Le Corbusier
Le Corbusier (La Chaux-de-Fonds, Zwitserland, 6 oktober 1887 - 27 augustus 1965), geboren als Charles-Edouard Jeanneret, is een Zwitsers-Franse architect en tevens de beroemdste Franse architect aller tijden (halverwege de jaren '20 nam hij de Franse nationaliteit aan). Een van zijn bouwwerken is de Villa Savoye, gebouwd in 1928-1929. Bij deze vooroorlogse werken denkt men vaak aan witte architectuur, maar hij had wel degelijk een kleurtheorie. De Villa Savoye is exemplarisch voor zijn vooroorlogse architectuur- en kleurideaal. Het bekendst echter is het bedevaartskerkje Notre Dame du Haut te Ronchamp.
Le Corbusier (1887-1965)
Bijgevolg is hij een tijdgenoot van architecten zoals Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969) en Erich Mendelsohn (1887-1953). Le Corbusiers vader werkte als emailleerder van wijzerplaten voor de beroemde horlogeindustrie in La Chaux-de-Fonds, maar over de opleiding en de uitgeoefende beroep van zijn moeder is zich de literatuur niet eens.
Het begin van Le Corbusiers loopbaan als architect een kunstenaar vormde het onderwijs aan de School voor Kunstnijverheid in zijn Zwitserse geboorteplaats. Aanvankelijk volgde hij hier alleen een opleiding als graveur, maar later werd hij dan opgenomen in de zogenoemde 'Cours Superieur'. Dit cursus werd gefestigd door het schoolhoofd, Charles L' Eplattenier, met de bedoeling, zijn beste leerlingen vertrouwd te maken met het terrein van archtitectuur en woninginrichting. Hierbij gaaf hij vooral onderwijs in de theorien van het Jugendstil en de Arts en Crafts beweging. Bovendien leerde L' Eplattenier de jongeren de natuur en haar structuren door het tekenen van geometrische ornamenten zichtbaar te maken. Hij propageerde een architectuur te scheppen, die zich aan de landschap van het eigen Jura gebergte aanpast. Om zijn getalenteerde leerling te bevorderen verschaffte L' Eplattenier Le Corbusier zeventienjarig in 1906 een eerste opdracht: Het ontwerp van de Villa Fallet in La Chaux-de-Fonds, welke in haar conceptie sterk door de Jugendstil-principes en de traditionele bouwwijze van de Jura regio is beinvloed.
Interessant is het feit, dat zich Le Corbusier zijn praktische en artistieke vakkennis dus niet door een akademische opleiding verwerfde, maar aanvankelijk in de School voor Kunstnijverheid en in aansluiting daarop door studiereizen en ontmoeting respektievelijk samenwerking met belangrijke architecten: In Wenen maakte hij bijvoorbeeld kennis met Josef Hoffmann (1870-1956) en in Parijs werkte hij als tekenaar bij Auguste Perret (1874-1954), van wie hij veel over het bouwen met gewapend beton leerde. Tenslotte reisde Le Corbusier in 1910 naar Duitsland, waar hij een aanstelling vond in het atelier van Peter Behrens (1868-1940) en binnenkort in contact kwam met de architecten van de 'Deutsche Werkbund'. Eerst door de ervaringen, die Le Corbusier op deze manier gewon, was hij in staat, zich van de vastgelopene leren van zijn Zwitserse school los te maken. Norbert Huse schrijft hiertoe, dat Le Corbusier door zijn nieuwe contacten met het fundamentele probleem van de moderne architectuur geconfronteerd werd, namelijk zich in functionaal, constructief en bovendien ook artistiek opzicht aan de belangen van de gëindustrialiseerde maatsschappij aan te passen.
Le Corbusier begon nu een nieuwe weg in te slaan en geleidelijk aan een eigen stijl te ontwikkelen. Tijdens de volgende jaren hield hij zich enerzijds vooral bezig met vragen over de constructie van woonhuizen en met revolutionaire vernieuwingen in de stedebouwkundige planning. Maar anderzijds engageerde zich Le Corbusier ook in de schilderkunst, maakte grafieken en ontwierp meubelen.
Met de overtuiging, dat het één taak van de moderne architectuur zou zijn, onder andere ook de elementen van een huis te herzien, ontwikkelde Le Corbusier in 1914 het zogenoemde 'Maison Domino'. Dit model bestaat uit twee horizontale platen van gewapend beton en trappen, welke door steunpilaren worden gedragen, waarbij de delen allemaal combinerbaar zijn met elkaar.
In 1918 leerde Le Corbusier de kunstenaar en theoreticus Amédé Ozenfant (1886-1966) kennen, met wie hij de tijdschrift 'L' Esprit Nouveau' festigde en bovendien het Purisme stichtte. Hierin kwamen ze op voor eenvoudige, geometrische vormen en voor de integratie van objecten in de kunst. In zijn puristische schilderijen beeldde Le Corbusier vooral gebruiksvoorwerpen en muziekinstrumenten af. Beinvloed door Fernand Léger (1881-1955) en Pablo Picasso (1881-1973) oriënteerde hij zich in de daarop volgende jaren sterker aan het Cubisme en schilderde ook menselijke figuren. Enige elementen, die Le Corbusier in deze werken kenbaar maakte, gebruikte hij eveneens voor zijn architectuur, onder andere bij de conceptie van de Villa Savoye. Bij gelegenheid van deze Werkbund-tentoonstelling publiceerde Le Corbusier een boekje, waarin hij zijn bouwprincipes als 'Vijf punten voor een moderne architectuur' codificeerde, welke voor het bouwen met gewapend beton geldig zijn.
In 1927 naam Le Corbusier deel aan de architectuur-prijsvraag voor het Palais des Nations in Genève. Zijn ontwerp gold weliswaar als uitstekend en eindigde op de eerste plaats, maar leden van de jury, die de oude, traditionele belangen van de academie behartigden, verhinderden de realisatie van Le Corbusiers project. Uit kritiek en verontwaardiging over het onrechtvaardig resultaat van dit prijsvraag festigde Le Corbusier met een aantal architecten van naam, zoals Walter Gropius (1883-1969) en Hugo Haering (1882-1958), in 1928 in La Sarraz (Zwitserland) de 'Congrès Internationaux d' Architecture Moderne' (CIAM). Deze vereniging hield zich vooral bezig met stedebouwkundige planningen en formuleerde in 1933 de beroemde 'Charta van Athen'. Haar oertekst werd door Le Corbusier opnieuw bewerkt en in 95 paragrafen ingedeeld.
In 1928/29 creërde Le Corbusier in samenwerking met Charlotte Perriand tafels en zitmeubels van chroom, staal en leder, welke in de 'Salon d' Automne' in 1929 getoond werden. In hetzelfde jaar ontwierp Le Corbusier de Villa Savoye in Poissy-sur-Seine en begaf zich op een studie- en voordrachtsreis naar Zuid-Amerika, welke een reeks van reizen in latere jaren volgden, onder andere naar Moskou, Zweden, Noorwegen, Engeland, Spanje, Italie, Noord-Afrika, Griekenland en de Verenigde Staten van Amerika.
Nadat hij al in 1922 het model van de 'Ville Contemporaine' en in 1925 de 'Plan Voisin' had uitgewerkt, publiceerde Le Corbusier in 1935 een verder stedebouwkundig project, de'Ville Radieuse'. Deze modellen concipieerde hij allemaal met de bedoeling, de bruutheid en onmenselijkheid van de steden te bestrijden, bijvoorbeeld door het scheppen van groenvoorzieningen en gemeenschappelijke huizen, daarnaast door het voorleggen van oplossingen voor de problemen met het verkeer. Le Corbusiers sterk becritiseerde stedebouwkundige planningen bleven meestal visioenen en werden bijna nooit gerealiseerd.
Toen Duitse troepen in 1940 Parijs bezetten beeïndigde Le Corbusier de samenwerking met zijn neef Pierre Jeanneret, sloot hun atelier en verhuisde naar Zuid-Frankrijk, waar hij en Auguste Perret door de Vichy-regering ondersteund werden.
Al vanaf ongeveer 1935 veranderden langzaam Le Corbusiers denkbeelden en voorstellingen, die dan vooral voor zijn werk na de Tweede Wereldoorlog gevolg hadden. In die tijd begon een nieuwe fase in zijn loopbaan, in welke niet meer zo sterk de aanpassing aan de technieke beschaving in de voorgrond stond, maar hoofdzakelijk de terugkeer naar het oorspronkelijke, eenvoudige leven. Niet alleen om die reden is Le Corbusiers later werk aan de ene kant gekarakteriseerd door het gebruik van natuurlijke materialen en van een onbewerkte béton brut, maar aan de andere kant ook bestemd door een plastische, meer monumentale stijl.
In aansluiting aan deze veranderde principes bouwde Le Corbusier bijvoorbeeld in 1947 de Unité d' habitation in Marseille daarnaast in 1950 de kapel Notre-Dame-du-Haut in Ronchamp en realiseerde vanaf 1951 als 'Government Architectural Adviser' het project voor de indische stad Chandigarh.
Bovendien mogen ook het klooster Sainte-Marie-de-la-Tourette in Eveux-sur-l'Arbresle bij Lyon (vanaf 1953) en het Carpenter Center of Visual Arts in Cambridge, Massachusetts (1961-1964), niet ongenoemd blijven, omdat ze belangrijke werken van zijn laatste scheppingsperiode zijn.
Tijdens een vakantieverblijf in Cap Martin overleed Le Corbusier op 27 augustus 1965.
Bouwstijl
De bouwstijl van Le Corbusier wordt met name gekenmerkt door twee zaken: het gebruik van gewapend beton en het ontwerpen van zeer grote projecten, tot complete steden aan toe. (Dit laatste impliceerde tevens dat dergelijke projecten meestal niet uitgevoerd werden. Het Plan Voisin uit 1925 voorzag in het slopen van een groot deel van Parijs. Le Corbusier was met dergelijke plannen wel de bekendste architect van zijn tijd, doch niet de eerste: de Italiaanse futurist Sant'Elia en de Fransman Garnier hadden reeds eerder complete steden ontworpen.)
Het gebruik van gewapend beton leerde Le Corbusier bij Auguste Perret. Deze techniek maakte een vrijere indeling van ruimten mogelijk, aangezien de dragende delen van een constructie slechts een gering deel van de totale constructie behoefden te vormen. (Een gebouw kan door een aantal pijlers gedragen worden, zodat dragende muren achterwege kunnen blijven. Dit maakt een flexibeler indeling van ruimten mogelijk, en laat ruimte voor een vrije gevelindeling.) Bij Peter Behrens ontmoette hij Mies van der Rohe, die met hem en Walter Gropius als een van de belangrijkste architecten van de twintigste eeuw geldt. (Waarbij Van der Rohe eerder als een gebruiker van staal als dragend materiaal kan worden aangemerkt.) In de jaren twintig van de twintigste eeuw werd ook de Nederlander J.J.P. Oud tot deze categorie gerekend.
De door Le Corbusier voorgestane stijl van stedenbouw kenmerkte zich door hoogbouw, met daartussen grote groenvoorzieningen. Elk woongebouw was min of meer als een zelfstandige eenheid gedacht, met een veelheid aan gemeenschappelijke voorzieningen (zoals winkels en recreatieruimten). Deze nadruk op een collectief gebruik van ruimten leidde ertoe dat hij op diverse momenten zowel als communist als als fascist werd aangemerkt, hoewel een dergelijk verwijt niet terecht lijkt. (Hij heeft in de jaren '30 een project in Moskou gerealiseerd, doch voor verdere opdrachten bleek men de voorkeur te geven aan de pompeuze sovjetstijl. Voor fascistische regimes heeft hij nooit gewerkt, en enige woningen in Stuttgart (uit de late jaren '20) werden in de jaren '30 door het toenmalige regime in ansichtkaarten geridiculiseerd ("Araberdorf Stuttgart").)
Een exponent van deze stijl is de Braziliaanse stad Brasília die voor een groot deel ontworpen is door de sterk door Le Corbusier beïnvloede architecten Oscar Niemeyer en Lucio Costa.
Met de inzichten van vandaag kan vermoedelijk wel gezegd worden dat de architectuur van Le Corbusier wel erg grootschalig is, en dat de "menselijke maat" soms lijkt te ontbreken.
In bezielende omgevingen werd hij één van de vernieuwende ontwerpers
Hij was een tijdgenoot van architecten als Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969), Erich Meldelsohn (1187-1953). Van Auguste Perret (1874-1954) leerde hij veel over het bouwen in gewapend beton. In 1910 werkte hij korte tijd aan het atelier van Peter Behrens (1868-1940) in Duitsland en later kwam hij in contact met de architecten van de Deutsche Werkbund. Beïnvloed door Fernand Léger (1881-1955) en Pablo Picasso (1881-1973) oriënteerde hij zich sterker op het kubisme.
Norbert Huse schrijft dat "Le Corbusier door zijn nieuwe contacten met het fundamentele probleem van de moderne architectuur geconfronteerd werd, namelijk zich in functioneel, constructief en bovendien ook artistiek opzicht aan de belangen van de geïndustrialiseerde maatschappij aan te passen".
Hij was bijzonder geboeid door de vorm van het technische product en door de overeenkomsten tussen de wereld van de architect en die van de technicus. Hij stelde daarbij vast dat de ontwikkelingen in de architectuur achterbleven bij die van de techniek en de industrie.
De rol die functie en constructie in de architectuur vormen, wordt gegeven door zijn uitspraak "une maison est une machine à habituer". Hij doelde erop dat de woning de mens in staat moet stellen om te wonen, dat zij daartoe ruimte moet bieden en daartoe ook technisch moet zijn uitgerust. In zijn ogen werd het probleem van de woningbouw indertijd bijvoorbeeld niet gesteld, noch wat betreft planontwikkeling, technische uitrusting of productie. (Met huidige ogen wellicht iets voor te zeggen, teveel planontwikkeling is soms erger dan geen plan.) Le Corbusier heeft een duidelijk functionele benadering van de architectuur, maar waarschuwde ook voor de gemeenplaats "quand une chose répond à un besoin, elle est belle".
Kenmerkende architectonische principes
Al in 1914 levert Le Corbusier een bijdrage voor een nieuwe samenleving in de vorm van het Dom-ino huis. Het Dom-ino huis is gebaseerd op een skelet van gewapend beton. De structuur wordt niet gedragen door muren maar door pijlers, die de vloer en het dak dragen. De plattegrond is daardoor één vrije ruimte die overeenkomstig de behoefte van de bewoner ingedeeld kan worden. De naam Dom-ino is afgeleid van het dominospel. De stippen op de stenen zijn hier de betonnen pijlers die de constructie dragen. De woningen kunnen op alle mogelijke manieren aan elkaar gekoppeld worden, net als bij dominostenen. Dit huis is een standaardontwerp en kan op zeer grote schaal geproduceerd worden.
De gelijkheid in vorm en de rangschikking die als het ware vanzelf ontstaat door deze huizen aan elkaar te koppelen, vormen voor Le Corbusier de basisidealen van een nieuwe schoonheidsbeleving. Een schoonheid die hoort bij zijn tijd en die wordt voortgebracht door nieuwe technieken en materialen die specifieke vormen vereisen.
In 1923 publiceerde Le Corbusier "Vers une architecture" ("Naar een architectuur"), waarin hij een nieuwe bouwkunst voorstelt, die past in het gemechaniseerde tijdperk. In het boekje zijn artikelen gecondenseerd die in het tijdschrift "L'Esprit Nouveau" verschenen, waarvan Le Corbusier één van de oprichters/schrijvers was. In "Vers une architecture" herinnerde hij zijn collega-architecten ook aan drie, in zijn ogen, voor de architectuur en het ontwerpen belangrijke begrippen:
- Volume of bouwmassa's (le volume)
Architectuur wordt beschouwd als een weloverwogen compositie van volumes die wij dank zij het spel van licht en schaduw ervaren. De primaire vormen kubus, kegel, bol, cilinder en piramide zijn volgens hem mooie vormen omdat ze makkelijk "afleesbaar" zijn.
- Vlak of gevel (la surface)
Ten opzichte van het volume mogen de vlakken niet overheersen. De vlakken hebben een eigen, nuttige functie die in de gevel herkenbaar moet zijn. Niet de ramen en deuren zijn van belang, dat zijn slechts gaten die het volume aantasten, maar de meetkundige wetten dienen als vormgevend beginsel te worden gehanteerd. Voor de gevels zijn die wetten net zo maatgevend als voor het volume. Met andere woorden, volgens Le Corbusier dient er een direct verband te zijn tussen volume en begrenzende vlakken, zowel wat betreft de vorm als functioneel.
- Plattegrond (le plan)
Over de plattegrond, de situatie, het stadsplan merkt hij op dat dit de basis is waarop alle architectuur berust . Zonder plan heerst slechts wanorde en willekeur. Het plan is allesbepalend.
In de loop van de tijd ontwikkelde Le Corbusier een aantal kenmerkende zaken, die in veel van zijn ontwerpen terugkwamen. Deze werden door hem samengevat in de 'cinq points d'une architecture nouvelle':
1. 'Les pilotis': de grote massa van het gebouw rust niet op muren, maar op kolommen.
2. 'Le toit-jardin': de daktuin, als middel om de ingenomen ruimte terug te kunnen gebruiken.
3. 'Le plan libre': het afwijzen van dragende metselwerkwanden ten voordele van vrij geplaatste wanden in een betonskeletstructuur.
4. 'La fenêtre en longueur': het gebruik van lange, horizontaal doorlopende ramen zou voor een diepere lichtdoordringing in de woning zorgen.
5. 'La façade libre': door het gebruik van de betonskeletstructuur kon de gevel van de woning uit lichte membranen gemaakt worden.
Al deze punten werden slechts mogelijk gemaakt door de betonskeletstructuur.
Vooroorlogse werken
Tot de vooroorlogse werken behoren enige villa's in Frankrijk (Villa Garche en Villa Savoye) die opvallen door grote, strakke vlakken en krachtige vormen. Decoratieve elementen ontbreken vrijwel geheel. Het Centre Suisse van de Cité Universitaire in Parijs heeft enige decoratie, maar de nadruk ligt op de vorm van het gebouw zelf.
Het enige bouwwerk van Le Corbusier op Belgische bodem is het maison Guiette in Antwerpen, in 1926 gebouwd als woonhuis en atelier voor de schilder René Guiette. Modeontwerpster Ann Demeulemeester kocht het huis in 1983 en liet er een atelier naast bouwen door architect Georges Baines.
In de jaren '20 ontwierp Le Corbusier samen met Charlotte Perriand een aantal meubelen die tot "klassiekers" van moderne vormgeving uitgroeiden en heden ten dage nog deels in productie zijn.
Zijn ontwerp voor het hoofdkwartier van de Volkenbond in Genève werd niet uitgevoerd, maar trok wel sterk de aandacht.
Naoorlogse werken
Zijn grootste tot dan toe uitgevoerde project was een wooncomplex in Marseille uit 1952, de Unité d'Habitation (la cité radieuse): een flatcomplex met 337 appartementen, voorzien van binnengelegen winkelstraten en diverse faciliteiten. Over de vraag in hoeverre dit project aan de verwachtingen heeft voldaan wordt verschillend gedacht.
Hij was betrokken bij het ontwerp van het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York, doch omtrent zijn rol bij het uiteindelijke ontwerp bestaat enige onduidelijkheid. Duidelijk is echter dat zonder zijn invloed op de moderne architectuur het complex er anders had uitgezien.
In de jaren '60 werd hij uitgenodigd voor het ontwerp van het regeringscentrum in Chandigarh in de Indiase deelstaat Punjab. Hier realiseerde hij een aantal gebouwen die meer plastische vormen laten zien.
Zijn vermoedelijk meest bekende werk is het bedevaartskerkje Notre Dame du Haut te Ronchamp in de Vogezen, waarin de plastische vormgeving zodanig voortgeschreden is dat de bezoeker zich welhaast in een beeldhouwwerk waant.
Het gebruik van "beton brut" werd voortgezet in het klooster La Tourette bij Lyon.
Ideeen van Le Corbusier
De architect Le Corbusier voelde bij het ontwerpen van gebouwen enerzijds een dringende behoefte aan regels die sturing aan een ontwerp konden geven. Tot die maatgevende regels behoren zijn 'controlelijnen' en later het maatsysteem van de Modulor. Anderzijds wilde hij er ook weer van af, als hem dat beter uitkwam.
Le Corbusier beschouwde zijn 'tracés régulateurs' of corrigerende controle- of hulplijnen niet als vooraf vastgestelde rasters waarop het ontwerp gebaseerd moest worden. Ze werden alleen gebruikt nadat het ontwerp klaar was, om de verhoudingen preciezer te maken. Hij ontdekte de noodzaak van zulke diagrammen aan het begin van zijn loopbaan.
'Ik bouwde mijn eerste huis toen ik zeventien was; het zat vol decoraties. Ik was vierentwintig toen ik mijn tweede huis bouwde; het was wit en kaal: ik had tussendoor gereisd. De tekeningen van dit tweede huis lagen op mijn tekentafel. Het was in 1911. Ik werd plotseling getroffen door de willekeurige plaatsing van de openingen in de gevel (de vensters). Ik maakte ze zwart met houtskool; de zwarte vlekken spraken nu de een of andere taal, maar een onsamenhangende. Opnieuw werd ik getroffen door het ontbreken van een regel of wetmatigheid. Verbijsterd realiseerde ik me dat ik in een totale chaos werkte. Toen ontdekte ik voor mijn eigen gebruik de noodzaak van een regulerend instrument. Deze obsessie zou voortaan in mijn hoofd blijven hangen.( ...)
Er is geen harde en snelle, gemakkelijk toepasbare formule om 'tracés regulateurs' te gebruiken; het is echt een zaak van inspiratie, van echte creativiteit. Je moet de verborgen geometrische wet ontdekken die het karakter van een ontwerp bepaalt en beheerst. Op een gegeven moment wordt het ineens duidelijk en worden alle delen tot een geheel gebracht. Dan volgen er een paar correcties, enkele aanpassingen en tenslotte zal een volmaakte harmonie heersen.'
Over het gebruik van 'tracés regulateurs' voor een villa in Garches zegt hij:
'Het ontwerp van het hele huis werd beheerst door strenge 'tracés regulateurs' die het effect hadden dat ze de dimensies van de verschillende delen veranderden. Soms maar met een enkele centimeter. In zo'n geval zijn wiskundige wetmatigheden geruststellend: als het klaar is weet je dat het helemaal goed zit. De noordgevel wordt bepaald door diagonalen. Maar er zijn drie horizontale stroken van gesloten muur tussen de openingen. Hun respectievelijke breedte leek een numerieke progressie te vormen. Bij nadere beschouwing bleek dat het in feite een 1,2,4 progressie was. Een kleine wijziging van de tekening maakte de progressie beter. Dit is een voorbeeld van een numeriek schema. Bovendien waren om constructieve redenen de betonnen pijlers op regelmatige afstand geplaatst. Naar de gevel kijkend is men zich steeds bewust van de numerieke maten die deze structuur beheersen. In Garches is dus, in aanvulling op de twee voorgaande diagrammen (de diagonalen en de 1,2,4 progressie) een derde zogezegd ingebouwd diagram dat door het structureel skelet wordt aangegeven. Het is een cadans van 2-1-2-1-2. De zuidgevel is ook gebaseerd op diagonalen. Dit leidde tot een interessante bijstelling van de tekening. Ik heb het over de leuning van de trap naar de tuin die parallel is aan de diagonaal van de gevel. Om dit resultaat te krijgen moest ik de grond aan het eind van de trap een beetje ophogen. Zulke subtiliteiten tellen.
Tenslotte verleent nog een andere, bijzonder belangrijke 'tracé regulateur' in het schema strenge precisie aan het dominante ritme van deze gevel. Ik spreek over de relatie die de breedte van de westzijde van de gevel (A) aan die van de aangrenzende zijde (B) bindt. De twee belangrijkste elementen van de compositie. Deze betrekking is gebaseerd op de beroemde verhouding die in alle belangrijke historische perioden gebruikt werd: de gulden snede. Als ik de lengte van het gebouw in twee delen wil verdelen, biedt de gulden snede een punt dat wiskundig exact is. Het enige punt dat zo'n subtiele verdeling kan scheppen. Ik zou bijvoorbeeld de gevel in twee gelijke delen kunnen verdelen of het een 1:2 of 2:3 verhouding kunnen geven, maar deze verdelingen lijken soms banaal of slap. Maar niet altijd. Ook hier moet je op je eigen oordeel afgaan.'
De gulden snede
De verhouding van de gulden snede wordt uitgedrukt in de formule A:B=B:(A+B). Als we een rechte lijn in twee delen A en B verdelen zodat A/B=B/(A+B) of B/A=(A+B)/B vinden we dat de verhouding B/A gelijk is aan (1+V5)/2 of ongeveer 1,618. Dit getal wordt weergegeven door de griekse letter o. Als we de lijn verlengen door deel B met een deel gelijk aan (A+B) krijgen we een reeks van drie lengten A,B,A+B. Dit is het begin van een 'gulden reeks' een wiskundige proportie gebaseerd op de verhouding 0, waar ieder term gelijk is aan de som van de twee voorgaande termen. Het is de enige reeks waarin de termen met elkaar verbonden zijn door vermenig-vuldiging en optelling. In de reeks van de hele getallen 0,1,1,2,3,5,8,13 enz. waar elk getal de som is van de twee voorgaande getallen, nadert de verhouding van twee opeenvolgende getallen het getal o. Deze reeks die in de twaalfde eeuw ontdekt werd door de italiaanse wiskundige Fibonacci, is een benadering van de gulden reeks.
Le Corbusier gebruikte de gulden snede weer in het ontwerp van zijn zakencentrum' in Algiers. Hij suggereert dat het dezelfde eenheid schept van eenheid en verscheidenheid die ook in natuurlijke organismen bestaat.
'Natuurlijke organismen leren ons een belangrijke les: eenheid in vorm, zuivere silhouetten. De secundaire elementen zijn verdeeld op een verlopende schaal die zowel eenheid als verscheidenheid verzekert. Het systeem is tot in zijn verste vertakkingen een geheel.' Over het 'zakencentrum': 'Hier heerst de gulden snede: het heeft de harmonische verpakking en een sprankelend prisma verschaft; het heeft het ritme op een menselijke schaal geregeld, variaties mogelijk gemaakt, fantasierijke details mogelijk gemaakt en het algehele karakter van onder tot boven beheerst. Dit 150 meter hoge gebouw is tegen alle risico's verzekerd: het is in alle delen harmonieus. Het moet bijna wel met ons gevoel harmoniëren.'
Le Corbusier laat ook zien hoe de gulden snede het karakter van de gevel veranderde:
'Alles leek onverbiddelijk beheerst te worden door een reeks van verstandelijke beslissingen. Toen kwam er een poëtische beslissing tussendoor. Het ontwerp was in grote lijnen symmetrisch maar na een bijstelling die het gevolg was van een gulden snede diagram werd het karakter van de gehele gevel asymmetrisch. De vorm lijkt naar links uit te groeien en naar rechts te krimpen als gevolg van de tweevoudige druk van de plek: de rots en de zee. Met andere woorden de afscheiding tussen kleine louvres en grote louvres werd naar links van het midden verschoven, zodat de verdeling van de gevel correspondeert met de verhouding van de gulden snede. Zo schept de verdeling van de gevel een illusie van asymmetrie hoewel de plattegrond symmetrisch bleef.'
Modulor
De bestudering van de gulden snede bracht Le Corbusier tot de 'Modulor': een systeem van verhoudingen die hij als volgt beschrijft:
'De modulor is een maatsysteem gebaseerd op het menselijk lichaam en de wiskunde. De hoogte van een man met opgeheven arm kan in delen worden verdeeld op punten die zijn positie in de ruimte bepalen: zijn voeten, zijn navel, zijn hoofd, zijn vingertoppen. Deze drie intervallen leveren een reeks uit de gulden snede.'
Het principe van de gulden snede is hier gebruikt om twee reeksen met afmetingen van de menselijke figuur op te stellen. De ene (blauwe reeks) is gebaseerd op de hoogte van een staande man met opgeheven arm: 2.26 meter. De andere (rode reeks) is gebaseerd op de hoogte van deze man gemeten van zijn voet tot zijn kruin: 1.83 meter.
Le Corbusier geloofde dat deze maten, direct gerelateerd aan het menselijk lichaam, architecten zouden helpen bouwwerken aan de behoefte van de mens aan te passen.
'De getallen van de Modulor, die uit een oneindig aantal mogelijke waarden gekozen wordt, zijn maten, dat wil zeggen, echte lichamelijke feiten. Ze horen bij een systeem van getallen en hebben daar ook het voordeel van. Waarschijnlijk kiezen we eerder de beste maten als we ze kunnen zien, met uitgestrekte handen kunnen schatten, niet alleen voorstellen (tenminste voor maten die dicht bij ons eigen postuur liggen). Het modulor-meetlint moet daarom op het tekenbord van de architect liggen naast zijn passer, zodat dit hem een direct zicht kan bieden op de maten en bijgevolg een concrete keus kan bieden. Architectuur (ik pas die term toe op bijna elk object dat door de mens gemaakt is) moet onze lichamelijke zinnen aanspreken evenzeer als onze geest.
'De modulor is een stuk gereedschap, een precisie-instrument. Je kunt het zien als een klavier, een piano, een piano die gestemd is. De piano is gestemd, hoe goed je erop speelt hangt van jou af. De modulor verschaft geen talent of, nog minder, genialiteit. Hij scherpt een saaie geest niet aan. Wel geeft hij de gebruiker de voldoening met maten te werken die principieel goed zijn. Maar uit het onbeperkt aantal combinaties van de modulor moet je zelf een keus maken.'
'De modulor is een stuk gereedschap, een precisie instrument. Je kunt het zien als een klavier, een piano die gestemd is. De piano is gestemd, hoe goed je er opspeelt hangt van jou af. De modulor verschaft geen talent of, nog minder genialiteit. Hij scherpt een saaie geest niet aan. Wel geeft hij de gebruiker de voldoening met maten te werken die principieel goed zijn. Maar uit het onbeperkt aantal combinaties van de modulor moet je zelf een keus maken.'
Publicaties
Le Corbusier ontwikkelde een systeem van organische verhoudingen, de Modulor, dat hij in twee delen publiceerde. Ook over architectuur schreef hij veel, waarvan Vers une architecture en La ville radieuse de bekendste titels zijn.
Meubels
Le Corbusier heeft verschillende meubels gemaakt, zoals onder andere de stoelen LC1, LC2 en LC3.




