daarbij gestelde voorwaarden niet of niet behoorlijk naleeft.
7. Onverminderd het bepaalde in lid 1 tot en met lid 6 van dit artikel vervalt de vrijstelling, welke is verleend aan een rechtspersoon, na verloop van 5 jaar na de datum van ingang van de vrijstelling.
Met ingang van de datum, waarop een vrijstelling is vervallen, kan een nieuwe vrijstelling worden verleend.
8. Na het tijdstip, waarop de intrekking of het vervallen ener vrijstelling definitief is geworden, wordt ten aanzien van de betrokkene de pensioenregeling volledig van kracht. Het te zijnen name geboekte spaarsaldo wordt onder terugboeking van de vergoede rente, als te zijnen behoeve betaalde premie beschouwd.
Artikel 31 Verbreking financieel evenwicht
Met betrekking tot het in artikel 20 van de statuten gestelde wordt nader bepaald:
indien te eniger tijd blijkens een verklaring van de actuaris en de wiskundig adviseur de middelen van het fonds niet toereikend mochten zijn ter dekking van de verplichtingen,
en/of
indien de benodigde premie hoger uitkomt dan % van de premiegrondslag, zal het bestuur - conform artikel 25 van de Statuten - gehoord de organisaties als genoemd in de Verplichtstellingsbeschikking van het fonds, vaststellen welke premiepercentages respectievelijk welke aanpassingen van de aanspraken zullen gelden, tenzij met betrekking tot de tekorten vastgesteld volgens de rekenmethode neergelegd in de actuariële nota, alsnog op andere wijze de middelen ter dekking van die tekorten worden gevonden.
Artikel 32 Intrekking verplichting tot deelneming
Indien de verplichting tot deelneming krachtens de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 wordt ingetrokken, eindigt op dat tijdstip de verplichting tot premiebetaling voor de in artikel 1 lid 1 en artikel 2 bedoelde deelnemers, tenzij die verplichting op andere gronden blijft bestaan.
Artikel 33 Garantiebepalingen geldend voor degene die op 31 december 1986 deelnemer was van het fonds
1. Voor degene die op 31 december 1986 deelnemer was van het fonds geldt met ingang van 1 januari 1987 een minimum pensioengrondslag. Dit minimum is gelijk aan de pensioengrondslag, die resulteert in een pensioen dat ten minste zou zijn opgebouwd indien de pensioenregeling per 1 januari 1987 niet zou zijn gewijzigd. Bedoeld minimum stijgt in dezelfde mate als waarmee het tot 1 januari 1987 verworven pensioen wordt verhoogd. Degene voor wie in de periode van 1 januari 1985 tot 1 januari 1987 premies zijn afgedragen, wordt geacht per 31 december 1986 deelnemer van het fonds te zijn geweest.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde minimum pensioengrondslag vervalt voor de aanspraken, die worden verworven nadat de deelneming sedert 1 januari 1987 langer dan 2 aaneengesloten jaren onderbroken is geweest.
Artikel 34 Minimum aanspraken
1. Indien en zolang het gemiddeld pensioenloon van een deelnemer lager is dan of gelijk is aan het bodemloon, verwerft de deelnemer over deze loondagen geen pensioenaanspraken. Ten aanzien van de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 geldt dat indien en zolang het gecorrigeerd pensioenloon overeenkomstig het in die periode geldende reglement lager is dan of gelijk is aan het bodemloon de deelnemer over deze loondagen geen pensioenaanspraken verwerft. Zodra het gecorrigeerd pensioenloon van de in de vorige volzin bedoelde deelnemer meer bedraagt dan het bodemloon, worden de in de eerste volzin bedoelde loondagen meegerekend bij de vaststelling van het deelnemingsjaar.
2. Het bepaalde in dit lid en de volgende leden is uitsluitend van toepassing op de pensioenaanspraken verworven over de periode van 1 januari 1987 tot 1 januari 2000 overeenkomstig het in die periode geldende reglement. Indien het gecorrigeerd pensioenloon van een deelnemer lager is dan € 14.786,88, worden de pensioenaanspraken vastgesteld conform het bepaalde in dit artikel. Voor gecorrigeerde pensioenlonen lager dan € 11.156,64 wordt € 11.156,64 aangehouden.
3. Voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde deelnemer bedraagt het ouderdomspensioen per bereikbaar dienstjaar 2,075% van het gecorrigeerd pensioenloon verminderd met 2,5% van de AOW-uitkering zoals deze in de in lid 2 van dit artikel bedoelde periode van toepassing was.
Voor zover het gecorrigeerd pensioenloon hoger is dan € 11.156,64 wordt het percentage van 2,075 verminderd met 0,325% maal een breuk, waarvan de teller het verschil is tussen het gecorrigeerd pensioenloon en € 11.156,64 en de noemer € 3.630,24.
4. Bij de in lid 2 van dit artikel aangegeven omstandigheid geldt met betrekking tot het weduwe-, weduwnaars-, partner- en het wezenpensioen dat het bepaalde in artikel 8, respectievelijk artikel 10, respectievelijk artikel 11 van toepassing blijft, met dien verstande dat in lid 2 van artikel 8 en lid 2 van artikel 10 voor artikel 7 gelezen moet worden artikel 34 lid 3.
Artikel 35 Begrenzing bodemloon
Het bestuur behoudt zich het recht voor om de vaststelling van het bodemloon te herzien, indien wijzigingen, met een blijvend verhogend of verlagend karakter, in de AOW-uitkering als bedoeld in artikel 3 lid t, van dit reglement optreden, waardoor de wijzigingen, al dan niet cumulatief, substantieel afwijken van de loontrend.
Artikel 36 Informatie aan de deelnemer
1. Aan de deelnemer wordt jaarlijks een schriftelijke opgave gedaan van de verzekerde pensioenen. De juistheid van deze opgave kan door de deelnemer niet meer worden bestreden na verloop van een termijn van 1 jaar na de verzending van de desbetreffende opgave. Het bestuur kan conform de bepalingen van dit reglement de in de opgave opgenomen vaststellingen te allen tijde herzien behoudens datgene waarop de deelnemer recht heeft krachtens de reglementen van het fonds. Van zulk een herziening wordt aan de deelnemer een schriftelijke opgave gedaan. Het in de eerste volzin van dit lid bepaalde is op laatst bedoelde opgave van overeenkomstige toepassing.
2. Aan de gewezen deelnemer wordt na het einde van zijn deelneming nog éénmaal een bewijs verstrekt van de tegenover het fonds verkregen premievrije aanspraken. Bedoeld bewijs wordt tegelijk verzonden met de opgave bedoeld in lid 1 van dit artikel.
3. Op verzoek van de (gewezen) deelnemer verstrekt het fonds binnen 3 maanden een schriftelijke opgave van de verzekerde pensioenen. Het fonds kan een vergoeding vragen van de aan de opgave verbonden kosten.
Artikel 37 Informatie aan het fonds
Werkgevers en werknemers zijn verplicht die gegevens aan het bestuur te verstrekken, die het bestuur noodzakelijk acht voor een goede uitvoering van de pensioenregeling van het fonds. Werkgevers en werknemers zijn tevens verplicht mee te werken aan een nader onderzoek door of namens het fonds ter verificatie van de door hen verstrekte gegevens.
Artikel 38 Bijzondere gevallen
Indien bepalingen van dit reglement in een individueel geval leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan de betrokkene een schriftelijk verzoek tot het bestuur richten om voor hem een afwijkende en billijker regeling te (laten) treffen.
Artikel 39 Overgangsbepalingen
1. Alle voor de invoering van dit reglement ingegane pensioenen en de premievrije aanspraken van gewezen deelnemers blijven bepaald volgens het reglement van de datum waarop de pensioenuitkering werd vastgelegd. Met ingang van de datum van de invoering van dit reglement, worden indexaties en andere toeslagen volgens dit reglement bepaald.
2. Over de periode met ingang van 21 april 1986 tot 1 januari 1987 kunnen over maximaal 155 werkdagen overeenkomstig het in die periode geldende pensioenreglement pensioenaanspraken verworven worden.
3. Voor een deelnemer die op 31 december 2005 recht heeft op een bijdrage ten behoeve van de pensioenopbouw ten laste van de Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering zal, zolang dit recht op een bijdrage voortduurt, het recht op de opbouw van pensioenaanspraken worden voortgezet als ware de pensioenregeling per 1 januari 2006 niet gewijzigd.
4. Voor een deelnemer die op 31 december 1999 recht heeft op een bijdrage ten behoeve van de pensioenopbouw ten laste van de Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering zal, zolang dit recht op een bijdrage voortduurt, het recht op de opbouw van pensioenaanspraken worden voortgezet als ware de pensioenregeling per 1 januari 2000 niet gewijzigd.
Artikel 40 Aanvullingsregeling voor deelnemers die op 1 januari 2005 jonger zijn dan 55 jaar
1. De deelnemer
a. die op 1 januari 2005 jonger is dan 55 jaar; en
b. die tenminste één dag werknemer was in de zin van de voor hem geldende CAO gedurende de voor die CAO geldende referteperiode respectievelijk referteperioden als vermeld in kolom B én C van de volgende tabel:
Tabel 1
Referteperiode(n)
A B C
CAO Referteperiode 1 Referteperiode 2
1. Bouw 1-11-1999 tot 1-05-2000 1-7-2005 tot 1-1-2006
2. UTA-Bouw 1-10-1997 tot 1-04-1998 1-7-2005 tot 1-1-2006
3. Timmerfabrieken 1-10-2001 tot 1-01-2002 1-7-2005 tot 1-1-2006
4. Afbouw n.v.t. 1-7-2005 tot 1-1-2006
5. Natuursteen n.v.t. 1-7-2005 tot 1-1-2006
heeft, voor zover direct voorafgaande aan het bereiken van de voor hem geldende leeftijd genoemd in de volgende tabel sprake was van deelneming dan wel van een verlofperiode wegens opname van spaartegoed uit een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 in aansluiting op de periode van deelneming, aanspraak op aanvullend ouderdomspensioen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.
Tabel 2
Leeftijd
CAO Leeftijd
1. Bouw 60 jaar
2. UTA-Bouw 62 jaar
3. Timmerfabrieken 62 jaar
4. Afbouw 60 jaar
5. Natuursteen 60 jaar
Bij de toepassing van dit lid gelden onverminderd eventuele wederkerigheidsafspraken tussen CAO-partijen als bedoeld in kolom A van de hiervoor opgenomen tabel.
In dit artikel wordt onder deelnemer tevens verstaan degene die is vrijgesteld van de verplichting tot deelneming in het fonds ingevolge artikel 29 van dit reglement maar die bijdrage betaalt ten behoeve van de financiering van de op de deelnemer van toepassing zijnde aanvullingsregeling als bedoeld in dit artikel.
In afwijking van het bepaalde in dit lid komen ten aanzien van de CAO voor het Bouwbedrijf zogenoemde wakers en portiers niet in aanmerking voor aanvullend ouderdomspensioen als bedoeld in dit artikel.
Dit artikel vindt slechts toepassing ten aanzien van degenen voor wie gedurende de in de eerste tabel van dit lid genoemde referteperiode(n) premie is betaald ten behoeve van de in die periode(n) op de deelnemer van toepassing zijnde VUT-regeling dan wel de bij invoering van toepassing zijnde vroegpensioenregeling getroffen voorwaardelijke overgangsregeling(en).
2. Het in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullend ouderdomspensioen wordt op 1 januari 2006 vastgesteld op basis van de contante waarde (Cw) op 31 december 2005 die wordt berekend volgens de volgende formule:
Cw = [D – C x (A – B)] x 1,75% x PG x F x 1,08
waarbij geldt dat:
Verklaring van de in de bovenstaande formule gehanteerde letters
Voor de deelnemer als bedoeld in kolom A van de eerste tabel in lid 1 van dit artikel, sub:
1 (Bouw) 2 (UTA-Bouw) 3 (Timmerfabrieken) 4 (Afbouw) 5 (Natuursteen)
D 40 jaar 40 jaar 36 jaar 40 jaar 40 jaar
C 1 1 4/3 1 1
A De leeftijd genoemd in de tweede tabel in lid 1 van dit artikel, zijnde:
60 jaar 62 jaar 62 jaar 60 jaar 60 jaar
B De leeftijd van de deelnemer op de laatste dag van de maand:
mei 2000 januari 1998 januari 2006 januari 2001 januari 1999
PG De ten aanzien van de deelnemer op 31 december 2005 geldende vroegpensioengrondslag krachtens het op die datum ten aanzien van de deelnemer geldende vroegpensioenreglement van het vroegpensioenfonds, respectievelijk in geval van dispensatie van de verplichte deelneming aan de vroegpensioenregeling de vroegpensioengrondslag die zou gelden indien geen sprake was van dispensatie, tot een pensioenloon niet hoger dan het op 31 december 2005 geldende maximum pensioenloon als bedoeld in het op die datum geldende reglement van het fonds als bedoeld in artikel 2, sub a, van de statuten.
F De door het fonds vast te stellen actuariële factor geldend op 31 december 2005 die afhankelijk is van de vroegpensioenregeling als bedoeld onder PG.
Indien de toepassing van deze formule leidt tot een resultaat lager dan 0 (nul), wordt de uitkomst geacht 0 (nul) te zijn.
Het aanvullend ouderdomspensioen wordt vervolgens berekend volgens de volgende breuk:
Aanvullend ouderdomspensioen = Cw/OP-factor genoemd in een bij dit reglement gevoegde bijlage.
3. Ten aanzien van de deelnemers als bedoeld in kolom A van de eerste tabel genoemd in lid 1 van dit artikel, sub 1 tot en met 4, besluit het bestuur jaarlijks in de kalenderjaren tot en met 2020, indien en voorzover de middelen van het fonds zulks toelaten, of het in het eerste lid van dit artikel bedoelde aanvullend ouderdomspensioen definitief wordt toegekend met ingang van de op de deelnemer van toepassing zijnde leeftijd genoemd in de tweede tabel van lid 1 van dit artikel respectievelijk op de eerdere datum ten gevolge van vervroeging als bedoeld in artikel 12 van dit reglement, voor zover zij in het volgende jaar, naar verwachting zullen voldoen aan de in het eerste lid omschreven voorwaarden.
Voorts besluit het bestuur ten aanzien van de deelnemers als bedoeld in kolom A van de eerste tabel genoemd in lid 1 van dit artikel, sub 1 tot en met 4, in het kalenderjaar 2020 indien en voor zover de middelen van het fonds zulks toelaten, of het in het eerste lid van dit artikel bedoelde aanvullend ouderdomspensioen definitief wordt toegekend met ingang van de op de deelnemer van toepassing zijnde leeftijd genoemd in de tweede tabel van lid 1 van dit artikel voor zover zij na 2020 zullen voldoen aan de in het eerste lid omschreven voorwaarden.
4. De definitieve toekenning als bedoeld in lid 3 van dit artikel geschiedt:
a) indien en voor zover sprake is van een pensioentekort in de zin van de van toepassing zijnde fiscale regels. Voor de deelnemer als bedoeld in kolom A van de eerste tabel in lid 1 sub 3 (Timmerfabrieken) van dit artikel geldt hierbij dat alleen jaren waarin sprake was van deelneming aan de pensioenregeling van het fonds in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van het pensioentekort; en
b) indien en voorzover ten behoeve van de deelnemer op de op de deelnemer van toepassing zijnde leeftijd genoemd in de tweede tabel van lid 1 van dit artikel respectievelijk op de eerdere datum ten gevolge van vervroeging als bedoeld in artikel 12 van dit reglement, bijdrage wordt betaald voor de financiering van de op de deelnemer van toepassing zijnde aanvullingsregeling als bedoeld in dit artikel; en
c) naar rato van het aantal jaren in de periode vanaf 1 januari 2006 tot uiterlijk 1 januari 2021 dan wel tot het bereiken van de op de deelnemer van toepassing zijnde leeftijd genoemd in de tweede tabel van lid 1 van dit artikel waarover ten behoeve van de deelnemer bijdrage is betaald voor de financiering van de op de deelnemer van toepassing zijnde aanvullingsregeling als bedoeld in dit artikel.
5. Ten aanzien van de deelnemers als bedoeld in kolom A van de eerste tabel genoemd in lid 1 van dit artikel, sub 5 (Natuursteen) wordt jaarlijks in de kalenderjaren tot en met 1 januari 2020 een deel van het in het eerste lid van dit artikel bedoelde aanvullend ouderdomspensioen definitief toegekend:
- voor zover zij vóór 1 januari 2021 de 60-jarige leeftijd bereiken: onder toepassing van de volgende breuk:
A/B, waarbij geldt dat:
A = 1 dan wel indien niet over het gehele kalenderjaar ten behoeve van de deelnemer bijdrage is betaald aan de op de deelnemer van toepassing zijnde aanvullingsregeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel een evenredig gedeelte daarvan. Na het bereiken van de 60-jarige leeftijd wordt A gelijk gesteld aan 0 (nul);
B = het aantal jaren in maanden nauwkeurig vanaf 1 januari 2006 tot het bereiken van de 60-jarige leeftijd;
- voor zover zij op of na 1 januari 2021 de 60-jarige leeftijd bereiken: ter hoogte van 1/15e van het aanvullend ouderdomspensioen dan wel, indien niet over het gehele kalenderjaar bijdrage is betaald ten behoeve van de op de deelnemer van toepassing zijnde aanvullingsregeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel, een evenredige gedeelte van 1/15e.
Het bepaalde in de eerste volzin van lid 4, sub a en b, is hierbij overeenkomstig van toepassing.
6. Het bepaalde in artikel 12 is overeenkomstig van toepassing op het in het eerste lid van dit artikel bedoelde aanvullend ouderdomspensioen indien de pensioeningangsdatum wordt vervroegd dan wel uitgesteld ten opzichte van de op de deelnemer van toepassing zijnde leeftijd genoemd in de tweede tabel van lid 1 van dit artikel.
7. Het bepaalde in artikel 25 ten aanzien van de met ingang van 1 januari 2006 jaarlijks opgebouwde pensioenaanspraken van deelnemers is overeenkomstig van toepassing op de aanspraken als bedoeld in lid 1 van dit artikel die nog niet definitief zijn toegekend op basis van een daartoe strekkend besluit van het bestuur vóór 1 januari 2021.
8. Het bepaalde in artikel 22 is slechts van toepassing op de aanspraken als bedoeld in lid 1 van dit artikel die definitief zijn toegekend op basis van een daartoe strekkend besluit van het bestuur vóór 1 januari 2021.
Wettelijk voorgeschreven vrijwaringsclausule
9. Het pensioen dat conform het bepaalde in dit artikel voor de deelnemer wordt ingekocht omdat in het verleden gedurende zijn dienstbetrekking(en) een of meer perioden zijn geweest waarin minder pensioen is opgebouwd dan op grond van de fiscale regelgeving mogelijk is, wordt pas opgebouwd op het moment dat en voor zover de toegezegde aanspraken zijn gefinancierd. Wanneer de deelname aan deze pensioenregeling eindigt voordat deze aanspraken (volledig) zijn gefinancierd, heeft de deelnemer alleen recht op het op dat moment gefinancierde en opgebouwde deel van deze pensioenaanspraken. Indien bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling nog geen toegezegd pensioen over verstreken dienstjaren voor de deelnemer is ingekocht en opgebouwd, heeft de deelnemer dus ook geen recht op dit deel van de toezegging. Als aan de deelnemer is toegezegd dat pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren worden ingekocht, dan moeten deze uiterlijk binnen vijftien jaren nadat de toezegging is gedaan, zijn gefinancierd. Wanneer de deelnemer binnen die vijftien jaar met pensioen zou gaan, moeten de in te kopen pensioenaanspraken al eerder zijn gefinancierd, namelijk uiterlijk op het moment van pensionering. Een eenmaal gedane toezegging tot inkoop van aanspraken over het verleden kan in beginsel niet worden ingetrokken of gewijzigd.
In afwijking van het bepaalde in dit lid geldt het bepaalde in lid 5 van dit artikel onverminderd ten aanzien van de deelnemers als bedoeld in kolom A van de eerste tabel genoemd in lid 1 van dit artikel, sub 5 (Natuursteen).
Artikel 41 Bijzondere regelingen
1. Het bestuur kan toestaan dat een werkgever de mogelijkheid heeft de door hem aan zijn werknemers toegezegde collectieve pensioenregeling voor de uitvoering ervan onder te brengen bij het fonds.
2. Het bestuur kan, onder door het fonds te stellen voorwaarden, toestaan dat bij overlijden van een deelnemer de in verband daarmee ingaande, prolongerende, aanvullende nabestaandenpensioenuitkering uit hoofde van een door de werkgever gesloten verzekeringsovereenkomst wordt overgedragen naar het fonds onder betaling door de verzekeraar aan het fonds van een door het fonds vast te stellen koopsom. Het bepaalde in de vorige volzin is alleen van toepassing voor zover tevens aanspraak bestaat op weduwe- en weduwnaarspensioen als bedoeld in artikel 8 van dit reglement en indien de uitkeringsgerechtigde met de inkoop heeft ingestemd. Op de ingekochte, prolongerende, nabestaandenpensioenuitkering is het bepaalde in artikel 8, lid 6 en artikel 25 van dit reglement overeenkomstig van toepassing.
3. Het fonds kan toestaan dat op verzoek van de deelnemer direct voorafgaande aan de pensioendatum een uit een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 voortvloeiend saldo wordt aangewend voor inkoop van aanvullende aanspraken op ouderdomspensioen op basis van de actuariële grondslagen en opslagen van het fonds.
Artikel 42 Fiscaal slotartikel
Indien komt vast te staan dat de pensioenregeling niet voldoet aan het bepaalde in de Wet op de loonbelasting 1964 zal die regeling onverwijld en met terugwerkende kracht worden aangepast naar een krachtens genoemde wet aanvaardbaar niveau.
Artikel 43 Inwerkingtreding
Dit reglement wordt geacht inwerking te zijn getreden op 1 januari 2006 ter vervanging van het Pensioenreglement Bouwpensioen2000 dat gold tot die datum en is laatstelijk gewijzigd op 12 oktober 2006 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006.




